Skip to main content

Full text of "Bijdragen tot de taal-, land- en volkenkunde"

See other formats


Google 


This is a digital copy of a book that was preserved for generations on library shelves before it was carefully scanned by Google as part of a project 
to make the world’s books discoverable online. 

It has survived long enough for the copyright to expire and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject 
to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books 
are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that’s often difficult to discover. 


Marks, notations and other marginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book’s long journey from the 
publisher to a library and finally to you. 


Usage guidelines 
Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the 


public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to 
prevent abuse by commercial parties, including placing technical restrictions on automated querying. 





We also ask that you: 


+ Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individual 
personal, non-commercial purposes. 





and we request that you use these files for 


+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort to Google’s system: If you are conducting research on machine 
translation, optical character recognition or other areas where access to a large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the 
use of public domain materials for these purposes and may be able to help. 


+ Maintain attribution The Google “watermark” you see on each file is essential for informing people about this project and helping them find 
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it. 


+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just 
because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other 
countries. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can’t offer guidance on whether any specific use of 
any specific book is allowed. Please do not assume that a book’s appearance in Google Book Search means it can be used in any manner 
anywhere in the world. Copyright infringement liability can be quite severe. 






About Google Book Search 


Google’s mission is to organize the world’s information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers 
discover the world’s books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full text of this book on the web 
ai[http: //books . google. com/| 














Google 


Over dit boek 


Dit is cen digitale kopie van een boek dat al generaties lang op bibliotheekplanken heeft gestaan, maar nu zorgvuldig is gescand door Google. Dat 
doen we omdat we alle boeken ter wereld online beschikbaar willen maken. 

Dit boek is zo oud dat het auteursrecht erop is verlopen, zodat het boek nu deel uitmaakt van het publieke domein. Een boek dat tot het publieke 
domein behoort, is een boek dat nooit onder het auteursrecht is gevallen, of waarvan de wettelijke auteursrechttermijn is verlopen. Het kan per land 
verschillen of een boek tot het publieke domein behoort. Boeken in het publieke domein zijn een stem uit het verleden. Ze vormen een bron van 
geschiedenis, cultuur en kennis die anders moeilijk te verkrijgen zou zijn. 

Aantekeningen, opmerkingen en andere kanttekeningen die in het origineel stonden, worden weergegeven in dit bestand, als herinnering aan de 
lange reis die het boek heeft gemaakt van uitgever naar bibliotheek, en uiteindelijk naar u. 


Richtlijnen voor gebruik 


Google werkt samen met bibliotheken om materiaal uit het publieke domein te digitaliseren, zodat het voor iedereen beschikbaar wordt. Boeken 
uit het publieke domein behoren toe aan het publiek; wij bewaren ze alleen. Dit is echter een kostbaar proces. Om deze dienst te kunnen blijven 
leveren, hebben we maatregelen genomen om misbruik door commerciële partijen te voorkomen, zoals het plaatsen van technische beperkingen op 
automatisch zoeken. 


Verder vragen we u het volgende: 


+ Gebruik de bestanden alleen voor niet-commerciële doeleinden We hebben Zoeken naar boeken met Google ontworpen voor gebruik door 
individuen. We vragen u deze bestanden alleen te gebruiken voor persoonlijke en niet-commerciële doeleinden. 


+ Voer geen geautomatiseerde zoekopdrachten uit Stuur geen geautomatiseerde zoekopdrachten naar het systeem van Google. Als u onderzoek 
doet naar computervertalingen, optische tekenherkenning of andere wetenschapsgebieden waarbij u toegang nodig heeft tot grote hoeveelhe- 
den tekst, kunt u contact met ons opnemen. We raden u aan hiervoor materiaal uit het publieke domein te gebruiken, en kunnen u misschien 
hiermee van dienst zijn. 


+ Laat de eigendomsverklaring staan Het “watermerk” van Google dat u onder aan elk bestand ziet, dient om mensen informatie over het 
project te geven, en ze te helpen extra materiaal te vinden met Zoeken naar boeken met Google. Verwijder dit watermerk niet. 


+ Houd u aan de wet Wat u ook doet, houd er rekening mee dat u er zelf verantwoordelijk voor bent dat alles wat u doet legaal is. U kunt er 
niet van uitgaan dat wanneer een werk beschikbaar lijkt te zijn voor het publieke domein in de Verenigde Staten, het ook publiek domein is 
voor gebruikers in andere landen. Of er nog auteursrecht op een boek rust, verschilt per land. We kunnen u niet vertellen wat u in uw geval 
met een bepaald boek mag doen. Neem niet zomaar aan dat u een boek overal ter wereld op allerlei manieren kunt gebruiken, wanneer het 
eenmaal in Zoeken naar boeken met Google staat. De wettelijke aansprakelijkheid voor auteursrechten is behoorlijk streng. 


Informatie over Zoeken naar boeken met Google 
Het doel van Google is om alle informatie wereldwijd toegankelijk en bruikbaar te maken. Zoeken naar boeken met Google helpt lezers boeken uit 


allerlei landen te ontdekken, en helpt auteurs en uitgevers om een nieuw leespubliek te bereiken. U kunt de volledige tekst van dit boek doorzoeken 
op het web viajnttp: //books .google.co 


























BIJDRAGEN 


TOT DE 


TAAL-, LAND- EN VOLKENKUNDE 


VAN 


NEDERLANDSCH-INDIE. 


De Ned. Poek- en Steendrukherij wh H.L. SMITS 
Westeinde 135 's-Gravenhage. 


BIJDRAGEN 


—_—_ nnn 
mmm 


TOT DE 


TAAL-, LAND- EN VOLKENKUNDE 


VAN 


NEDERLANDSCH-INDIE, 


UITGEGEVEN DOOR HET 


KONINKLIJK INSTITUUT VOOR DE TAAL-. LAND- EN 
VOLKENKUNDE VAN NEDERLANDSCH-INDIE. 


ZEVENDE VOLGREEKS. — ZESDE DEEL. 


(DEEL LX DER GEHEELE REEKS. 


‘S-GRAVENHAGE, 
MARTINUS NIJHOFF, 
1908. 


Westeinde 135 ‘s-Gravenhage. 


BIJDRAGEN 


—_—_ nnn 
mmm 


TOT DE 


TAAL-, LAND- EN VOLKENKUNDE 


NEDERLANDSCH-INDIE, 


UITGEGEVEN DOOR HET 


KONINKLIJK INSTITUUT VOOR DE TAAL-, LAND- EN 
VOLKENKUNDE VAN NEDERLANDSCH-INDIE. 


ZEVENDE VOLGREEKS. — ZESDE DEEL. 


(DEEL LX DER GEHEELE REEKS.) 


'S-GRAVENHAGE, 
MARTINUS NUHOFF, 
1908. 


INHOU D. 


Mr. Johan van Dam en zijne tuchtiging van Makassar in 1660, 
door W. E. van Dam van ÍsseLT 


Een Oudjavaansche oorkonde gevonden op de heling v van den 
Kawi, door Prof. Dr. H. Kern 

Aanteekeningen op G. P. Rouffaer's opstel over ‘Atjèhsche 
Soeltanzegels, door Prof. Dr. C. SNrouckK HURGRONJE 

Nieuwe bijdrage tot de kennis van het Mahâyânisme op Java, 
door Dr. H. H. JurnsorL . . 

Eenige Soendasche fabels en vertelsels, door R. A. Krax. 

De Batoe Kémang, nabij Medan, door E. J. van DEN Bera 
en J. H. Neumann, Zeudelingen van het Ned. Zendeling- 
genootschap (met 2 afbeeldingen en plattegrond) . . 

Het ~spinneweb--motief op Timor, door J. A. Loepèr Jr. 
(Met afbeelding) 

Een Maleisch contract van 1600, door Dr. Pu. s. VAN  RoNKEL 
(Met plaat) . . 

Bijdrage tot de kennis van den godsdienst der Dajaks van 
Landak en Tajan, door M. C. Scrapér, Controleur bij het 
Binnenlandsch Bestuur. (Vervolg van Deel LIX, blz. 647) 

De godenbeelden aan den buitenmuur van den Ciwatempel te 
Tjandi Prambanan en de vermoedelijke leeftijd van die 
tempelgroep, door MARTINE ToONNET . 

Breukink’s bijdrage tot eene Gorontalo’sche spraakkunst be- 
sproken door N. ApRIANI . 

Austronesisch en Austroasiatisch door Prof. Dr. H. Kran. . 

Het woord voor Pauw in Santali, Mon en Indonesisch, door 
Prof. Dr. H. Kren . 

Mededeelingen betreffende Sidenreng, Rappang en  Soepa door 
H. pe Voaet Hzn., Contr. B. B.. 

Catalogus der Maleische handschriften van het Koninklijk 
Instituut voor de Taal-, Land- en Volkenkunde van Ned.- 
Indië, door Dr. Pu. S. van RONKEL. . 


Notulen van de Bestuurs- en Algemeene Vergaderingen : 


Bestuursvergadering van 16 Jum 1906. . . 
Bestuursvergadering van 15 September 1906 . 
Bestuursvergadertng van 20 October 1906 
Bestuursvergadering van 17 November 1906 . 
Bestuursvergadering van 15 December 1906 . 
Bestuursvergadering van 19 Januari 1907 . 
Jaarverslag over 1906 eee 
Algemeene Vergadering van 16 Februari 1907 
Bestuursvergadering van 16 Februari 1907 
Bestuursvergadering van 16 Maart 1907 
Bestuursvergadering van 20 April 1907 
Bestuursvergadering van 18 Mei 1907 . 


INHOUD. 


Bhadayde. 


Mr. Johan van Dam en zijne tuchtiging van Makassar in 1660, 
door W. Kk. van Dam van ÍssELT 


Een Oudjavaansche oorkonde gevonden op de helling van den 
Kawi, door Prof. Dr. H. KrErN 


Aanteekeningen op G. P. Rouffaer's opstel over Atjèhsche 
Soeltanzegels, door Prof. Dr. C. Sxouck HURGRONJE 


Nieuwe bijdrage tot de kennis van het Mahâvânisme op Java, 


door Dr. H. H. JuyNBorL . ee . 
Eenige Soendasche fabels en vertelsels, door R. A. KERN. 


De Batoe Kémang, nabij Medan, door KE. J. vAN DEN Bere 
en J. H. Neumann, Zendelingen van het Ned. Zendeling- 
genootschap (Met 2 tekst-illustraties, plaat en plattegrond). 


Het pspinnewebr-motief op Timor, door J. A. Loenèr Jr. 
(Met plaat) . 


Een Maleisch contract van 1600, door Dr. Pu. S. van RONKEL. 
(Met facsimile) . 


Bijdrage tot de kennis van den godsdienst der Dajaks van 
Landak en Tajan, door M. C. Scnapér, Controleur bij het 
Binnenlandsch Bestuur. (Vervolg van Deel LIX, blz. 647) 


De godenbeelden aan den buitenmuur van den Ciwatempel te 
Tjandi Prambanan en de vermoedelijke leeftijd van die 
tempelgroep, door Martine ToNNET . 


Breukink’s bijdrage tot eene Gorontalo’sche sprakkunst, be- 
sproken door N. ADRIANI 


Austronesisch en Austroasiatisch door Prof. Dr. H. Kern . 


Het woord voor Pauw in Santali, Mon en Indonesisch, door 


Prof. Dr. H. Kern 


’ 


307/253 


] 


101 


INHOUD. 


Mr. Johan van Dam en zijne tuchtiging van Makassar in 1660, 
door W. E. van Dam van ÍsseLT . 


Een Oudjavaansche oorkonde gevonden op de heliog van den 
Kawi, door Prof. Dr. H. Kern . 

Aanteekeningen op G. P. Rouffaer’s opstel over “Atjahsche 
Soeltanzegels, door Prof. Dr. C. Snouck HURGRONJE 

Nieuwe bijdrage tot de kennis van het Mahâyânisme op Java, 
door Dr. H. H. JuxrnsorL . 

Eenige Soendasche fabels en vertelsels, door R. A. Kran. 

De Batoe Kémang, nabij Medan, door E. J. van DEN Bere 
en J. H. Neumann, Zendelingen van het Ned. Zendeling- 
genootschap (met 2 afbeeldingen en plattegrond) . . 

Het #spinnewebr-motief op Timor, door J. A. Lorsèr Jr. 
(Met afbeelding) . 

Een Maleisch contract van 1600, door Dr. Pu. s. VAN w RoNKeL. 
(Met plaat) . . 

Bijdrage tot de kennis van den godsdienst der Dajaks van 
Landak en Tajan, door M. C. Scrapér, Controlenr bij het 
Binnenlandsch Bestuur. (Vervolg van Deel LIX, blz. 647) 

De godenbeelden aan den buitenmuur van den Ciwatempel te 
Tjandi Prambanan en de vermoedelijke leeftijd van die 
tempelgroep, door MARTINE Tonner . 

Breukink’s bijdrage tot eene Gorontalo’sche spraakkunst, be 
sproken door N. ADRIANI 

Austronesisch en Austroasiatisch door Prof. Dr. H. Kran. . 

Het woord voor Pauw in Santali, Mon en Indonesisch, door 
Prof. Dr. H. Kern 

Mededeelingen betreffende Sidenreng, Rappeng en Soop, door 
H. ve VoerL Hzn., Contr. B. B.. 

Catalogus der Maleische handschriften van het Koninklijk 
Instituut voor de Taal-, Land- en Volkenkunde van Ned.- 
Indië, door Dr. Pu. S. van RONKEL. 


Notulen van de Bestuurs- en Algemeene Vergaderingen: 


Bestuursvergadering van 16 Juni 1906. . 
Bestuursvergadering van 15 September 1906 . 
Bestuursvergadertng van 20 October 1906 
Bestuursvergadering van 17 November 1906 . 
Bestuursvergadering van 15 December 1906 . 
Bestuursvergadering van 19 Januari 1907 . 
Jaarverslag over 1906 . . . 

Algemeene Vergadering van 16 Februari 1907 
Bestuursvergadering van 16 Februari 1907 
Bestuursvergadering van 16 Maart 1907 
Bestuursvergadering van 20 April 1907 
Bestuursvergadering van 18 Mei 1907 . 


Bladz. 


XII 
XIII 
XVIl 
XIX 
XXI 


» XXIII 


XAV 


- XXVI 


INHOUD. 


Bladayde. 


Mr. Johan van Dam en zijne tuchtiging van Makassar in 1660, 
door W. EK. van Dam van ÍssELT 


Ken Oudjavaansche oorkonde gevonden op de helling vau den 
Kawi, door Prof. Dr. H. Kegan 


Aanteekeningen op G. P. Rouffaer's opstel over Atjéhsche 
Soeltanzegels, door Prof. Dr. C. Ssouck HURGRONJE 


' Nieuwe bijdrage tot de kennis van het Mahâyânisme op Java, 
door Dr. H. H. Juynsour . 


Eenige Soendasche fabels en vertelsels, door R. A. Kern. 


De Batoe Kémang, nabij Medan, door kK. J. van DEN BERe 
en J. H. Neumann, Zendelingen van het Ned. Zendeling- 
genootschap (Met 2 tekst-illustraties, plaat en plattegrond). 


Het rspinnewebr-motief op Timor, door J. A. Loenèr Jr. 
(Met plaat) 


Een Maleisch contract van 1600, door Dr. Pu. S. van RONKEL. 
(Met facsimile) . 


Bijdrage tot de kennis van den godsdienst der Dajaks van 
Landak en Tajan, door M. C. Scnapér, Controleur bij het 
Binnenlandsch Bestuur. (Vervolg van Deel LIX, blz. 647) 


De godenbeelden aan den buitenmuur van den Ciwatempel te 
Tjandi Prambanan en de vermoedelijke leeftijd vau die 
tempelgroep, door Martine ToNNET . 


Breukink’s bijdrage tot eene Gorontalo'sche spraakkunst, be- 
sproken door N. ApRIANI 


Austronesisch en Austroasiatisch door Prof. Dr. H. Kern. 


Het woord voor Pauw in Santali, Mon en Indonesisch, door 


Prof. Dr. H. Kern . . ., 


307253 


] 


97 


101 


128 


150 
166 


173 


VI INHOUD. 


Bladzijde. 


Mededeelingen betreffende Sidenreng, Rappang en oP door 
H. pe Voge, Hzn., Coutr. B. B.. ; 


Catalogus der Maleische handschriften van het Koninklijk 
Instituut voor de Taal-, Land- en Volkenkunde van Ned.- 
Indië, door Dr. Pu. S. van RonKet. 


Fene Kngelsche lezing omtrent de verovering van Banda en 
Ambon in 1796 en omtrent den toestand dier eilanden- 
groepen op het eind der achttiende eeuw. Uitgegeven en 
toegelicht door Mr. J. E. Heeres. 


Iets over de #Ternataansch-Halmahèrascher taalgroep, door 
A. Hurtine (Met schetskaartje). 


Bijdrage tot de kennis der vereering van Wisnu op Java, 
door Dr. H. H. Juynsorr . 


Eene bijdrage tot de geschiedenis der Regeerings-reglementen 


van Ned.-Indië, door P. H. van per Kemp 


Bijdrage tot de volksgeneeskunde bij de Maleiers der Padangsche 
Benedenlanden, door J. J. KrreMer, Controleur bij het 
Binnenlandsch Bestuur 


De Toe Badjeng en de legende omtrent hun oorsprong, door 
J. Trpeman, Controleur bij het Binnenlandsch Bestuur. 


Beschrijving der Maleische handschriften van de Bibliothèque 
Royale te Brussel, door Dr. Pu. S. van RONKEL. 


NOTULEN VAN DE ALGEMEENE EN 
BESTUURSVERGADERINGEN: 

Bestuursvergadering van 16 Juni 1906 
Bestuursvergadering van 15 September 1906. 
Bestuursvergadering van 20 October 1906 
Bestuursvergadering van 17 November 1906. 
Bestuursvergadering van 15 December 1906. 
Bestuursvergadering van 19 Januari 1907. 
Jaarverslag over 1906 


Algemeene Vergadering van 16 Februari 1907 . 


175 


181 


249 
369 
412 


421 


438 
488 


501 


Bestuursvergadering 
Bestuursvergadering 
Bestuursvergadering 
Best uursvergadering 
Bestuursvergadering 
Bestuursvergadering 
Bestuursvergadering 
Bestuursvergadering 
Bestuursvergadering 


Bestuursvergadering 


van 


van 


van 


van 


van 


van 


van 


van 


van 


van 


Jaarverslag over 1907 


INHOUD. 


16 Februari 1907 
16 Maart 1907 
20 April 1907 
18 Mei 1907. 
15 Jum 1907 


21 September 1907. 


19 October 1907 


16 November 1907. 
21 December 1907 . 


18 Januari 1908. 


VII 
Bladzijde. 
NXI 
NNTII 
XXV 
NNVI 
XXIX 
XXXI 
ZXXXV 
XXXAVITI 
XL 

XLII 


XLIV 


Mr. JOHAN VAN DAM EN ZIJNE TUCHTIGING 
VAN MAKASSAR IN 1660. 


DOOR 


W. E. VAN DAM VAN ISSELT. 


Ongetwijfeld zijn er velen, die de geschiedenis van de vestiging 
van ons gezag in onze overzeesche bezittingen niet zóó in hare bij- 
zouderheden kennen als Onno Zwier van Haren, die in het 8° couplet 
van den Negenden Zang van de Geuzen (1776) eenige oude vloot- 
voogden aldus herdacht : 


Maar als de weg, in ‘t Zuiden open 
Aan Zeeuw en Amstel is bekend, 
Zal vloot na vloten derwaarts loopen, 
Die ‘t Oost aan onze wet gewent. 
Let op hoe deze koninkrijken, 
Hoe al de Indiën bezwijken, 
Hoe klein Batavia begon ! 
Hier straft van Dam de Maccassaren, 
Daar temt van Goens de Mallabaren , 
Hier sneuvelt Hulst, en wint Ceylon! 


Daarom willen wij in de herinnering van het nageslacht een der 
vele tochten terugroepen, die bijgedragen hebben tot de vestiging 
van ons gezag in den Oost-Indischen archipel. Te meer aanleiding 
bestaat daartoe, waar ook de man, die bedoelden tocht heeft geleid, 
vrijwel aan de vergetelheid is prijsgegeven. 

Ter bereiking van het bovenstaande doel zou met een eenvoudige 
beschrijving van de tuchtiging van Makassar in 1660 kunnen wor- 
den volstaan. Wenschelijk is het echter aan die beschrijving een 
kleine uitbreiding te geven, waardoor de persoon eu de loopbaan 
van Mr. Johan van Dam eenigszins meer op den voorgrond treden. 
Duidelijk blijkt dan, welk een moeite de Oost-Indische Compagnie 
in de eerste tientallen jaren van haar bestaan had om de verschil- 
lende functiën van haar bewind door zaakkundige personen te doen 


vervullen. Ken goed geordend ambtenaarswezen ontbrak; een vak- 
7e Volgr. VL 1 


2 MR. JOHAN VAN DAM EN ZIJNE 


opleiding voor de verschillende functién kende men niet. Z66 was 
men menigmaal gedwongen de zelfde personen nu eens in deze, 
dan in gene betrekking te gebruiken, onverschillig of zij al dan 
niet daarvoor waren opgeleid. Dat het er toen evenals thans 
meer op aankwam zthe right man on the right place” te brengen; 
dat de vraag, welke vakopleiding men gehad heeft en hoe lang 
men wel in verschillende ondergeschikte betrekkingen heeft door- 
gebracht, hierbij geheel op den achtergrond treedt, dit kan een 
uitvoerige levensbeschrijving van van Dam toonen. Het zou echter 
te ver voeren dit hier te willen bewijzen. Waar wij ons derhalve 
beperken zullen tot een korte opsomming der achtereenvolgende 
betrekkingen, door Mr. Johan van Dam in Indië bekleed, moge 
een beschrijving van de expeditie, in 1660 door hem geleid, be- 
wijzen, hoe van Dam, voor de balie opgeleid, tevens een kundig 
vlootvoogd en krijgsman, een energiek aanvoerder was. 


Mr. Johan van Dam, het tweede kind van Doctor Peter en van 
diens eerste vrouw Catharina Poeyt, moet in het laatst van 1617 
te Amersfoort geboren zijn. * Ferwerda vermeldt. noch het jaar noch 
de plaats zijner geboorte. Daar van Dam’s ouders den 16 Januari 
1616 te Amersfoort trouwden, ? hun derde kind, Mr. Jacob, daar 
reeds den 27% October 1618 gedoopt werd, ® staat de tijd zijner 
geboorte vrijwel vast, terwijl Amersfoort met groote zekerheid als 
zijn geboorteplaats mag beschouwd worden, daar zijn vader, behalve 
doctor, hier in 1616 raad, in 1617 en 1618 schepen was * en ook © 
diens derde kind hier geboren werd. * Is het bovenstaande juist, 
dan blijkt, dat Valentijn zich vergist, waar hij vermeldt, dat Johan 
van Dam van Utrecht geboortig was en omstreeks 40 jaar oud, 
toen hij in 1664 als gouverneur op Amboina kwam. ® Vermoedelijk 





' Zie de genealogie van het Geslagte van Dam bij Ferwerda, Adelijk en 
Aanzienelijk Wapen-Boek, enz. Tweede Stuk, 1763, alsmede het op blz. 3 
en 4 dezer verhandeling vermelde landtransport. 

2 Trouwboek Amersfoort: 1616. 6 Januari (aangifte) Petrus van Dam, doctor 
in der Medicine ende Juffrou Catharina Puyt, beyde van Amersfoort. Alhier 
getrout den 16 Januari 1616. 

3 Doopboek Amersfoort: „27 October 1618. Jacob, kind van doctor Dam”. 

‘ Abraham van Bemmel. Beschrijving van Amersfoort, enz. blz. 626 en 627. 

5 De inschrijving van den doop van Mr. Johan van Dam is te Amersfoort 
niet gevonden. 

6 Francois Valentijn. Oud en Nieuw Oost-Indiën. Deel II, 2° stuk blz. 220. 
Vermoedelijk heeft van der Aa (Biographisch Woordenboek) uit hem geput, 
waar hij vermeldt, dat Johan van Dam omstreeks 1624 te Utrecht geboren werd. 


TUCHTIGING VAN MAKASSAR IN 1660. 3 


heeft Valentijn Utrecht genoemd, omdat van Dam’s vader later 
daarheen verhuisde en er bij vroedschapsresolutie van 25 September 
1637 opgenomen werd onder de „Ordinary Medici deser Stadt.» 

Waar Mr. Johan van Dam gestudeerd heeft, valt niet te zeggen. 
Noch in het Album Studiosorum van Leiden noch in dat van 
Utrecht komt hij voor. 

Het eerst vindt men hem vermeld den 4” Februari 1647, als 
getuige bij den doop van het oudste kind van zijn broeder, Mr. 
Jacob. ' Hij heet hier: „Johan van Dam, Advocaet voor de Ed. Hove 
van Hollant, * Het schijnt, dat hij deze betrekking niet zeer lang 
bekleed heeft, want „Den vijffden Oct. 1647 heeft Mr. Johan van 
Dam als adv* In den Hove Provinciael van Utrecht eedt gedaen. ° 

Den 7™ Apml 1649 was de 7E. hoochgeleerde Mr. Johan van 
Dam, advocaat ‘shoffs van Utrecht” getuige bij het passeeren eener 
acte, waarbij namens Willem Toll een zekere Abraham van Hoochbruch 
gemachtigd werd om vóór stadhouder en leenmannen van Holland 
te verschijnen tot het ontvangen van het Hollandsch leen Isselt. 4 

Den 16° Januari 1650 O. S. wezen #Wilhelm van Dam eude 
Anna Maria Scheffer echteluyden”, in hun testament. vóór notaris 
G. Houtman te Utrecht gepasseerd, „Mr. Johan van Dam, Advocaet 
ende Willem Scheffer Vendrich haerl. broeders eventueel tot »mom- 
bers ende voochden” over hunne kinderen aan. Dienzelfden dag 
werd Mr. Johannes van Dam, Advocaet in den Hove van Utrecht, 
bij acte vóór denzelfden notaris gepasseerd, gemachtigd door Mr. 
Jacobus van Dam, Willem van Dam en Jo°®. Dina van Dam, 
mede uit naam van hun andere broeders en zusters, om als hun 
vertegenwoordiger op te treden tot het ontvangen van ieders aandeel 
in den boedel van wijlen hun oom, deu heer Isaac Peit (sic). 5 

Den 16% November 1650 kwamen vóór schout en schepenen van 
Bunnik en Vechten vde Heere doctor Peter van Dam en Joffr° 
„Henrica Ploos van Amstell (zijn tweede ‘vrouw) echtelieden, gaven 
„hover aen handen en ten behoeve van Mr’ Johan en Jacobus van 


' Doopboek Utrecht, Domkerk. 

2 In het Register van den Hove van Holland, waarin de Naamen der 
Advocaaten en Procureurs, voor den Hove geadmitteerd, enz. (Rijksarchief 
's Gravenhage) is zijn naam niet te vinden. 

3 Register voor eedsafleggingen en admissies enz. van advocaten enz. voor 
het Hof van Utrecht. Rijksarchief Utrecht. 

< Register „Libertas patrie ab anno 1649 ad annum 1653” van de leen- en 
registerkamer der Grafelijkheid van Holland. Capitulo Sticht. folio 6 e. v. 

* Lees Peut of Poeyt. 


4 MR. JOHAN VAN DAM EN ZIJNE ; 


“dam, Advocaeten voor den Hove van Utrecht, Joffrs dina, Elisa- 
„beth, ende Mechtelt van dam en Jacob van dam, de jonckste ! 
„der Comprnten soonen en dochteren en schoonsoonen en schoon- 
ndochteren 2 sekere tien morgen lands, synde vry eigen, allodiaal 
wgoed”, gelegen op Wiltenborch onder den Gerechte van Vechten, 
zijnde ’t land, dat de Comp indertijd hadden gekocht met alle 
gerechtigheden en toebehooren. * 

Mr. Johan van Dam droeg zijn 4 part in bovengenoemd stuk 
land den 24° Februari 1652 O. S. over aan zijn germain-neef, 
den heer en Mr. Pieter van Dam, Advocaet voor den hove van 
Hollant (den lateren advocaat der Oost-Indische Compagnie). + 
Tevoren, den 26 Februari 1652. N. S. had eerstgenoemde daartoe 
bij acte, te Enkhuizen gepasseerd, N. N. als zijn gemachtigde 
aangewezen, die daarna bij acte van substitutie Mr. Jacob van Dam, 
Advocaet voor den Hove van Utrecht, in de plaats stelde. * 

Uit het bovenstaande blijkt, dat Mr. Johan van Dam eenige 
jaren achtereen advocaat voor het Hof van Utrecht bleef, ver- 
moedelijk tot aan zijn vertrek naar Indië. Of zijn verblijf te Enk- 
huizen slechts toevallig was, dan wel of hij toen aldaar reeds in 
betrekking tot de Oost-Indische Compagnie stond, vermochten wij 
niet te ontdekken. 

Zijn eerste benoeming in Indië vond den 17% Juli 1655 plaats. 
Dien dag werd tot lid van den Raad van Justitie te Batavia aan- 
gesteld „den advocaet Joan van Damme, Jongst hier te lande ge- 
comen met de »Maecht van Enckhuysenr als passagier, die wij in 
dienst van’ de Comp* bij desen met een Tractement van vyftich 
guld. aennemen omdat tot die bedieninge bequaem geoordeelt wert.» * 
Zooals later blijken zal, was van Dam eerst kort te voren, den 17% 
Juni, te Batavia aangekomen. ? 








1 Hier doet zich het merkwaardig geval voor, dat in één gezin twee kinderen 
Jacob heeten. Ferwerda noemt hen Jacob Major en Jacob Minor. 

* Hier gebruikt in de beteekenis van stiefzonen en -dochters? 

$ Register van transporten en plechten van Bunnik en Vechten 1686-1656. 
Rijksarchief Utrecht. 

‘ Zie zijn levensbericht van mijne hand in de Bijdragen voor vaderlandsche 
geschiedenis en oudheidkunde. Vierde Reeks. Vijfde deel. Derde aflevering. 1906. 

6 Register van Bunnik en Vechten. 1636 —1656. 

6 Resolutieboeken G. G. en R. v. I. op genoemden datum. Valentijn , Deel III, 
2e stuk, blz. 91 vermeldt, dat Johan van Dam „als vrij Doctor uitgekomen was.” 
Vermoedelijk bedoelt hij doctor in de weleer gebruikelijke beteekenis van 
doctor of meester in de rechten. 

7 Zie blz. 31. 


TUCHTIGING VAN MAKASSAR IN 1660. 5 


Uit het’ werk van Mr. Pieter van Dam over de Oost-Indische 
Compagnie blijkt,' dat alle zaken, zoowel civiele als crimineele, 
de Compagniesdienaren rakende, in eerste instantie voor dien Raad 
kwamen. Hij bestond uit een president, die altijd Raad van Indië 
moest zijn, later ook uit een vice-president, terwijl het geheele 
college 9 (soms 7) leden telde, ven dat van de capabelste en meest 
bejaarde, die goet van leven syn, en de Justitie liefhebben; en ’t 
welck den Generaal en Raden was aanbevolen te besorgeny. De 
gewone leden van den Raad genoten f 100 per maand. 

Verder werd ~den advocaet Joan van Dam, wesende lidt-maet in 
den Raed van Justitie alhiery bij res. van G. G. en R. v. I. dd. 
28 December 1655 benoemd tot vopziender van °s Compagnies 
hospitaals. ? Hiermede aanvaardde hij derhalve een tweede burger- 
betrekking. Het zou echter niet lang duren, of de advocaat, die 
hoogstwaarschijnlijk geen militaire opleiding genoten had, werd 
tevens tot een aanzienlijk militair ambt benoemd. In de resolutiën 
van den 29 December 1656 leest men: „Het maioors-ampt over 
„Batavias guarnisoenen sedert 30° November laestleden, wanneer de 
„Heer Willem van der Beeck Comp" dienst plotselyck gequiteert, 
ven syn burgerlycke vrijdom g'impetreert heeft, gevaceert hebbender, 
„soo Is onderwylen meer als eens bij ons in bedenken genomen, 
wwiens persoon men in dat emportante ampt best ende dienstichst 
„soude connen gebruicken, synde (onses erachtens) alsoo seer van 
nnoode, dat daertoe een man vercoren werde, die ons hier ter plaetse 
mmet goeden raedt en daedt in militaire saken continueel by-woond, 
vals die in voorvallende occasiën herwaerts of derwaerts op cryghs- 
nexpeditien uyttrecke, waertoe het ons evenwel aen geen bequame 
vofficieren, immers onder hooger gesach (gelyck de desseinen en 
„tochten van groote emportantie doch doorgaens vereysschen) soo 
nwij achten, oyt gebrecken sal, Ende is ons onder andere persoonen 
nvan apparentie, en soodanigen calibre, nevens den Capitein Jan 
nvan der Laen, jongst van Colombo weder-gekeert, alsnu voor- 
„gecomen den KH. Mr. Johan van Dam, lidt in den achtbaren Raad 
„van Justitie alhier, die synen dienst tot geroerde functie aangeboden 
wheeft, waer op dan aendachtelyck gelet, en verstaen wesende dat 
ngemelten J. van Dam van soodanige qualiteiten, als wij oordeelen 
„tot dat ampt gerequireert te werden, genoegsaem voorsien, en tot 





! Derde boek, folio 79 e. v. 
3 In den personalia-klapper op de res. van G. G. en R. v. I. 1610—1710 
(m. 8s. Rijksarchief ’s Gravenhage) wordt ten onrechte vermeld: 28 September 1655. 


6 MB. JOHAN VAN DAM EN ZIJNE 


nden militairen dienst seer~geaddoneert sy, waer in hij oock, ge- 
„durende dese Bantamse oorloge, synen goeden yver en courage 
„doorgaens wel heeft laten blycken, en daer door reeds propere 
wexperientie van de Indische, immers deser Javaensche maniereeyan 
wcrygh-voeren, becomen, soo is derhalven by meerder getal van 
„stemmen, besloten en gearresteert, geseyden H. Johan van Dam 
„tot boven-gemelte chargie te verkiesen, ende te gebruicken, met 
„den Tytell van sergeant major over de guarnisoenen ofte soldatesque 
„van Batavias Casteel, Stadt, ende circum-jacente forteressen, wil- 
nlende wij niet dubiteren of de I. Comp® staet daer by niet anders 
„dan goede dienst te gewerden. Ende sal voorsz. J. van Dam 
mniettemin syne vorige ampten van Raadt van Justitie en Regenge 
vover Comp* Hospitael gevoegelyck blyven waernemen”, enz.! 

Hiermede aanvaardde van Dam een voorname betrekking. Valentijn, 
die lijsten geeft van de personen, die verschillende belangrijke 
functiën hebben bekleed, doet de lijst der sergeanten-majoor van 
Batavia volgen op die der ordinaris- en extra-ordinaris Raden van 
Indië, die der Geheimschrijvers der Hooge Regeering van N. L., 
der ontvangers-generaal van N. I. en der opperkooplieden des kasteels , 
terwijl zij die der boekhouders-generaal, der visitateurs-generaal, 
equipagemeesters, advocateu-fiscael enz. voorafgaat. 2 Als zoodanig 
trok hij „honderd tien gulden ’smaands, en tien ryxdaalders aan 
nkostgeld; ook heeft hij een vrije woouing, in 't kasteel, of op 
nde werf eu geniet hij van wijn, kaarssen enz. 't zelve als een 
„Raad van Justitie.r 3 

De sterkte van het garnizoen van Batavia was destijds op 1200 
man vastgesteld, doch bedroeg in den regel meer, „omdat Batavia 
nde recrutes en verlossers alom moet ontfangen en uytgeven en 
„daardoor ordinaris met vele kreupele en gebreckelycke menschen 
„blijft beseth.r * van Dam deelde hier — zooals uit de Dagh-Registers 
van ‘t Casteel Batavia blijkt — de nieuw aangekomen soldaten in 
over de verschillende deelen der bezetting, stelde de officieren aan den 


' Conform het Dagh-register, gehouden int Casteel Batavia. 1 Nov. 1656—1 
Nov. 1657. De reeds genoemde klapper noemt ten onrechte 29 December 1655 
als den datum zijner benoeming. 

2 Valentijn. Deel IV, 1*t stuk, blz. 376. 

3 T. a. p. Deel IV. 1** stuk, bldz. 247. De Raden van Justitie genoten voor 
een waarde van 28 rijksdaalders ’s maands aan boter, wijn, kaarsen, olie, 
brandhout, enz. 

4 Werk van Mr. Pieter van Dam over de O. I. Compagnie, in m. s. berustende 
op het Rijksarchief te 's Gravenhage. 


2 


TUCHTIGING VAN MAKASSER IN 1660. 7 


G. G. voor en wees hén aan, die op expeditie of naar de buiten- 
bezittingen gezonden werden. Zijn taak was echter niet uitsluitend van 
dien vredelievenden aard; meermalen leidde hij kleine ondernemingen 
te land of te water in de omgeving van Batavia. 

Den 16% Januari 1657 rtegens den middach is den E. Johan 
van Dam door haer Eid. (het woort bij den Ed. heere den Gouverneur 
Generael Joan Maetsuyker gevoert werdende) als sergant-maijoor over 
Batavia’s guarnisoenen in debita forma voorgestelt ende geauthoriseert, 
staende de Compagnieën van ’t Casteel, het Vierkant, de hooftpunt 
Zeelandia ende de Nieuwe poorte onder haere respective capiteynen 
en verdere officieren in de wapenen, alsmede Comp* Amboineezen.» 
Er werden salvo’s afgegeven, waarna men voor den nieuwen com- 
mandant defileerde. |. 

In zijn nieuwe betrekking zag van Dam zich al dadelijk belast 
met de leiding eener expeditie tegen Bantam. Met dit Rijk was de 
Compagnie reeds geruimen tijd op gespannen voet, totdat het be- 
rooven, bestelen en vermoorden onzer bevolking in 1656 van dien 
aard werd, dat de Compagnie zich genoodzaakt zag in te grijpen , mede 
omdat voortdurend brand werd gesticht in onze Bantamsche be- 
zittingen. De oorlog brak in Januari 1657 uit; men blokkeerde 
voornamelijk de haven om de bevolking tot rede te brengen en 
tevens den Engelschen handel te fnuiken. 900 Javanen steunden 
ons te land en deden aldaar goede diensten ; zij werden in afdeelingen 
verdeeld, over elke waarvan 2 Hollanders werden gesteld; ook 
hadden wij 80 ruiters in dienst genomen. De oorlog duurde slechts 
kort, daar de Bantammers weldra het hoofd in den schoot legden. 
Toch werd de definitieve vrede eerst in Juli 1659 gesloten. ? 

van Dam’s verblijf te Batavia kenmerkte zich tot 1660 verder 
niet door vele wederwaardigheden. Slechts zij nog vermeld, hoe 
hem bij res. van 12 November 1658 wals sergeant-major deses guar- 
nisoensy £150 per maand werd toegekend, omdat hij sedert zijn 
benoeming op 29 December 1656 nog verscheidene andere neven- 
functiën had bekleed zonder daarvoor eenige verbetering van gagie 
genoten te hebben. Deze verhooging werd hem verleend onder de 
verplichting de Compagnie na expiratie van zijn eerste vijfjarig 
verband nog 8 jaren te zullen dienen. 

Het »Dagh-Register, gehouden int Casteel Batavia, vant passerende 


1 Dagh-Register. 
2 Werk van Mr. Pieter van Dam over de O. I. Compagnie. Zie ook de 
Jonge; Opkomst enz., VI, blz. LVIII vgg. 


8 MR. JOHAN VAN DAM EN ZIJNE 


daer ter plaetse als over geheel Nederlandts-Indiar over 1660 ont- 
breekt. Niettemin staan voor de kennis van de expeditie, in dit 
jaar door van Dam tegen de Makassaren geleid, tal van bronnen 
ter beschikking. In de eerste plaats de »Dagelycke aenteykeninge 
aengehouden op de voyagie van Batavia naer Amboina, ende 
wyders vandaer nae Macassar ende Bima, door den Heer Commandeur 
ende Majoor Jan van Dam, en den E. Johan Truytman, gestelde 
conducteuren, over de navale ende crygsmacht naer de respective 
Oirten uytgesety, enz. Van dit reis-journaal komt een afschrift voor 
in de Overgekomen brieven van G.G. en R. v. I.! Voorts heeft 
men den „Reistogt naar en door Oostindiény, enz. door Wouter 
Schouten ?, die den tocht tot tuchtiging der Makassaren heeft mede- 
gemaakt. Verder het reeds genoemde werk van Mr. Pieter van 
Dam, ®* die grootendeels uit het officiëele verslag geput heeft en 
Frangois Valentijn *, die zijne gegevens hoofdzakelijk aan Schouten 
ontleende. | 

Makassar had de Compagnie reeds in vroegere tijden veel moeite 
gegeven, vooral in Banda en Amboina, waar genoemd Rijk de 
vrebelleny (dat waren zij, die zich tegen het monopoliestelsel der 
Compagnie en de daarmede gepaard gaande onderdrukking der 
bevolking durfden te verzetten) uit eigenbelang steeds gesteund had. 
In 1656 sloot men vrede, doch nog in het zelfde jaar kwamen wel 
40 Makassaarsche scliepen op verschillende oorden van Amboina om 
ons daar in den handel te onderkruipen en de inwoners tegen ons 
op te ruien. Voorts toonde Makasser groot misnoegen, dat wij 
garnizoen op Menado gelegd hadden, hoewel dit aan den Koning 
van Ternate behoorde. De Compagnie bleef inschikkelijk, totdat de 
Makassaren in 1659 onzen commissaris Bastingh zeer overdreven 
eischen stelden. 

De voornaamste daarvan was, dat wij niets zouden ondernemen 
tegen Ceram, Boeroe en Amblau, ofschoon deze tegen de onzen 
grootelijks misdreven hadden en onderdanen waren van den Koning 
van Ternate, die echter de bescherming van Makassar ingeroepen 
had. Verder wilden zij, dat wij ons garnizoen uit Menado zouden 
terugtrekken. Om den vijand te vóórkomen, opdat hij ons niet in 


1 Overgekomen in 1661. Eerste boek, blz. 261—383. Rijksarchief 's Hage. 

2 Vierde druk. Eerste deel, blz. 78— 101. 

8 2° Boek, 1° Deel, Capittel 5, blz. 117 —129. 

$ Oud en Nieuw Oost-Indiën. Deel IL. Tweede stuk, blz. 215—216. Deel III. 
Tweede stuk, blz. 147—152. 


TUCHTIGING VAN MAKASSAR IN 1660. 9 


onze verwijderde buitenbezittingen kon aantasten, besloot men in 
Januari en Februari 1660 een voldoend aautal schepen en 700 man van 
Batavia bij kleine gedeelten — ten einde geen aandacht te trekken — 
naar Amboina over te brengen om van daaruit de expeditie tijdens 
den Oost-mousson te ondernemen; uit de garnizoenen van de 
Molukken, Amboina en Banda moest voorts zooveel volk genomen 
worden, zoowel Nederlanders als inboorlingen, als men daar missen 
kon. Het oppergezag over deze expeditie, zoo te water als te land, 
werd opgedragen aan den majoor van Batavia, Mr. Johan van Dam, 
aan wien de koopman Johan Truytman als rtweeder werd toegevoegd. 
Een uitvoerige instructie werd hun medegegeven. Aan beide bevel- 
hebbers werd gelast om naar Makassar te vertrekken, zoodra de 
vloot zich te Amboina zou vereenigd hebben. Eerst moest men 
Serbite ', een van de Solorsche eilandan, aandoen om zich daar van 
nieuw drinkwater te voorzien en vervolgens naar den hoek van 
Saleyer over te steken. Van hier moest de bevelhebber zich met een 
jacht en een sloep naar Makassar begeven om 3 Hollanders, die 
zich aldaar bevonden, in veiligheid te brengen; de vloot zou zoolang 
aan het eiland Tanakeke blijven liggen. Waren de 3 Hollanders 
gered, dan kon de eigenlijke aanval op de werken van Makassar 
beginnen; in het bijzonder moest het kasteel Panakoke aangetast 
worden. Uitvoerig stond de instructie stil bij de wijze, waarop dit 
geschieden zou. Men moest van Z. naar N. langs de kust varen en 
hierbij de versterkingen krachtig onder vuur nemen, eindigende met 
het N. deel. Zóódoende zou men den vijand misleiden en het grootste 
gedeelte van zijn volk naar het N. lokken. Het Engelsche logies, 
kenbaar aan een vopgeregte standaards, moest bij de bedoelde 
kanonnade zooveel mogelijk gespaard worden. Gelukte de krijgslist, 
dan zouden alle booten, sloepen en prauwen met soldaten en oorlogs- 
gereedschap aan boord, die door een kleine achterhoede gedekt, 
achteraan moesten komen, ter hoogte van het kasteel Panakoke, 
dat aan het zuidelijk deel der versterkingen gelegen was, plotseling 
den steven naar land wenden; de soldaten zouden verrassend landen 
en het kasteel stormenderhand vermeesteren. ? 

Daalde deze instructie naar ouze tegenwoordige opvattiugen te veel 
in bijzonderheden af en ging zij rijkelijk ver, zij getuigde in elk geval 
van een goede plaatselijke bekendheid omtrent het landingspunt , wat 


1 Adanara of Sarbite, een eiland in den Molukschen archipel ten N. O. 
van Flores, ten O. en ten Z. van Solor. 
3 Werk van Mr. Pieter van Dam. 





10 MR. JOHAN VAN DAM EN ZIJNE 


bij latere expedities wel eens gemist werd. ' Ook was het plan goed 
opgezet; zooals later blijken zal, slaagde de uitvoering, bij welke 
men zich strikt aan het vastgestelde hield, volkomen. 

Zondag 22 Februari 1660 begaf van Dam zich te Batavia aan 
boord van het oorlogsschip de Mars en verliet de reede, na alvorens 
in ‘t kasteel van Batavia afscheid genomen te hebben van G.G. 
en R. v. [. Zooals in dien tijd gebruikelijk was, werd de bevel- 
hebber der expeditie aan boord als zoodanig geinstalleerd; rde 
authorisatie werd gedaans door den HE. Heer Arnold de Vlaming 
van Outshoorn, ordinaris-Raad van Indië. 

Ter reede van Japara kwam het opperhoofd onzer factorij, koopman 
Evert Michiels, aan boord en deelde mede, hoe men aldaar overtuigd 
was, dat de tocht Makassar gold. Reeds 28 schepen, zoo groote 
als kleine, waren achtereenvolgens van Batavia langs gekomen. 
Den 8° Maart klaagde de bemanning van 8 der 4 aanwezige sloepen 
over de vsobere gestalter harer vaartuigen; o.a. waren de roeren 
defect. Men voorzag de sloepen van eenig touw en hout en regelde 
de vaart naar hen. Blijkbaar was de zeewaardigheid dezer scheepjes 
niet groot; men vindt trouwens in dezen tijd vele klachten over 
den gebrekkigen toestand der schepen, ook van die, waarmede men 
uit het vaderland naar Indië en naar de Levant voer. In dezen 
bedroog de zuinigheid de wijsheid; jaarlijks vergingen vele schepen. 

Den 9° Maart ontmoette men eenige Compagnies-schepen, 
waarop o.m. 2 brieven van ’sCompagnies dienaren te Makassar, 
één aan G. G. en R. v. I., één aan den gouverneur van Am- 
boina. Na eenig beraad werd eerstbedoelde gelezen; men zag daaruit, 
dat te Makassar door de bevolking vele oorlogstoerustingen werden 
gemaakt, de kasteelen hersteld, het strand versterkt, enz. Men 
achtte de komst van een expeditie aanstaande, doch veinsde tegen 
de Hollanders een goede vriendschap en gaf voor, slechts een 
oprechten vrede te wenschen. 

Den 15 Maart tusschen de eilanden Boeroe en Amblau d.i. in 
de nabijheid van Amboina gekomen, ontving van Dam een briefje 
van den gouverneur Hustaert met verzoek naar het eiland Manipa 
te gaan, alwaar hij kruiste. Werkelijk praaide men in den volgenden 
nacht het schip Louise, waarop zich de gouverneur bevond. Den 
16 meldden van Dam en Truytman zich onder overgave hunner 
commissie bij Hustaert, door wien men zeer verwelkomd werd. Alle 


' OQ. a. bij de 3° Boni-expeditie in 1905. 


TUCHTIGING VAN MAKASSAR IN 1660. 11 


kruisende sloepen werden verzameld en vervolgens werd koers gezet 
naar het Gat van Amboina. Den 17™ ging men aan land; van 
Dam en Truytman werden op het stadhuis gelogeerd, de troep in 
het kasteel. Dagelijks kwamen nu schepen aan; alle soldaten werden 
aan land gezet en in compagnieën van 55 man ingedeeld. Beide 
bevelhebbers maakten zich hun verblijf te Ambon ten nutte om van 
daaruit in gezelschap van den gouverneur Hustaert de eilanden 
Oma en Honimoa! te bezoeken. van Dam bracht hier de dagen 
van 1 tot en met 9 April door. 

Den 29% April vond een groote vast- en bededag plaats in 
geheel de provincie Amboina, vopdat de Heere God de aanzienlijke 
vloot van schepen en volk, nu gereed liggende om eerdaags te 
vertrekken, voor alle tegenspoeden en ongelukken mocht bewaren.r 
Den 2 Mei was de 20° compagnie soldaten gevormd. Dien dag 
zond men een brief aan G.G. en R. v. [.; alle schepen waren 
aangekomen, behalve de Boterbloem (met van Dam van Batavia 
vertrokken), waarvan men het spoor bijster was. De bevelhebbers 
klaagden zeer over den toestand der galjooten, waarvan er 2, na 
hersteld te zijn, zich bij de expeditie hadden aangesloten, één 
echter niet van Boeroe vertrekken dorst. Het jachtje Cleen Batavia 
was onderweg omgewaaid en verongelukt; ook de 4 van Batavia 
medegekomen sloepen vond men verre van fameus. Uit Banda had 
men 53 militaire koppen van het garnizoen ontvangen en voorts 
„tot contributie van den treiny 40 vaten spek, 80 met vleesch en 
voorts 6000 ponden ~bospoeder” (kruit). Uit Ambon kreeg men 
400 duytse militairen (Hollanders) mede en even zoovele Amboineesche 
koppen; 80 vaten half vleesch, half spek en 70 last rijst. Men 
wachtte nu nog slechts de Moluksche bezending; onmiddellijk na 
aankomst daarvan wilde men vertrekken. Men rekende te zullen 
beschikken over 71200 koppen brave Europeische in goede postuur, 
1000 matrozen en 400 Amboineesche ingezetenen; totaal 2600 
koppen.” Ook indien de versterking van de Molukken uitbleef, zou 
_ men den 10° Mei vertrekken; men was alles te zamen matig 
voorzien van levensmiddelen voor 5 maanden, uitgezonderd arak, 
waarvan men te kort kwam. De vloot, versterkt met schepen uit 
Amboina en Ternate, zou groot en klein 82 zeilen tellen. Hoewel 
men de 3 bovenbedoelde scheepjes miste, bestond’ geen gebrek aan 
scheepsruimte. Het schrijven eindigde met de verklaring, dat men 


1 Hier worden de eilanden Haroekoe en Saparoea bedoeld (zie van Hoévell, 
Ambon en de Oeliasers, enz. 1875. blz. 11—12). 


12 MR. JOHAN VAN DAM EN ZIJNE 


wonder de aenroepinge ende hulp Godes het werck met vreuchden 
ende couragie bij der hant zal vatten» en zich „volgens de opgeleyde 
offitiën oock sodanich daer in evertueren, als het de schuldigen 
plicht naer menschelyck vermogen sal requireren.» 

Den 74" Mei werden 2 schepen met 2 compagnieën soldaten 
onder den opperkoopman Hendrick Terhorst vooruitgezonden naar 
het eiland Serbite, om het landvolk aldaar, onze goede geburen, 
van onze komst te verwittigen ; men hoopte daar ~verfrischmiddelen» 
te krijgen. Terhorst moest trachten tegen ruiling of tegen billijke 
betaling zooveel schapen, bokken, buffels en pluimgedierte als 
mogelijk op te doen, alsmede aardvruchten ; daartoe kreeg hij 100 
rijksdaalders in dubbele stuivers mede en een pak Guineesch lijwaad. 
De levensmiddelen moesten vóór aankomst der vloot bijeengebracht 
zijn, de vaarwaters opgelood, terwijl een van de schepen de vloot 
tegemoet gaan moest om den uitslag van een en ander te berichten. 
Men dacht de voorhoede binnen 6 à 7 dagen te volgen. 

Den 5% en den 7% Mei kreeg men nog versterking uit Ternate ; 
drie schepen, die bij de expeditionaire macht gevoegd werden, 
brachten o. a. 105 soldaten en 50 Tidoreezen aan. Den 8° Mei 
werd de 21° compagnie Hollandsche soldaten gevormd, terwijl men 
er nog 47 in reserve had. Het kasteel Victoria en de straten en 
wandelwegen van Amboina vgrimmeldeny nu van volk, zooals 
Schouten het uitdrukt. Dit deed de levensmiddelen tot een buiten- 
gewoon hoogen prijs stijgen. Dien dag liet Hustaert de commissie 
der bevelhebbers voorlezen, salueerde hen met eenige schoten van 
het kasteel Victoria, waarna de troepen in goede orde scheep gin- 
gen; men telde thans 21 compagnieën Europeanen, 5 Amboineesche 
en 1 compagnie van Ternate. Storm en hevige winden, welke den 
gee en den 10°" aanhielden, maakten het ongeraden onder zeil te gaan. 

Den 11°? nam de gouverneur met gevolg afscheid van alle scheeps- 
bevelhebbers, die daartoe aan boord van het admiraalsschip „de 
Mars” vereenigd werden. Door van Dam en Truytman werd nu 
aan alle overheden op de respective schepen, jachten, boots, gal- 
joots ende chaloupen” een ~seylaes ordre ende seynbriefr uitgegeven. 
In dit door beiden geteekeud stuk werd de reisroute tot Serbite 
vermeld, daar hier nieuwe bevelen gegeven zouden worden. Het 
admiraalsschip zou voorop gaan en zijn lichten achteraan voeren. 
Voorts werden regelen vastgesteld voor het verzamelen, indien 
schepen afdwalen mochten, werden seinen vastgesteld, de politie 
geregeld, enz. Elf personen werden aangewezen als ~secrete en ons 


YUCHTIGING VAN MAKASSAR IN 1660. 18 


geadjungeerde Raetspersonen”. Ook een ontmoeting met den vijand 
werd behandeld: »Kenige vyantsschepen ofte vaertuygen gemoetende, 
of begaen kunnende, sal men die met couragie aantasten en sien te 
vermeesteren, daer toe een yder syn schuldige plicht wort ver- 
maent.» Merkwaardig is ook nog, dat aan de botteliers ofte uyt- 
deelders van de arack expresselijk werd bevolen niet toe te laten, 
dat de een het rantsoen van een ander dronk, veel minder het 
aan iemand uit te reiken, die het niet dadelijk, staande voor de 
balie, gebruikte. Uitdrukkelijk werd ten slotte aan de overheden 
van de schepen, waarop Amboineesche of Ternatesche zwarte soldaten 
waren, bevolen, rdat die volken niets anders: dan neffens ende 
gelyck de onse sullen getracteert worden, ende voor al beschermt 
van alle overlasten ende injuren.» - 

Den 12 Mei verliet men de reede met 29 schepen , behalve de 2 
vooruitgezondene. De geheele expeditie telde de hiervoren aaugegeven 
sterkte. 1 Negen dagen later ontmoette men het door Terhorst terug- 
gezonden scheepje. Op aanwijzing van dit vaartuig kwam men bij 
Serbite ten anker. Terhorst, die onder Solor’s wal lag, kwam dien dag 
verslag uitbrengen; hij had 80 schapen, 9 buffels en een partij pluim- 
gedierte bemachtigd; voorts ongeveer 8 last boontjes en katjang ; naar 
goed drinkwater was te vergeefs gezocht. Daarom lichtte men in den 
nacht van 24 op 25 Mei het anker en kwam met de vloot in 
Lammahalesengte, tusschen Solor en Serbite, te liggen. Met eenige 
moeite vond men op laatstgenoemd eiland een rivier met helder en 
zuiver water, hetwelk van het hooge gebergte zeewaarts rolde. 

Den 25% zond de Koningin van Solor hare gecommitteerden met 
5 vaartuigen om hun opwachting bij den vlootvoogd te maken; 
het waren vele zwarte orankaaien, edellieden en een groot gevolg. ? 

Den volgenden dag werd de vsecrete raads bijeengeroepen; eerst 
nu werd opening gedaan van het ware doel van den tocht en order 
gesteld op de verdere uitvoering der expeditie. De koopman Jan 
Barra werd aangewezen als visitateur van de militaire scheeps- en 
legerboeken ; voorts werd een commissaris aangewezen over de /trains- 
behoeften» en een visitateur van de scheepsconsumptie; ten slotte 
ook een gezaghebber over alle kleine vaartuigen. Uit het scheeps- 
volk werden nog 3 compagnieën & 50 man gevormd; twee hiervan 


1 Schouten, blz. 77, Valentijn, deel II, 2° stuk en deel III, 2° stuk geven 
een eenigszins andere samenstelling der vloot op. 

2 Schouten, blz. 79 vermeldt, dat de Koningin hierbij persoonlijk tegen- 
woordig was. . 


14 MR. JOHAN VAN DAM EN ZIJNE 


werden met pieken en zijdgeweer bewapend, de derde alleen met 
bijlen en granaatzakken. 

In deze bijeenkomst werd ook de geconcipieerde ~seylaes ordre 
en reglement» voor de verdere reis langs Tanakeke tot Makassar 
voorgelezen. Daar de rdagelycke aenteykeninger vermeldt, dat zij 
in allen deele geapprobeerd werd, blijkt hieruit, dat de secrete 
raad een soort van scheeps- of krijgsraad was, dien de opperbevel- 
hebber hooren moest omtrent alle zaken van gewicht. In die be- 
scheiden werd reeds vastgesteld, dat Johan van Dam en Truytman, 
nabij Saleyer gekomen, met het schip de Mars en de sloepen de 
Kreeft en Jacatra met #'t zamen alle die van haren geadjungeerden 
secreten rader zich bij provisie naar Makassar zouden begeven om, 
alvorens eenige daad van vijandschap te verrichten, te zien om 
onder minnelijk voorwendsel de 3 compagniesdienaren aldaar aan boord 
te krijgen, de stad van buiten te verkennen en vooral op het zuider- 
kasteel te letten. Inmiddels zouden de andere schepen onder den 
opperkoopman Frederik Eeders langzaam volgen en beoosten het 
eiland Tanakeke ten anker komen. Wanneer de vloot vandaar opge- 
roepen werd, zouden de groote schepen en de galjoots voorop zeilen , 
zóó dicht langs de kust, dat men de volle laag aan het kasteel kon 
geven. Aldus de geheele kust en de kasteelen met hun geschut 
ptroevender, zouden de 18 groote schepen, wier volgorde in het 
zeilen vastgesteld werd, steeds noordwaarts gaan, om de Makassaren 
omtrent het landingspunt te misleiden. Opgedragen werd, goed op 
te letten, dat het Engelsche logies niet beschoten werd; het was 
een groot musketschot benoorden ‘s Konings kasteel gelegen en ken- 
baar aan een vopgerechten standaards. De booten en galjoots, ge- 
volgd door de sloepen en kleine vaartuigen, moesten nabij het 
zuiderkasteel ophouden. De bemanning van deze schepen zou, onder 
„het spelen van het geschut, aan weerszijden van het zuiderkasteel 
landen en dit onmiddellijk aantasten. Ten slotte werd bevolen alle 
palissaden aan te spitsen en tot inzetten gereed te houden, voorts 
zeer voorzichtig te zijn met het buskruit. 

De aldus goedgekeurde ~seylaes ordre en reglement» werden nog 
den zelfden dag op de vloot uitgedeeld. Schouten verhaalt, dat men 
in tweeërlei opzicht verbaasd was. In de eerste plaats had meu het 
doel van den tocht zorgvuldig geheim gehouden. Wel waren te 
Amboina alle schepen voorzien van stormpalen, palissaden, enz. en 
ten oorlog toegerust, zoodat bekend was, dat men op expeditie 
ging, doch verder wist men niets. De algemeene gedachte was, dat 


TUCHTIGING VAN MAKKASSER IN 1660. 15 


men een aanslag op» de eilanden Solor en Timor voorhad, om de 
Portugeezen aldaar uit hun versterkingen te verdrijven; in dit 
vermoeden werd men versterkt, toen het schip Arnemuiden daarheen 
vooruit gezonden werd, om de inwoners, die onze vrienden waren, 
van onze komst te verwittigen en hun te verzekeren, dat zij niets 
van ons zouden te vreezen hebben, daar wij slechts kwamen om ons van 
ververschingen te voorzien en dan de Portugeezen dachten te verjagen. 
In de tweede plaats gold de verbazing de stoutmoedigheid van het be- 
wind der Compagnie te Batavia, dat met een betrekkelijk geringe macht 
een machtig koninkrijk vol strijdbare mannen durfde aan te tasten. ! 

Den 27°" Mei werd de ~breede ende crygsraet beroepen.” Aan 
alle schippers werd gevraagd of zij hunne schepen van versch drink- 
water en verder van al het noodige hadden voorzien; de te volgen 
weg werd vastgesteld en bepaald, dat men zich nu reeds voor den 
strijd gereed maken moest. In den krijgsraad werd aan alle luitenants 
gelast hun troepen behoorlijk te monsteren en vooral de onbruikbare 
geweren uit te zoeken; deze konden op het admiraalsschip tegen 
goede worden ingeruild. Bij Tanakeke gekomen, zou men den troep 
van kruit en lood voorzien. Voorts werden alle officieren aangemaand 
mind’ occasie hun manhafticheyt te presteren.” Dien dag zond de 
Koningin van Solor als tegengeschenk 4 buffels, 11 zak boontjes | 
en katjang, en voorts eenig lijwaad. 

Gedurende het verblijf tusschen de eilanden Serbiette en Solor 
trad het scheepsvolk ook in verbinding met de bevolking. Die van 
eerstgenoemd eiland was blijkbaar zeer weinig beschaafd ; de menschen 
liepen bijna geheel naakt en ruilden allerlei vruchten en levens- 
middelen tegen oud ijzer, messen, lepels en koralen. Deze menschen, 
zegt Schouten, „waren zóó onnoozel, dat zij tinnen lepels voor 
zilveren kozen. Zij droegen hun wapens, welke grootstendeels in boogen 
en pijlen bestonden, overal bij zig. De Soloreezen waren vrijpostiger ; 
zij kwamen dagelijks met hun kano’s om allerlei voorraad en gewassen 
te koop aan te bieden tegen lijwaad; geld was niet van hun gading”. * 

Den 28 Mei ‘sochtends vroeg lichtte men gezamenlijk het anker , 
thans met bestemming voor Makassar. Den 5 Juni bleek, dat men 
in de nabijheid van Saleyer was. De secrete raad werd opnieuw aan 
boord van de Mars beroepen; wegens de slechtbezeildheid van de 
2 genoemde kleine vaartuigen werd besloten in plaats daarvan het 


1 De Makassaren werden de „Haentjens van ’t Oosten” genoemd. 
t W. Schouten, blz. 80. 


16 MR. JOHAN VAN DAM EN ZIJNE 


fluitje Breukelen met het admiraalsschip mede te geven. Hiervan, 
als van alle andere besluiten van een der raden, werden resolutiën 
opgemaakt, die in haar geheel in de vdagelycke aenteykeninger 
opgenomen en door den raad onderteekend werden. Nadat op alles 
de vereischte orde gesteld was, namen van Dam en Truytman 
afscheid van de vloot en gingen vooruit. ! 

Den 6 °s morgens zag men het land van Celebes, ’s avonds was 
men de engte van Tanakeke door en den 7° Juni kwam men te 
Makassar, recht tegenover ‘s Compagnies woningen, voor anker. 
Dadelijk kwamen ‘s Compagnies assistent en Mr. Pieter met een 
compagnies-schepprauw aan boord van de Mars, doch de derde 
Hollander, Jan de Matroos, was nog in het logies. Daarom zond 
men de schepprauw met de Makassaarsche huurliugen naar land 
terug, met den last voor Jan de Matroos om een partij hoenders 
te brengen. Dit was natuurlijk een list om ook hem behouden aan 
boord te krijgen. Ten einde geen argwaan te wekken, zeide men 
aan de huurlingen, dat zij zich haasten zouden, daar de 2 andere 
Hollanders nog ‘savonds naar land terug wilden om den Koning 
bericht te brengen van de aankomst der Hollandsche ambassadeurs. 
De 2 Hollanders hadden weinig nieuws mede te deelen; sedert het 
verzenden hunner missiven was nu ook het Portugeesche kwartier 
versterkt, wat men van uit het schip reeds gezien had. De Makassaren 
hadden geen kennis van de nadering onzer vloot. Voor genoemd 
kwartier lagen 6 Portugeesche schepen en een fregatsgewijze ingericht 
jonkje, waarvan 4 diep geladen schenen. Bijna den geheelen nacht 
werd er beraadslaagd, wat men doen zou met de Portugeesche 
schepen, die den onzen vniet weinig in de oogen flikkerden. Viel 
men eerst Makassar aan, dan was er veel kans, dat de Portugeesche 
buit ontsnapte, daar deze gereed was tot vertrekken. Men besloot 
daarom af te wijken van de instructie en eerst de Portugeesche 
schepen aan te vallen, waarvan wederom een resolutie opgemaakt 
werd. Vastgesteld werd, dat men den volgenden morgen, ook ingeval 
Jan de Matroos nog niet aangekomen zou zijn, bij het aanbreken 
van den dag de Portugeezen aantasten en voorloopig Makassar 
ongemoeid laten zou. Daarom kon de rest der vloot niet te hulp 
komen en zou de aanval met 2 schepen tegen 6 & 7 geschieden. 


1 Valentijn, Deel III, Tweede stuk, vermeldt ten onrechte, dat de aan- 
voerders vooruitgingen om te trachten nog tot een minnelijke schikking te 
komen. Hun eenig doel was om zonder opzien te baren de 8 Hollanders van 
Makassar in veiligheid te brengen en de kust te verkennen. 


PUCHTIGING VAN MAKASSAR IN 1660. 17 


Men vermoedde, dat deze aanval rop onze vijanden, de Portugeeze” 
den Koning van Makassar wel schrik inboezemen zou. 

Tot groote vreugde der onzen kwam Jan de Matroos nog in den 
vroegen morgen van den 8° aan boord. De aanval begon kort 
daarna. De heeren van Dam en Truytman gingen met hun beide 
welbezeilde schepen kloekmoedig op den vijand los en gaven hem 
tot een morgengroet de volle laag van het met schroot en kogels 
geladen donderend kanon. De Portugeezen toonden echter, dat zij 
ook reeds wakker waren en boden in het eerst een krachtigen 
tegenstaud, zoodat de kogels van weerskanten in menigte door 
de schepen vlogen en men overal uiets dan vuur en rook zag. ! 
De kansen stonden aanvankelijk gelijk, totdat een gelukkig toeval 
die ten guuste der onzen deed overhellen; het Portugeesche 
admiraalsschip vloog op eenmaal met al zijn volk in de lucht. 
Kort daarna geraakten 2 andere hunner schepen in brand, die tot 
op de waterlijn afbraudden en eenigen tijd later ook in de lucht 
vlogen; de bemanning van deze schepen had zich intijds, ten deele 
zwemmende, ten deele met kleine vaartuigen gered. Toen werden 
2 andere Portugeesche schepen op het strand gejaagd, terwijl het 
zesde, de Nostra Signora de Remedia, door het fluitschip Breukelen 
geënterd en vervolgens genomen werd. De gevangen Portugeezen 
werden vrijgelaten en met een klein vaartuig naar land gezonden, 
opdat zij hunne landgenooten verhalen konden, hoe hun het bezoek 
der Nederlanders bekomen was. 

De onzen kregen in dit gevecht slechts 5 dooden en 5 gewonden, 
terwijl de vijand vele gesneuvelden en gekwetsten had. Ons admiraals- 
schip, de Mars, was in groot gevaar geweest; men was in de 
onmiddellijke nabijheid van het vijandelijk admiraalsschip en voor- 
nemens dit te enteren, toen het in de lucht vloog; zelf had men 
13 duizend pond buskruit aan boord. 

Zoodra de strijd begon, had de Koning van Makassar, die 
met zijn edelen getuige van dit schouwspel was, overal de bloed- 
vlaggen doen hijschen. Weldra werden hunne gongs en krijgs- 
trompetten langs het geheele strand en landwaarts in menigte 
gehoord, terwijl het zware geschut onze schepen onder vuur nam. 
Daar ons hiermede de vrede opgezegd werd, beschouwde men onzer- 
zijds verder onderhandelen overbodig. Men bleef derhalve, toen de 
Portugeesche schepen vernield of genomen waren, doorvuren, totdat 


1 W. Schouten, blz. 82. Zie ook Plaat XIII. 
7° Volgr. VI. 2 





18 MR. JOHAN VAN DAM EN ZIJNE 


des avonds de landwind de onzen in staat stelde zichzelf en het 
genomen schip in veiligheid te brengen. Het Engelsche logies was 
volkomen gespaard, evenals een Engelsch schip, dat ter reede lag. 

Alvorens te vertrekken, zond men den Koning van Makassar een 
in het Maleisch vertaalden brief, welke overgebracht werd door de 
2 Makassaren, die des morgens met Jan de Matroos aan boord ge- 
komen waren. Om den Koning verder zoo weinig mogelijk tijd tot 
tegenweer te schenken, ging men nog ‘savonds de vloot tegemoet, 
„ua den Almachtigen Behoeder in ons hart gedankt te hebben voor 
het zonderbare genadebewijs van zijn Goddelijke hulp.r 

Den 94" Juni ‘smorgens gingen Truytman en Terhorst op in- 
spectie bij den genomen Portugees. Het schip bleek aan de Geeste- 
lijke Compagnie te Macao! te behooren en was propvol met sandel- 
hout, een partij peper, nagelen, noot, buffelhorens, rottang, enz. 
Het was zóó reddeloos geschoten, dat het onmogelijk volgen kon; 
daarom werd het den 10°" tusschen Makassar en Tanakeke onder de 
hoede van de Breukelen achtergelaten. 

Den 11° Juni bereikte de Mars onze vloot op de vastgestelde 
plaats. Hier had men zich intusschen tot den strijd gereed gemaakt. 
„Men bespeurde in de gantsche vloot eenen wakkeren moed onder 
wal het volk, tonende elk zijne begeerte, om met de trotze Makassers 
naan den gang te komen. Alleen onze zwarte Amboineezen, die 
„dappere krijgshelden, welken, toen zij van Amboina vertrokken, 
„zulke manhaftige gebaerden aanrighten, omdat zij geen andere 
ngedagten hadden, dan slegts een togtje naar de eilanden van Solor 
nen Tijmor te doen, en daar eenen weêrloosen hoop zwarten te ver- 
njagen, stonden thans geheel verbaasd en door schrik bevangen, nu 
„zij hoorden, dat men op Makasser losging, om het zelve met eenen 
„mannenmoed aantetasten. 

“Op ons schip hadden wij ééne kompagnie van deze krijgshelden. 
„De kapitein van dezelve, die met ons bij de schipsbevelhebbers 
nin de kajuit de tafel had, had te voren menigmaal gezwetst op 
„zijne dapperheid, en gezegd, dat hij besloten had, op desen togt 
„geen gezouten vleesch meer te eten voor dat hij van zijner vijanden 
wherssenen gebraden en genuttigd zou hebben. Maar nu bezweek deze 
nkloekmoedige en onvertzaagde krijgsman schier van schrik, als 
„hij slegts Makasser hoorde noemen, zig niet anders voorstellende, 


9 


ndan dat hij met zijn volk hier ter slagtbank werd geleid». 2 


1 Letterlijk overgenomen uit van Dam’s verslag. 
3 W. Schouten. 


TUCHTIGING VAN MAKASSAR IN 1660. ‚19 


Op weg naar Makassar kwam men eerst een Makassaarsch vaar- 
tuig tegen met een vredevaantje en een partij goud en lijnwaad, 
door den Koning aangeboden als schadeloosstelling voor hetgeen van 
de onzen te Bima geroofd was; men nam een en ander aan en zond 
het schip terug. Vervolgeus ontmoette men de Breukelen met het 
veroverde vaartuig, dat inmiddels hersteld en in „De Hollandsche 
Remediar omgedoopt was; beide sloten zich bij de vloot aan. 

Den 12°" Juni, nabij Makassar gekomen, stapten van Dam en 
Truytman over op het snelzeilend jacht de Kat. Insgelijks ging al 
het krijgsvolk van de elf kloekste schepen in alle stilte over op de 
jachten, fluiten en galjooten, terwijl men zich van alles voorzag, 
wat bij de uitvoering van de landing noodig kon zijn. Op die wijze 
misleidde men den vijand; het schip met de admiraalsvlag zeilde 
met de andere groote schepen door naar het N., terwijl de opper- 
bevelhebbers bij de voor de landing bestemde hoofdmacht achterbleven. 
Overeenkomstig de vroeger vastgestelde plannen begon het zware 
geschut der elf hierbedoelde schepen de kust, inzonderheid de 
kasteelen, dapper te ztroevenr, terwijl men N.waarts voer. t Eerst werd 
het strand nabij het Zuiderkasteel van vijanden schoongeveegd, terwijl- 
daarna het kasteel zelf flink onder vuur genomen werd. De Makassaren 
beantwoordden ons geschutvuur krachtig, doch hunne schoten gingen 
aanvankelijk te ver, zoodat zij onze schepen weinig beschadigden. 

Voortgaande koos men daarna de tempels en gebouwen van 
Makassar ten doel, totdat men bij het Koninklijk kasteel Samboepo 
gekomen was, dat door een concentratie van vuur zeer veel te 
lijden had. Een van ’s Konings schoonste vrouwen werd aan zijne 
zijde gedood. Doch ook het geschutvuur des vijands nam thans in 
hevigheid en juistheid toe. Bijgestaan door ter hulp gesnelde Portu- 
geezen slaagde hij er meermalen tn onze schepen te raken, waarvan 
er verscheidene beschadigd werden. Men kreeg schoten op en onder 
de waterlijn, doch door de vaardigheid der timmerlieden werden de 
gaten weldra gedicht. 

In de overtuiging, dat de aanval het kasteel Samboepo gold, 
kwamen de gewapende Makassaren van alle kanten opdagen om hun 
„vorst tegen onze landing te beschermen. Te dien einde trokken ook 
4000 man uit het kasteel Panakoke en omgeving naar het N., in 
de hoop ons voor het vorstelijk slot het hoBfd te doen stooten. 
Intusschen waren onze overige vaartuigen met de zeilen hij den 


1 Een afbeelding van dezen aanval vindt men bij Schouten. Plaat XIV. 


20 MR. JOHAN VAN DAM EN ZIJNE 


mast in de nabijheid van het Zuiderkasteel blijven liggen, waar zij . 
den schijn aannamen niet in staat te zijn iets te ondernemen. Hier 
lagen echter de 2 opperbevelhebbers met vele vendels soldaten ver- 
borgen onder verdekken, tenten en overloopen, ~verlangende, gelijk 
„weleer die in het turfschip van Breda, naar eene ruimere lugt 
nen bekwaamen tijd om een aanslag uittevoeren, die vrij aan- 
„merkelijk was.” ! 

Zoodra de krijgslist gelukt bleek, werd het sein gegeven om te 
‘landen. Zonder veel te vuren ging men aan land en viel het 
Zuiderkasteel aan, waarvan de bezetting te zwak was om weerstand 
te bieden. Zij trachtte nog langs de landpoort te ontsnappen, doch 
reeds was een compagnie piekeniers haar aan die zijde voor. Allen 
werden in het kasteel teruggedreven en gedood; ook sprongen 
vele Makassaren, door schrik bevangen, van de muren neder en 
werden afgemaakt; in het kasteel telde men 59 dooden, bovendien 
velen daarbuiten. Slechts weinigen ontkwamen ev verspreidden een 
algemeene ontsteltenis onder den vijand. Zoodra de onzen meester waren 
van het kasteel, werden de Prinsenvlag en verscheidene vaandels 
op de veroverde vesting geplaatst. De wallen van het kasteel hadden 
dermate van ons geschutvuur geleden, dat men er op verschillende 
plaatsen zonder stormladders binnendringen kon. Daarom werden 
zij voorloopig zoo goed mogelijk hersteld, de stukken weder be- 
hoorlijk op de affuiten geplaatst en het geheele kasteel in staat 
van tegenweer gebracht. Weldra bleek, dat dit geen overbodige 
voorzorg was. Zoodra de Makassaren tot de overtuiging kwamen, 
dat zij misleid waren en het Zuiderkasteel hun ontnomen was, 
keerden zij zich met groote drommen tegen dit laatste, in de 
hoop het te hernemen en de onzen in zee te drijven. Duizenden 
pijlen en vergiftige assagaaien snorden door de lucht en vielen in 
de vesting. Anderen deden hun best met musketten, vuurballen en 
klein geschut of trachtten met hun onbekwaam stormgereedschap 
de steile wallen te beklimmen. De onzen ontvingen hen echter zóó 
wel met de metalen stukken, met het geweer en met handgranaten, 
dat de tegenaanval mislukte en de vijand met bebloede koppen 
afdeinzen moest. van Dam en Truytman verrichtten daarop een 
uitval, die werd voortgezet tot aan de rivier, die tusschen het 
Zuiderkasteel en Samboepo door Makassar stroomt. Door dien uitval 
geraakte de vijand geheel in verwarring; velen trachtten zich zwem- 
mende te redden. 


1 Zie W. Schouten, blz. 86—90. e 


TUCHTIGING VAN MAKASSAR IN 1660. 21 


Tijdens den terugkeer der onzen naar het kasteel werd het geheele 
terrein tusschen dit laatste en de rivier afgebrand om rondom het 
kasteel vrij schootsveld te hebben. Een groote negorij, tempels, 
huizen en scheepstimmerwerven der Makassaren gingen hierbij verloren. 
Vóór het vallen van den avond werd het terrein ook ten Z. van het 
kasteel een eindweegs afgebrand. Men nam hierbij nog een paar 
jonken met sandelhout. 

Intusschen waren de groote schepen, na het kasteel Samboepo 
geteisterd te hebben, nog N.waarts gegaan. Het kantoor der Engelsche 
Compagnie, waarvóór eeu schip ten anker lag, werd ongemoeid 
gelaten. Verder komende kanonneerde men de stad opnieuw en 
kwam ten slotte aan het kwartier der Portugeezen, waar prachtige 
gebouwen naast sterke batterijen en verschansingen lagen. Zij schenen 
zich te willen wreken voor het verlies hunner handelsschepen en 
begonnen dus wakker op onze schepen los te branden. De onzen 
lieten zich niet oubetuigd en beantwoordden, dicht langs de batterijen 
voorbijvarende, het vuur met alle kracht. Ten slotte kanonneerde 
men het aan de N.zijde van Makassar gelegen kasteel Djoempandang, 
waarna men den steven wendde en in omgekeerde orde de geheele 
kust nogmaals de volle. laag gaf. Vóór het Portugeesche kwartier 
geraakte één schip, te dicht langs den wal varende, met zijn roer 
verward in het ankertouw van het gezonken Portugeesche admiraals- 
schip. Alle pogingen om los te komen bleven vruchteloos. De Portu- 
geezen, dit bemerkende, verdubbelden hun vuur in de hoop bedoeld 
schip in den grond te boren. Vermoedelijk trof een hunner kogels 
het hinderlijke ankertouw; althans het schip geraakte eensklaps los 
en kon, zich van den wal verwijderende, bij de andere schepen 
aansluiten. 

Hoewel het vuur des vijands meer en meer begon te verflauwen, 
hielden de onzen hun kanonnade vol tot het vallen van de duisternis. 
Toen kwam de geheele vloot aan weerszijden van het Zuider-kasteel 
ten anker. 

De onzen hadden in het geheel 9 dooden en 14 gekwetsten. Aan 
de landing hadden 25 compagnieën deel genomeu ; de vijf Amboineesche 
compagnieën waren aan boord gebleven om het gevecht ter zee bij 
te wonen en eerst wat vcourageusery te worden; zij gingen den 
volgenden dag aan land. 

Den 13° Juni, een Zondag, vond eerst een dankzegging plaats 
tot God voor zijn bewezen genade. Daarna ging ieder aan het 
werk om de geleden schade te herstellen ; de dooden werden begraven 


22 MR. JOHAM VAN DAM EN ZIJNE 


en de gekwetsten onder toezicht van den chirurgijn behandeld. Het 
strand lag allerwege bezaaid met gesneuvelden des vijands, doch 
‚het begraven dezer dooden liet men aan de Makassaren over. Dien 
dag ontving men 4 gezanten des Konings, die om den vrede 
kwamen vragen. Onze opperbevelhebbers gaven den Koning alle 
schuld, daar hij, ondauks vonze vredige, vriendelycke en reverente 
verscheyninge” had ingegrepeu in ons gevecht met de Portugeezen 
door het hijschen van de bloedvlag en het bevuren onzer schepen 
zonder eenige waarschuwing. Men behandelde de gezanten op vrij 
hoogen toon en gaf hun te kennen, dat eerlang een veel machtiger 
vloot van Batavia zou uitzeilen om met het rijk van Makassar af 
te rekenen. Daar meu de gezanten des Konings niet voornaam 
genoeg oordeelde, zond men hen met de bovenstaande mededeeling 
terug en met den last om met een persoon van meer gezag terug 
te keeren. Des middags keerden zij, nu vijf personen sterk, weer 
en werd hun na eenig onderhandelen een wapenstilstand toegestaan. 

Zonder voorkennis van het bewind der Compagnie te Batavia 
wilden de opperbevelhebbers geen vrede sluiten, daar men zich 
hiertoe niet bevoegd verklaarde. Men gaf den Koning den raad zoo 
spoedig mogelijk zijne gezanten, zoo van staat als van verstand, 
naar Batavia te zenden, om daar te onderhandelen. Dien dag kwam 
ook de Engelsche onderkoopman aan boord met een geschrift van 
zijn opperhoofd, waarin dankbaar de goede orde erkend werd, op 
onze vloot gesteld en dank betuigd voor het sparen van de Bngelsche 
factorij. 

Den 14 kwamen de 5 gezanten terug. De Koning had 4 ge- 
zanten aangewezen, die namens hem naar Batavia zouden gaan. 
Daar het 4 Moorsche schriftgeleerden waren, werd geantwoord, dat 
er nog eenige hooge personages bijgevoegd moesten worden. De 
Koning wees er daarop nog twee aan, doch daar deze volgens de inlich- 
tingen van de te Makassar gevestigde Hollanders niet # gequalificeerd » 
genoeg waren, stelde men den Koning 4 van de grootsten des lands 
voor, waaruit hij er een kiezen moest. Nadat hij nog een poging 
gewaagd had om alle onderhandelingen te Makassar af te handelen 
en nadat hem gezegd was, dat hij een prompt bescheid moest geven, 
wees hij den 15%" een bejaarden prins, Karaeng Popo, als hoofd 
van het gezantschap aan. 

Den Koning werd aangezegd, dat het gezantschap een ‘schriftelijke 
volmacht hebben moest om in zijn naam met den Gouverneur- 
Generaal en den Ruad van Indië te onderhandelen; tot na afloop 


TUCHTIGING VAN MAKASSAR IN 1660. 23 


der onderhandelingen zou het veroverde kasteel als onderpand in 
onze handen en zouden eenige schepen op de reede blijven. Intus- 
schen werd dit kasteel geducht versterkt; een nieuwe gracht werd 
gegraven, de berm van sterke palissaden voorzien en aan de zeezijde 
langs den muur een dubbele rij van Friesche ruiters gelegd. Dien 
dag ontving men bericht, dat de »Botterbloem~ in de bocht van Tanette 
vergaan was en de opvarenden, 21 man, door ’s Konings onder- 
danen aldaar gevangen gehouden werden. Men eischte, dat de Koning 
onmiddellijk naar Tanette, dat niet ver van Makassar gelegen was, 
den last zou zenden om de bemanning in vrijheid te stellen. Weinige 
dagen later werd hieraan voldaan; 2 jongmaats, die Moorsch ge- 
worden waren, keerden niet terug. 

Den 16% kwam van de Engelsche kolonie een schrijven in met 
de mededeeling, dat men voor bepaalde bedragen en voor bepaalde 
waren betrokken was in de genomen Portugeesche schepen en een 
genomen Makassaarsche jonk; men vroeg daarom zijne waren terug. 
Hierop werd vaen de Residenten van de Honorabile Engelse Ci° 
tot Macassary geantwoord, dat men de Engelsche kolonie ten allen 
tijde sparen zou, indien de vlaggen duidelijk van de gebouwen 
waaiden, doch dat men verdere verzoeken niet kon toestaan. De 
Engelschen hadden gehandeld met vijanden van de Compagnie en 
moesten de gevolgen dus zelf dragen. Men achtte zich tot inwilliging 
van het verzoek niet gequalificeerd en verwees hen naar den 
Gouverneur-Generaal. ; 

Den 18 werd de secrete raad in het kasteel bijeengeroepen. 
Besloten werd de fluit de Vinek vol te laden met genomen goederen 
als peper, nagelen, lood, buffelhorens, enz.; de Portugees was ook 
volgeladen; diens luiken werden dichtgespijkerd en het ruim ver- 
zegeld. Beide schepen zouden nu zoo spoedig mogelijk naar Batavia 
vertrekken om den goeden afloop van de expeditie te melden. In 
overeenstemming met de medegekregen instructie werd in plaats van 
Johannes Hartman, die den 1°? Juni aan een harde koorts bezweken 
was, tot bevelhebber van het kasteel aangewezen kapitein Harman 
van Outhoorn. Hij en Koopman Sr. Jan Barra werden tot regeerders 
of hoofden van het kasteel aangesteld; tot vopsicht en waerneming 
van de artillerie-vuurwerckeny bleef de constapel-majoor achter ; 
voorts bleven in het kasteel 2 chirurgijns en l cranckbesoeker. 

Den 19% Juni zond de Koning 2 magere buffels en een dito 
koebeest, benevens eenige zakken witte rijst, klappers en suikerriet. 
Den dag daarna ontving hij ons ontwerp voor den wapenstilstand. 


24, MR. JOHAN VAN DAM EN ZIJNE 


Den 22° werd het terrein rondom Panakoke afgebakend, dat wij 
tot den vrede aan ons behielden. Den 25% begon men de over- 
gebleven munitie te tellen en te verdeelen tusschen de vloot, die 
weldra naar Timor en verder naar Amboina zou gaan en tusschen 
het kasteel. Ook de aanwezige voorraden werden verdeeld. Daar het 
kasteel voor 5 maanden van alles voorzien moest worden, bleef er 
voor bedoeld deel der vloot ter nauwernood voor 4 maanden over. 

Den 26°" kreeg men het ontwerp voor den wapenstilstand terug ; 
het was den Koning in alle opzichten naar deu zin, zoodat hij het 
met zijn zegel bekrachtigd had. In dit verdrag werd bepaald, dat 
het in ieder geval van kracht zou blijven tot na den terugkeer der 
gezanten uit Batavia. Het Hollaudsche gebied, dat niet verder dan 
één kanonschot buiten het Zuiderkasteel en naar het N. tot aan de 
rivier reikte, mocht gedurende den wapenstilstand niet door de bevolking 
van Makassar betreden worden. Zoolang mocht ook geen Portugeesch 
vaartuig in zee steken; evenmin mochten vreemde handelaren dien 
tijd de haven in of uit zonder een Hollandschen vrijgeleidebrief. 
Overigens zouden de Hollanders de Makassaren als vrienden beschou- 
wen en mochten eenige van deze laatsten wel ter reede van het 
kasteel komen om hunne waren te verkoopen. 

Den 29° vernam men van de Engelschen, dat de Portugeesche 
kolonie door ons optreden tot groote armoede vervalleu was. Vele 
blanke Portugeezen waren gedood. Van hunne vaartuigen was één 
ontkomen naar Macao; twee andere zaten nog vóór 's Konings kasteel 
aan den grond. Ook de Makassaren hadden gevoelige verliezen geleden. 
Den volgenden dag werd de secrete raad bijeen geroepen, die, op 
het vvoorbrengeny van den fiscaal, vele rechtszaken afdeed; ook 
over het gebrek aan rijst op de vloot werd gesproken. Uit het verder 
verhandelde blijkt, dat 15 schepen, zoo groot als klein, bestemd 
waren voor Timor en Amboina, om de „Oostersche volkenr, die 
aan de expeditie deelgenomen hadden, terug te brengen. Men besloot 
deze vloot onder de vlag van Truytman eerst de negorij van Bima 
te laten aandoeu, die niet ver uit het bestek lag. Truytman was 
reeds blijkens de instructie van G. G. en R. v. I. bestemd om als 
nexpres commissaris, naar Timor te gaan. Men moest trachten te 
Bima, dat onder protectoraat van den Koning van Makassar stond, 
op minnelijke wijze en tegen betaling zooveel koren op te doen als 
noodig was. Ten respecte van den Koning van Makassar moest men 
de bevolking van Bima minzaam behandelen; was zij echter ouwillig 
of tergde zij ons, dan vertrouwde men, dat Truytman een voldoende 


TUCHTIGING VAN MAKASSAR IN 1660. 25 


macht bij zich had om de onontbeerlijke #nootdruftighedenr zelfs 
met geweld te zoeken. Ten slotte werd besloten, dat de „Heer 
Commandeur ende Majoor Johan van Dam zelfs in persoon eerdaags 
met de Makassaarsche gezanten naar Batavia vertrecken souder. 

Den 1% Juli werden 3 Spanjaarden, tot ons garnizoen behoorende, 
doch naar de Portugeezen overgeloopen, door den Koning van 
Makassar overgeleverd. Er was voor hen geen pardon te krijgen. 
Zij werden, anderen ten voorbeeld, den 5™ d.a.v. bij elkaar aan 
een boom nabij den zeekant opgehangen. ! Den 2% Juli gingen 
eenigen der onzen, waaronder Mr. Pieter, die er goed bekend was, 
te Makassar ter markt. Men kon er ongehinderd verkeeren, doch 
er was nog bijna niets te koop. Mr. Pieter rapporteerde, dat de 
straten verwoest waren, de meeste huizen afgebroken of gedeeltelijk 
‘ verbrand. „De grooten gingen druipoorend en schenen zoo vol moeds 
en grootschheid niet meer te zijn.” De ongetemde berglieden, 
»Boegisy genaamd, zwierven bij troepen in de stad en werden ook 
door de Engelschen zeer gevreesd. De vaartuigen, waarmede de 
Makassaarsche gezanten naar Batavia zouden gaan, waren gereed en 
lagen vóór ’s Konings kasteel. 

Den 4°" Juli werd een generale bededag gehouden in 't kasteel 
en op de gansche vloot. „Den almachtigen grooten en victorieusen 
God werd uit de grond van ons hart gedankt en geprezen voor al 
zijn bewezen genade en weldaden, gedurende deze krijgs-expeditie 
zoo rijkelijk bewezen en ondervonden, en werd zijn zegen afge- 
smeekt over ’s Compagnies verdere affaires naar Bima, Timor en 
zoo verder. . 

Den 5 zag men tot zijn groote verbazing, dat een der Portu- 
geesche schepen van het strand af en aanmerkelijk N.waarts ver- 
plaatst was. Kennelijk had men hier te doen met een poging tot 
ontsnappen, die door het uitblijven van den landwind mislukt was. 
Kenige onzer schepen werden op den Portugees afgezonden om hem 
vast te houden en aan te snoeren of hem anders te verdelgen. 
Ondertusschen kwamen 5 Makassaarsche schepen met de afgezanten 
en zeer veel volk nabij onze vloot. In het voorbijgaan riep men ons 
toe, dat de gezanten aan boord waren; daarna roeiden zij voort 
om de Zuid. Men sprak hierover zijn ongenoegen aan den Koning 
uit; wij waren nog niet tot vertrek gereed, er was geen gelegenheid 
de gezanten te verkennen en hun vertrek streed regelrecht met onze 


ee 


LW. Schouten, blz. 96. 


26 MR. JOHAN VAN DAM EN ZIJNE 


overeenkomst, die bepaalde, dat het gezantschap te gelijk met de 
onzen naar Batavia zou gaan. Kort daarop kwam het antwoord van 
den Koning. Van het wegloopen van den Portugees was hem niets 
bekend; daarom had hij dat schip in den grond doen boren. 
De gezanten waren slechts tot Galesong gezeild, waar zij onzen 
admiraal zouden inwachten. Voorts zond de Koning als geschenk 
voor den G.G. een last witte rijst en voor den heer de Vlamingh 
van Outshoorn, Raad van Indië, een buitengewoon schoon en zeld- 
zaam stuk rsandalenhoutr, wel 36 voet lang. 

Den 6% kwam de secretaris van Karaeng Popo met het verzoek 
te mogen vernemen, wanneer de admiraal dacht te vertrekken. De 
Makassaarsche schepen waren diep geladen, zoodat men niet recht 
door zee op Batavia durfde gaan, doch langs de kust van Madura 
wenschte te varen. Nu was de vraag, of men allen te zamen gaan, 
dan wel of men elkaar te Japara inwachten zou om daarna ge- 
zamenlijk de reis naar Batavia voort te zetten. van Dam liet ant- 
woorden, dat hij den 8 dacht te vertrekken en dat hij de reis 
over Japara nemen zou. Hij liet het verder aan de gezanten over 
of zij met hem wilden gaan dan wel of men elkaar dáár vinden 
zou. Den 7°? Juli werd Harman van Outhoorn in het kasteel 
Panakoke geauthoriseerd en den volke voorgesteld, terwijl de 
koopman Jan Barra tot zijn tweede of secunde aangewezen werd. 
Hun werd een instructie ter hand gesteld, waaruit bleek, dat 495 
man, 16 rbosschutters tot het geschut, en 16 stukken ' in het 
kasteel achtergelaten werden; voorts zouden 4 weerbare kloeke 
jachten. en 2 sloepen ter reede blijven. Deze laatste moesten vooral 
letten op de 2 Portugeesche schepen onder 's Konings kasteel. Te 
rekenen van den 1 Juli was ons kasteel door de vloot voor 5 
maanden van levensmiddelen voorzien; alleen kwam men 10 last 
rijst te kort, welke de Arnemuiden te Bima zou trachten te krijgen. 
Aan geld werden 400 Makassaarsche Masen of 800 gulden in gouden 
gangbare munt achtergelaten ; dit was een deel der 1595 Masen, reeds den 
11 Juni door den Koning van Makassar betaald als schadeloosstelling 
voor den indertijd door de Makassaren te Bima van de Compagnie 
geroofde goederen. Omtrent de verpleging werd bepaald, dat de 
uitdeeling van levensmiddelen regelmatig plaats vinden moest als 
aan boord; per dag en per hoofd zou ongeveer 1 pond rijst gegeven 
worden; voorts 3 pond vleesch en 3 pond spek per hoofd en per 


17 metalen en 9 ijzeren stukken. 


TUCHTIGING VAN MAKASSAR IN 1660. 21 


maand; alleen de hoofdofficieren zouden het dubbele van deze 
toespijs genieten. Bovendien kreeg ieder man per dag 4 maatje 
arak, terwijl boonen en katjang tweemaal per week geschaft 
konden worden. 

Voorts bepaalde de iustructie, hoe men wel indachtig zijn 
moest, dat de Makassaren „gemeenelijk zeer trouwlooze en desperate 
stoute menschen zijnin het bespringen van anderen. Men zou goed 
doen zich te gedragen alsof er geen gezantschap naar Batavia was. 
Ten slotte werd in de instructie de samenstelling van den secreten raad 
des kasteels geregeld. Hij zou bestaan uit 9 personen, te weten de 
_2 hoofdlieden van het kasteel, 3 schippers en 4 luitenants. 

Den 8 Juli nam men afscheid van alle vrienden in het kasteel. 
Dien dag verliet de vloot onder het gedonder van het geschut de 
reede van Makassar en koos het ruime sop. Volgens Schouten f zou 
Karaeng Popo te voren nog een poging gewaagd hebben om zonder 
volmacht te vertrekken. Toen men hem vroeg naar zijn blijk en 
zijne geloofsbrieven,” die hij den Gouverneur-Generaal te Batavia 
zou moeten toonen, antwoordde de Moorsche prins: „Ik heb mijn 
„geloofsbrief in het binnenste van mijnen boezem, en heb genoegzaame 
„volmagt en volkomen bevel van zijne majesteit ontvangen, hoe ik 
„mij in alle gelegenheden te gedragen heb.» Natuurlijk nam men 
met deze verklaring geen genoegen en werd een behoorlijke, schrif- 
telijke volmacht geëischt. De rdagelycke aenteykeninger vermeldt 
leze uitvlucht niet; toch komt dit voorval ons niet on waarschijnlijk 
voor, daar de sluwheid en de trouweloosheid der Makassaren telkens 
vermeld worden. 

De terugreis naar Batavia vindt men verder, als vervolg van het 
bovenstaande, beschreven als „Continuatie van't vorenstaende dagh- 
register, vervolgt by de KE. Hr. majoor Johan van Dam». Nabij 
Tanakeke gekomen, nam Truytman afscheid van van Dam om zijn 
reis als commissaris naar Timor te vervolgen en stapte over op de 
Kouckerken. Hij had onder zijn vlag 15 groote en kleine schepen, 
waarop tusschen de 4 en 500 man. ? 

„Wij zetten het met de overige schepen onder de vlag van den 
dapperen admiraal Johan van Dam naar Bataviar. * van Dam had 


1 T, a. p. blz. 94. 

3 Truytman overleed te Batavia 2 Februari 1661. Zijn lijk werd den 3° 
‘savonds met veel statie in tegenwoordigheid van G. G. en R. v.I.ter aarde 
besteld „ende daer werden dry chargen over zijn graf gedaen”. Dagh-Register 
1661. 

8 W. Schouten, blz. 97. 


28 MR. JOHAN VAN DAM EN ZIJNE 


ongeveer 100 soldaten bij zich, waarvan 90 zieken en impotenten, 
bestemd voor Batavia. Den 9%" Juli bleek, dat de veroverde jonk 
niet volgen kon; daarom werd er één schip bij achtergelaten. Was 
het scheepje niet te helpen, dan moest men terugkeeren naar Pana- 
koke, daar opkalefateren om vervolgens in gezelschap van de Zoute- 
lande, die ter reede van Makassar door de Arnemuiden zou afgelost 
worden, naar Batavia terug te keeren. 

Den 138° Juli kwam men vóór Japara ten anker; dadelijk ging 
een sloep naar land om aan ’sCompagnies resident de aankomst 
van van Dam te melden en hem te gelasten de vloot van verver- 
schingen te voorzien. Men kwam echter terug met het bericht, dat 
de resident al vóór 10 weken met „heele compagnies ommeslagh» 
naar Batavia vertrokken was; de haven was thans toegepaggerd. De 
reden hiervan was, dat de Nederlanders kort te voren Palembang 
veroverd en geheel verdelgd hadden, uit wedervergelding, omdat 
de inwoners 2 Nederlandsche schepen verraderlijk overrompeld en 
het volk neergesabeld hadden. De Soenan van Mattaram op Java, 
die zich als beschermheer van Palembang aanmerkte, had daarop 
een scherp bevel uitgevaardigd geen Hollanders meer in de haven 
toe te laten noch hun ververschingen te verschaffen. ! 

Den 14° riep van Dam de schippers aan boord om gezamenlijk 
te besluiten „wat nu voor ons best diende aan de hand geslagen 
te worden”, gezien de ongelegenheden te Japara. Men had gehoopt 
daar eenige ververschingen te kunnen krijgen voor de zieken, 
waarmede men opgepropt zat. Ingevolge van Dam’s voorstel werd 
besloten zonder toeven verder te gaan. Het jacht de Kat werd achter- 
gelaten om de Makassaarsche gezanten af te wachten en te geleiden ; 
dit jacht moest zijn zieken overgeven aan andere schepen en tot 
30 Juli blijven liggen; waren de gezanten dan nog niet aange- 
komen, dan kon men vertrekken. 

Zaterdag, den 17° Juli 1660, liet men het anker vallen ter reede 
van Batavia nabij het Vader Smitseiland. „Allen dankten God, 
die ons zoo genadiglijk den ganschen tijd van de reis heeft gelieven 
te zegenen en bij te wonen.” Ter reede lagen wel 50 schepen, 
doch den volgenden nacht vertrok een vloot van 12 kloeke schepen 
onder de vlag van den heer van der Laan naar het Noorden om 
te trachten de stad Macao den Portugeezen te ontwringen. 

Men vernam nu, dat de tijding van de overwinning, op de 


1 'W. Schouten, blz. 98. 


'TUCHTIGING VAN MAKASSAR IN 1660. 29 


Makassaren bevochten, te Batavia gevierd was met een dankdag, 
het lossen van al het geschut, het aansteken van papieren lantaarns 
langs de wallen en straten, het afsteken van Chineesch vuurwerk, 
het branden van piktonnen enz. Ook aan alle in Azië gelegen — 
Nederlandsche steden, kasteelen, vastigheden en kantoren was bevel 
gegeven over deze langgewenschte overwinning een dergelijke openbare 
vreugde te bedrijven. ! 

„De verstandigste, kennende de gelegentheyt van Macassar hadden 
„’t selve voor een gantsch ondoenelycke saecke gehouden, de Mooren 
nen Heydenen alomme gelooffden, dat de werelt eer soude vergaan, 
„ndan dat de Hollanders de Macassaren souden overwinuen, als 
nsynde altyt gehouden en gereputeert geweest voor de stoutste, 
vonvertsaegste en strytbaerste Natie van gantsch India, Ken volck 
„dat gewoon is met de alleruyterste desperatie te vegten, en dat 
neenige honderd duysenden op de been konde brengen, gebruyckende , 
„behalve canon en Musquetten voor haer ordinaris geweer, vergiftige 
„pyltgens, daer mede sy seer correct tot dertig schreden verre op 
neen stuyver weten te schieten.” ? 

Korten tijd later kwamen de Makassaarsche gezanten met hun 
gevolg ter reede van Batavia aan. Zij werden door Johan van Dam 
en andere gecommitteerden dadelijk verwelkomd en in prachtige 
vaartuigen der Maatschappij naar land geroeid, waar hun even buiten 
de stad een rvermaaklijke hoffstede met schoone vertrekken, aan- 
gename tuinen en plantaadjen vercierdr tot verblijf werd aangewezen. 
In hun bagage bevond zich een kistje met goud en een partij 
Spaansche realen, ter waarde van ongeveer 23.000 gulden , om daar- 
mede het kasteel Panakoke weer van de Compagnie terug te koopen. * 

Verschillende plechtigheden hadden vervolgens plaats, waarbij de 
gezanten tegenwoordig waren, o.a. een groote parade ter gelegen- 
heid van de jaarlijksche verkiezing van nieuwe officieren over de 
burgerij van Batavia. De onderhandelingen stonden intusschen niet 
stil en werden bekroond met cen voor ons zeer voordeeligen vrede. 
Daarbij werd o.a. bepaald, dat de Koning van Makassar noch zijn 
volk zich voortaan zouden bemoeien met de landen van Boeton en 
met Menado; dat de Koning zich niet meer zou inlaten met de 
Ambonsche zaken; dat de Makassaren voortaan noch Banda noch 
Amboina zouden bevaren; dat men niet zou toestaan, dat nagelen, 


1 T. a. p. blz. 98. 
3 Werk van Mr. Pieter van Dam over de O. I. Compagnie. Zie bij Makassar. 
3 Werk van Mr. Pieter van Dam. 


30 MR. JOHAN VAN DAM EN ZIJNE 


noten of foelie zouden worden verkocht aan anderen dan aan de 
Compagnie; dat de Koning de Portugeezen »met hare creaturen en 
aanhangy voor altijd zijne landen zou ontzeggen; dat hij alles aan 
de Compagnie zou uitkeeren, wat hij wederrechtelijk in 1652 van 
haar genomen had (2 schepen); dat de Compagnie zich voortaan 
weer te Makassar zou mogen neerzetten om daar handel te drijven ; 
dat de Koning alle kosten der plaatsgevonden expeditie zou betalen, 
het bedrag vast te stellen door gemachtigden van weerszijden, die 
te Makassar zouden komen, waarbij de betaalde f 23000 in mindering 
kwamen; dat het kasteel Panakoke bezet zou blijven, totdat 
Makassar de geheele som had voldaan ', enz. Nadere onderhandelingen 
met den Koning zelve waren niettemin noodig, want reeds den 6% 
Augustus 1660 werd overwogen, wie als Commissaris naar het 
Makassaarsche hof gezonden moest worden om van den vorst genoegzame 
satisfactie tot een vasten, verzekerden vrede te bekomen, waartoe 
het scheen, dat de aanwezige gezant Karaeng Popo geen macht noch 
last genoeg heeft, en vis besloten, den heer Majoor van Dam, die 
„de expeditie op Makassar verricht heeft en de onderhandelingen 
„met den Makassaarschen gezant als onzen gecommitteerde mede 
„bijgewoond heeft, als eersten Commissaris der Compagnie naar het 
„hof van Makassar te zenden, om van den vorst genoegzame satisfactie 
„tot een hechten vrede te verkrijgen; nevens Z.Ed. werd als 2de 
„Commissaris gesteld de heer Zacharias Wagenaer.» ? 

Het schijnt, dat van Dam, die zich reeds te voren een goeden 
naam in het burgerlijk bestuur verworven had, die nu ook als 
krijgsman en diplomaat voor de rechten der Compagnie opgekomen 
was en daarbij uitgeblonken had, ongenegen was met een tweeden 
persoon of secunde naar Makassar te gaan. Althans den 19° Augustus 
1660 rdroeg de Gouverneur-Generael de vergaderingh voor, hoe de 
„heer Majoor Johan van Dam zich bij syn E. hadde comen ex- | 
„cuseren van dat niet wel als onse eerste commissaris neven den koopman 
vZacharias Wagenaer naer ‘t Macassarsche hof kan vertrekken alsoo 
vt enenmaal geresolveert hebbe om zich voortaan alhier buiten dienst 
„der I. comp® in vrijdom te erneren, bij welke resolutie hij, van Dam, 
„onaangesien wat vermaningen hem zijn Ed. tot continuatie van ’s Comp* 
„dienst hadde tegemoet gevoert, onafscheydelyck bleef persisteren, ende 
vom syn vrydom was aenhoudende, ende versoeckende, op welck instan- 
ntich versoeck by ons omstandelyck gelet synde, soo hebben wij goet- 


1 T. a. p. 
3 Resolutieboeken G. G. en R. v. I. op dato. 


TUCHTIGING VAN MAKASSAR IN 1660. 31 


„gevonden gemelten heer Johan van Dam van de voors. commissie te 
wexcuseren ende van des Comp’ dienst te ontslaen , ende in burgerlycke 
„vrydom te stellen”. ! Dit laatste had reeds den vorigen dag plaats 
gevonden, want in de ~Notitie van de vrijgeworden persoonen in 
mt jaer a° 1660” leest men: ? „Joan Maetsuycker, gouv. generael 
nen. de raden van india over den Staet der Vereenigde Nederlanden 
rin Orienten, alle degenen, die desen sullen sien ofte hooren lesen, 
msaluyt doen te weten, alsoo den E. Joan van Dam, majoor deses 
mguarnisoens in't land gekomen met 't schip de maegt van Enc- 
„nhuysen a° 1655 den 17 Juny, op ons instantie versocht heeft 
„van des Comp* dienst ontslagen te werden, soo ist’ dat” enz. 

„In't Casteel Batavia den 18° Aug°. 16607. 

Zooals hiervóór bleek, > had van Dam zich ten slotte voor 8 jaar 
verbonden, zoodat zijn verband eerst in 1663 eindigen zou; het 
schijnt echter, dat hierop niet te streng werd gelet. 

In plaats van van Dam ging nu Wagenaer als eerste en Jacob 
Cauw, lid van den achtbaren raad van justitie, als tweede naar 
Makassar. * Met het sluiten van den definitieven vrede werd aldaar 
nog tot den 2% December 1660 getalmd. De Koning keurde het 
verdrag, door zijn gezanten gesloten, eindelijk goed en beloofde 
onder eede het te zullen nakomen; de Portugeezen zouden binnen 
één jaar worden uitgezet. * Deze vrede was echter niet bestendig 
van duur. De te Makassar wonende Portugeezen werden niet uit- 
gezet, die van Macao zelfs weldra weer ter reede toegelaten. 
wNietteminy, zegt Schouten, ® hebben de trouwelooze Makassers 
„sedert hunne bedriegerijen, meineedige schelmstukken , en gruwzaame 
„moorden tegen de onzen weêr begonnen, en den vrede schandelijk 
n verbroken.» 

De formeele oorlog begon opnieuw, toen de Makassaren in 1665 
de Nederlandsche versterkingen op het eiland Boeton aantastten. 
Cornelis Speelman, met een vloot van Batavia gezouden , slaagde er in 
den vijand ten onder te brengen, waarop de vrede in 1667 gesloten werd. 
Ook deze was van korten duur en eerst in 1669 gelukte het ge- 
noemden vlootvoogd, na Makassar met zijn versterkingen en naburige , 


1 Als voren. 

3 Overgekomen brieven van G. G. en R. v. I. in 1661. 

3 Zie blz. 7. 
_ $ Resolutie G. G. en R. v. I. dd. 19 Augustus 1660. 

5 Werk van Mr. Pieter van Dam. Valentijn, Deel III, 2° stuk, noemt 16 
November als den datum van den vrede. | 

6 Blz. 99—100. 


32 MR. JOHAN VAN DAM EN ZIJNE 


verwante koninkrijken ten onder gebracht te hebben, een blijvenden 
vrede te verzekeren. | 


Waarmede van Dam zich onledig gehouden heeft, nadat hij den 
dienst der Compagnie verlaten had, vermochten wij niet te ont- 
dekken. Blijkbaar bleef hij te Batavia en, ondanks de reden, 
waarop hij in vrijheid werd gesteld, in nauwe voeling met den 
Raad van Indië. Men vindt althans vermeld, hoe de tweelingen 
van den heer de Vlaming van Outshoorn den 16°" Juni 1661 des 
morgens va de predicatie in de stadskerk te Batavia gedoopt werden , 
waarbij o. a. getuigen waren „/d'’E. Willem van der Beeck, althans 
sergeant-majoor deses guarnisoens [derhalve de opvolger van van 
Dam], Mr. Joan van Dam, gewesen major” enz. ! Verder werd 
den 28° Juni d.a.v. ~verstaan aan den Commandeur, Caeuw te 
defereren de qualiteyt van vice-president van den achtbaren raed 
van justitie, die sedert de vrijwerding van den gewesen majoor, 
Mr. Joan van Dam, vacant geweest is, met 150 gulden ter maand.» ! 
Hieruit volgt, dat van Dam niet alleen lid van den raad van 
justitie te Batavia geweest is, doch ten slotte daarvan ook vice- 
president was. Wanneer hij dit laatste werd, vonden wij echter 
nergens aangeteekend. 

Het schijnt, dat Mr. Johan van Dam niet lang vrede had met 
een ambteloos bestaan. Althans den 1®ter October 1661 namen G. G. 
en R. v. I. de volgende resolutie: Overwegende, dat het gouvernement 
van Banda eenigen tijd vacant was en dit vervuld moest worden, 
had men daartoe speciaal „gelet op de besondere bewuste qualiteyten 
ndeweleke gevonden worden in den persoon van d’H. Joan van 
„Dam, die voor desen als sergeant-maioor in dienst der Ed. Comp’ , 
nende in verscheydene aensienelycke bedieningen, ende nu jongst 
„het gewichtige desseyn van de Comp;, met de verovering van de 
nforteresse panakoke op maccassar voorleden jaer onder godes ge- 
mnadigen zegen als veltoverste seer geluckig heeft uytgevoert, ende 
wis over sulcx na voorgaende deliberatie eenstemmig goed gevonden 
vende verstaen op zijn versoeck het voorsz. emportante gouvernement 
„van Banda aan zijn Ed. te defereren.” Den 21° d.a. v. werd hem 
onder een 5-jarig verband, ~f 200 ter maend toegevoegt.» 

Den 18% November 1661 kreeg hij ten huize van den Gou- 
verneur Generaal zijn afscheidsmaal, terwijl hij den volgenden 


1 Dagh-Register van 1661. van der Beeck was tevens de voorganger van 


~ 


van Dam. Zie blz. 5. 


TUCHTIGING VAN MAKASSAR IN 1660. 33 


morgen met het jacht de Meyboom, begeleid door eenige andere 
vaartuigen, naar Banda vertrok. De heeren Carel Hartsinck, direc- 
teur generaal, Arnold de Vlaming van Outshoorn en Nicolaas 
Verburg, raden-ordinaris van Indië, deden Z.Ed. uitgeleide tot 
aan boord en vhebben hem voor het volk int openbaer geautho- 
riseert.” ! 

Den 16% December 1661 kwam van Dam behouden te Banda 
aan; den daarop volgenden dag werd hij in het openbaar met de 
plechtigheden, bij zulke gelegenheden gebruikelijk, voorgesteld aan 
de plaatselijke autoriteiten. ? 

Wij zullen van Dam niet volgen in zijn bewind, hoewel zijne 
rapporten en de dagh-registers van Batavia daartoe ruimschoots in 
staat zouden stellen. Slechts zij vermeld, dat bij resolutie van 
H.H. 17°" 3 d.d. 19 December 1662 werd geresolveerd „dat met 
ndie situe (nl. van Raad-Extraordinaris van Indië) sal worden ge- 
„honoreert de E. Mr. Jan van Dam, gouverneur op Banda, onder 
„het selve tractement van 200 gl* ter maent, dat hij althans is 
ngenietende.» Het bericht van die benoeming kwam eerst den 14 
Juni 1663 te Batavia aan met het fregat de Joncker, dat den 22% 
Januari t.v. voor rekening en van wege de Kamer Zeeland der 
O. I. Compagnie zeil gegaan was. * 

Het schijnt, dat het leven te Banda weinig afleiding aanbood en 
dat ook de huwbare vrouwen van goeden huize er schaarsch waren; 
althans Johan van Dam gaf in het laatst van 1663 bij een par- 
ticulier schrijven aan den G.G. te kennen, „dat vermits de een- 
vsaemheyd van de selve plaats wel genegentheyt soude beginnen te 
nerygen hem in den huwelijken staet te begeven, ingevallen hem 
„tot dien eynde licentie mochte worden vergunt mettet eerste schip 
ween sprongtocht na Batavia te doen.” * »Waerop gelet synde en. 
aengemerkt, dat syn E. in September ‘ aenstaende uyt Banda 
scheydende, daer by behouden varen wederom sal connen wesen ’t 


Bn ae 


1 Dagh-Register van 1661 op de genoemde data. 

3 Zie onder „Banda” in de Generale Missive (jaarverslag , thans koloniaal 
verslag) van G. G. en R. v. I. in dato den 26 December 1662 aan de ver- 
gadering van Heeren 17°" geschreven. Het dagh-register van Batavia over 
1662 ontbreekt; daarin vindt men anders uittreksels uit de ingekomen brieven 
van de buitenbezittingen. 

3 De H.H. 17°" vormden het centraal bewind der O.I. Comp. hier te lande. 

4 Dagh-register van Batavia. 

5 Een „sprongtocht” of ,springtocht” noemde men ieder uitstapje. 

7 Volgr. VI. 3 


34, MR. JOHAN VAN DAM EN ZIJNE 


uytgaen van de maent December daeraenvolgende,” besloten G. G. 
en R. v. I. den 19 Januari 1664 hem onder bovenstaande voor- 
waarden het verlof toe te staan, mits vóór zijn vertrek geen 
Engelschen aangekomen zouden zijn om bezit te nemen van het 
eiland Run, „want alsdan syn E* presentie om alles wel en. nae de 
vintentie eu. meyninge van de HE. Comp te dirigeren daer niet 
„gemist sal connen werden.” t Over dit eiland bestond reeds een 
langdurige en netelige questie tusschen de Engelsche en onze 
Oost-Indische Compagnie. 

Uit het vorenstaande blijkt, dat men van Dam naar onze be- 
grippen niet te veel tijd toestond voor het kiezen eener vrouw, 
den verlovingstijd ‘en de huwelijksplechtighedeu. De geheele reis 
zou hoogstens 4 maanden duren; voor het traject Banda-Batavia 
gebruikte men destijds minstens een kleine maand, onder ongunstiger 
omstandigheden meermalen 6 weken, zoodat van Dam’s verblijf te 
Batavia hoogstens 2 maanden duren kon. 

Door bijzondere omstandigheden kwam evenwel niets van dit 
sprongtochtje. Simon Cos, gouverneur van Amboina, die boven van 
Dam geplaatst was, daar hij af en toe te Banda inspecteeren kwam, 
overleed te Amboina den 24° Februari 1664.2 van Dam, den 
meest nabijzijnden gouverneur, werd hiervan onmiddellijk bericht 
gezonden, waarop hij den 11° Maart met het jacht vder Veer» 
uit Banda vertrok, den 179" d.a.v. in ’t kasteel Victoria op 
Amboina aankwam, hier op onderscheidene zaken orde stelde en den 
koopman Maximiliaen de Joug voorloopig met het gezag over dit 
eiland belastte. Den 94" April vertrok van Dam weer met het zelfde 
jacht naar Banda. In zijne missive, dd. 1 Mei 1664, waarin hij 
een en ander aan G.G. en R. v. I. rapporteerde, verzocht van Dam 
om met het vacante gouvernement van Amboina te worden belast 
nende dat een chaloup tegen mousson nae Banda mogte gesonden 
worden, met licentie om herwaerts te comen cen wyf soeken ofte 
daer te blijven, na haer Ed* welgevallen.r 3 

Valentijn beweert, dat Johan van Dam niet alleen dong naar 


1 Zie ook het Dagh-Register van Batavia op den genoemden datum. 

2 Valentijn. Déel II. Tweede stuk. blz. 220, geeft op, dat hij den 4 Februari 
1664 overleed tengevolge van een toeval aan zijn been. > 

In den reeds genoemden personalia-klapper vindt men: Cos (Simon) word 
president naar Ambon 24 Oct. 1653, word gouverneur in ternaten f 200 per 
maand toegelegd 10 Nov. 1656. 

8 Dagh-register van Batavia. 3 en 8 Juni 1664. 


TUCHTIGING VAN MAKASSAR IN 1660. 35 


het gouvernement van wijlen Simon Cos, doch ook naar diens 
weduwe, Elisabeth Abbema. ' Hij knoopt hieraan een geheelen 
roman vast door mede te deelen, dat van Dam zijn tijd te Ambon 
zóó wel waarnam, dat hij de „wakkere en rijke weduwer bewoog 
hem toezegging tot een huwelijk te geven. Zij verloofden zich, doch 
vonden goed dit stil te houden. Elisabeth Abbema zou vóóruit gaan 
naar Batavia, terwijl van Dam haar zoo spoedig mogelijk volgen 
zou om haar te trouwen. Hij schreef daarover aan den Gouverneur 
Generaal Maetsuyker, zijn bijzonderen vriend, bevelende hem zijn 
bruid met allen ernst aan, en met verzoek haar alle hulp en be- 
leefdheid te willen bewijzen. Deze deed het ook, want hij nam ze 
in zijn huis en, hoewel hij al vrij oud was, zoo beviel zij, jong, 
schoon en fraai zijnder, hem zóó wel, dat hij haar in Augustus 
1664, zoodra zij op Batavia gekomen was, tot zijn vrouw nam. 

Tot zóóver Valentijn. Uit welke bronnen hij voor het samen- 
stellen van dit verhaal geput heeft, is mij niet bekend. Wij vonden 
het nergens bevestigd 2, terwijl Schouten, die overigens zeer uit- 
voerig is, bij het tweede huwelijk van Johan Maetsuyker niets 
omtrent deze liefdeshistorie vermeldt. Het huwelijk werd in allen 
eenvoud voltrokken. ® 

Wij trekken daarom voorloopig deze geheele geschiedenis in twijfel. 
In ieder geval is Valentiju’s conclusie, getrokken onder de »Ambon- 
sche „Zaakeur, onjuist, als zou „dit geval oorzaak zijn geweest, 
dat de Heer van Dam, die dit in't laatst van dit zelve jaar met 
de chaloepen der borgers al te weten quam, geen lust had langer 
hier, [d. 1. op Ambon) of in Indiën te blijvenr * en als zou hij, 
bij zijn komst te Batavia in 1665, zijn verloofde al getrouwd vin- 
dende met een ander, nog dat zelfde jaar naar ‘t vaderland ver- 
trokken zijn, schrijvende van de Kaap de Goede Hoop schrikkelijke 


' Oud en Nieuw Oost-Indiën. Deel I, 2° stuk, blz. 199/200, II. 2° stuk, 
blz. 220/1, IV. 1° stuk, blz. 302/3. Zij was de dochter van Fredericus Abbema, 
die eerst predikant te Vianen was en later op Ternate. Ook is hij predikant 
op Ambon geweest (zie res. G. G. en R. v. I. d.d. 13 Februari 1656), waar 
Cos zijn dochter vermoedelijk heeft leeren kennen. Volgens Valentijn. Deel I, 
2° stuk, blz. 391 kwam Abbema in September 1656 van Ambon op Ternate. 

3 Zie alleen: „Een kwart eeuw Indische landvoogdij” door S. Kalff. Neder- 
land 1908, waar op de blz. 191/2 de geschiedenis van Maetsuyker en zijn 
2e vrouw met Johan van Dam wordt aangestipt. Hier is echter geput uit 
Valentijn. 

8 Schouten. Deel II. blz. 118. 

4 Valentijn. Deel II. 2° stuk, biz. 220/1. 


86 MR. JOHAN VAN DAM EN ZIJNE 


scheldbrieven aan Maetsuyker. f Toen Maetsuyker reeds getrouwd 
was, moest van Dam nog naar Amboina vertrekken om daar defini- 
tief het bestuur te aanvaarden, terwijl hij na het vaarwel zeggen 
van dit gouvernement nog geruimen tijd te Batavia in de onmid- 
dellijke omgeving van dien gouverneur-generaal werkzaam is geweest. 

Den 7°" October 1664 droegen G. G. en R. v. I. het gouverne- 
ment van Amboina op aan den gouverneur van Dam en dat van 
Banda aan den Heer Jacob Cops, Raad-extraordinaris van Indië. 
Deze laatste vertrok den 3 December d. a. v. naar Banda. Hij 
kreeg brieven mede, o. a. de benoeming van van Dam als gouver- 
neur van Amboina inhoudende, terwijl tevens aan laatstgenoemde 
toegestaan werd een keer naar Batavia te mogen doen. ? Cops kwam den 
4den Januari 1665 met het jacht Tholen te Banda aan en nam hier 
het bewind over, waarop van Dam den 25°" met het zelfde vaar- 
tuig voortzeilde naar Amboina, waar hij den 2 Februari voet aan 
wal zette. Het gouvernement had derhalve hijna één jaar opengestaan. * 

van Dam bleef hier niet lang, want „den 6™ September (1665) 
arriveert hier ter reede [te Batavia] van Amboina over Makassar en 
Japara het fluitje Hoogcarspel. Met hetselve is hier siekelyck aen- 
gecomen d'heer Joan van Dam, Raet extra-ordinaris van India en 
gouverneur der provincie Amboyna, zynde zyn E. ter reede Japara 
gecomen met d’fluyt Nieuwpoort, ende aldaer op Hoogcarspel over-, 
gegaen”. van Dam was den 74" Augustus te Amboina scheep gegaan. + 
Uit tal van bijzonderheden en getroffen maatregelen blijkt, dat hij 
aanvankelijk voornemens was naar Amboina terug te keeren. 

Zijn ongesteldheid was niet van ernstigen aard, want den 8 
September „presteerde de heer Joan van Dam, Raet extra-ordinaris 
„van India, den 6°" deser uyt zyn gouvernement van Amboyna hier 
vaangecomen, in haer Ed° vergaderinge den eet, by d’heeren 17" 
„voor de Raaden van Tudia geconcipieert”. * 

Eerst eenige maanden later viel de beslissing, dat hij niet naar 
Amboina terugkeeren, doch te Batavia werkzaam blijven zou. Den 
17 November 1665 besloten G.G. en R.v.I. aan van Dam pte 
laeten vracgen nae zijn E. dispositie en inclinatie om weder nae 
Amboyna te vertrecken ofte niet.” Blijkbaar luidde het antwoord 





1 Valentijn. Deel IV. 1° stuk, blz. 303. 

2 Zie het Dagh-register van Batavia 1664 op de genoemde data. 
8 Als boven, 1665, d.d. 81 Mei en 8 Juli. 

* Als voren, d.d. 6 September 1665. 

6 Dagh-register, d.d. 8 September 1665. 


TUCHTIGING VAN MAKASSAR IN 1660. 37 


ontkennend, want den 20° d.a.v. werd de E. Pieter Marville, 
secretaris van haer Hd. benoemd tot gouverneur van Amboina, 
walsoo de heer Joan van Dam verclaert heeft, dat hij mits zyn 
#indispositie onvermogens zoude zyn om weder nae zyn gouvernement 
te keeren.” ! 

van Dam nam nu als extra-ordinaris Raad zitting in den Raad 
van Indië. Als zoodanig had hij »maar een raadgevende en geen 
besluitende stem.» Hij genoot hiervoor f 200 per maand en verder 
al, wasrop een gewoon Raad aan levensmiddelen aanspraak kon 
doen gelden; dit bestond uit een groote hoeveelheid wijn, rijst, 
visch, boter, brandhout en allerlei andere huishoudelijke artikelen , die 
men gratis uit de pakhuizen der Maatschappij ontving. Bij het sterven 
of het vertrek van een ordinaris Raad kreeg de oudste buitengewone 
Raad een besluitende stem, totdat er een ander gekomen was. ? 
Weldra schijnt van Dam in het hier bedoelde geval gekomen te 
zijn, want hij medeonderteekende de res. van G. G. en R. v. I. voor 
het eerst den 9 April 1666 en sedert dien vrij geregeld tot en 
met de res. van den 25°" Januari 1667, waarbij het jaarverslag 
aan H.H. Zeventienen over 1666 werd vastgesteld, een verslag, 
dat van Dam als commandant der retourvloot mede naar het 
vaderland nam. 

Na zijn terugkeer te Batavia werden Mr. Johan van Dam, behalve 
zijn werkzaamheden als buitengewoon Raad van Indië, tal van 
functiën opgedragen. Zoo werd hij den 5°" Maart 1666 op eigen 
aanbieding gekozen tot commandant eener vloot van 11 schepen, 
die in straat Sunda vooruitgeschoven werd om aldaar de wacht te 
houden. Deze maatregel hield verband met het bekend worden yan 
het uitbreken van den 2 Engelschen oorlog. Den 2% April d. a. v. 
keerde hij op last van G.G. en R. v. I. terug, na het bevel over 
de kruisende vloot aan den oudsten schipper overgegeven te hebben.® 

„Voorts vinden wij hem vermeld als schepen van Batavia, excuseerde 
hij zich met het oog op zijn voorgenomen reis naar het vaderland 
voor een ambassade naar China, waarheen men hem zenden wilde 
en werd hij benoemd in tal van commissiën, het plaatselijk bestuur 
van Batavia betreffende. * 

Den 5 October 1666 werd door den R. v. I. besloten , in verband 
met de vijandige houding van, Makassar, een commissaris te zenden 


1 Als voren, d.d. 20 November 1665. 
* Valentijn. Oud en Nieuw Oost-Indien. IV, 1° stuk, blz. 244, 246, 256. 
8 Zie het Dagh-register van 1666. 


38 MB. JOHAN VAN DAM EN ZIJNE 


naar de Oostersche quartieren. onder den titel van ~superintendenty. 
Johan van Dam werd voor dit commissarisschap aangezocht # vermits — 
desselfs volcomen ervarentheyt ende kennisse, niet alleen vande 
quartieren meergemelt, maar oock vande natuyr der voorgedachte 
Makassaren.” De superintendent zou het bevel op zich nemen van 
de krijgs- en scheepsmacht, aldaar bijeengebracht om een apparente 
invasie der Makassaren, meest naar Ternate en vandaar wellicht 
naar Amboina tegen te gaan, doch zou tevens „de respective gou verne- 
nmenten eude commanderyen als tot Banda incluys visiteren, ende 
valle noodige ende vervallen saecken redresseren, ende weder op een 
„goeden vasten voet herstelleny. van Dam bedankte evenwel in 
verband met zijn # vastgestelde ende langh voorgenomen ‘t huysreyser.! 
Daarop werd Cornelis Speelman hiervoor aangewezen, die de be- 
noeming aannam. ? 

Den 10 December 1666 werd door den R. v. I. het verzoek 
van van Dam toegestaan om met de vaengelegde retourvlooty naar 
het vaderland te mogen terugkeeren, over welke hem later het bevel 
werd opgedragen. 

Den 26 Januari 1667 des morgens ~vertrecken uyt dese reede 
„naer het lieve vaderlandt de schepen Zuytpolsbroek, *t Wapen van 
„nAmsterdam, Amersfoort en Esperance (voor de camer Amsterdam); 
„Middelburg en Walcheren (voor de camer Zeelandt); Hasenbergh 
„(voor de camer Delft), den Eendragt (voor de camer Rotterdam) 
ven "t casteel van Medemblik (voor Enckhuysen), alle onder de vlag 
ven het commando van den heer Joan van Dam, raed extra-ordinaris 
„van India, zynde geladen met verscheiden Oost-Indische coopman- 
„schappen en waeren, costende incoops volgens de factuuren 
wf 2.656.207 : 5 : 9”. Behalve deze schepen waren 18 en 26 
Augustus t. v. over Bengalen en Ceylon de schepen Cicilia, Spa- 
rendam en Opperdoes naar het vaderland vertrokken; de lading, 
die deze zouden medenemen, werd op 4 ton geraamd, zoodat het 
geheele retour van dat jaar een waarde van omtrent 30 tonnen 
gouds bezat. 5 

Het bevel over een retourvloot was steeds een commando van 


' Resolutie G. G. en R. v. I. d.d. 5 October 1666. 

2 Vergelijk blz. 31. 

8 Dagh-register 1666 en 1667. Valentijn I. 1° stuk, die alle retourvloten 
en hare waarde opgeeft, vermeldt op blz. 238, dat de waarde der geheele 
retourvloot van 1667 f 3,119,060 : 7: 8 bedroeg. De drie laatstgenoemde 
schepen waren achtereenvolgens van de Kamers Hoorn, Amsterdam en Zeeland. 


TUCHTIGING VAN MAKASSAR IN 1660. 39 


gewicht, vooral, wanneer zulk een vloot een zóó groote waarde 
inhield als dit met die van 1667 het geval was. Ditmaal was het 
commando echter van nog meer beteekenis en eischte het een bij- 
zonder beleid als gevolg van den 2™ Engelschen oorlog. Onder het 
hoofd vretourvloteny leest men in het werk van Mr. Pieter van 
Dam, hoe in verband met dien oorlog aan Mr. Johan van Dam 
naar de Kaap de Goede Hoop geschreven werd om zooveel mogelijk 
de eilanden Cuervo en Flores ' te mijden en den koers zóóveel W. 
te nemen, dat men de eilanden van Fero (de Faröer) bereikte. 
Hier moest men achter het eiland Mulso of liever in Forshaven 
voor anker komen; men zou daar overvloed van schapen, groenten 
en andere ververschingen vinden en er mogelijk nadere kondschap 
krijgen. De aangegeven koers ging derhalve W.om Groot-Brittannië 
en lerland heen. Kreeg men binnen 6 à 8 dagen na aankomst op 
de Faröer geen nadere berichten uit het vaderland, dan moest men 
afvaren en de eerste de beste haven van ons land, af hankelijk van 
weer en wind, binnenloopen, desnoods de Eems. Men vermoedde 
n.l., dat de vijand zich voor Tessel of het Vlie zou ophouden. 
Mocht men, aan de eilanden van Fero gekomen, onraad vernemen, 
dan zou meu volgeus ingekomen berichten aldaar veilig in 
Konincxhaven kunnen liggen, beschermd tegen alle geweld des vij- 
ands, mits aan den ingang eenig geschut aan land brengeude om 
dien te bestrijken. 

De aanvang der reis van van Dam was niet voorspoedig. Den 
17@ Februari 1667 kwam te Batavia het jacht de Joncker terug, dat 
de retourvloot tot buiten straat Sunda geconvoyeerd had. De resident 
te Bantam, Ockerse, meldde bij die gelegenheid, dat de vloot door 
tegenwind en stroom wel een week onder het eiland Cracatou had 
geankerd gelegen, zoodat zij eerst den 14°" Februari in zee was 
geraakt. ? 

Den 5% en den 30° Augustus d. a. v. ontving men te Batavia brieven 
dd. 17 en 18 Mei, 30 Mei en 6 Juni van den admiraal van de 
retourvloot Johan van Dam, geschreven aan de Kaap de Goede 
Hoop. Toen was nog weinig bijzouders voorgevallen. ? Ook ge- 
durende het verdere deel van de reis werd men niet door den 
vijand veroutrust. De vloot deed werkelijk de Faröer aan. Het 
ongeluk wilde, dat aldaar het schip Walcheren, ter waarde van 


1 Twee der Azorische eilanden. Laatstgenoemd het meest W. van alle. 
3 Dagh-register 1666 en 1667. 


40 MR. JOHAN VAN DAM EN ZIJNE 


f 363.373 :2:9 verging; het wrak dreef ‘snachts zeewaarts, 
zoodat slechts weinig werd gered. De andere schepen kwamen eerst 
den 9%" October 1667 hier te lande aan. ! 

De eerste tijding omtrent de retourvloot ontving men dien dag 
bij de Kamer Amsterdam der O. I. Compagnie. Ken scheepskapitein, 
die om de Noord was geweest, had ’s Compagnies retourvloot, één 
schip uitgezonderd, bij de eilanden van Fero zien liggen. Genoemde 
Kamer besloot dieu zelfden dag om 2 galjoots met vivres, die de 
retourvloot tevergeefs tegemoet gegaan waren, met hare ingebleven 
lading nu naar Doggersbank te zenden, om die vivres aan de vloot 
over te geven en haar te begeleiden. Teveus werden eenige heeren 
gecommitteerd om zich deu volgenden avond onderscheidenlijk naar 
Tessel en het Vlie te begeven, met zich nemende de lichters voor 
de ontlossing, teu einde op het lossen de vereischte orde te stellen. 2 

Den 10 October kwam bij genoemde Kamer een brief in van 
den HE. Jan van Dam, als commandeur van de retourvloot, den 
gen t. v. geschreven aan boord van het schip Zuytpolsbroeck, geankerd 
ter reede van Texel, voornamelijk zijn aankomst mededeelende. De 
brief bezat vele bijlagen, waaronder de carga’s van alle schepen, 
tot zijn vlag behoord hebbende. Besloten werd die carga’s aanstonds 
te doen drukken eu de heeren, die op het punt stonden naar het 
Vlie te vertrekken, te verzoeken de schepen, die zich aldaar zouden 
opdoen, te gelasten, weer en wind dienende, het Texel binnen te 
loopen. 3 

Den 20°" October werden de heeren Hulst en Mr. Pieter van Dam 
(advocaat der Compagnie) gecommitteerd vom den Commandeur 
„Jan van Dam ter vergadering soo van Haer Ho: Mo: + als van 
„Haer Ed: Gr: Mog: * te presenteren, en dat ter fine om rapport 
„van den toestant van saecken in India te doen, soo als hy die op 
„zyn vertrek van daer heeft gelaten”. ? 

De introductie bij de Staten Generaal vond den 26 October 1667 
plaats in tegenwoordigheid van de beide hierboven genoemde ge- 


_ we a ee 


' Werk van Mr. Pieter van Dam over de O. I. Compagnie. 

3 Resolutieboeken Kamer Amsterdam der O. I. Compagnie. 

* Resolutieboeken Kamer Amsterdam der O. I. Compagnie. Den 26" October 
1667 kwam bericht in, dat het retourschip Sparendam beschadigd op de 
Wester-Eems was binnengevallen. 

* De Staten Generaal. 

8 De Staten, van Holland en West-Friesland. 


TUCHTIGING VAN MAKASSAR IN 1660. Ad 


committeerden. Het door hem ingediende rapport omtrent de thuisreis 
werd ter griffie gedepoueerd. ! 

Van het aanbieden van een gouden keten aan den commandant 
der retourvloot, wat geruimen tijd een gebruik geweest is, vindt 
men niets vermeld. | 


Hier eindigde, voor zoover bekend, het openbare leven van 
Mr. Johan van Dam. Of hij zich hier te lande aan de rust heeft 
gewijd dan wel nog eenige bezigheid heeft gehad, wordt nergens 
vermeld. Zelfs de plaats en den datum van zijn overlijdeu was niet 
bekeud, zoodat daaromtrent door mij voor eenigen tijd een vraag 
in den Navorscher werd geplaatst, die echter onbeantwoord bleef. ? 
In een oude manuscript-genealogie onzer familie vond ik achter zijn 
naam ingevuld „stierf ongetrouwd 17 Augustus 1677 tot Constanti- 
nopoler. Later waren deze woorden doorgeslagen en zonder vermelding 
van de plaats van overlijden ingevuld achter Mr. Johan van Dam’s 
jongeren broeder Pieter, die volgens Ferwerda kapitein en kolonel 
in Spaanschen dienst was. Ferwerda schrijft laatstgenoemden dan ook 
een sterfdatum als boven toe. 

In de overtuiging, dat althans één der van Dam’s in 1677 te 
Constantinopel overleden was, temeer, omdat onze familie nog een 
- grafbord bezit, waarop het wapen en waaronder de woorden : 
Ob. 17 Augustus 1677, ving ik een onderzoek aan, doch langen 
tijd zonder uitkomst. Grafboeken van onze kolonie aldaar, zoo zij 
al ooit bestaan hebben, zijn er niet meer. De correspondentie uit 
Constantinopel van genoemd jaar bevat niets omtrent het overlijden 
van een van Dam. Een daarop gevolgd onderzoek van de correspon- 
dentie van dat jaar uit Smirna, waar van Dam’s jongste broeder 
Jacob destijds consul was, * schonk eenige aanwijzingen. 

Jacob van Dam, die al zijn brieven aan de Directeuren van den 
Levantschen handel te Amsterdam met rood lak zegelde, waarop 
zijn wapen, deed dit den 20° September 1677 voor het eerst met 
rouwlak, waaruit althans bleek, dat een zijner naaste verwanten 
overleden was. Dd. 29 December 1677 schreef hij uit Smirna aan 
Ha. Ho. Mo., dat het bevolen uitstel zijner voorgenomen reis naar 
het vaderland nadeelig was voor zijn prestige, „mitsgaders seer 





1 Resolutieboeken Staten Generaal, dd. 26 October 1667. 

3 Jaargang 1904, blz. 450/1. 

3 Zie de laatste aflevering der Bijdragen voor Vaderlandsche Geschiedenis 
en Oudheidkunde. 


12 MR. JOHAN VAN DAM EN ZIJNE 


„schadelijk, ten aansien van myue particuliere goederen, die door 
„den inval der Franschen al vry eenige veranderingen onderworpen 
„syn geweest, en voornamelyk mede rakende sekere erffenisse int 
„Vaderlant aan te vaarden, die mij te beurt is gevallen, wegen 
neenef mijner Broederen, die mij alhier voor eenigen tit was 
„comen besoecken, en drie maenden geleden te Constantinopole is 
ouerleden./ ! 

Hieruit bleek nog immer niet, welke broeder te Constantinopel 
overleden was. Eindelijk werd ook hieromtrent zekerheid verkregen. 
Het allerlaatste briefje, in de correspondentie van 1677 uit Smirna opge- 
legd, is een schrijven dd. 22 September van Lorenzo Rigo, kanselier 
van Jacob van Dam, aau Johannes van Grol, secretaris der Directie 
van den Levantscheu handel enz. te Amsterdam. Daarin leest men : 
„Den heer Johan van Dam, Broeder van den heer Consul van Dam, 
is den 27 passato tot Constantinopolen In den heere ontslapen , alsoo 
per die via syn reyse hadde voorgenomen over lant te repatrieeren./ 
Hieruit bleek, dat Mr. Johan van Dain den 27°" Augustus 1677 
te Constantinopel overleed; het hiervóór genoemde grafbord is 
blijkbaar te zijner nagedachtenis vervaardigd en wellicht in een der 
kerken te Utrecht opgehangen; de dáár vermelde datum, 17 Augustus 
1677, is oude stijl. 

Later werd van welwillende zijde mijne aandacht nog gevestigd op 
N° 5 van den XXII jaargang van het Maandblad van het Genea- 
logisch-heraldiek genootschap „De Nederlandsche Leeuw.” Daar 
vindt men, hoe de Nederlandsche graven te Constantinopel in 1864 
zijn opgeruimd eu op een zuil op het nieuwe kerkhof de namen 
vermeld zijn van allen, die op de vroegere begraafplaats ter aarde 
besteld werden, voor zoover die namen nog leesbaar waren. Op die 
zuil vindt men o.a. vermeld: Jacob van Dan (in een noot staat : 
lees van Dame) Consul 1677. Vermoedelijk heeft op de origineele 
steen gestaan: Johan van Dam. 

In het bovengenoemde artikel wordt er nl. de aandacht op ge- 
vestigd, hoe de grafschriften kennelijk door een nict-deskundige 
gecopieerd zijn, aangezien vele namen onjuist gespeld zijn en er 
ook andere onnauwkeurigheden voorkomen. In ieder geval is de 
toevoeging „Cousulr onjuist, want de consul Jacob van Dam 
overleed den 22 Maart 1709 te Utrecht. Heeft er dus op de 
oorspronkelijke steen het woord „Consuls gestaan, dan werd daar 


' Archief Levantschen Handel. Rijksarchief ’s Gravenhage. 


TUCHTIGING VAN MAKASSAB IN 1660. 48 


waarschijnlijk vermeld, dat Johan van Dam een broeder was van 
den consul Jacob van Dam te Smirna. 

Mr. Johan van Dam had geruimen tijd te Smirna bij zijn broeder 
vertoefd, toen hij naar Constantinopel vertrok. Laatstbedoelde schreef 
den 14° September 1675 aan de Directeuren van den Levantschen 
handel over een verzoening, die had plaats gevonden met eenige 
ontevredenen onzer kolonie aldaar, valle t welcke is gepasseert ten 
bijwesen van mynen outsten Broeder Mr. Johan van Dam, die met 
ous convoy van Livorno mede hier is gecomen om my te besoecken.» 
Blijkens zijn schrijven van den 13 t.v., mede aan D. L. H. gericht, 
was het bedoelde convooi ten deele den 21°, voor het overige den 
29°" Augustus ter reede van Smirna aangekomen. Mr. Johan van Dam 
had dus vermoedelijk een kleine 2 jaar aldaar vertoefd, toen hij, 
met het voornemen naar het vaderland terug te keeren, naar Con- 
stantinopel vertrok. 


Valentijn, die van vele Indische autoriteiten een korte karakter- 
schets geeft, zegt omtrent van Dam het volgende: „Johan van Dam 
vwas een lang en schraal Heer.” ' „Hij was een korzelig man, wiert 
„gemeenelijk Jan met de lange Broek, omdat hij veel met een langen 
„Misquitenbroek ging, of ook wel de Lange Jan genaamt. Met zijn 
ntweeden [d.i. de Tweede Persoon van Banda, tevens opperkoopman] 
„den Heer Antoni Hurdt, die anders een braaf man was, kon hij 
nganschelijk niet overeenkomen, waarom die ook in 't jaar 1664 
wna Batavia vertrekken moest, en door den Heer Almonde vervangen 
„ wiert. 

„Hij was anders een dapper man voor den vijand, waarvan hij 
verscheide deftige blijken gegeven heeft.» ? 

De juistheid van dit laatste werd in de hiervóór gaande be- 
schrijving van de tuchtiging van Makassar bewezen. De beweriug, 
dat van Dam het op Banda met zijn tweeden, den heer Antoni 
Hurdt, niet vinden kon, is vermoedelijk minder juist. In zijne 
uitvoerige brieven aan G. G. en R. v. I. klaagt van Dam 
nergens over Hurdt. Alleen wees hij er op, o. a. in een missive 
d.d. 14 September 1668, dat in den raad van Banda de eerste 3 
raadspersonen onder elkaar vermaagschapt waren. Hij achtte dit be- 
denkelijk en doelde op scheiding. Dit schrijven kwam den 8™ 


' Oud en Nieuw Oost-Indiën. Deel II. 2° stuk, blz. 220. 
' T. a. p. Deel III. 2° stuk, blz. 91. 





44, MR. JOHAN VAN DAM EN ZIJNE TUCHTIGING ENZ. 


October 1663 te Batavia aan en den 26° d. a. v. werd ter vergadering 
van den Raad van Indië goedgevonden ~dat de koopman, Anthoni 
Hurt, althans tweede persoon in Banda, sal herwaerts komen, 
latende de andere twee swaegers daer blijveny.1 Het terugroepen 
van Antoni Hurdt had dus vermoedelijk uitsluitend ten doel een 
einde te maken aan een minder gewenschte familieregeering van 
ondergeschikten. 

Dat van Dam korzelig van aard was, zooals Valentijn beweert, 
vonden wij verder nergens vermeld en nog minder bewezen. Ken 
uitvoeriger beschrijving van zijn bestuur op Banda en Amboina 
welke wij ons tot later voorbehouden, zou kuunen toonen, dat hij streng 
en rechtvaardig was, een open oog had voor de belangen der Com- 
pagnie en voor die belangen optrad, waar hij ze door vreemden 
invloed of door onrechtmatig optreden van ’sCompaguies dienaren 
bedreigd achtte. 


1 Zie het Dagh-register van 1663 op de genoemde data. 


EEN OUDJAVAANSCHE OORKONDE GEVONDEN 
OP DE HELLING VAN DEN KAWI 


DOOR 


H. KERN. 


In den loop van ’t jaar 1905 werd op de helling van den Kawi 
een koperplaat gevonden met Oudjavaanschen tekst. De plaat werd 
in 1906 aangekocht door den Heer J. Bienfait te Soerabaja en na 
door hem gefotografeerd te zijn geschonken aan 't Bataviaasch Ge- 
nootschap. Teveus zond hij een foto van voor- en achterzijde der 
plaat aan den Heer Rouffaer, die zvo vriendelijk was mij die stukken 
toe te zenden. 

De plaat vertoont het cijfer 6, en is dus de zesde van een stel, 
waarvan de vijf eerste bladen — de koperplaten worden op dezelfde 
wijze genommerd als de bladen van Hes. — zoek zijn. Te oordeelen 
naar den inhoud kan na blad 6 slechts weinig ontbreken. Nagenoeg 
de geheele ruimte van de twee zijden der plaat wordt namelijk in- 
genomen door ‘t eedformulier, ca patha, beter gezegd de vervloe- 
king die wordt uitgesproken tegen dengene die zich aan ourecht- 
‘matige handelingen tegen de door den vorst geschonken privilegiën 
schuldig maakt. Dit gedeelte nu van soortgelijke edicten staat dicht 
bij *t emde der vorkonden ; zoo o. a. in Kawi Oorkonden N* I, II, VII. 

Bij inzage van den tekst die hieronder in transcriptie wordt mede- 
gedeeld, zal men outwaren dat het formulier weinig van de reeds 
bekeude overeenkomstige gedeelten in andere stukken verschilt. ! 
Toch is het geen overbodig werk dat men verricht met den inhoud 
der beschreven kuperplaat bekend te maken, al was het maar omdat 
het kan bijdragen tot de opsporing of terechtbrenging van ’t ont- 
brekende gedeelte. Het zou niet voor de eerste maal wezen dat de 
disjecta membra van een inscriptie op geheel onverwachte wijze 
teruggevonden worden. 


1 Vgl. het opstel „Oudjavaansche eedformulieren op Bali gebruikelijk”, 
Bijdragen 3, VIII, 211 —228; IX, 197 — 207. 


46 EEN OUDJAVAANSCHE OORKONDE GEVONDEN 


Omtrent den vermoedelijken datum van de oorkonden is het al 
te gewaagd op beslissenden toon te spreken. Alleen zooveel mag men 
op palacografische gronden beweren dat het stuk jonger is dan Ne, I 
en VII der Kawi Oorkonden. Naar gissing valt de datum tusschen 
1000 en 1100 na Chr. 

In transcriptie, waarbij onze wijze van woordscheiding is toege- 
_ past, luidt de tekst als volgt: 


Voorzijde 


gi, makaprajojanä ri kapratisuboddhan ika suk sima dharmma 1 Air 
Kali tan hana ning amungkilmungkilä, -- ' marawaca mariksirgakna 
hélém, yadyapin ri dläha ning dlaha. Nihan ling nira, O (i. Ong) 
mindah ta kita kamu hyang Haricandanägastya maharsi. purwwa- 
daksiga, pagcima, mottarorddhadhah 2, rawi ci (l.caci) ksity apah 
teja bäyw akäca dharmmahorätra sandhyatraya, yaksa, rakgasa, 
pigaca pretäsurä garuda gandharwa kinnara mahoräga, Yama Barupa, 
Kuwera Bägawa putra dewata, patica Kugika, Gargga, Metri, Kurusya, 
Pätanjala, Nandicwara Mahäkala, sad Winäya, Nagaräjä, Durgga 
dewi, Caturacra, anak ta hyang Kala, Mrtyu Bhutagana, saha- 
nanta rumaksa saka (1. sakala) nümimagdala (I. bhümi), kitakala 
sa-sangganing prthiwimandala, kita tumon prawrtti ning sarwwaprani 
ring rahineng kulém, kita manärtra umasuki sarwwabhütha. at 
réngwakén ikang sapatha samäya mamängmäng (l. pama°) mami 
iri kita kamu hyang kabeh, ikang sapatha samays sämpun sinrahakn 
ing hulun iri kita. yawat ikang wwang kabeh magéng admit sa- 
lwiranya, yadyapin caturägrami, brahmapa, cari (l. brahmacäri), 
grhastha, wanaprastha, bhiksu ta, athaca, catuwargna, brahmäna, 
ksatriya, wecya, güdra, mwang pinghäy akurug anatani *, yawat 
umulahulah sarasanya nugraha cri Maharaja, irikang suk sima ing 
Air-Kali, yadyapin prabhu, sira ruda- 


Keerzijde 


ha sapatha cri Marahäja (|. Maharaja) Rake Sumba Dyah Wawa, 
mne hlém ring dläha ning dlaha, tasmat karmma byët karmma kna- 


' Twee letters onduidelijk. 
2 L. paccimott?®. 
8 Vermoedelijk bedoeld anapathani; z. KBWdb. onder kurug. 


OP DE HELLING VAN DEN KAWI. . 47 


nya, parikalanén ta ya wehén sangsaraha, tan wurunga ta patya- 
nanta ya kamu hyang, däyantatpatiya, yan äparan humalintang 
ring tgal sahutén de ning ula mandi, yan para ring halas dmakén 
de ning wyäghra, manglangkahana mingmang, sarikn ing banaspati, 
mogakn ing wilantih, ring wwe sahutén de ning wuhaya, mumul, 
tuwiran, timinggila, yan séngka ring hawan mewéh kapaguteng 
luiicip ving paras, tumurun kaduhunga, kajungkéla pépésa tikéla 
rémpwa, ring rata, kawulangun halingéngéna, ring hudan sam- 
bérén de ning glap, yan pangher ingngumah katibana bujra gni 
tanpawarsa, limutén gséngana de sang hyang Agni, wehén bhas- 
mabhitha saha drwyanya, tan panoliha ri wuntat, tarung ring panga- 
dégan, tampyal ri kiwan, uwahiri tngénan, tutuh tupdunanya, blah 
kapalanya, dadati wtangnya tke dadanya, wtwakén dalémanya, pa- 
ngau dagingnya, inum rahnya, atéhér pépédakén wehén pranantika, 
byéngakén ring Maharorawa. astu, astu, astu. ring tlas ning ma- 
mäömäng manäpatani lumpas ta sang wiku sahopakara', kumuliling 
i paryantä nikang suk sima dharmma ikang Air-kali, umarpanakén 
ciwambha ri sang hyangug 1 


Vertaling. 


... ten doel hebbende de bevestiging van de afbakening (stichting) 
van de pérdikan-dessa ? Air-Kali; niemand moge (de stichting) op 
een of andere wijze opheffen, verstoren, te niet doen *, ooit, tot 
in de verste toekomst. Hij (de uitspreker van °t formulier) zegge het 
volgende : 

„Om! ik bid u, gij heilige Haricandana, groote Ziener Agastya, 
goden van Oost, Zuid, Westen, Noord, Zenith, Nadir, Zon, Maan, 
Aarde, de Wateren, Vuur, Wind, Aether, de Wet, Dag en Nacht, 
de drie Tijdperken van den Dag (d. 1. Zonsopgang, Middag en Zons- 
ondergang), Yaksa’s, Raksasa’s, Boschduivels, Spoken, Asura’s, 
Garuda, Gandharwa’s, Kinnara’s, Groote slangen, Yama, Waruya, 
Kuwera, Wasawa, Godenzonen, de Vijf Kucika’s, Garga, Maitri, 
Kurusya, Patanjala, Nandigwara, Mahakala, de zes Windyaka’s, 
Nagavorst (of: -vorsten), Godin Durga, Caturacra’s, kinderen van 


1 Onduidelijk; misschien cara. 

3 Dit schijnt met sima dharmma bedoeld te zijn. 

3 Mariksirnna is natuurlijk wanspelling voor maricirnna, waaruit 
blijkt dat ks als ¢ werd uitgesproken. 


48 EEN OUDJAVAANSCHE OORKONDE GEVONDEN 


den Tijdgod ', God des Doods, de schare van Bhita’s, gij alle 
die de gansche aarde beschermt, gij zijt alle de dragers van °t aard- 
rond, gij ziet het bedrijf van alle levende wezens over dag en des 
nachts, gij belichaamt u in alle wezens (al ’t geschapene); hoort den 
eed dien wij biddend tot u afleggen, gij goden al-te-gader, den eed 
dien ik u opdraag: alle menschen, groot of klein, van welken aard 
ook, hetzij remand in een der vier stadiën van godsdienstig leven : 
brahmacärin (brahmaan in studietijd), huisvader, heremiet, monnik 
(Yati); of wel iemand van een der vier kasten: Brahmaan, 
Ksatriya, Waicya of Cüdra, alsook een beambte die beëedigt; 
wanneer iemand iets strijdigs doet ? tegen den inhoud van den 
giftbrief van Z. Maj. den Koning in zake der stichting van de 
pérdikaudessa Air-Kali, al is het een vorst, die in strijd $ mocht 
handelen met den eed van Z. Maj. den Koning Rake Sumba 
Dvah Wawa, nu of later, tot in de verste toekomst, moge zoo 
lemand daarvoor ten zeerste de gevolgen ondervinden van zijne 
handeling +, moge hij vervolgd (gestraft) worden, onderworpen aan 
"t rampzalige der wedergeboorten, onafwendbaar door u, goden, ge- 
dood worden, door uw toedoen gedood worden; wanneer hij op het 
veld voorbij gaat, worde hij gebeten door een giftige slang; in het 
bosch: gaande. worde hij besprongen door een tijger, stappe hij over 
verbijsterende boomwortels, worde hij door een boschgeest geplaagd, 
worde hij *t spoor bijster door valstrikken ; in °t water worde hij gesnapt 
door een krokodil, mumul, tuwiran, walvisch; wanneer hij met 
moeite bergopwaarts stijgt, stuite hij op spitse rotspunten ; bij 't dalen 
moge hij zich bezeeren, voorover vallen, gekneusd, gebroken, ver- 
pletterd worden; op den vlakken grond rake hij verbijsterd, rade- 
laos; bij regen worde hij door den bliksem getroffen; wanneer hij 
in huis verwijlt valle op hem bliksemflitsvuur zonder dat het regent, 
worde hij omhuld, verzengd door Agni, worde hij tot asch met 
zijne have; zonder dat hij kan ommezien naar achteren, worde hem 


1 De Caturacra’s (vierhoekigen) heeten zekere kometen of meteorische ver- 
schijnselen. 

3 De overgang van beteekenis in umulahulah, Nj. angulahulah, 
aanroeren, aanraken, tot die van aantasten, geweld plegen tegen, is te ver- 
gelijken met die in Skr. paramycati, aan iets raken, aantasten, onteeren, 
gewelddadig behandelen, misbruiken. 

$ Ruda, waarvan rudaha de conjunctief is, zal hier wel genomen 
moeten worden in den zin van wiruddha. 

4Karmma byét is m.i. een fout, hoe dan ook ontstaan, voor kabyét, 


d.i. kab wat. 


! 


OP DE HELLING VAN DEN KAWI. 49 


zijn plaats betwist; hij worde geslagen links, daarna weêr rechts; 
zijn kruin worde afgeslagen, zijn schedel gekloofd, zijn buik worde 
opengereten ! tot aan de borst; zijn ingewand worde uitgehaald, 
zijn vleesch gegeten, zijn bloed gedronken, daarna worde hij ge- 
stompt totdat de dood volgt, in de Maharorawa-hel geworpen. 
Amen! amen! amen! Nadat de ambtenaar het eedformulier heeft 
uitgesproken, begint de geestelijke zijn werk met de noodige plech- 
tigheden, gaat de ronde doen langs de grenzen van ‘tgebied van 
de pördikan-dessa Air-Kali, biedt wijwater aan den god van..... 


Bij vergelijking van ‘t bovenstaande met de reeds van elders be- 
kende eedformulieren, ziet men dat ze onderling weinig verschillen. 
Bijna woordelijk hetzelfde is, te beginnen met Ong mindah, 
hetgeen men leest in K.O. VII, 5, b. Tets uitvoeriger is de for- 
mule in K.O. IT, 8, a, van ong mindah tot samangkäna 
11, a. Merkwaardig is in deze laatste oorkonde de aanroeping der 
voornaamste bergen op Java. De straffen welke den overtreder worden 
toegewenscht komen grootendeels ook voor in K. O. I, 3, 19 vgg. 

Nadat de burgerlijke ambtenaar — als zoodanig zullen wij wel 
den akurug mogen beschouwen — de formule heeft uitgesproken, 
treedt de priester op om zijn taak bij de wijding van ’t grondge- 
bied der stichting te vervullen. Dit gedeelte der plechtigheid komt 
in de andere bovenvermelde oorkonden niet voor, misschien omdat 
de sima dharmma van anderen aard is dan de stichtingen be- 
doeld in K. O. I, II en VII. 

Uit den geheelen inhoud van de beschreven koperplaat, boven 
medegedeeld, blijkt opnieuw dat de Javaansche maatschappij een 
beslist brahmanistisch Indisch karakter droeg, gelijk trouwens nog 
heden ten dage in hoofdzaak op Bali het geval is. Het is dus een 
zaak die van zelf spreekt, dat allerlei wezens uit de Indische my- 
thologie bij den eed worden aangeroepen. 

Daarenboven komen echter woorden voor die men in Indische 
bronnen als persoonsnamen of benamingen van geesten, enz. niet 
terug vindt. Zoo is haricandana wel bekend als „geel sandelhout» 
en als ween der boomen in Indra’s hemels, maar niet als persoonlijk 
gedacht wezen, en het is moeielijk te raden, welke voorstelling men 
op Java aan dien naam verbond. Patanjala is een welbekend 


1 Wtang voor wténg ook in K. O. I, 3, 19. Dadat, blijkbaar in den 
zin van gdudat en Njav. dodet heb ik elders nog niet aangetroffen. 
7 Volgr. VI. 4 


50 ERN OUDJAVAANSCHE OORKONDE GEVONDEN 


woord, in den zin van »’t door Pataùjali opgestelde leerboek over 
Yoga, en veen aanhanger der Yogaleerr. Dit kau in ‘t eedsformu- 
lier niet bedoeld zijn. Een verbasterde vorm van Pätaùjala is 
Prataüjala, dat in de Oudjavaansche Kosmegonie voorkomt ; nog 
meer verbasterd is Prétaùjala, dat in de Manik-Maya als naam 
van een der 9 Dewata's gevonden wordt. Dit Prétanjali herinner 
ik mij ook meermalen aangetroffen te hebben in tooverboekjes, zoo- 
dat ik vermoed dat men daaronder verstond den meester of god van 
den Yoga, en wel verkeerdelijk van yoga in den zin van /tooverij, 
goochelarij”. Misschien is Patatijala bedoeld, die in Skr. geschriften 
genoemd wordt, doch van wien men, behalve den naam, niets 
vermeld vindt. 

Al is de aanroeping van eene menigte namen uit de Indische 
mythologie een bewijs voor den invloed door ’t Hinduisme op 
toude Java uitgeoefend, er volgt nog niet uit dat de oudere 
inheemsche denkbeelden geheel verdrongen zouden geweest zijn. 
Vooral het gedeelte van ‘t formulier waar den overtreder allerlei 
straffen in zijn aardsch bestaan worden toegewenscht, is zeer eigen- 
aardig en kan niet uit Indische voorbeelden verklaard worden. Ook 
de symbolische handeling nadat de eed is uitgesproken, bestaande 
in ‘twegwerpen van een el en ‘tslachten van een kip, welke han- 
deling o.a. in K. O. I voorgeschreven wordt, is buiten kijf oor- 
spronkelijk een symbool van ‘t inheemsche Javaansche recht, mis- 
schien zelfs een overoud Indonesisch gebruik. 

De taal van de beschreven koperplaat geeft geen aanleiding tot 
bijzondere opmerkingen. Omtrent de ligging van de dessa Air-Kali, 
— naar de hedendaagsche uitspraak: Er-Kali, — is niets bekend. 
Of er in de nabijheid van de plaats waar de plaat gevonden is, 
nog sporen van zoo’n dessa te vinden zijn, kan alleen door een 
plaatselijk onderzoek worden uitgemaakt. Het Kawi-gebergte is rijk 
aan overblijfselen uit den voortijd, zooals men vinden kan in Ver- 
BEEK's Oudheden van Java, maar geen der vindplaatsen draagt 
een naam die met Er-Kali in verband kan gebracht worden. De 
weinige beelden in die streek gevonden behooren tot het brahma- 
nistische Pantheon, en ook de boven medegedeelde inscriptie ver- 
toont geen spoor van Buddhisme. Toch zal het op en bij het Kawi- 
gebergte aan Buddhistische werken niet ontbroken hebben. . Ken 
koperplaat uit Malang, in ’t bezit van Dr. Wiederhold, waarvan ik 
door de welwillendheid van den Heer J. A. van Eeden (Kediri) een 
lichtdruk ontvangen heb, bevat een schenking van land door een 


OP DE HELLING VAN DEN KAWI. 51 


Buddhistisch vorst, waarschijnlijk den opvolger van Mpu Sindok, 
van wien K.O. XXII afkomstig is. De datum van het stuk is 
888 Caka, dus 27 jaar later dan van gezegde oorkonde; de persoon 
te wiens gunste de schenking geschiedt wordt betiteld als Mpu-ku 
i Neraùjanä, juist als in den giftbrief van Mpu Sindok. Van deze 
koperplaat uit Malang hoop ik later den tekst met vertaling mede 
te deelen in de hoop dat de opsporing van ‘t ontbrekende gedeelte 
daardoor bevorderd moge worden. 


AANTEEKENINGEN OP G. P. ROUFFAER’S 
OPSTEL OVER ATJEHSCHE SOELTANSZEGELS 


DOOR 


C. SNOUCK HURGRONJE. 


Het belangrijke artikel van den Heer G. P. Rouffaer over het 
negenvoudig soeltanszegel van Atjèh (Bijdragen, Deel LIX, blz. 
849— 884), geeft mij aanleiding tot een paar mededeelingen die ter 
aanvulling der daarin verwerkte gegevens kunnen strekken. 


Bij meer dan eene gelegenheid wees ik er op, dat de overlevering 
betreffende de oudere soeltans van Atjéh veelszins verward is. Er 
heeft nog nooit eene gezette, nauwkeurige vergelijking der frag- 
mentarische Kuropeesche met de vaak legendarische en voor het 
latere door reken- en schrijffouten bedorven Inlandsche gegevens, 
plaats gehad. Eerst met behulp van zulk eene vergelijking zal men 
kunnen vaststellen hetgeen nog vast te stellen is, en ongetwijfeld 
zal ook daarna nog menig punt onopgehelderd blijven. Er zijn 
echter reeds nu een aantal vaststaande punten, en in verband 
daarmede vereischen sommige détails in Rouffser’s opstel verbetering. 

Zoo is de Soeltan Sjamsoe'l-alam (Rouffaer, bl. 380, noot 2) 
geenszins dezelfde als Djamaloe’l-alam of Djeumaloy (zoo te lezen in 
plaats van Djeumalôë). De eerste regeerde slechts gedurende dertig 
dagen, die volgens de inlandsche opgaven in December 1726 en 
Januari 1727 vielen; maar om het even, welke waarde aan deze 
_ chronologische opgave toe te kennen zij, deze Sjamsoe'l-alam, die 
vóór zijne troonsbestijging Wandi Teubiëng heette, is een ander 
dan zijn tweede voorganger Djamaloe’l-alam Badroe'l-moenir, die 
van 1708—1726 geregeerd heeft, in 1735, na den dood van 
Soeltan Alaédin Ahmat Tjah gedurende vier maanden tegen diens 
zoon Pòtjoet Oeë’ (later Alaédin Djoehan Tjah) oorlog voerde en 
toen van het wereldsche tooneel verdween om later, althans na 
zijnen dood, als heilige vereerd te worden. 


AANTEEKENINGEN OVER ATJEHSCHE SOELTANSZEGELS. 53 


Naar aanleiding van hetgeen voorkomt bij Rouffaer, bl. 358, 
uoot 1, zij opgemerkt, dat er in de hier besproken periode ! slechts 
één Soeltan Mahmoet geweest is, die wel eens door Europeesche 
schrijvers, maar nooit door Atjéhers met Moehamat is verward. 
Bij inlanders is zulk eene verwarring even onmogelijk als de door 
Prof. Kern (bij Rouffaer, bl. 366) den Turken toegedichte uitspraak 
nMehemad voor Mahmud”, waarvan genoemde geleerde een tweede 
voorbeeld meent gevonden te hebben in »Mehemed Alin. Mehémét 
of Méhmét Ali is de Turksche uitspraak van Moehammad Ali; zóó, 
en niet Mahmoed Ali, heette de bekende onderkoning van Egypte 
en tal van andere bekende personen dragen dien naam. Nooit spreekt 
een Turk of inlander Mahmoed op die of soortgelijke wijze uit. 

De Atjéhsche soeltan Mahmoet, ten volle Alaédin Mahmoet Tjah 
Djoehan, vóór zijne troonsbestijging Toeankoe Radja genoemd , was een 
zoon van Alaédin Djoehan Tjah (= Pòtjoet Oeé*), kleinzoon dus van 
Alaédin Ahmat Tjah, den stichter der laatste Atjéhsche dynastie. 
Hij regeerde van 1760—1781, in welk tijdvak hij echter tweemaal 
door concurrenten tijdelijk van zijne waardigheid beroofd werd, 
eens gedurende ruim twee jaren, eens gedurende bijna twee maanden. 

Zijn zoon Moehamat Tjah, vóór zijne troonsbestijging ook Toeankoe 
Radja genaand, volgde hem op. Deze is door Europeesche schrijvers 
nu en dan met den naam zijns vaders genoemd, en zoo is het ge- 
komen, dat in mijn werk „De Atjéhersy de regeerjaren van den 
zoon (1781—1795) aan den vader zijn toegekend. De zoon heet 
Alaédin Moehamat Tjah en nooit Mahmoet; hij werd door zijnen 
zoon, den uit Raffles’ tijd bekenden Djauhar Alam Tjah, opgevolgd. 

Noch bij Mahmoet noch bij Moehamat komt de aanduiding II 


te pas. 


Hetgeen ik verder nog aan te teekenen heb, heeft betrekking 
op het enkelvoudige zegel van Soeltan Alaédin Riajat Tjah, waarover 
handelt Rouffaer, bl. 377 en vv. en dat op Plaat I, onderaan, 
afgebeeld staat. 

Mijn eerste opmerking betreft de lezing van den soeltansnaam , 
die op dit zegel voorkomt; zij werd door Rouffaer van goede 
autoriteiten overgenomen, maar behoeft toch eene kleine correctie. 
Wijlen Prof. Millies heeft blijkbaar over het hoofd gezien, dat het 





1 De laatste Soeltan van Atjeh heette ook Mahmoet (1870—74): een andere 
Mahmoet wordt genoemd als Soeltan in eenen tijd, waarover wij geene 
betrouwbare gegevens bezitten. 


54 AANTEEKENINGEN OP G. P. ROUFFAER'S OPSTEL 


het woord sjéh tweemaal voorkomt, eens na den naam van Soeltan 
Alaédin zelf, eens na dien zijns vaders. De eerste maal is wegens 
gebrek aan ruimte de x weggelaten; er staat dus: 


sinless of [sls ANN ste alu) 
as-Soeltán ‘Alé'oed-din sjáh bin Firman sch. 


De tweede opmerking betreft de gelijkstelling van Firmdn met 
Priaman (Rouffaer, bl. 380, noot 1). Deze is bepaald onaannemelijk. 
Vooreerst ware verwisseling dier beide woorden taalkundig nauwelijks 
denkbaar; verder zou dan toch Radja Priaman nog iets anders zijn 
dan Priamansjáh, en eindelijk is de overlevering betreffende dien 
naam Firman even constant als die van de betiteling Radja Priaman 
voor andere personen. Firman komt in verschillende Inlandsche talen 
als eigennaam voor, en, al weten wij nu verder voor ‘t oogenblik 
niets bijzonders betreffende de genealogie van Soeltan Alaédin, dat 
zijn vader Firman geheeten heeft, leert ons zijn zegel, leert ons 
menige Atjéhsche soeltanslijst, en het heeft ook niets bevreemdends. 

Ten derde kom ik tot de zonderlinge verzuchting van Dr. Wap, 
welke Rouffaer, bl. 379, citeert en waarbij die uitgever van een 
werkje over het gezantschap van Atjéhs Soeltan aan Prins Maurits 
verklaart rin 't oneindiger vergeefsche pogingen te hebben aangewend 
om van vaderlandsche Arabisten eene verklaring te erlangen van 
het opschrift van Soeltan Alaédins zegel. Prof. Millies logenstrafte 
deze klacht gedeeltelijk door althans den soeltansnaam, behoudens 
het overzien van cen woord, juist te lezen, maar verklaarde toch 
ook: rl'original n'est même plus distinct dans une partie de la 
légende marginale”. 

Nu is bedoeld Arabisch randschrift, ook op de door Rouffaer 
gepubliceerde afbeelding, volkomen duidelijk te lezen. Weliswaar is 
hier en daar een woord defectief gespeld of een diacritisch punt 
weggelaten; ook is de woordenkeùze, de redactie der „légende mar- 
ginaler niet zuiver Arabisch. Maar die afwijkingen zijn niet grooter 
dan men ze op -Inlandsche zegels, munten enz. pleegt te vinden, en 
ik geloof, dat althans van de tegenwoordige Arabisten in Nederland 
wel niemand vergeefs zou pogen, de lezing vast te stellen. Er staat : 


Met een paar kleine, van zelf sprekende verbeteringen is dit als 


volgt te lezen: 


SU) pais se alll plod sai}, Cilla) past as) GALL Gilg! 


OVER ATJEHSCHE SOELTANSZEGELS. 55 


De vertaling van dezen zin, die als appositie van as-Soeltân 
oAla’oed-din op te vatten is, luidt aldus: 

die vertrouwt op den Heerscher [== God]; Hy [= God] heeft hem 
uitverkoren om de koninkrijken in bezit te hebben en heeft in hem 
welbehagen. Allah doe zijnen roem voortduren en schenke zijnen volgers 
overwinning. | 

Het behoeft nauwelijks vermelding, dat geene mijner opmerkingen 
of aanvullingen iets afdoet tot Rouffaer's helder betoog aangaande 
tijd en wijze van ontstaan van het negenvoudige zegel der latere 
Atjéhsche Soeltans. 


NIEUWE BIJDRAGE TOT DE KENNIS VAN | 
HET MAHAYANISME OP JAVA. 


DOOR 


Dr. H. H. JUYNBOLL. 


Het is bekend, dat op Java naast het Ciwaisme het Noordelijke 
Buddhisme of Mahâyânisme gebloeid heeft. Tastbare bewijzen hiervan 
zijn o.a. de beroemde Boro Budur, de vele op Java gevondene, 
te Batavia en te Leiden bewaarde Buddha- en Bodhisatwa- 
beelden enz. 

In de Oudjavaansche literatuur vindt men echter slechts weinig 
sporen van dezen godsdienst. Van Buddhistische strekking is bijv. 
het door Prof. Kern uitgegeven verhaal van Kuüjarakarna, 
terwijl het epische gedicht (kakawin) Sutasoma half Ciwaietisch 
en half Buddhistisch is. Dat de schrijver van dit gedicht, M pu 
Tantular genaamd, een Buddhist was, blijkt ook uit het door 
hem vervaardigde epos Arjunawijaya. Verder was ook de 
schrijver van de kakawin Wighnotsawa een Buddhist. 

Bij het beschrijven der collectie Oudjavaansche handschriften, 
die in 1895 bij de bestorming van de puri van Cakranégara 
buitgemaakt en na den dood van Dr. Brandes in het legatum 
Warnerianum te Leiden ingelijfd is, vond ik eenige handschriften, 
waaruit beter blijkt, wat de oude Javanen van het Mahâyânisme 
gekend hebben. 

Vooreerst bevindt zich in denzelfden bundel !, die het door Dr. 
Braudes uitgegeven lofdicht op Hayam Wuruk, Nâgarakrtâ- 
gama, en bovendien de kakawin Lubdhaka en eene be- 
werking in groote versmaten van den Kufjarakarna bevat, 
welke tot nu toe onbekend was, ook een klein Buddhistisch zede- 
kundig gedichtje, getiteld: Jindrthiprakrti, met de toevoeging 
pralambang kamahâyânin (mahâyânistisch geschrift). Dit is 
echter slechts een fragment van 4 palmbladen. 








1 Deze lémpiran draagt thans het nummer 5023 leg. Warn. 


NIEUWE BIJDRAGE TOT DE KENNIS ENZ. a7 


Onder de handschriften van het legaat van der Tuuk is ook een 
Buddhaweda (cod. 4165 leg. Warn.), waarvan dr. Brandes eenige 
staaltjes mededeelt in zijne Beschrijving der Jav. Bal. en Sasaksche 
handschriften van dr. van der Tuuk, I, pag. 204—206. Hieruit 
ziet men, dat het mantra's of formulieren bevat, zooals die bij 
de Buddhisten in gebruik zijn. Op blz. 5 van dit HS. vindt men de 
namen der vijf Dhyânibuddha's!: Aksobhya, Ratnasambhawa, 
Amit&bha, Amoghasiddhaen Wairocana. Op pag. 18 staan 
de Sanskrtwoorden: Namo ratnatrayâya, namah âryâwa- 
lokitegwarâya, die beteekenen: Hulde aan de drie kleinooden 
en aan den edelen (eerwaarden) Awalokitegwara. Onder de drie 
kleinooden verstaat men, zooals bekend is, Buddha, Dharma 
en Sanggha, terwijl Awalokitecwara de naam van een der 
Bodhisatwa's of toekomstige Buddha’s is. In dit HS. worden 
de lijkplechtigheden, die hier tiwâ heeten (verwant met het Ngadju- 
Dajaksche tiwah, doodenfeest, en het Sangir.tiwa, goede na- 
gedachtenis van dooden), zeer uitvoerig beschreven. De taal van dit 
prozaschrift is echter zeer nieuw en vol Balineesch. 

Van meer belang is een ander prozageschrift. In de collectie hand- 
schriften van van der Tuuk vond ik een fragment van 5 bladzijden , 
getiteld Sang hyang pamutus (cod. 3963, n° 4 leg. Warn.), 
dat mijn aandacht trok dovr den Buddhistischen aanhef: Namo 
Buddhâya, hulde aan Buddha. Een volledig handschrift van 
hetzelfde Oudjavaansche prozageschrift trof ik aan in de Lombok- 
collectie (cod. 5068 leg. Warn.). Dit is een caké pan van 65 palm- 
bladen, die ieder 47 cM. lang zijn. Hiervan luidt de titel echter : 
Sang hyang Kamahâyânikan of ~het heilige Mahâyânismer 
(bijv. op fol. a. 25, a. 52, a. 59 en a. 62). De taal van dit geschrift 
doet sterk denken aan die van het Oudjav. Adiparwa en evenals 
daar worden ook hier telkens Sanskrtverzen geciteerd, die door eene 
Oudjav. vertaling gevolgd worden, b.v. (fol. 8): 

Ehi watsa mahâyânam mantrâwâryanayam widham, 

degayisyÂâmi te samyak, bhâjanas twam mahânaye. 

De O. J. vertaling luidt: Sang hyang mahâyâna iki wara-. 
hakna mami iri kita, sang hyang mantrânaya, sira 
mahâyÂna mahâmârga ngaran ira, sira teki deganâkna 
mami, warahakna mami ri kita, ri kadadinyan kita 


1 Zie over deze Buddha’s o.a.: Waddell, Lamaism, p. 130, 336 en 
349. — Griinwedel, Buddhistische Kunst, p. 169—172. — Kern, Buddhisme, 
I, 323 vlg. 


58 NIEUWE BIJDRAGE TOT DE KENNIS 


pâtrabhûta, yogya warahén ri sang hyang dharma, 
d.1.: „Dit heilige (eerbiedwaardige) Mahâyâna zal door ons aan 
u onderwezen worden, de Mantrduaya, de Mahâyâna (letterlijk: 
groot voertuig) heet de „groote weg”. Deze nu zal door ons gewezen 
worden, onderwezen worden aan u, omdat gij pâtrabhûta 
(letterlijk: tot een vat geworden) geworden zijt, verdienende om 
onderwezen te worden in den heiligen Dharma.r 

Een ander voorbeeld is (fol. 84): 

Yâwanti sarwawastûni dacadiksamsthitâni ca, 

tani cûnyaswabhâwâni prajùâpâramitâ smrtâh. 

Vertaald door: Sakweh nikang sinangguh hana ring 
loka, ikang umunggu ri deca sapuluh, yatika kawru- 
hana an makatatwa cinyataé enz., d. 1. : ~Zooveel als beweerd 
wordt te zijn in de wereld, wat zich bevindt in de tien hemelstreken , 
weet dat dit tot wezen heeft de Gûnvata.r Het laatste gedeelte 
van het Sanskrtvers, waarin de prajùâpâramitâ voorkomt, 
wordt niet vertaald. 

Omtrent den inhoud valt het volgende op te merken: 

De Buddha's worden verdeeld (fol. a. 9) in anâgatabuddha’s 
(toekomstige): Maitreya en Samantabhadra, atitabuddha’s 
(van het verledene): Wipacyî, Wicwabhû, Krakucchanda, 
Kanakamuni en Kâgyapa en eindelijk den wartamâna- 
buddha (van het. tegenwoordige): CAakyamuni. Deze heeft de 
kamârawijayan (fol. a. 10) bereikt, d. i. letterlijk het abstractum 
van het „Mâra overwonnen hebben». 

Hierbij valt op te merken, dat Wipagyî en Wigwabhû 
gewoonlijk ontbreken, waar de Mânusibuddha's opgenoemd 
worden (b.v. bij Grünwedel, Buddhistische Kunst, pag. 
169) 1, doch wel voorkomen onder de zeven Buddha’s van het 
verledene (b.v. bij Waddell, Lamaism, pag. 346 en Grün- 
wedel, Mythologie des Buddhismus, pag. 111). Van de 
toekomstige Buddha’s wordt Maitreya gewoonlijk genoemd 
onder de Mânusibuddha's en Samantabhadra onder de 
Dhyânibodhisatwa's. 

Op fol. 27 wordt gesproken over de zes pâramitâ’s: dâna, 
gila, ksânti, wirya, dhyâna en prajüâ (zie Kern, Bud- 
dhisme, I, 415), op fol. a. 36 over de vier pâramitâ's: metri, 


1 Ook bij Waddell, Lamaism, p. 350 en Grünwedel, Mythologie 
des Buddhismus, p. 95. Daarentegen noemt Groeneveldt hen (Arch. 
Catal. pag. 82). 





VAN HET MAHAYANISME OP JAVA. 59 


karupa, mudita en upeksâ. De eerste heet het tatwa (het 
wezen) van Locanâ, de tweede van Mâmakî, de derde van 
Pândarawâsinf en de vierde van Târâ. 

Deze vier zijn bekend als de gemalinnen van de Bodhisatwa's 
Wajrapâni, Ratnapâni, Padmapéni of Awalokitegwara 
en Wicwapâni (Waddell, Lamaism, p. 351 en Kern, Bud- 
dhisme, II, 173). Gewoonlijk wordt ook Wajradhatwicwart, 
de vrouw van Samantabhadra hierbij genoemd. Ook is de 
eigennaam Pândarawâsinf eigevaardig, daar deze naam gewoonlijk 
Pândarâ (Waddell, Kern, l.c. en Groeneveldt, Arch. Catal. 
pag. 81) of Pândurâ (Kern, l.c.) of Sîtâ (Waddell, l.c.) luidt. 

Dit gedeelte over de dagapâruamitâ eindigt op fol. a. 40. 
Daarop volgen de vier yogas: mûlayoga, madhyayoga, 
wasÂnayoga en antayoga. Dan de vier bhâwanâ’s (zie 
Kern, Buddhisme, I, 869) en de vier heilige waarheden 
(âryasatya). 

Gewichtig uit een iconographisch oogpunt is de plaats (fol. 52 
en vlg.) waar over de mudrâ’s gesproken wordt (zie Brandes # Een 
Buddhistisch monniksbeeld, en naar aanleiding daarvan het een en 
ander over eenige der voornaamste mudr&’s in Tijdschr. Ind. T., 
L. Vk. XLVIII pag. 37 vlg. en Waddell, 386—837). ' De kleur 
van Câkyamuni heet wit en zijn mudrâ de dhwajamudra. 
Uit zijn rechterzijde ontstaat -_Lokegwara, wiens kleur rood en 
wiens mudrâ de dhyâuamudrâ is. Uit Câkyamunui's linker- 
zijde outstaat BajrapÂpi, wiens kleur blauw en wiens mudrâ 
de bhihsparcamudra is. Deze drie Buddha’s worden vergeleken 
met het ratnatraya (drie kleinoaden) Buddha, Dharma en 
Sanggha (fol. a. 53). 

Op fol. 54 worden de vijf skaudha’s (Kern, Buddhisme, 
I, pag. 341—353) besproken en in verband gebracht met de vijf . 
Dhyânibuddha’s of Tathâgata's, zooals zij hier heeten. 
Ook de trikhala (râga, dwesa en moha ?) worden in verband 
gebracht, resp. met Amit&bha, Aksobhya en Wairocana 
(fol. 55). De vijf elementen (prthiwi, A4pah, teja, bâyu en 
Ââkâca) worden eveneens met de vijf Tathâgata's vergeleken 
(fol. 57). 


1 Zie ook Grünwedel, Buddhistische Kunst, 157, 163, 171 en 192. — 
Mythologie des Buddhismus, 19, 20, 33, 36 en 109. 

3 Zie hierover: Waddell, Lamaism, p. 109. Hij noemt ze: „The three 
vices or delusions”’. 


60 NIEUWE BIJDRAGE TOT DE KENNIS 


Op fol. a, 60 worden de gemalinnen der Dhyânibuddha’s 
genoemd, allen met het praedicaat bharâlî. Ditmaal wordt ook 
Dhatwicwari niet vergeten. (Zie Brandes, Tjandi Djago, pag. 
94—95 en Not. Bat. Gen. XXXIX, pag. XXVIII). 

Het slot (fol. 68—65) handelt over het gawawidhâna (lijk- 
bezorging) bij de Buddhisten. 

Een ander, minder omvangrijk lontarhandschrift (cod. 50838 leg. 
Warn.) draagt ook den titel dang hyang Kamahâyânikan, 
doch het wijkt van cod. 5068 af. De inkleeding van dit HS. doet 
sterk aan die van het Oudjav. Adiparwa denken: evenals daar 
bijna iedere afdeeling begint met een vraag van Conaka aan 
Ugragrawâ of van Janamejaya aan Waicampâyana om 
een nieuw verhaal of om voortzetting van een reeds begonnen ge- 
schiedenis, zoo geschiedt dit hier met een leerling, die vragen doet 
aan zijn leeraar, bv. reeds dadelijk in het begin (na awighnam 
astu): Sâjfâ mahâmpu, tulusakna sih cri mahÂâmpungku ri 
pinakanghulun! enz., d.i.: „Met uw verlof, groote Heer, 
voltooi het gunstbewijs van u, mijn groote Heer, jegens mij ly enz., 
waarop de leeraar antwoordt: Aum, enak denta ruméngé 
kita Tathâgatakulajinaputra! enz., d.i.: „Om! Luister 
rustig toe, o gij Buddha’zoon uit Tathâgata's geslacht ont- 
sproten \„ enz. 

De inhoud van dit handschrift komt in vele opzichten overeen 
met die van cod. 5068. Ook hier (fol. a. 2) wordt van de 4 
ârvasatya en de 10 pâramitâ gesproken. Merkwaardig is eene 
plaats (fol. a, 3), waar van het adwayajfâna gezegd wordt, dat 
dit is bhar&li PrajfâpâÂâramitâ, de moeder van bhatâra 
hyang Buddha. 

Voor zoover mij bekend is, is dit de eenige plaats in de geheele 
Oudjavaansche literatuur, waar sprake is van deze godin, die bij 
ons eene zekere vermaardheid gekregen heeft door het prachtige 
steenen beeld, dat vroeger in ’s Rijks Museum van Oudheden (n° 33 
van Leemans’ Catalogus, die haar Laksmfî noemt!) en thans in 
"3 Rijks Ethnographisch Museum bewaard wordt en dat reeds meer- 
malen afgebeeld is, o.a. in deze Bijdragen (6° volgr. VIII, pag. 
372, fig. I) door den heer C. M. Pleyte, in Von Saher’s 
Versierende Kunsten, pl. XX, in het werk „De Batikkunstr door 
Rouffaer en schrijver dezes op de platen 89 en 40 en in Pleyte’s 
Indonesian Art, pl. XI. 

Op fol. 5 worden de zeven sam&dhi’s genoemd, dat vertaald 


VAN HET MAHAYANISME OP JAVA. 61 


wordt door pégéng ikang bâyu of vinhouden van den aÂem# 
(eig. den wind). Hierbij valt op te merken, dat Prof. Kern in 
zijn werk (Buddhisme, I, pag. 379) zegt: „Er worden soms 8, 
soms 6, of ook wel 4 Sa mâdhi’s genoemd.» 

Op fol. a. 8 is sprake van vijf mudrâ’s:dhwaja, bhûhsparga 
(het HS. heeft nusparca), warada, dhyâna en abhaya. 
Daarop worden de kleuren en mudrâ’s van CAkyamuni, Lokegwara 
en BajrapÂâni opgesomd, evenals in cod. 5068. Uit deze drie 
Tathâgata’s ontstaan de anderen, nl. uit CAkyamuni’s gelaat: 
Wairocana, uit Lokegwara: Aksobhya en Ratnasam- 
bhawa, terwijl Bajrapâni zich verdeelt in Amitâbha en 
Amoghasiddha. Volgens deze voorstelling zouden dus Tathâ- 
gata’s of Dhyânibuddha’s ontstaan uit Dhyânibodhisatwa’s. 
Waarschijnlijk ligt hierin eene aanwijzing, dat naast Câkyamuni 
vooral Lokegwara (Awalokitegwara) en Bajrapâni vereerd 
werden op Java. . 

Behalve de 5 skandha’s, 5 dhâtu's, 3 khala’s en 8 ratna’s 
worden hier met de 5 Tathâgata's in verband gebracht de vijf 
klanken: a, hum, tram, hrfî en a, die Waddell (Lamaism, 
851): „Essential or „Germ Spell (bîja)r noemt; de 8 mala’s (fol. 11), 
de 3 kâya’'s (Waddell, Lamaism, 347 en Hodgson, 
Essays, 27, 58, 64) f, de 3 paramârtha's (fol. a. 18) en de- 
5 deha’s (fol. a. 14). ° 

Dit gedeelte van de KamahâÂyânikan heet Paùcatathâ- 
gatajùâÂna, d.i. kennis der" 5 Tathâgata's (tot fol. 15). Het ge- 
deelte, waarin de 5 gemalinnen der Tath&gata’s in verband gebracht 
worden met de 4 Pâramitâ's heet hier adwayasâdhana (tot 
fol. 18). Het slot handelt over deze vier en over de zes Pâramitâ's, 
waarom aan het slot staat: Iti satpâramitâ samâpta. Op fol. 
22 treft men de interessante zinsnede aan: Buddha tunggal 
lawan Ciwa of: „Buddha is één met C1iwavr. 

Hiermede nemen wij afscheid van deze beide merkwaardige ge- 
schriften. Misschien zal een Sanskritist in staat zijn, hun bron op 
te sporen. Aan Europeanen zullen zij weinig nieuws omtrent het 
Buddhisme leeren, doch als bronnen van hetgeen de Javanen eenmaal 
van dezen godsdienst geweten hebben, schenen zij mij belangrijk 
genoeg toe, om er de aandacht op te vestigen. 


1 Zie ook Köppen, Die Religion des Buddha, II, 25 en Grünwedel, 
Mythologie des Buddhismus, pag. 109. Zij heeten: Nirmâna —, sam- 
bhoga — en dharmakâya. 


EENIGE SOENDASCHE FABELS EN 
VERTELSELS. 


DOOR 


R. A. KERN. 


Een vijftal jaren geleden zijn in ‘t Tijdschrift van *t Bataviaasch 
Genootschap ' eenige Soendasche dwerghertverhalen medegedeeld. Er 
werd toen reeds gezegd dat in die dongengs variaties voorkomen. 
Ik heb er ua dien tijd nog meermalen gehoord. Waar de hoofdinhoud 
dezelfde was, behoeven die nieuwe lezingen hier niet te worden 
vermeld en wil ik volstaan met één voorbeeld hoe eenige episodes 
op verschillende wijze kunnen worden aaneengeschakeld en de dieren 
die erin optreden, andere namen kunnen krijgen. In bovenbedoelde 
mededeeling dan was de loop van ‘t laatste verhaal als volgt: 

De reebok komt op ‘t terrein van den tijger, vraagt later 
hulp by ‘t dwerghert, ‘t ‘dwerghert verschrikt den tijger. De 
aap legt den tijger uit dat hij voor den gek gehouden is; samen 
gaan zij weer naar den reebok, maar deze wordt weer gered door 
t dwerghert, door wiens list de tijger zijn medgezel, den aap doodt. 
Die dood maakt op den hoorder den indruk van een vergelding, 
want vóór de reebok naar ‘t dwerghert ging, had hij vergeefs bij 
den aap aangeklopt om hulp. 

Later hoorde ik ‘t verhaal anders, de rollen waren verwisseld en 
een nieuwe episode was er doorheen gewerkt; overigens waren de 
gebeurtenissen dezelfde. In dit verhaal komt een buffel op ’t 
terrein van den tijger, bij wien ‘t dwerghert zooveel als Patih 
is. “t Uitstel om vet te worden is net als boven. De buffel gaat 
hulp vragen bij een geit, de geit verschrikt den tijger. Dan volgt 
t verhaal dat de geit aan den tijger zijn spiegelbeeld laat zien, 
hier om te bewijzen dat zij tijgers in voorraad heeft om op te eten. 
(Deze episode komt in allerlei vormen voor, steeds met ‘t doel te 


1 Deel 42. 


EENIGE SOENDASCHE FABELS EN VERTELSELS. 63 


bedotten of schade te doen). *t Dwerghert legt aan den tijger de 
foppage uit; samen gaan zij terug naar de geit, deze doet als boven 
"t dwerghert en “t einde is dat de tijger *t dwerghert doodt, gelijk 
boven den aap. 

Dit is een voorbeeld uit velen. 


_Thans mogen eenige andere dongengs hier een plaats vinden. Zij 
worden medegedeeld in Soendaschen tekst met, bij elk, een korten 
inhoud in *t Hollandsch. Aan een vertaling heb ik me niet gewaagd. 
_ Een woordelijke vertaling zou ‘t frissche, en levendige, ‘t echt- 
natuurlijke dezer volksverhalen doen verloren gaan; om dat weer te 
geven, zou de vertaling zeer vrij moeten zijn; ik betwijfel of °t me 
zou gelukken; voor degenen die den origineelen tekst lezen, ware 
ze ounoodig en niet-beoefenaars van ‘t Soendasch zullen, hoop ik, 
een inhoudsopgave voldoende achten. 

De dongengs zooals ze hier gegeven worden, zijn gehoord in 
Bandoeng en Soekapoera. Verscheidene er van heb ik ook op andere 
plaatsen hooren vertellen. 


I. De kat en de tortelduif. 


De kat komt in de buurt van een tortelduif. Ze laat ’t voorkomen 
alsof ze niets kwaads in den zin heeft, door te zeggen dat ze tapa 
houdt. De duif antwoordt om die goede bedoelingen toe te juichen. 
„Kom wat dichter bij, ik kan je niet hooren ‚r zegt de kat. Argeloos 
komt de duif dichterbij, wordt gegrepen en opgegeten. Volgt een 
vermaning niet te doen als de duif. 


Tekst: Oetjing djeung manoek titiran. 


Titiran njajang dina roejoek kaso; kapanggih koe oetjing, tapi 
oetjing hénteu daek ganggoe kana titiran. Ngomong ka oetjing: 
„Teu woedoe bae sampejanmah loenggoeh! ménding teving sasa- 
rinamah: kakara tembong oge, geus diintip, rek dirontok!, — 
Djawab oetjing: ~Kaoela keur tapa, napaän doewa pérkara, hidji, 
teu rek ganggoe kana karép batoer, kadoewa, teu rek ngarah pati 
batoer.s — ~Bénér lamoen kitoe karép sampejan, kaoelage tjotog 
kana karëp andika; poegoehnja koedoe, hajang waloeja dirimah.” — 
Tjek oetjing: „Teu kadenge, koerang deukeut!/ 


64 EENIGE SOENDASCHE FABELS EN VERTELSELS: 


Titiran njampeurkeun ka oetjing. Baréng ' geus deukeut, gabroeg 
bae dirontok téroes dihakan koe oetjing. 

Ingét, djalma! oeloh sapérti oetjing djeung titiran; kitoe kadja- 
diannana. Sapérti teu térang eta djalma bangsat ti toekan-toekangna 
tapi dipértjaja bae, kitoe kadjadiannana. 


i. De valk en de schildpad. 


Een valk en een schildpad waren vrienden. De schildpad geeft 
aan den valk den raad, als hij ver vliegen moet, langzaam te 
vliegen. De valk meent juist *t omgekeerde en wijst de schildpad 
terecht dat ze praat over dingen waar ze geen verstand van heeft. 

De valk gaat nu een zee oversteken en vliegt zeer snel, met ’t 
gevolg dat hij uitgeput neerstrijkt op een schip, gegrepen wordt 
(door een Chinees) en geslacht. 

De ekster die dat zag, moraliseert over ‘t geval met zijn makkers 
en tot slot volgt dan nog de moraal voor de menschen: Wees niet 
eigenzinnig; volg goeden raad, al komt die van minderen. 


Tekst: Tjarita alap-alap djeung koeja. 


Katjarita dina hidji waloengan aja sahidji koeja. Eta koeja waktoe 
harita keur sosobatan dalit pisan, njaeta djeung hidji manoek 
alap-alap. 

Dina hidji mangsa keur waktoe alap-alap njijar kahakanan, 
katembong koe koeja tea ti handap sarta, bari digëroan, pokna 
koeja: rÂdi! moen tjalik heula sakédap kadijeu, sarehna poen 
kakang gadoeh soewal saeutik.» — Toeloej eta alap-alap teh toeroen 
kahandap njampeurkeun ka koeja tea, sarta bari ngomong .pokna: 
nAja pibedjaeun naon, kakang?» — Walon koeja: „Kijeu geura, 
adi! sarehna adi ajeuna bisa ngapoeng di awang-awang, njaeta koe 
sabab boga djangdjang, koe perkara eta koemaha pamikir adi, 
oepama adi ngaliwat laoetan tégésna hibér di laoet, koemaha hibérna ? 
eta koedoe gantjang atawa koedoe alon?” — Wangsoelna alap-alap: 
„Memang koedoe gantjang, koe sabab oepama di alon-alon, tangtoe 
kësël tina sakitoe leukleukna./ — Wangsoel koeja: »Hih! salah lamoen 
pamikir adi kitoe; tangtoe lamoen gantjang manggih balai, lamoen alon 
tangtoe salamét.» — Walon alap-alap : „Teu sing kitoe! sababna koela 


1 Baréng voor Barang. 


KENIGE SOENDASCHE FABELS EN VERTELSELS. _ 65 


anoe geus ngalampahkeun; ari kakangmah, iraha teuing bisa hibér, 
iraha teuing ngalampahkeun kana eta atoeran ; tjatjakan di waloengan 
oge bisa ngodjajteh kabawa koe tjai.s — Tidinja koejateh erdeun 
sarta roemasa salah mapatahan ka noe tatjan dilampahkeun; toeloe) 
manehna menta pértobat ka alap-alap, pokna: „Adi! ajeuna kakang 
menta dihgmpoera koe adi sarehna kakang ngoenghak tjampélak 
make mapatahan ka salira adi sakitoe.r — Wangsoel alap-alap 
barina béngis sarta bari hibér, pokna: „Hade!r sarta toeloej eta 
alap-alap hibérna njvrang laoetan sarta. kéras katjida. Tina sabab 
hibérna gantjang teuing, manehna tjapeeun sarta késéleun djang- 
djangna, djadi hibërna beuki dasar bae. Kabénéran waktoe harita 
aja hidji kapal anoe keur lajar; geuwat manehna notogkeun maneh 
kana eta kapal tina sabab geus teu katahan koe tjape. Barang 
géproek kana kapal, kapanggih koe hidji tjina, sarta toeloej koe 
eta tjina ditewak téroes dipeuntjit. 

Keur waktoe alap-alap dipeuntjit, katembong koe hidji manoek 
tjijoeng sarta ngomong ka batoerna, pokna: „Euj, batoer! geura 
itoe tendjo manoek alap-alap; tina tjape hibérna datang ka notog- 
keun maneh ka djéro kapal, toeroeg toeroeg barang datang kana 
kapal, manggih balai; kapanggih koe oerang manoesa sarta toeloej 
dipeuntjit.„ — Tjek batoerna: „Enja! tah kitoe noe teu noeroet 
kana papatahteh. » 

Harti ijeu dongeng: Saha djalma anoe moeroegoel, anoe teu 
toeroet kana papatah, sanadjan koe sahandapeun oge, ori kana 
pibénéreun eta koedoe toeroet. Lamoen moeroegoel, tangtoe matak 
tjilaka saperti manoek alap-alap teu toeroet kana papatah koeja. 


III. De rijke eekhoorn en de arme aap. 


Een hongerige aap komt met haar kinderen bij een eekhoorn die 
een nangkaboom vol vruchten bezit. Zij vraagt één nangka, maar 
de eekhoorn scheepte haar af. Nauwelijks zijn de apen weg of de 
eekhoorn begint van onderen aan een nangka te knabbelen. Daardoor 
valt deze van den boom af, de eekhoorn in haar vaart meenemende 
en verpletterende. 

Allerlei dieren die veel van nangka’s houden komen nu aanloopen 
en doen zich te goed en ook de aap en haar jongen schransen naar 
hartelust. 

Volgt de moraal. 

* Zelfde verhaal heb ik ook zoo hooren vertellen dat weer de 
ekster de moraal trekt. 

7 Volgr. VI, 5 


66 EENIGE SOENDASOHE FABELS EN VERTELSELS. 
Tekst: Badjing beunghar djeung monjet malarat. 


Dina sahidji leuweung aja sahidji badjing kaja, njaeta boga 
sahidji tangkal nangka. Eta tangkal nangka loba pisan boewahna 
tépi ka ratoesan. Dina sahidji mangsa datang monjet mawa anak tiloe; 
eta monjet geus tiloe powe hénteu manggih kahakanan datang ka 
boetjing, pok ngomong: „Poenten, noen!y — Wangsoel badjing: 
wAeh, sakadang monjet — kadijeu tjalik.s — Toeloej monjetteh 
dioek dirijoeng koe anakna. Ditanja koe badjing: „Aja pigaleuheun 
naon?” — Wangsoel monjet sarta bari loengas-leungis ! sangkan 
dipikaroenja: „Noen, djoeragan! koeringteh noe mawi ngadeuheus, 
njaeta dek namboet nangka sahoeloe, sarehna koering saréng poen 
anak parantos tiloe dintén hénteu barangtéda; koe perkara eta 
moegi dipaparin sahoeloemah, hénteu sahoeloege atoeh sabeulah, 
hénteu sabeulah atoeh satjamploengmah ? kédah bae dipaparin, 
noen!, — Diwalon koe badjing sarta karoenjaeun ngadenge omong- 
annana sakitoe: „Adoeh! karoenja teuing, paingan teuing eta iga 
mani ragas tjari gambang./ — Kadenge koe monjet, ngomong di 
djéro atina: ~Tah! aing bakal hasil balangsijarteh., — Tapi barangna 
[ngomong ka monjet] badjing ngomong di djëro atina, pokna: 
„Beu! koemaha, dibere sahoeloe, géde teuing, dibere sabeulah, 
koemaha eta noe sabeulah deui? lamoen teu beak meureun boeroek; 
njokot tina hoeloean noe aloes satjamploeng, meureun boesik 
nangkana.” — 

Tidinja toeloej ngomong ka monjet, pokna: ~Beu! gagal, sakadang 
monjet! ajeunamah, sarehna keur koering oge moal tjoekoep pikeun 
bekél, éngke deui bae taoen hareup kadijeu deui.r — Walon monjet 
bari doemareuda: „Atoeh, poenten bae, noen!* „Hajoe, baroedak ! 
oerang balik., — Eta anakna hénteu beunang dibawa balik , anggoer 
tjeurik gogoleran; beunang soteh dibawa balik, saténgah digoesoer 
koe indoer.gna. Barang népi ka djalan ngomong ka anakna: „Keun 
bae, oedjang! oerang njijar deui bae ka noe sedjen, da badjingmah 
mana hénteu merege, ngopet meureun.” 

Hénteu katjarita monjet, kotjapkeun badjing tea, sanggeusna 
monjet balik, toeloej manehna milihan nangka noe asak. Barang 
geus manggih, toeloej) koe manehna disigitan ti handapna. Tina 
sabab nangka asak teuing, toeloej eta nangka teh ragrag sarta eta 
badjing kabawa ka handap katindihan koe nangka téroes paeh. 





1 Zelfde als léngas-léngis. 
3 In dezelfde beteekenis wordt ook njamploeng gezegd. 


EENIGE SOENDASCHE FABELS EN VERTELSELS. 67 


Katjaritakeun sanggeusna badjing paeh, roepa sasatoän didinja 
sapérti tjotjodot, kalong, loetoeng, owa (of oa?), sakabehna sasatoan 
pada ngarajah kana eta nangka sarta eta monjet anoe tadi tea balik 
deui ngahakanan nangka balaketjrakan sarawoeh anak-anakna. 

Hartina ijeu dongeng: Saha djalma anoe tjétjéréméd atawa tjédik, 
tara noeloeng ka noe boetoeh, toengtoengna matak hénteu djamoega 
ti pada kawoela, sapérti badjing héuteu noeloeng ka monjet datang 
ka paeh koe bandana pribadi. 


IV. De slang en de kraai. 


Deze fabel is zeer merkwaardig maar lijkt me bedorven. Ik heb 
ze helaas slechts eens gehoord, zoodat ik niet vergelijken kon met 
andere lezingen. 


In den ouden tijd was de santja ' de giftigste van alle slangen. 
De andere slangen wilden dat niet gelooven. De santja zal ‘t nu 
bewijzen door een bruidspaar, in optocht rondgereden te bespuiten. 

[Men stelt zich voor dat een gifslang zoowel bijt als zijn gif 
uit zijn bek naar buiten spuiten kan.] 

Dit werd gehoord door de kraai, die in dien tijd nog wit was. 
Deze blijft nu boven ‘t bruidspaar vliegen, ziet dan hoe de santja 
de menschen bespuit zoodat ze op slag sterven en bij de dadelijk 
volgende begrafenis blijft zij boven de begraafplaats en wordt met 
aarde bestoven tot zij zwart ziet. 

De thans zwarte kraai gaat naar de santja. Zie, zegt ze, uw gif 
is niet werkdadig, ik ben wel zwart geworden, maar dat komt 
omdat ik mezelf besmeerd heb met zwartsel, 2 waarop de santja 
antwoordt, dat *t nergens goed voor is een onwerkdadige giftigheid 
te hebben. En de daad bij *t woord voegende werpt ze haar gif 
weg dat opgeraapt wordt door ander gedierte, nl. de steekdieren 
(wespen, muggen e. d.) 

Dat is tot heden zoo gebleven. 


1 Deze slang komt in ’t Zuiden van Prijangan vrij veel voor. Giftig is ze 
niet en voor den mensch niet gevaarlijk. Haar prooi bemachtigt ze door er 
zich om heen te kronkelen en dan dood te drukken. Door haar groote lengte 
en kracht — in Djampang zag ik een huid van een pas gedood exemplaar, 
die 54 M. lang was en plat uitgespreid een grootste breedte van ruim een 
halve meter had — kan zij zelfs paarden en buffels dooden. Ze wordt 
geidentificeerd met de python. De Jav. vorm is sa wa. 

2 Nl. wat zich afzet aan den onderkant van ketels en pannen. 


68 EENIGE SOENDASCHE FABELS EN VERTELSELS. 


Tekst: Oraj djeung gagak. 


Djaman baheula noe pangmatihna.oraj, njaeta oraj santja. Dina 
hidji kampoeng aja hidji oraj santja; eta oraj koe sakabeh batoerna 
hénteu dipértjaja jen matih. Hidji mangsa oraj teh koempoelan 
sarta oraj noe rea ngomong ka oraj santja, pokna: #Djoeragan ! 
abdimah hénteu pértjantén jen gamparan matih.r — Djawab oraj 
santja: vAri maneh teu pértjajamah, tjing! koe aing dek digegel 
atawa ditijoep., — Djawab oraj noe rea: „Ah, oelah! bilih jaktos 
jen matih., — 

Ari waktoe harita aja noe keur karijaän atawa pangantenan djeung 
pangantenna ngarendeng dina kareta. Katembongeun koe oraj santja 
sarta ngomong, pokna: /Toeh! tarendjokeun panganten, koe aing 
dek ditijoep. Oepama paroeh, sidik matih., — Ari di loehoer aja 
noe ngadengekeun omongan oraj santjateh, njaeta gagak. Dina 
waktoe harita gagakteh roepana bodas. Eta gagak ngomong ka oraj 
santja, pokna: „Na ënja?r — Oraj santja ngomong deui, pokna: 
„Enja! geura pek tendjokeun koe maneh, tapi maneh tangtoe 
tjatjad.. — Toeloej gagakteh hibér tjitjing diloehoereun panganten. 
Barang ditijoep koe oraj eta panganten, harita keneh misan. Atoeh 
gehger! enggalna téroes boe dikaloewat djeung eta gagak tjitjing 
diloehoereun astana, eta gagak kapétjléngan ' taneuh tépi ka djadi 
hideung. 

Tah! ti harita noe matak gagak roepana hideung, sabab baheu- 
lamah roepana bodas. 

Barang eta gagak geus djadi hideung, njampeurkeun ka oraj 
santja bari ngomong, pokua: ~Djoeragan! ah, geuning, teu matih ! 
abdimah djadr hideung soteh ngabaloer maneh koe mehong.y — 
Oraj santjateh ngomong, pokna: ~Ah! lamoen kitoemah hénteu 


pérloe boga kamatihan tjambal.. — Toeloej koe oraj santjateh 
dipitjeun sarta pada moeloengan ? koe sasatoan noe sedjen tépi ka 
paréboet. | 


_ Tah! ti harita noe matak oraj santja ajeuna djadi hénteu matih. 

Eta sasatoan noe maroeloengan kamatihan, noe kabagean, nja 
tépi ka ajeuna matih. Noe teu kabageanmah djadi teu matih sarta 
oeroetna diparoeloengan koe bangsa sato seungseureudan. 


1 Zie noot biz. 80. 
3 Wanneer ’t werkwoord wordt voorafgegaan door pada, staat soms ’t 
aktief, waar men ’t passief zou verwachten. 





EENIGE SOENDASCHE FABELS EN VERTELSELS. 69 


V. De hengelaar. 


Er was eens een oude hengelaar, op wien een tijger en een 
krokodil belust waren. Vijfmaal ontgaat hun de visscher na gevischt 
te hebben bij de volgende vijf diepe plaatsen in de rivier: Sareng- 
seng (roepen?), Kitedja (tedja is luister), Boendér (rond), 
Pandjang (lang) en Sanggareng (gw. van /de tanden laten 
zien»). Bij de zesde maal, bij de kolk Boengoer (een boom) 
komt hij tusschen 2 vuren: de tijger van boven, de krokodil van 
beneden. Beide bespringen hem, maar schieten hun doel voorbij, 
komen in de lianen terecht en beginnen nu samen een gevecht op 
leven en dood, waarbij zij ten slotte beide omkomen. Nu komen 
honderden krokodillen en tijgers opdagen de laatste met hun koning. 
De visscher klimt in een boom. De krokodillen en tijgers treffen 
een minnelijke schikking: De oorzaak van den dood van een uit 
beide scharen was hun slechte begeerte naar den hengelaar. Van 
beide zijden wordt nu bepaald dat ‘t zeven geslachten ver verboden 
zal zijn hengelaars aan te vallen. 

De krokodillen en tijgers gaan uit elkaar, de hengelaar gaat met 
een gerust hart, de gevangen visch aan de hand naar huis. 


Tekst: Toekang ngoeseup. 


Djaman baheula aja hidji toekang ngoeseup aki-aki. Eta toekang 
ngoeseup pada dipake kahajang koe hidji maoeng djeung koe hidji 
boehaja, malah geus lima kali ngoeseup kanjahoan bae koe maoeng 
djeung boehaja tea. Sakali ngoeseup di këdoeng ' Sarengseng, 
doewa kali ngoeseup di kédoeng Kitedja, tiloe kali ngoeseup di 
kédoeng Boendër, opat kali ngoeseup di kédoeng Pandjang, 
lima kali ngoeseup di kédoeng Sanggereng. 

Tapi eta toekang ngoeseup, saban-saban didongdon koe maveng 
djeung koe boehaja dina témpat ngoeseup tea, geus teu aja teu aja 
bae , kaboeroe balik. Tidinja maoeng djeung boehaja pada ngomong 
di djéro kalboe, pokna: „Keun bae, sija! éngke-éngke deuimah, 
ana ngoeseup rek ditoetoerkeun bae; mana keuheul-keuheul teuing !/ 

Dina hidji mangsa eta toekang ngoeseup indit deui bae ngoeseup ; 
ana djig, nja ka kédoeng Boengoer. Barang datang ka kédoeng 


1 Kédoeng = Jav. Kédoeng, 't zelfde als Leuwi — kolk, diepe plaats in 
een rivier. 


70 EENIGE SOENDASCHE FABELS EN VERTELSELS. 


Boengoer, manggih bae témpat dina gawir sapérti goeha, sarta di 
loehoereunnana rea pisan areuj wani pabeulit djeung galéde. Toeloe] 
sabijasa ngoeseup sarta beubeunangannana alah batan noe énggeus- 
énggeus. Koe bakating'! paléng(?) maoeng djeung boehaja pada 
hajang ngamangsa ?, satintjak-tintjakna toekang ngoeseup kanjahoan 
bae; sarta ngoeseupna di kédoeng Boengoer kaitoeng lila koe sabab 
gawok * beubeunangannana rea. 

Katoenda toekang ngoeseup, katjarita maoeng djeung boehaja 
geus datang ka toekang ngoeseup tea. Ari maoeng datangna ti 
tonggoh tapi hénteu njahoeun ka toekang ngoeseup sabab boeni; 
toekang ngoeseup njakitoe deui hénteu njahoeun jen aja maoeng, 
 ngan katendjo bae kalangkangna. Ari koe boehajamah geus kanjahoan 
sarta nembongan sama sakali, koe toekang ngoeseup, ngajar ti hilir 
ka girang. Barang datang ka témpat toekang ngoeseup, eta boehaja 
silém deui. Toekang ngoeseup ngomong sa djéroning kalboe, pokna: 
„Bo! nja ajeuna aing paeh dimangsa maoeng atawa koe boehaja, 
tapi moal dikoemaha ari geus népi kana titis toelis aing koedoe 
dimangsa koe maoeng djeung koe boehajamah.” Sanggeus ngomong 
kitoe, toeloej bae djongdjou * ngoeseup deui malah tambah gawok. 
Lila-lila eta toekang ngoeseup katendjo koe maoengteh sarta bari 
ngomong dina djëro kalboe, pokna: »Dalah! nja ijeu manoesana 
noe didongdon koe aing sababaraha kali; kakara ajeuna bisa katimoe.7 
Sanggeus ngomong kitoe, eta maoeng geus teu koewat nahan 
amarah, nja kitoe deui boehaja; pada geus teu koewat nahan 
amarah. ° 

Gantjangna tjarita, toeloej bae maoeng djeung boehajateh masing- 
masing pada ngarontok eta toekang ngoeseup. Ana gabroegteh , ngaro- 
utokna masing-masing kaliwat koe bawaning roesoeh ana njangsang 
masing-masing kana areuj saloehoereun toekang ngoeseup tea. Tidinja 
toekang ngoeseupteh kasima*, ngan tiba koetjap-kitjeup ® bae nendjo 
ka loehoer. Maoeng djeung boehaja goegoerawilan dina areuj. 

Katoenda toekang ngoeseup, katjarita maoeng ambékna beuki 


1 Koe bakat-ing z. v.a. Koe bawaning — doordat. 

3 Njamangsa — ’t iemands stervensuur doen zijn, naar de andere wereld 
helpen, verdelgen. 

3 Gawok z. v.a. résépeun -— met lust, met behagen, behagen hebben in. 

4 Djongdjon — in denzelfden toestand, onveranderd blijven. 

5 Kasima — gebiologeerd. 

6 Koetjap — kitjeup — frequentatief van kitjeup — lonken, met half toe. 
geknepen oogleden even een blik werpen. 


EENIGE SOENDASCHE FABELS EN VERTELSELS. 71 


katjida. Barang ret nendjo dina areuj aja hidji boehaja, téroes koe 
maoeng eta boehaja dirontok, boehaja toeloej bae malik ngegel ka 
eta maoeng sarta toeloej dibawa toetoeroeboen kana leuwi Kédoeng 
Boengoer tea. Eta leuwi hénteu kira-kira djérona. Tidinja maoeng 
ambék, boehajn dérégdég tina djéro leuwi dibawa loempat kadarat, 
silibeubeut, silibanting, silikoroet sarta siligegal. Tidarat toeloej koe 
boehaja dérégdég deui dibawa silém ka djëro tjai. Kitoe djeung 
kitoe bae népi ka djam-djam-an. 

Katoenda maoeng djeung boehaja noe keur galoengan ', katjarita 
toekang ngoeseup, kasimana geus leungit nendjo galoengan maoeng 
djeung boehaja sakitoe ramena. Datang bae tidinja géde hate; 
toengtoengua toekang ngoeseupteh ngéprokan sarta bari ngomong 
kijeu, pokna: „Hajo! sakadang maoeng djeung sakadang boehaja! 
oelah népi ka eleh, wédoek pada wédoek, gagah pada gagah., — © 
Sanggeus toekang ngoeseup ngomong kitoe, katjarita deui maoeng 
djeung boehaja masing-masing- beuki katjida ambékna papanas-panas. 
Tidinja dér deui bae galoengan tambah rame. Lila lila boehaja 
rada teter koe sabab rada koerang pakakas népi ka poteng boen- 
toetna, tapi masih keneh bae ngalawan; toengtoengna népi ka 
pach patoendjang-toendjang ; diadoe soengoet pada soengoet, sihoeng 
pada ‘sihoeng wani patjorok. Ari noe mimiti paehmah boehaju 
heula; noe matak maoeng miloe paeh, koe sabab héuteu bisa ngoe- 
daran bae. Sanggeusna paeh patoendjang-toendjang, hénteu lila 
djéboel bae boehaja maratoes-ratoes, njakitoe deui maoeng saroewa 
bae lobana, masing-masing pada ngalajad. 

Toekang ngoeseup, barang nendjo balad boehaja djeung balad 
maoeng maratoes-ratoes, toeloej bae naek ka loehoer kai. Geus kitoe 
ratoe maveng ngomong ka balad-balad boehaja, pokna: #Koemaha 
ajeuna, sakadang boelraja! arek pikarépeun, pedah balad oerang 
geus pach hidji, balad sakadang boehaja hidji! Naha ajeuna baris 
ditoeloej keun pépérangan atawa koemaha?, — Sakadang boehaja 
ngawalon: „Bo! pérkara eta kaoela teu rek ngadjak moemoesoehan, 
tjoewang 2 beberes bae soepaja djadi loeloes ka hareupna, sabab 
ijeu pérkara pasalna kijeu. Sakadang maoeng djeung balad > kaoela 
pada boga tekad goreng ka hidji toekang ngoeseup; barang dina 
tempona ugarontok djadi baréng nja ana njangsang ka hidji areuj; 


1 Galoengan — worstelstrijd, worstelen. 
3 Tjoewang z. v.a. Soegan. 
3 Balad hier en verder op van één enkel individu gebruikt. 


72 EENIGE SOENDASCHE FABELS EN VERTELSELS. 


koe sabab sakadang maoeng geus teu koewat nahan amarah, ret 
bae nendjo balad kaoela; toeloej bae sakadang maoengteh ngarontok ; 
tidinja balad kaoela malik deui ngegel. Kitoe katérangannanay — 
Ratoe maoeng ngadjawab: »Koemaha atoeh ajeuna oerang, sangkana 
bisa poetoes oelah népi ka kadjadian deui sapérti tadi?» — Sakadang 
boehaja ngawalon: ~Ajeuna kijeu, sakadang maoeng! pangatoeran 
kaoela. Kitoe oge soegan rémpoeg djeung sakabeh balad-balad. 
Tipémét powe ijeu kahareup, ajeuna oerang tjadoe toedjoeh patoe- 
roenan arek boga tekad goreng ka noe toekang ngoeseup.” — Ka- 
denge koe ratoe maoeng djeung sabalad-baladna omongannana sakadang 
boehaja kitoe. Gantjangna ratoe maoeng djeung balad-baladna nga- 
djawab, pokna: ~Sakadang boehaja! pakeun oerang, nja kitoe deui 
tjadoe toedjoeh patoeroenan arek boga lekad goreng ka noe tockang 
ngoeseup.” — 

Barang geus barémpoeg, toeloej bae baroedal katémpatna masing- 
masing. 

Katjarita deui toekang ngoeseup, sanggeusma boedal balad maoeng 
djeung balad boehaja, toeloej bae toeroen tina loehoer kai sarta 
bari ngomong: #Tah! koedoe népi ka kitoena, sakadang maoeng 
djeung sakadang boehaja teh; kakara oerang ajeuna bisa sénang ati 
pakeun ka hareupna’”’. 

Tidinja toeloej bae toekang ngoeseupteh balik ka imahna bari 
ngadjingdjing laoek beubeunangan ngoeseup tea. | 


VI. De jager en de aap. 


Een jager is op de jacht. Plotseling komt hij voor een tijger te 
staan en redt zich door in een boom te klimmen. Maar de tijger 
blijft aan den voet de wacht houden en de jager is te zeer onder 
den indruk om iets uit te richten. 

[Vreemd is dat uitdrukkelijk gezegd wordt dat “t een gevlekte 
tijger is, want zulke tijgers kunnen in boomeu klimmen.) 

Daar komt een aap aan met voedsel voor zijn jongen. De jager 
beweegt den aap hem dat eten af te staan. Nu kan hij ‘t weer een 
tijd in den boom volhouden. De tijger, dien 't wachten verveelt, 
trekt weg. Dadelijk komt de jager naar beneden, hij had reeds zoo 
lang gejaagd zonder iets te schieten dat hij gemakshalve den aap 
maar doodschiet. De tijger hoort *t schot en ‘t gillen van den aap, 
komt weer naderbij, ziet den jager en verslindt hem. : 

Moraal: Den bedriegers wacht ’t verderf. 


EENIGE SOENDASCHE FABELS EN VERTELSELS. 78 


Tekst: Paninggaran djeung monjet. 


Katjarita aja hidji paninggaran geus katjéloek kamana-mana tina 
bisana, datang ka oenggal bébédil tara teu meunang oentjal atawa 
méntjék. . 

Dina hidji powe eta paninggaran bébédil ka hidji leuweung anoe 
loba oentjalna. Barang datang ka leuweung, paréng bae eta paning- 
garan papanggih djeung hidji maoeng toetoel. Barang gokteh djeung 
eta maoeng paninggaran ngédjat sarta toeloej naek kana tangkal ka! 
anoe loehoer. Maoeng ngarontok ka eta paninggaran tapi ngarontokna 
teu beunang tina gantjangna naek eta paninggaran. Eta maoeng, 
sanggeus ngarontok teu beunang, teu ingkah deui noenggoeäën 
toeroenna paninggaran. Eta paninggaran teu bisa ngabédil tina kasima 
koe eta maoeng, datang ka leuleus teu bisa ngobahkeun bédil. Geus 
sababaraha lilana eta maoeng noenggocau bae toeroenna paninggaran , 
tapi paninggaran taja pétana toeroen tina sijeun koe eta maoeng. 
Paninggaranteh geus katjida lapama ' hajang barangdahar datang 
ka meh ragrag tina taja tanaga. 

Teu lila djol monjet goegoerajangan bari mawa kahakanan keur 
ngirim ? anakna. Barang katendjo koe paninggaran ka monjet mawa 
kahakanan, toeloej bae ngomong eta paninggaran ka monjet tea, 
pokna : »Monjet, doeloer oerang anoe bageur! tjik, oerang toeloengan ! 
keur oerang bae eta kahakananteh; soegan bae oerang bisa moelang 
tarima ka maneh, tina ajeuna oerang ditoenggoean koe hidji maroeng. 
Geus sababaraha lilana oerang nja ditoenggoean, djadi oerang teu 
bisa ‘balik ka lémboer.” 

Tidinja eta monjet karoenjaeun, toeloej bae kahakanan dibikeun 
sarta toeloej didahar koe paningaran datang ka ségérna. Kta maoeng 
késël ngadagoannana paninggaran, toeloej bae njingkah asoep ka 
leuweung. Eta paninggaran, barang nendjo maoeng geus njingkah, 
toeloej bae toeroen tina eta tangkal kai. Barang datang ka handap 
eta paninggaran , djol njampeurkeun monjetteh bari ngomong, pokna: 
»Sobat ! mana pamoelang tarimana ka koering?” — Walon paning- 
garan: „ngke, (ana) balik ti imah; ari moro deui rangtoe moelang 
tarima”. — 

Sanggeus ngomong kitoe, paninggaran soesah tina moro sakijeu 





1 Lapar Mal. = Soend. Ponjo — honger, honger hebben, doch ook in 
_Soendaasch dikwijls gebruikt. 

3 Ngirim is zenden, maar ook zelf gaan brengen, voorzien, ong. = Eng. 
to provide. 


74 EENIGE SOENDASCHE FABELS EN VERTELSELS. 


lilana teu meunang naon-naon. (Ngomong didjéro atina :) Ajeunamah 
yeu bae monjet rek dibédil. Toeloej bae diwéngkang bédilna, 
dibénérkeun ' kana monjet. Monjet beunang sarta toeloej dipeuntjit. 

Tidinja kadenge koe maoeng jen aja sora bëdil djeung monjet 
ngarotjeak ; toeloej bae balik deui ka oeroet ngadagoan paninggaran 
tea sarta kasampak paninggaran keur meuntjit monjet. Toeloej bae 
eta paninggaran didodoho koe eta maoeng, gabroeg dirontok téroes 
dibawa ka djéro leuweung sarta dihakan koe eta maoeng. 

Hartina: Saha-saha djéléma anoe tjidra, toengtoengna sok tjilaka. 


VII. De arme man. 


In overouden tijd was er eens een straatarme man, een wees die 
niets bezat dan een hem door zijn ouders nagelaten huis. Eindelijk 
verkocht hij ook dat voor een gulden. (NB. Een huis van slechts 
enkele guldens waarde is in de Soendalanden geen zeldzaamheid). 
Na vijf dagen was er van dat geld nog dertig cent over. De man 
besluit de wijde wereld in te trekken en richt zich naar t Noorden. 
Aan de grensstreken gekomen ziet hij hoe een waterslang vervolgd 
wordt door menschen en koopt de slang voor een dubbeltje, die 
naar hem toekomt, Miskin steekt ze in zijn zak. Achtereenvolgens 
redt hij nu een kat en een hond door ze van de lieden die ze 
nazaten elk voor een dubbeltje te koopen en gaat met zijn 3 
plegelingen verder. In dien tijd konden de dieren spreken. 

Miskin komt aan de Noordzee en gaat naar ‘t huis van een 
rijken koopman. Deze neemt hem aan als mandor van een schip. 
t Schip zal vertrekken, Miskin gaat 't eerst aan boord, maar 't 
schip kan hem niet dragen en zinkt. De koopman werpt hem in 
zee; hij zwemt aan wal gevolgd door de 3 dieren. 

Thans vraagt Miskin aan deze, waarmee zij hem zullen vergelden. 
De slang noodigt hem uit samen te gaan naar den vader van de 
slang en aan dien een ring te vragen welken hij in zijn huig heeft. 
Die ring heeft de eigenschap alles goud of edelgesteenten te doen 
worden waar hij langs gestreken wordt. Zoo geschiedt, de vaderslang 
blijkt de Naga te zijn. Miskin krijgt den iid maar de jonge 
slang moet bij zijn vader blijven. 

Daarom steekt thans de waterslang haar tong uit, als zij met 
menschen samenkomt ten teeken van onderwerping. 





1 Ngabénérkeun of Ménérkeun hier = richten. 


EENIGE SOENDASCHE FABELS EN VERTELSELS. 75 


Miskin wordt rijk door zijn ring. Als de ring vuil is geworden, 
brengt Miskin hem naar een goudsmid om opgepoetst te worden. 
Hij krijgt een waardeloozen ring terug en de goudsmid, die de 
merkwaardige eigenschap van den echten ring bemerkt had, bergt 
dezen op in een houten kist. Miskin valt in zwijw als hij de ver- 
wisseling merkt, maar in zijn slaap droomt hij dat de Naga bij 
hem komt en die vertelt hem waar de echte ring is. Na ontvaakt 
te zijn baadt Miskin zich ter dege en zegt dan aan den hond en 
de kat hem den ring terug te bezorgen, op die wijze hun redding’ 
vergeldende. 

De kat vangt muizen op zolder bij den goudsmid, laat de muizen 
een gat knagen in de houten kist en den ring wegnemen. Met den 
ring verlaat hij ’t huis en geeft dien buiten te dragen aan den 
hond welke daarom verzocht had. 

Onderweg passeeren zij een sloot. Midden in laat de hond den 
ring uit zijn bek vallen om in een stukje koeroepoek (toespijs bij 
de rijst) te happen dat van bovenstrooms aan komt drijven, waar 
t zoontje van een rijken man ‘t bij ongeluk in de sloot had laten 
vallen. . 

De hond in zak en asch gaat naar den otter om hulp. De otter 
vaugt een visch, die den ring had opgehapt en op 't droge gebracht 
den ring weer afgeeft. Oorsprong van den naam goudvisch. — De 
hond heeft nu den ring weer terug en bindt hem aan zijn staart. 
De kat had hem eerst voorgedaan hoe hij dat doen moest. Dat is 
de reden dat er honden en katten zijn die een krul in hun staart 
hebben. (Wat de kat betreft zal dit wel bedoeld zijn als verklaring 
van den knobbel die, zooals bekend, Indische katten in haar 
staart hebben.) 

Hond en kat gaan nu samen huiswaarts naar hun meester. Miskin 
geeft den hond een uitbrander en dat is de reden dat hond en kat 
thans vijanden zijn. 


Tekst: Djéléma miskin. 


Djaman baheula pisan aja hidji djalma teuing koe miskin, dahar 
sore hénteu isoek. Katambah-tambah geus katinggal koe indoeng 
bapana; ari bobogaännana ngan hidji imah titinggal bapana, kitoe 
ge geus boetoet; sarena ge ngagoledag bae da teu boga samak 
saheulaj-heulaj atjan, soemawonna anggélmah. Noe matak teu boga 
pisan banda, sabab geus didjoewalan dipake dahar; ari koeli, 


76 EENIGE SOENDASCHE FABELS EN VERTELSELS. 


hénteu daek. Barang geus beak banda ngan tinggal imah tea, 
manehna soesah pikeun dahar; toengtoengna imahnateh koe tina 
boetoet didjoewal saroepija. Tapi eta doewitna barang geus lima powe 
ngan tinggal tiloe poeloeh sen. Atoeh! manehnateh soesah deui. — 
Toeloej manehna mikir; bét boga pikiran hajang njaba, tapi teu aja 
noe didjoegdjoeg. Isoekna téroes indit leumpang ngaler mékél doewit 
noe tiloe kétip tea, tapi eta doewitna teu dipake djadi teu barang- 
hakan, dioepamakeun tapa. 

Barang geus tépi ka pasisian, manggih oraj tjai keur dioedag- 
oedag koe djéléma karépna dek dipaehan; kapanggih koe Si Miskin 
sarta ngomong, pokna: „Eh! eta orajteh oelah dek dipaehan, ka- 
roenja! dibeuli bae koe koering sakétip!, — Djawab noe ngoedag- 
ngoedag: „Kop bae!, sarta toeloej didoewitan. Si Miskin doewitna 
tinggal doewa kétip djeung eta noe ngoedag-ngoedag baralik deui 
sa-1mah-1mahna. 

Eta oraj bét toeloej njampeurkeun ka Si Miskin; ari koe Si Miskin 
ditjokot sarta diasoepkeun, kana sakoena. Téroes Si Miskin indit deui. 
Teu lila manggih deui oetjing keur diteunggeulan koe noe bogana. 
Si Miskinteh njampeurkeun bari ngomong, pokna: Lah karoenja 
eta oetjing! bét diteunggeulan! anggoer dibeuli bae koe koering 
sapitjis.» — Djawab noe boga: Kop bae! aja didijeu ge sok 
tjilimit eta oetjingteh., — 

Ari geus dibeuli eta oetjingteh , harita téroes indit deui, doewitna 
tinggal sakétip. Ari teu lila, manggih deui bae andjing keur dibale- 
dogan koe noe bogana. Si Miskin njampeurkeun bari ngomong, 
pokna: „Oelah dibaledogan eta andjingteh, karoenja! ari moal 
dipiaramah dibeuli bae koe koering, sakötip ly — Djawab noe boga: 
„Kop bae!y — Toeloej koe Si Miskin didoewitan sarta sanggeusna 
dibeuli, téroes indit deui; djadi ajeuna Si Miskin teu pisan boga 
doewit djeung oepama harajangeun barangdahar eta ingon-ingonanteh , 
toeloej dikëntjarkeun sarta diomonganan, didagoan didijeu. Noe 
matak beunang diomonganan, sabab waktoe harita sasatoan barisa 
ngomong. 

Katjaritakeun, Si Miskin koe tina geus lila leumpangua, tépi ka 
lacetan kaler sarta ngandjang ka imah soedagar noe pangbeunghama, 
djeung koe soedagarteh disoegoehan; kakaran harita ti saindit ti 
lémboerna ngarasa barangdahar sarta soedagar ngomong ka Si 
Miskin, pokna: „Eh, Miskin! maneh tétép bae didijeu; koe aing 
dek didjijeum mandor kapal.r — Ari tjeuk Si Miskin: ~Soemangga!, 
— Barang tépi kawaktoena lajar, toeloej Si Miskin ditaekeun tiheula 


EENIGE SOENDASCHE FABELS EN VERTELSELS. 11 


ka kapal tapi, barang tjlak toempak kana eta kapal, kapalna hénteu 
koewateun samalahan harita ge tilélép. Atoeh ! Si Miskin ditewak koe 
soedagar sarta dialoengkeun ka laoetan ; hadena bae bisa ngodjaj. Atoeh! 
pek bae ngodjaj; ari ingon-ingonannana naloetoerkeun miloe ngodjaj. 

Katjaritakeun, Si Miskin geus tépi ka basisir, nja kitoe deni 
oraj, oetjing djeung andjing. Ari oetjing, noe matak bisa meuntas ! 
diakod * koe andjing. 

Barang geus tjenghar, Si Miskin ngomong ka eta ingon-iugonan, 
pokna: #Tjing! naon ajeuna pamoelang tarima maneh.» — Orajteh 
ngomong, pokna: ~Abdi ajeuna bade moelang tarima, tapi oetjing 
andjing montong miloe, sina dagoan bae didijeu. Ari djoeragan 
saréng abdi, oerang ngadeuheusan ka poen bapa; éngke gamparan, 
ari parantos tépang saréng poen bapa, kédah moendoet ali noe 
dina élak-élakan. Eta ali aja kasijatna: oepama dioesapkeun * kana 
naon bae, geus tangtoe djadi émas atawa intën.r — Djawab Si 
Miskin: »Hade, atoeh!„ — Toeloej bae arindit. 

Katjaritakeun Si Miskin geus tépi ka témpat bapana eta oraj 
sarta reuwaseun koe tina saoemoer kakara nendjo noe kitoe roepana , 
sabab eta oraj Naga. Tidinja Naga ngomong ka Si Miskin, pokna: 
Miskin! svekoer pisan maneh noeloengan anak aing; ajeuna aing 
dek moelang tarima. naon bae sapamenta maneh, tapi koedoe 
tinggal anak aingmah.y — Djawab Si Miskin: ~Oepantén koe 
goesti kaidinanmah, abdi bade njoehoenkeun ali noe dina élak- 
élakan gamparan.” — Atoeh! koe Nagateh dibidjilkeun sarta dibikeun 
bari ngomong, ‘pokna: ~He, ijeu tampanan!» — Toeloej koe Si 
Miskin ditampanan bari njémbah sarta toeloej oendjoekan balik, 
pokna: »Goesti! atoeh abdi teu lami, bade wangsoel.. — Djawab 
Naga: „Hade! pek, geura djig! koe aing didoengakeun.» — Téroes. 
Si Miskin indit. 

Tah! tiharita noe matak oraj tjai, oepama panggih djeung djëlëma, 
sok ngélelan; hartina kitoeteh tohat (taloek). 

Eta Si Miskin boga pikiran hajang métjak eta ali, sarta téroes 
dioesapkeun kana batoe; eta batoe bét djadi émas. Koe tina waktoe 
harita Si Miskinteh teu boga doewit, atoeh! gawenateh ngoesap- 
ngoesapkeun ali bae sarta beubeunangannana téroes didjoewalan, 
lila-lila Si Miskin djadi beunghar sarta meuli imah noe hade. 


1 Meuntas is hier eigenlijk niet juist. 't Beteekent „oversteken” en hier is 
bedoeld ,van uit zee aan den wal komen” 

2 Ngakod — op den rug dragen. 

8 Ngoesapkeun is causatief: doen strijken, laten strijken. 


78 EENIGE SOENDASCHE FABELS EN VERTELSELS. 


Ari eta alinateh koe tina geus heubeul teu dibérsihan, djadi 
kotor; toeloej koe manehna dikakamasankeun soepaja dibérsihan ; 
djeung manehna, sanggeus mikeun eta ali ka kamasan, téroes balik 
deui, djadi di aliteh ditinggalkeun. Katjaritakeun, kamasanteh 
ngabérsihan eta ali koe kapoer, ari eta kapoerteh bét djadi émas. 
Atoeh! kamasanteh hodkeun sadjongdjonganmah; ari ingét, geuwat 
eta ali diteundeun dina péti kai djeung bari njokot ali noe sedjin 
noe saroepa djeung ali wasijat ! tea djeung teuing koe bérsih. Teu 
hls Si Miskin datang deui ka kamasan bari ngomong, pokna: 
wAbdi bade ngabantoen ali tea.» — Toeloej koe kamasan dibikeun 
ali titironteh, djeung Si Miskin balik deui hénteu njahoeun jen 
eta ali ali titiron. Barang tépi ka imahna, dioesapkeun kana batoe, 
eta batoe djongdjon bae teu djadi naon-naon. Si Miskin heraneun 
sarta kaléngér tépi ka toeloej sare; djeung keur waktoe sare, ngimpi 
datang naga tea bari ngomong ka Si Miskin, pokna: „Eh, Miskin! 
montong soesah ! koe maneh geura akal-akal bae ; pérkara ali manehteh , 
disoempoetkeun koe kamasan, di teundeunna dina péti kai. — Ba- 
rang Si Miskin geus ngimpi kitoe, njaring deui sarta téroes mandi 
bébérésih. Sanggeus mandi, toelaej dioek dina bangkoe bari nja- 
loekan oetjing djeung andjing. Sanggeus datang oetjing djeung 
andjing, toeloej Si Miskin ngomong, pokna: „Eh, oetjing, andjing ! 
tjing, ajeuna aing koedoe poelang tarima koe maneh; kijeu pamenta 
aing: pangakalankeun ali noe ti Naga tea; ajana di kamasan dina 
péti kai.r — Ari oetjingteh ngomong, pokna: ~Djoeragan! abdi 
wantoen ngakalan., — Tjek Si Miskin: „Soekoer atoeh! ari bisamah ! 
ajeuna bae geura indit.» — Oetjingteh toeloej bae indit. Ari andjing 
keukeuh dek miloe, tapi koe oetjing djeung koe Si Miskin teu 
kaidinan; koe tina keukeuh toeloej bae diidinan sarta tjek oetjing, 
koedoe ngadagoan di lawang kamasan. 

Barang kira poekoel toedjoeh sore, toeloej oetjing ka para kamasan , 
gawena newakan beurit. Koe tina di kamasanteh rea beuritna, eta 
oetjing tépi ka poekoel dalapan kira meunang opat poeloeh, tapi 
eta beurit hénteu dipaehan ngan dipérih pati bae njaeta dipinang- 
‘saraja soepaja bisa njokot ali wasijat noe dina péti tea. Atoeh! 
pétiteh pada ngagéret ? koe benrit noe opat poeloeh; ari oetjing 


1 Wasijat is feitelijk iets dat men vóór zijn sterven vermaakt. Er is echter 
boven niet gezegd dat de Naga na ’t geven van den ring sterft en dat is 
ook wel niet bedoeld. Wasijat is hier dus „een schenking’’. 

2 Vgl. noot bladzijde 68. 


EENIGE SOENDASCHE FABELS EN VERTELSELS. 79 


ngadagoan dipara. Koe tina beuritna rea, pétiteh molongo sarta 
alina geus ditjokot koe beurit djeung toeloej diasongkeun ka oetjing. 
Oetjingteh koe tina atoh, toeloej aliteh ditampanan sarta téroes 
dibawa balik bari njampeur andjing di lawang. Eta ali koe oetjing 
ditembongkeun ka andjing, ari andjingteh keukeuh hajangeun mawa. 
Atoeh! toengtoengnamah dibikeun bae sarta dibawana digegel. Ani 
dina djalanteh aja soesoekan rada géde meueusan, kira doewa toembak 
roebakna. 

Ajeuna njaritakeun digirangeun eta soesoekan. 

Aja hidji djéléma teuing koe beunghar sarta boga anak hidji keur 
meudjeuhna loeméngér sarta lalaki. Ari eta boedakteh toeloej dahar 
.deungeunna djeung koeroepoek; ari geus dahar, toeloej oelin bari 
ngambéng ' koeroepoek sarta ngaliwat kana soesoekan tea; ari koe- 
roepoekteh ragrag sahidji ka soesoekan. 

Katjaritakeun oetjing geus meuntas, ari andjing pandeurieun 
oetjing. Barang andjing meuntas kira geus téngah-téngahna, koe- 
roepoekteh datang. Eta koeroepoek koe andjing disantok sarta téroes 
didahar; ari ali wasijat tea ragrag sarta téroes harita didahar koe 
laoek. Barang geus beak koeroepoekna, eta andjing ngahoeléng koe 
tina reuwas sabab ali ragrag kana eta soesoekan, toeloe) ngomong 
ka oetjing, pokna: „Doeh euj, tjilaka! aliteh ragrag kana soesoe- 
kan.” — Atoeh! oetjingteh ngambék bari ngomong, pokna: ~Pérkara 
eta ali lapoer deui, dewekmah teu njaho di euweuh, njaho di aja 
bae, da bongan silaing keukeuh najang mawa; pendekna ajeunamah 
eta ali beunang teu beunang oge, bakal dioendjoekkeun Jalampahan 
silaingteh ka djoeragan.” — Andjingteh awahing koe sijeun, toeloej 
ngomong ka oetjing, pokna: »Dagoan koe silaing didijeu, dewek 
dek ngakalan ali tea.r — Toeloej koe oetjingteh didagoan di sisi 
soesoekan; ari andjing loempat ka noe bala, karépna neangan sero. 
Eta andjingteh kabénéran bae, ari datang ka noe bala, meunang 
sero; djeung eta andjing barang kék, toeloej ngomong, pokna: 
„Eh, sero! oepama maneh hajang keneh hiroep, aing pangnjokotkeun 
ali di soesoekan. Koemaha? sanggoep?” — Djawab sero: »Sanggém.» 
— Toeloej arindit ka soesoekan tea. Barang tépi, toeloej ngomong, 
pokna: »Tah! didijeu; pek guna beunangkeun.» — Tidinja seroteh 
teuleum, tapi ali hénteu aja, ngan aja laoek. Toeloej eta laoek 
ditewak sarta téroes dibawa kadarat; tapi di sisi soesoekan, barang 


1 In verband met ’t volgende: ’t oversteken van de sloot is niet duidelijk, 
wat hier met ngambéng bedoeld wordt. 


80 EENIGE SOENDASCHE FABELS EN VERTELSELS. 


eta laoek kekerepesan ', alina métjléng ? sarta laoekna ragrag deui 
ka soesoekan. 

Tah! ti harita noe matak ajeuna aja ngaran laoek émas. . 

Gantjangna toeloej koe andjing ditjokot deui sarta katembongeun 
koe oetjing dibawana ditalikeun kana boentoetna, sabab dipapatahan 
koe oetjing samalah dipétakeun heula koe boentoet oetjing; noe 
matak tépi ka ajeuna aja oetjing djeung andjing anoe tjantel. 

Tidinja toeloej baralik deui; sarta barang tépi ka doenoengannana, 
eta ali diasongkeun sarta oetjing téroes njaritakeun lampah ti 
wiwitan tépi ka wékasan. Atoeh! andjingteh ditjarekan koe doe- 
noengannana sarta diomonganan, teu meunang asoep ka imah. 

Tah tiharita noe matak andjing djeung oetjing satroe. 


VIII. De dorper. 


Een dorper, voor 't eerst op de hoofdplaats, koopt van een dalang 
een wajang golekpop (Ardjoena) die, maakt men hem wijs, sakti (met 
bovennatuurlijke kracht begaafd) is. Thuis gekomen zet hij de pop 
op een hoop padi op ‘t stoppelveld met wapens erbij en zegt tot 
de pop, zijn padi te bewaken. ’s Nachts komt een dief op ‘t veld 
padi stelen, maar pop en wapens ziende, besluit hij liever deze mee 
te nemen. De eigenaar die even buiten komt om een kleine bood- 
schap te doen, ziet dat de pop met wapens verdwenen is. Ardjoena 
gaat zeker “t veld eens langs of alles in orde is, denkt de man, 
maar voetsporen van een mensch ziende, schreeuwt hij Ardjoena 
toe, den dief neer te slaan. De dief springt in een greppel, valt 
in de kris (een der wapens door den dorper naast Ardjoena gelegd) 
en sterft. De dorper dit ziende, is overtuigd dat zijn Ardjoena sakti 
is. Hij vertelt ‘t aan de lieden in de buurt, die nu gaarne Ardjoena 
huren als wachter bij 't gewas. 

De gelukkige bezitter van Ardjoena vermeerderde in luister ende 

hij waszeer geëerd. 


Tekst: Dongeng djama doesoen. 


Djaman baheula aja hidji djalma oerang pagoenoengan, gawena 
tani. Eta djalma liwat-langkoeng doesoen. Hidji waktoe manehannana 


1 Kekerepesan — spartelen, zooals een visch op ’t droge. 

3 Métjléng — een springbeweging maken, op- uitspringen, neerspatten bv. 
van water dat gesprenkeld wordt of neervallen van opgeworpen aarde. Tjléng 
is oempak basa van loentjak — springen. 


EENIGE SOENDASCHE FABELS EN VERTELSELS. 81 


hajang njahoeun di dajeuh sarta bari hajany barangheuli. Barang 
datang ka dajeuh, aja noe keur nanggap wajang golek. Mane- 
hanuana hajang njahoeun di roepana wajang, sabab sacemoer atjan 
njaho wajang. Barang gok, manehannana liwat langkoeng kagetna 
nendjo kai bisa ngigël sarta garagah. Nanjakeun ka djalma noe 
keur laladjo, pokna: ~Noe panggagahna ari wajang, naon?r — 
Djawab noe ditanja: vAri noe panggagahnateh sarta sakti ngan 
Ardjoena hidji.r — Nanja deui: „Lamoen dibeuli, beunang saba- 
raha?» — Walonna: ~Kira-kira pirégaeunnana ! eta Ardjoena saratoes 
roepija.” — Tjing ! koemaha lamoen dibeuli koe kavela? dibikeun ?» — 
Djawab noe ditanja: “Tjoba bae, tanjakeun ka dalang.» — Toeloej 
eta djalma nanja ka dalang: „Tjing! eta kagoengan sampejan wajang 
noe ngaran Ardjoena dibeuli bae lima poeloeh roepija.. — Walon 
dalang : »Moal kahatoerkeun, sabab Ardjoenateh ngan aja hidji.r — 
Keukeuh eta wajang diririhan bae. Walon dalang: „Hade ari wani 
saratoes (roepija) mah, tangtoe didjoewal.» — Walon noe hajang 
meuli: „Keun bae! koe kaoela dibeuli saratoesmah.r — Toeloej 
dibajar kontan. Manehannana, sanggeus meuli wajang, toeloe) bae 
balik. Ari dataug ka lémboerna, eta wajang dikoekoesan, pokua : 
wArdjoena! maneh ajeuna geus aja di aing; koedoe gagah sapérti 
keur didajeuh, sabab aing loba pisan toenggoeaneun ; koedoe noeroet. 
Ajeuna maneh rek dipëtakeun di sawah, koedoe noenggoean tocm- 
poekan pare sabab sok loba pisan bangsat; tangtoe sija dibahanan 
koe aing pakakas bédil, toemhak, kéris; koe maneh koedoe dipéta- 
keun, aing hajang djongdjon sasarean.. — Geus kitoe toeloej 
dibawa ka sawah sarta toeloej ditantjébkeun dina toempoekan noe 
téngah. „Tah! didijeu piénggoneun sijateh.r Waktoe harita geus 
boerit; toembak, bedil, kéris geus diteundeun deukeut Ardjoena. 
Kira-kira poekoel doewabélas peuteng datang bangsat noe rek maling 
pare, barang ret nendjo kana toempoekan téngah loba pakakas-pakakas 
sarta wajaug, mikir si bangsatteh: »Naha, ménding mana, njokot 
pare djeung njokot barang?y — Geus kapikir ménding njokot 
barang-barang djeung wajang, géde hargana, top bae dibawa eta 
barang-barangteh djeung wajang. Kabénéran noe bogana hoedang 
hajang kiith; nendjo ka Ardjoena geus euweuh, tjeuk noe bogana: 
„Eta Ardjoena keur ngalanglang sisian, da parabot kabeh euweuh.» — 
Ditendjo aja tapak djalma anjar toeloej gégéroan bari soesoerakan, 
pokna: ~Hajoh! soesoel koe maneh, Ardjoena! téwék bae, téwék 








1 Réga — Oost-Prijangansch voor Harga. 
7° Volgr. VI. 6 


82 EENIGE SOENDASCHE FABELS EN VERTELSELS. 


masing pach.» — Bangsat loempat ngadenge noe gégéroan; sama- 
roekna! aja noe njoesoel. Bakating reuwas, loentjat bae kana 
parigi; brés katiroed koe kéris népi ka paeh; dilongok koe doe- 
noengannana kapauggih bangsatteh geus paeh. Ngomong bari igël- 
igélan sarta toetoendjoek: ~Toeh! kita tandana Ardjoena saktiteh, 
bisa maehan bangsat!, bari Ardjoena dioesapan: „Na, koe naon 
maneh tjitjing bae, lain geuwat balik di noe bala!? Geuning ! 
deudeuleuan aing, awak maneh djëblog pinoeh koe leutak. Hajoe, 
oerang koekoembah.» 

Toeloej eta Ardjoena dimandian. Sanggeusna, toeloej dibawa ka 
saoeng sawah deui; bebedja ka batoer-batoerna, didinja: ~Ajeuna 
kaoela geus génah ati boga toekang toenggoe pakaja. Lamoen kajang 
salamët, batoer-batoer koedoe njewa ka koela, sapeutingna lima- 
poeloeh sen.” Djalma-djalma aratoheun pada hajang make. 

Eta noe boga tambah-tambah moeljana, dipikolot pisan koe 
djalma-djalma. 


IX. De blinde en de bultenaar. 


De blinde en de bultenaar komen samen in een waroeng. De 
blinde geeft den bultenaar vijf cent om wat van te koopen. De 
gebochelde koopt rijst en vleesch dat verschrikkelijk taai is. De 
blinde zit er op te bijten en te bijten tot hij weer ziende wordt. 
Verheugd springt hij rond en geeft den bultenaar van plezier een 
slag op zijn bult. En zie, de bult is weg. Ze huppelen in ‘t rond 
en springen overmoedig, elkaar omstrengelend een sloot in, die ze 
over moesten, met ‘t gevolg dat de een valt en zijn bult terug 
krijgt en den ander een scherp stuk bamboe in zijn oog dringt 
zoodat hij weer blind wordt. 

Hierop is 't spreekwoord van toepassing: de buffel keert terug 
naar de plaats zijner kraal, de kemirinoot valt aan den voet van 
den boom. D. w. z. terugkeeren tot zijn oorsprong. 


Tekst: Anoe lolong njobat djeung noe bongkok. 


Dina hidji mangsa anoe lolong ngadjak njaba ka noe bongkok. 
Tidinja bréng doewaän njaraba ka saparan-paran; barang datang 
ka hidji waroeng, maranehna harajang barangdahar. Tidinja noe 
lolong ugomong ka noe bongkok, pokna: „Adil ajeuna akang 


1 Maroek — Waan. 


EENIGE SOENDASCHE FABELS EN VERTELSELS. S3 


hajang baranghakan; ijeu beulikeun, boga doewit lima sen; meult 
naon bae anoe ngeunah.r — Tidinja toeloej uoe bongkok meuli 
kétan djeung lacek tapi laoekna estoe lijat kabinabina datang ka 
teu beunang digegelan tina lijatna. Geus kitoe toeloej dibikeun ka 
noe lolong, toeloej pada ùgadahar; noe lolong ambék, beuki tarik 
ngegelannana datang ka beunta. Noe lolongteh atoh katjida sarta 
bari abrag-abragan! koe tina atohna: ajeuna geus beunta. Anoe 
bongkokteh hodkeun nendjo noe lolong geus beuuta, toeloej bae 
noe bongkok nanja ka noe geus waras: „Akang bét dipaparinan 
waras deui hénteu tampadaksa!, — Wangsoel noe lolong bari 
ngëtig kana tonggong noe bongkok: »Lah! oerang geus djagdjag ; 
ajeunamah“teu sijeun leumpang ka noe loba boerang atawa baloeng- 
bang.» — Anoe bongkok, sanggeus dikétig, djol tjageur bongkokna 
sarta katjida pisan atohna. Toeloej bae doewaän pada adjroeg- 
adjroegan , igél-igélan koe tina atohna. Geus kitoe manggih soesoekan ; 
eta soesoekan rada roebak sarta euweuh tjoekangan. Tina rasa 
maneh djagdjag toeloej bae loentjat baréng pa-ajang-ajang; anoe 
tadina bongkok deui; noe lolong katjolok koe regang sarta djadi 
lolong deui. Djadi asoep kana paribasa : Kébo moelih pakandangan, ? 
moentjang laboeh kapoehoe. * Tégésua: poelang ka asal. 


X. De légen-tapper die luchtkasteelen bouwde. 


Een tapper van légen (\t sap dat uit de bloemsteelen van den 
arenpalm wordt getapt) klom in zijn arenboom om den bamboekoker, 
waarin ‘t sap wordt opgevangen te halen. De koker is al vol en nu 
bepeinst de man wat al voordeel hij van die légen hebben zal. 
Van ’t geld dat hij voor de légen krijgt, zal hij een kip koopen; 
later zal hij de kuikens verkoopen en een huis koopen. Maar onder 
dat suffen valt hij in slaap, valt naar beneden en is dood. 

Moraal : Bouw niet te veel luehtkasteelen, dat loopt mis. 


Tekst: Toekang njadap lalamoenan. 


Djamaun baheula aja hidji djéléma toekang njadap. Barang dina 
hidji poroe kira wantji poekoel lima sore, eta toekaeg njadap indit 


' Abrag-abragan — rondspringen. 

3 Is dit een Javaansch spreekwoord? Kébo is geen Soendaasch; moelih is 
overgegaan als ’t hoogste woord voor terugkeeren en kan niet van een buffel 
worden gezegd. 

8 Zoo luidt algemeen ’t spreekwoord. Laboeh is echter omvallen, terwijl 
bedoeld is ragrag — neervallen (van een hoogte). 


84 EENIGE SOENDASCHE FABELS EN VERTELSELS. 


ti imahna, sédjana rek neang lahang. Barang datang ka handapeun 
kawoeng, toeloej bae naek kana kawoeng anoe diteundeunan lodong 
tea; ari ditémpo lodongna geus pinoeh koe lahang. 

Geus kitoe eta toekang njadap ngomong di djéro pikirna, pokna: 
„Ijeu lahang sakijeu lobana, lodong gëde datang ka pinoeh, tangtoe 
isoekanmah aing oentoeng koe doewit ladang lahang. Oepama eta 
doewit ladang lahang geus katampa, koe aing rek dipake meuli 
hajam bikang soepaja éndogan sarta téroes djadi anak; tangtoe 
dina sawatara' boelan geus loba, rek didjoewal; ladang dipake 
meuli imah djeung korsi gojang anoe aloes; tangtoe aing aja noe 
njéboet beunghar sabab boga imah aloes djeung dioek dina korsi 
gojaug; geus moal aja anoe njaroewaän kabeungharannana aing. 

Eta toekang njadap rarasaännana geus asa énja bae boga imah 
aloes djeung dioek dina korsi gojang. Toengtoengna teu asa dina 
loehoer kawoeng, toeloej bae noendoetan sarta leungeunna lepot 
geus teu njékélan, kasewad bae ragrag dataug ka paeh misan. 

Hartina yeu dongeng: 

Djéléma oelah sok ngagédekeun teuing Jalamoenan, sok tjilaka 
teu poegoeh-poegoeh sapérti dongeng ijeu tuekang njadap. 


XI. *t Verhaal van Bapa Poetjoeng. 


Bapa Poetjoeng is cen oude vos, die allerlei streken uithaalt. 
Vele ervan heb ik hooren vertellen op rekening van Kabajan. De 
Kabajan-verhalen ziju zeer talrijk, dikwijls lachwekkend maar bijna 
altijd zeer plat. t Verhaal van Bapa Poetjoeng is een kleinc proeve 
van oolijke Kabajan-streken, die niet plat zijn. 


Bapa Poetjoeng verkoopt den kop van een buffel alsof ‘t een 
gansche buffel was door platte visschen met sprieten in de ooren 
te stoppen, zoodat 't schijnt of die bewegen, en den buffelkop in 
"t wed te leggen. (Bij badende buffels — een modderbad — komt 
alleen de kop boven *t water eu den modder uit). 

Hij verkoopt een heiligen wonderboom, die vruchten draagt met 
geld erin, dat echter eerst door hemzelf in de vruchten was gestopt. 

Hij baadt zich in légen (kleverig), rolt zich dan in de kapok en 
kruipt in een kooi. De bedrogenen: kooper van den buffelkop en 
koopers van den wonderboom komen aanzetten, Bapa Poetjoeng 


' Sawatara — eenige. 


EENIGE SOENDASCHE FABELS EN VERTELSELS. 85 


loopt uit zijn kooi, baadt zich achter ‘t huis en komt gewoon 
gekleed te voorschijn, hoogst verstoord dat de bedrogenen den vogel 
uit de kooi hebben laten ontsnappen, want die vogel was van den 
Koning. Grootmoedig neemt Bapa Poetjoeng de schuld der ont- 
stelde bedrogenen op zich jegens den Koning, in ruil waarvoor 
Bapa Poetjoeng ‘t geld en de lijnwaden mag houden die hij hun 
ontfutseld had. Dat was 't begin van Bapa Poetjoengs rijkdom. 


Tekst: Dongeng Bapa Poetjoeng. 


Djaman baheula aja hidji djalma lalaki ngaran Bapa Poetjoeng. 
Dina hidji powe eta Bapa Poetjoeng balangsijar, ngadjoegdjoeg ka 
lémboer pangdjagalan. Barang népi ka eta lemboer ménéran toekang 
djagal keur meuntjit moending; toeloej disampeurkeun barina ngo- 
mong, pokna : Kang! eta hoeloe moending dek dibeuli koe kaoela.r — 
Walon toekang djagal: „Pek bae, daek saringgitmah.» — Toeloej 
eta hoeloe moending dibajar sapamentana toekang djagal, hénteu 
ditawar deui. Tidinja eta hoeloe moending koe bapa Poetjoeng 
dibawa ka panggoejangan; barang népi kadinja, eta tjeuli hoeloe 
moendingteh diasoepan lele kentja katoehoe, ari omongna: #Tah ! 
ajeuna ijeu hoeloe moending koe aing dek diantjlomkeun kana tjai.” — 
Toeloe) diantjlomkeun; ari ngantjlomkeuunana eta hoeloe moending - 
sina dangah ! saroepa moending keur goejang. Ari eta lele anoe 
aja dina tjeuli kekepret bae, djadi saroepa tjeuli moending hiroep. 
Toeloej Bapa Poetjoeng dioek disiri panggoejangan bari njékélan 
kaloehan. | 

Hénteu lila, djol hidji djalma sédja neangan ‘moending beulieun ; 
nendjo Bapa Poetjoeng keur ngagoejangkeun, toeloej di tanja, 
pokna: „Keur naon, Bapa Poetjoeng?y — Walon Pa Poetjoenh: 
„Keur ngagoejaugkeun moending, euj?y — Eta djalma ngomong 
deui: »Koemaha, Pa Poetjoeng! lamoen dibeuli bae koe dewek 
moendingteh?» — Walon Pa Poetjoeng: »Moal, da beunang nga- 
hadja meuli; kitoe oge, ari daek dalapan poeloeh roepijamah, pek 
bae!, — Walon djalma noe rek meuli: »Heug! tapi dewek hajang 
njaho gédena; tjik! hoedangkeun.» — Djawab Bapa Poetjveng: 
„Oelah! karoenja, hareudangeun, keun bae, sina mandi.» — Gan- 
tjangna eta moending toeloej dibajar dalapan poelveh roepija. Tjarek 
Bapa Poetjoeng: „/Tapi ijeu moeuding oelah waka dihoedangkeun 





' Dangah — opgeheven. 


86 EENIGE SOENDASCHE FABELS EN VERTELSELS. 


lamoen dewek atjan djaveh.. — Toeloej Bapa Poetjoeng leumpang 
gagantjangan. Tidinja Bapa Poetjoeng manggih tangkal kondang 
di sisi djalan pisan sarta keur meudjeuhna boewahan, leubeut ka- 
tjida. Toeloe) disampeurkeun koe Bapa Poetjoeng sarta ditaekan. 
Ari eta boewah kondangteh diasoepan doewit, hidji boewah aja anoe 
saperak aja anoe limapoeloeh sen, datang ka beak doewit dalapan 
poeloeh ladang hoeloe moending tea. 

Sanggeus kitoe Bapa Poetjoeng toeloej balik gagantjangan njokot 
medja, korsi, sapoe djeung roepa-roepa kadaharan. Toeloej handa- 
peun tangkal kondangteh disapoean bérésih katjida sarta diteundeunan 
paroekvejan djeung sasadjen saroepa tangkal karamat. Bapa Poetjoeng 
pek dioek dina korsi njanghareupan medja djeung sagala kadaharan. 
Ari gawe Bapa Poetjoeng teh, moeloengan bvewah kondaug anoe 
ragrag, ditjokot, dipések, toeloej di tjokot doewit anoe dina djëro 
boewah tea sarta diteundeun dina bokor loehoer medja; harita geus 
meunang doewapoeloehlima roepija. 


Katjaritakeun deui, aja tiloe djalma toekang barang ngaliwat, 
neudjo ka Bapa Poetjoeng. Toeloej disampeurkeun barina ditanja: 
„Mang! Tangkal naon ijeu, anve matak dihade-hade teuing?y — 
Walon Pa Poetjoeng: »Hih! ari hajang térang, ijeuteh tangkal - 
- karamat, boewahna oge doewit; bisi koerang pértjaja, mangga eta 
ala hidji anoe rada kolot, meureun aja saperakmah.y — Toeloej 
eta djalma toekang barangteh ngala hidji; barang dipések, didjë- 
rona énja aja doewitna saroepija. Ari tjarek toekang barangteh: 


„Ijeuteh boewahannana sataoen sabaraha kali?y — Walon Pa Poe- 
tjoeng: vAri eta boewahannana geus tangtoe dina satahoen doewa 
kali.v — Toekang barang ngomong deui: vLamoen kitoemah, 


oerang toekeur bae djeung dagangan kaoela roepa barang-baraug 
lobana teloe tanggoengan.» — Walon Pa Poetjoeng: »Moal, karana 
roegi katjida.r — Toekang barangteh keukeuh bae ngadjakan toekeur. 
Tjarek Pa Poetjoeng: »Mangga atoeh ! ari sampejan keukeuhmah.» — 
Harita oge Pa Poetjocng amitan ka eta tiloe djalma sarta narima 
baraug-barang djeung njelehkeun eta tangkal kondaug. Toeloej 
balik gagantjangan bari nanggveng barang-barang tea. 

Barang népi ka imahna pamadjikannana kaget nendjo Pa Poe- 
tjoeng nanggoeng barang sakitoe lobana. Toeloe) ditanja: „Pa 
Poetjoeng! Etateh barang saha?r — Tjarek Pa Poetjoeng: ~Barang 
kami, tapi ajeuna kami rek mandi koe tjai lahang; maneh njadija- 
keun kapoek karana éngke, lamoen kami geus mandi koe lahang, 


EENIGE SOENDASCHE FABELS EN VERTELSELS. 87 


kami rek goegoelingan dina kapoek djeung meuweung tjabe beureum ; 
ari geus pek, kami koeroengan di sisi imah. Mangke, lamoen 
toekang barang djeung djalma anoe meuli moending datang uanja- 
keun kami, bedjakeun, kami disaoer koe Radja; djeung lamoen 
eta djalma rek ngadeukeutan kang koeroeng, tjarek koe maneh: 
oelah deukeut-deukeut kana eta koeroeng sabab aja manoekna ka- 
goengan Radja.» — 

Hénteu lila djol tiloe djalma toekang barang djeung anoe meuli 
hoeloe moending tea ka imahna Bapa Poetjoeng, pokna: „Bapa 
Poetjoeng teh aja?y — Walon pamadjikan Pa Poetjoeng: #Teu 
aja! keur disnoer koe Radja.» — Toeloej eta djalma tjing alidér 
ka sisi imah. Pamadjikan Pa Poetjoeng ngomong: »Hih! oelah 
ngadareukeutan kana eta koeroeng, karana aja manoekna kagoengan 
Radja, ari ngaranna manoek Prokongkong.“ — Eta djalma teu 
beunang ditjarek, toeloej ngadeukeutan eta koeroeng. Barang Bapa 
Poetjoeng nendjo eta djalma ngadareukeutan kana koeroeng, maneh- 
annana toeloej njeundak eta koeroeng, bidjil toeloej loempat bari 
disada: „/Prokongkong! prokongkong!, ngadjoegdjoeg ka tjai. 
Pamadjikan Pa Poetjoeng, barang njaho Pa Poetjoeng kaloewar 
tina koeroeng, toeloej bae njokot pakean Pa Poetjoeng bari api-api 
ngoedag, téroes ka tjai neundeun eta pakean Pa Poetjoeng, toeloej 
balik ka imahna. Barang népi ka imahna, toeloej ngomong ka eta 
tiloe djalma sémoe reuwaseun katjida: »Koemaha? naha eta manock 
koe sampejan dileupaskeun! dioedag koe koering oge hénteu ka- 
soesoel. Lah! tada teuing béndoena Radja! anoe matak Pa Poetjoeng 
disaoer, njaeta Radja rek mariksakeun manoek tea; kari-kari ajeuna 
dileupaskeun. Tada teuing Pa Poetjoeug ngambëkna ls — Ari walon 
toekang barang: „Da hénteu dileupaskeun., 

Katjaritakeun Pa Poetjoeng, sanggeus mandi toeloej pakean sarta 
balik ngagidig. Barang uépi ka imah, toeloej nanja ka pamadji- 
kannana: “Nini! kamana manoekteh? ajeuna dipoendoet koe Radja.» — 
Walon pamadjikan: #Manoekteh leupas da didareukeutan koe eta 
semah: dioedag oge hénteu kavedag. — Pa Poetjoeng barang 
ngadenge omongan pamadjikannana, api-api ngambék bari ngomong 
ka toekang barang djeung anoe meuli hoeloe moending tea: »Naha 
sampejanteh wani-wani ngaleupaskeun eta manoek? ajeuna sampejan 
kabeh rek dioendjoekan ka Radja; geus tangtoe sampejan mareunang 
hoekoeman géde katjida.r — Kta djalma ngawalon bari reuwaseun 
katjida: ~Ajeunamah kijeu bae: pérkara eta barang anoe tiloe tang- 
goengan, pek hae keur Bapa Poetjoeng, djeung eta doewit dalapan 


88 EENIGE SOENDASCHE FABELS EN VERTELSELS. 


poeloeh roepija pameuli hoeloe moending tea; tapi ijeu pérkara 
kaoela hajang salamét.» — Walon Pa Poetjoeug : „Lamoen kitoemah, 
keun bae koe kaoela ditanggoeng dosa sampejan, tatapi sampejan 
koedoe boeroe-boeroe ingkah tidijeu.. — 

Gantjangna eta djalma toeloej baralik. Ajeuna Bapa Poetjoeng 
katjida soeka boengahna, rehna eta doewit djeung barang-barang 
geus kapimilik. Toeloej Pa Poetjoeng djadi toekang barang; koe 
tina bisana djeung wékél lila-lila djadi beunghar. 


XII. *t Stekelvarken en de berg. 


Tot slot een verhaal, waarvan ik geen fraaie lezing bezit en 
daarom alleen de korte inhoud wordt medegedeeld. 


Op de vlakte stond een berg. Elken dag werd in dien berg ge- 
graven door een stekelvarken. Dat verdroot den berg en hij wilde 
een stekelvarken zijn. Maar ‘t stekelvarken werd nagezeten door 
honden en hij vroeg een hond te worden. Als de hond niet mee 
wilde op de jacht, sloeg zijn meester hem en smeet naar hem. Hij 
vroeg mensch te worden. Toen hij mensch was belastte ‘t kampong- 
hoofd hem met transportdiensten en hij wou kamponghoofd zijn. 
t Kamponghoofd kreeg bevel van ’t dorpshoofd de lieden uit te 
laten komen naar den weg en zich voorbeeldig te gedragen. Hij 
vroeg loerah te worden. Maar 't dorpshoofd kreeg bevelen van den 
tjamat (onder-distriktshoofd) en werd beticht als er geen klaarheid 
kwam in politiezaken. Een tjamat wilde hij zijn. De tjamat kreeg 
ook bevelen, van den Wadana, en dikwijls had hij gasten. Hij 
verzocht Wadana te wezen. Maar nog ontving hij bevelen, nu van 
den Patih. Toen dacht hij: als ik Patih word, krijg ik nog bevelen 
van den Regent; word ik Regent, dan van den Assistent-Resident 
en den Resident. Hij verlangde ten slotte weer berg te worden 
„want dan is er niemand die me bevelen geeft.» 


DE BATOE KEMANG, NABIJ MEDAN. 


DOOR 
E. J. VAN DEN BERG en J. H. NEUMANN. 
Zendelingen van het Ned. Zendelinggenootscha p. 


en 


Nadat reeds door verschillende personen, en ook door ons her- 
haaldelijk een bezoek was gebracht aan de Roemah Oemang, of ook 
wel Batoe Kémang geheeten, gingen wij den 17%" en 184" Mei 1906 
daar weer heen ten einde door opmetingen dezen steen in kaart te 
brengen, en zoodoende er de aandacht van meer bevoegden op te 
vestigen. 

Wanneer men den straatweg van Medan naar Bandar Baroe volgt, 
heeft men even voorbij het dorp Simbahe een voetpad, dat ons naar 
de kampong Doerian Tani brengt, een klein dorp aan gene zijde 
van de Bétimoes*rivier gelegen. Ongeveer 1 minuten van dit dorp treft 
men een grooten steen aan die — zie fig. a op Plaat I — een 
zeer regelmatige gedaante vertoont. Volgens de legende is deze steen 
de woonplaats geweest van een kabouter, hier oemang of kèmang 
geheeten ; vandaar dat de steen den naam draagt van Aoemah Oemang = 
Huis van den Kabouter, of Batoe Kémang = Kaboutersteen. 

Reeds de Heer WesreNBerG gaf in zijne vAanteekeningen” enz. 
een kleine beschrijving van deze plaats, ! en wijst er op, dat de 
inlichtingen aan Dr. HAGEN verstrekt, niet geheel juist waren. 
Vandaar dat het ons niet overbodig voorkwam, nadere opmetingen 
te doen en deze in kaart te brengen ten einde aan onderzoekers 
een juiste voorstelling van deze plaats te verschaffen. 

Nadat het terrein rondom den steen opengekapt en de steen zelf 
van allerlei woekerplanten gereinigd was, vertoonde hij eene zeer 
regelmatige gedaante. Wat ons op het eerste gezicht een ruwe steen 


1 Zie Bijdragen Kon. Inst. 5, VII, 1892,blz. 233-34. De eerste beschrijving en 
afbeelding door Dr. Hacen verscheen in het Tijdschr. v. Ind. T. L en V.- 
kunde XXVIII, 1883; zie daar den tekst p. 534-585 ; den ruwen plattegrond, met 
aanzicht, en twee doorsneden op Tafel II; en de verklaring daarvan op pag. 
543. (Noot van M. Joustra.) 

7° Volgr. VIL. 6* 


90 DE BATOE K€MANG, NABIJ MEDAN, 


leek, zonder bepaalden vorm, werd nu een zeer zuiver en regelmatig 
bewerkt stuk, Het grondvlak vertoont een langwerpig vierkant, 
lang 6.70 M., breed 8.85 M., zoodat wij dus eene lengte hebben 
van tweemaal de breedte. De hoogte is van voren 8.40 M; terwijl 
de hoogte der achterzijde, door gedurige aanspoeling van aarde, 
slechts 2.40 M. bedraagt. Vóór- en achterzijde zijn loodrecht, terwijl 
de zijvlakken schuin staan, en dus het geheel vrijwel den vorm van een 
pyramide heeft, met twee schuine en twee loodrechte vlakken; 
waarbij echter de top niet in een punt eindigt, maar een klein 
langwerpig vierkant vlak vertoont, dat gedeeltelijk bewerkt scheen 
en door de lieden aldaar een schaakbord genoemd werd. De achter- 
wand — zie fig. bop de bijgaande Plaat I — is van relief-versieringen 
voorzien, die thans niet meer geheel duidelijk zijn; men ziet daar 
de overblijfselen van eene menschenfiguur in haut relief, benevens 
twee bochtige dingen, die door de lieden aldaar hagedis genoemd 
worden. De linkerzijwand is zeer beschadigd, deels afgebroken, maar 
vertoont toch nog eene tweede vrij duidelijke mmenschengedaante, ook 
in haut relief. Aan de voorzijde (verg. fig. a op Plaat I) ziet men eene 
opening zuiver vierkant in den steen gehouwen (weer omgeven door 
eene schuins daarop geconstrueerde ruit), welke toegang geeft tot 
een kleine ruimte. De opening-zelve is omgeven door versieringen 
waarvan de lijnen nog gedeeltelijk te volgen zijn, en waarin zich de 
omtrekken van twee menschen(?)-figuren bevinden, welke nog on- 
duidelijk te zien zijn; de rechtsche figuur is stellig een menschen- 
gedaante in zittende houding, rustende op de schuine lijn der eene 
bovenzijde van de ruit, terwijl de linkerfiguur aan de fantasie vrij 
spel geeft, maar toch zeer veel gelijkt op eene pendant van de andere. 
De opening is stellig vroeger door een deur gesloten geweest, ! die 
er Of juist in paste, df door eene klevende massa ingemetseld was; 
althans het is nog duidelijk te zien, dat de opening later er in gehakt 
is en men zich met geweld toegang heeft verschaft. Ook werd bij 
het graven in de nabijheid een platte steen gevonden, die wel een 
deel van de deur geweest kan zijn. 

In den onderdorpel is een rond gat te zien van 9 c. M. middellijn, 
dat echter wel door [atak’sche handen gemaakt kan zijn. Kruipt 
men door het gat naar binnen, dan bevindt men zich in eene vier- 
kante ruimte of kamer, in welker midden (zie den op Plaat II gegeven 
schets-plattegrond) men rechtop zitten kan. In de vier hoeken vindt 


1 Ook Dr. Hacen brengt dit vermoeden over van zijn eigen berichtgever, | 
den Heer G. Meier, |. c. p. 544, (M. Joustra.) 


DE BATOE KÖMANG, NABIJ MEDAN, 91 


men halve pilaren (d) van + 8 c. M. middellijn, tegen den wand 
in den steen uitgehouwen; terwijl men aan de voorzijde rechts en 
links van de deuropening nog twee van zulke pilaren ziet. Die 
pilaren zijn van boven verbonden door een gelijkmatige halfronde 
lijst, die langs alle zijden doorloopende op de pilaren schijnt te 
rusten en de grens van wand en plafond vormt. Het plafond is 
eenigszins gebogen en loopt schuin naar boven waar het precies 
boven het midden van de kamer samenkomt, eenigszins den indruk 
gevend van een spitsboog. In den achterwand boven de lijst (zie den 
bijgaanden opstand, x) ziet men eene nis, niet precies vierkant maar 





Achterwand. 
Schaal 1.30 


eenigszins den vorm van het dak volgend; zoodat de opening aan 
de eene zijde hooger is. Aau den rechterzijwand (zie den opstand , z) 





Rechterzywand. 
Schaal 1°30 - 


ziet men eene dergelijke nis, weer omgeven door een lijst ; eene nis, 
veel grooter dan die van den achterwand en ook veel dieper. Keert 
men zich naar de opening, dan ziet men boven deze eenige 
schuine lijnen die echter niet goed meer te zien zijn; en tevens is 
dan waar te nemen, hoe de toegang met ruw geweld is opengehakt 
en dus de kamer steeds goed is afgesloten geweest. 

De vloer is in drieën verdeeld (zie den plattegrond op Plaat II); 


92 DE BATOE K€MANG, NABIJ MEDAN. 


rechts en links (a, a) is eene verhooging van enkele centimeters, 
terwijl het diepere middengedeelte (b) van achteren van eene 11 c.M. 
breede goot is voorzien (c), en van voren van eene + 5 c. M. breede 
goot (c). 

Naar buiten tredende bleek ons bij het omwoelen van den grond, 
dat er aan de voorzijde eenige rechte steenen stonden, die een soort 
van goot vormden; de steenen zelf leverden niets bijzonders op, alleen 
werden eenige scherven van een rood aarden pot gevonden. Door 
gebrek aan krachten moest het graven opgegeven worden. 

Wat ons trof bij het beschouwen van den steen en de kamer, 
waren de zuivere afmetingen en evenredigheden, zoodat wij moeten 
aannemen dat ontwikkelde en kundige menschen steen en kamer 
bewerkt hebben; maar welk volk dit gedaan zal hebben is ons nog 
een raadsel. Batak’s deden het stellig niet. Misschien dat verdere 
opgravingen in den omtrek eenig licht zullen verspreiden. De 
richting van de kamer is zuiver Z.O.—N.W., met de opening op 
"het Zuidoosten. . 

Verder bezochten wij nog twee kolossale steenen aan de Bétimoes- 
rivier gelegen, bekend als de Batoe péndjémoerén (» Droog-steen~) 
en de Batoe pérténoentn (»Weef-steenu), maar deze leverdeu niets 
bijzonders op. Het waren kolossale keisteenen, in tegenstelling met 
de Batoe Kémang, die uit zachten zandsteen bestaat. Tevergeefs 
zochten wij in de B. Kémang naar voegen, die ons zouden kunnen 
wijzen op het gebruik van gehouwen steenen, maar alles leek even 
massief. Ken Batak opperde de meening, die uiet maar zoo te ver- 
werpen is, dat die steen gemaakt zou zijn door zand, kiezelsteenen 
en klei dooreen te mengen. 

Dit laatste lijkt ons niet zoo onmogelijk, omdat verder onderzoek 
ons nog meer dergelijke steenen aldaar doet vermoeden. 


Stbolangit, Juni 1906. 





8. Voorzijde van den Batoe Kémang. 








2 
E 
& 
cy 
g 
3 
a 
a 
8 
3 
E 
Ed 
2 
= 
E 
3 
3 
4 
a 


HET SPINNEWEB-MOTIEF OP TIMOR. 95 


/ 


zien. Het bevindt zich in het Museum voor Volkenkunde te Berlijn 
(I C. 18526—382). De samenstelling is zeer eenvoudig ; een drietal 
bamboe-latjes is om een vertikaal stokje gebonden en deze latjes 
zijn met bruine en blauwe katoendraadjes verbonden, zoodat een 
spinneweb-vorm ontstaat. De bijgevoegde beschrijving zegt: »Schirme 
für die »Ular Nagar, eine siebenköpfige Schlange, welche Seelen 
frisst. Sie lebt in einem grossen Loch, das man mit einem Stein, 
dem „Batu Nagan bedeckt hat. Stirbt Jemand, ~pajeng Nagar, so 
schreibt man das der Schlange zu und sofort wird auf dem Steine 
geopfert ; ausser den Schirmen wird auch Reis geopfert.» 

Deze beschrijving van het doel dezer schermen wijkt dus af van 
de eerstvermelde, door JACOBSEN gegeven, hoewel ook dit voorwerp 
door dezen reiziger verzameld is. 

Intusschen ligt het niet op mijn weg de juistheid van een dezer 
beschrijvingen aan te wijzen. Hoofdzaak is voor mij, dat Dr TEN KATE 
dit samenstel van latjes in een Midden-Timoreesch huis gevonden 
heeft, al wijkt de toepassing, met die op Flores vergeleken, be- 
langrijk af. Het is evenzeer zonder twijfel, dat dit zonderling 
voorwerp met de behoeften van het dagelijksch leven niets te maken 
heeft, doch in nauw verband staat met de geestelijke denkwijze 
der Timoreezen. Het daaruit afgeleide ornameut is dus, wat ik reeds 
aan de toepassing op bamboe-kokers meende op te merken (op. cit, 
blz. 43), een gewyd motief, dat daardoor in het ornament op den 
voorgrond treedt, een allesbeheerschende plaats daarbij inneemt. 

Echter handelt mijn studie hoofdzakelijk over het crnament van 
Z.-W.-Timor en gaarne zou ik daarom geconstateerd hebben, dat 
deze offerschermpjes ook in dit deel van Timor voorkwamen. 
Exemplaren van mijn werk heb ik naar Timor gezonden, brieven, 
enz., met het resultaat, dat ik slechts van een ambtenaar antwoord 
mocht ontvangen, die over de ofterschermpjes niets wist mee te deelen. 

Zoo is het mij dan niet mogelijk over andere besproken voorwerpen 
nieuws te berichten, iets, dat mij zeer leed doet. Ik had gehoopt, 
dat mijn studie een inleiding zou zijn tot de kennis der Timoreesche 
sierkunst, zou aanmoedigen tot nader, lokaal onderzoek en dat op 
deze wijze van één eiland in den grooten Archipel de kunst- 
nijverheid zou zijn beschreven en vastgelegd. Zien wij, hoe bijv. 
het Dresdener Museum voor zijn onderzoekingen op Celebes van 
veler medewerking heeft mogen partij trekken, dan was deze hoop 
niet ongegrond. 

Wellicht, dat van andere zijde deze Timor-studie zal worden 


96 HET SPINNEWEB-MOTIEF OP TIMOR. 


voortgezet. De Geheimraad Fr. Heerr, de Direkteur van het Weener 
Museum, heeft op een reis door Timor een groot aantal voorwerpen 
verzameld en naar ik nu hoop, is het hem gelukt voor vele 
duistere punten een oplossing te vinden, die alleen door plaatselijk 
onderzoek verkregen kan worden. ! Op dit zeer belangwekkend eiland 
is, wat snij-, vlecht-, weef- en kralenwerk betreft, een rijke oogst 
te vinden, die ook in ander dan wetenschappelijk opzicht aller 
belangstelling verdient. 


Elberfeld, Juli 1906. 


1 Naar het Reisbericht van Geheimraad Hecer vermeldt (zie Annalen 
d. k. k. Naturhist. Hofmuseums. Wien. XXI, 1906), hebben malariakoortsen 
zijn verblijf op Timor tot Koepang beperkt en kon geen nader, plaatselijk 
onderzoek ingesteld worden. (Juli 1907). 











Ur 


we 











Timoreesche spinneweb-motieven. 


98 EEN MALEISCH CONTRACT VAN 1600. 


boulan lammajna pymatjna lada Jang de bayaer Itou seribou delapan 
ratos pijmatjna, Derham hargaenjna samas ampat rybou ampat ratos 
pada saratos lyma sapertij adat ouchour eselam dij ambil der) pa- 
daenjna Itoti sermoùüla Apabyla masock lada dehoüloù de bayer aken 
Cappitein quediiojna Itoi daen Comedian aken ourang Jan lain 
Dalamjna seùüataù Jajat tyada 

tattkala Itou hadepan pongolo korkon (mavalir mirdeu) daen syrajar- 
gaen (daen) Joumaat alhijer sakaljienjna (walla lamma bakhabir) 
kabenoch mengaljr mechgamat. 

Uit deze blijkbaar zeer gebrekkige copie, welker maker het origineel 
waarschijnlijk niet heeft begrepen, zien wij dat den 20 Djoemadi II 
1009 H. d. i. 28 December 1600! door de Hollandsche kapiteins 
Van Caerden en Vlaminck met eenen sjahbandar een contract is 
gesloten aangaande een zeker bedrag peper voor eene bepaalde, ook 
in inlandsche waarde uitgedrukte, som, over een termijn van vier 
maanden. 

Eene vertaling van het contract naar deze van onverstaanbare 
woorden en zonderlinge spellingen wemelende copie te maken is 
bijkans onmogelijk; eerst dient de juiste lezing van den tekst van 
het copie-contract, naar het document zelf of naar de door den heer 
Rouffaer daarvan gemaakte photographie, vastgesteld te worden. 

Dien tekst dan lezen wij als volgt: 

Hidjrat sariboe sémbilan tahoen pada jawm al arba’ doeapoeloeh 
hari boelan Djoemadt al achir diwasa itoe bahoea sjahbandar Toen 
Djawa bérpoetoes harga lada déngan kapitan Wolanda bérnama 
Paulus Van Caerden dan kapitan Adam Vlaminck adapoen harga 
lada dibëlinja itoe pada sahari (lees: sabéhara) harganja dovalapan 
tahil dirham djandji marekaitoe mémajar masoek lada daripada 
boelan Radjab datang kapada boelan Sjawwâl kira kira ampat boelan 
lamanja pimat (lees: kimat) lada jang dibélinja itoe sariboe doealapan 
ratoes pimat (lees: pasémat) dirham harganja salaksa ampat riboe 
ampat ratoes dan harga perak pada sabidji lima mas dan coesjoer 
daripadanja pada saratoes lima saperti Cadat coesjoer islâm diambil 
daripadanja itoe sabérmoela apabila masoek lada déhoeloe dibajar 
akan kapitan kadoeanja itoe dan kamoedian akan orang jang lain 


dalamnja soeatoe xe» (lees: hoedjdjat) tiada tatkala itoe hadapan 
pénghoeloe karkoen Moe°allim Mardân dan Séri Radja Chân(?) dan 


' De weekdagen in beide tijdrekeningen komen niet overeen. . 


EEN MALEISCH CONTRACT VAN 1600. 99 


djamâcat al chajr sakaliannja wassalâm bilchajr katib ! Moecallim 
Moehammad. 

Naar dezen tekst zoude eene vertaling gemaakt kunnen worden, 
doch ter nadere toelichting der feiten en ter verklaring van de 
zinsnede aan het slot mogen eerst enkele getuigenissen uit geschied- 
verhalen bijgebracht worden. 

In De Opkomst van het Nederlandsch gezag in Oost-Indië van 
Mr. J. K. J. de Jonge, deel IL, worden in § 4 de drie uitrustingen 
naar Indië van het jaar 1599 behandeld. Op de bladzijden 229— 235 
leest men de lotgevallen der eerste vloot welke de Nieuwe Brabantsche 
. compagnie uitzond; Van Caerden en Adam Flaming waren den 21% 
November in Atsjin aangekomen; eerstgenoemde bood den soeltan 
geschenken aan, werd door hem voor het vaststellen van den peper- 
prijs naar den Sjahbandar en den Penghoeloe verwezen, en wist 
eindelijk den 28 December eene overeenkomst te treffen „waarbij 
de sultan zich verbond om binnen 4 maanden 1800 Bahar peper 
te leveren, welke bij de levering zouden worden betaaldr. 

Is deze mededeeling voor het goed verstaan van ons doenment 
reeds van waarde, meer licht gewordt ons uit de uitvoerigere ver- 
melding in het Begin ende Voortgangh van de Vereenigde Neder- 
lantsche Geoctroyeerde Oost-Indische Compagnie, deel I, waar ver- 
haald wordt (bl. 6 en 7 van het Kort Verhael ofte Journael van 
de reyse gedaen naer de Oost-Indien met 4 schepen .... gehouden 
bij capiteyn Paulus van Caerden) dat na voorkoop met de, ook in 
het copie-contract genoemde, Sabandaer, Ponugolo ende Corcon, 
en na ontdekking van contractvervalsching ?, door Van Caerden 
„naer veel gaen ende loopen evndelijcker is bewerkt „dat wij den 
Bhaar Peper tegens acht Theyl sullen betalen, midts hy gehouden 
sal zijn de Realen van achten te ontfanghen tegens vijf Mas, midts 
soo veel Peper ontfanghende, soo veel geldts te betalen, sonder tot 
avancement van penningen gehouden te zijn; ende beloovende in 
de tijt van vier maanden ten langhsten te verschaffen 1500 Bhaar; 
des dat wij ghehouden sullen zijn te betalen vijf ten honderd voor 
uitgaende Tol: soo sullen gheen Koop-luvden, ofte Schippers, ’t zij 
van wat Natie die souden wezen, vermoogen cenige Peper te 


1 Waarschijnlijk is de schrijfwijze in het manuscript ontstaan uit eene 


verwarring van WS met SaiS. 
2 Vgl. Heeres, Corp. Dipl., I, bldz, 20. 


100 EEN MALEISCH CONTRACT VAN 1600. 


koopen ofte te laden, voor onse lasten bekomen hebbende, als 
blijckt bij de contracten, ende obligatie daervan zijnder. 

De hierboven vermelde punten en clausule van het pepercontract, 
welke men terug vindt in contract IX van Prof. Heeres’ Corpus 
Diplomaticum Neerlando-Indicum, Bijdragen tot de T., L. en V.k. 
van N. I. uitg. door het Kon. Instituut, deel LVII, bl. 20, kunnen 
bijna dienen als vertaling van de in het Rijksarchief aanwezige copie, 
welker bewoordingen, zonder dezen historischen commentaar, inder- 
daad veel aan duidelijkheid zouden te wenschen laten. 

Zoo komen wij tot de volgende vertaling : 

Op Woensdag den twintigsten Djoemâdî IL heeft de sjahbandar 
Toen Djawa een contract van peperleverantie gesloten met de 
Hollandsche kapiteins Paulus Van Caerden en Adam Vlaminck, dat 
zij nl. peper zullen koopen voor acht tahil-dirham den béhara, terwijl 
zij op zich nemen den peper te betalen bij het inleveren, van de 
maand Radjab tot de maand-Sjawwâl, d. 1. omstreeks vier maanden ; 
1800 1 in Spaansche-matten-dirhams, en den dirham gesteld op vijf 
mas ?, met van die somma te nemen heffing * van vijf ten honderd, 
gelijk bij moslims gebruikelijk is. Wanneer peper wordt aangebracht 
zal het vóór anderen aan de beide kapiteins worden geleverd, eerst 
daarna aan de anderen, met uitsluiting van alle daarop iu te brengen 
aanspraken. Op genoemden dag voor den pénghoeloe karkoen Moecallim 
Mardân en Séri Radja Chan (?) en alle ter plaatse bescheidenen. + 
Vrede met heil 5. Geschreven door Moe‘allim Moehammad. 


Hoezeer het een feit is dat de publicatie van het pepercontract van 
1600 niets uieuws levert ten aanzien van de Maleische taal of een 
bijzonder gebruik van enkele harer woorden, scheen zij mij toch 
niet geheel van belangrijkheid ontbloot wegens het zeer zeldzame 
van Maleische schrifturen van zóó hoogen ouderdom. 





1 De 1800 eenheden zijn natuurlijk béhara’s. Het hier voorkomende W~.3 


heb ik als pasémat = Spaansche mat opgevat, het voorafgaande W108 als 
kimat, welk woord echter overbodig is. 

3 Over de verhouding van mas tot Spaansche mat en dollar en den tahiy 
zie J. E. Heeres o.c. bl. 20 noot 2, en vooral: D'. C. Snouck Hurgronje, De 
Atjehers, deel I bl. 346 en 370 en Het Gajoland, bl. 274 noot 2 en bl. 362, 

8 ) pee Arabisch *oegjr, eigenlijk — tiende, doch ook voor andere soorten 
van heffingen in gebruik. 

‘ pss) clan eigenlijk — voortreffelijk gezelschap. 

5 pally eigenlijk — met het beste. 





102 BIJDRAGE TOT DE KENNIS VAN DEN GODSDIENST 


den omtrek zichtbaar is. De Dajaks weten te verhalen, dat de 
Tiong kandang vroeger een eiland was, het eerste van Tanah Kali- 
mantan (Borneo), toen al het overige land nog door zee bedekt, 
was, evenals de Dajaks van Bandjermassin dit vertellen van de 
toppen der bergen Pararawan en Boendang, en de Songkong-Dajaks 
van den Soenjang (Veth, Borneo Westerafdeeling, Dl. I pag. 
12, 175 en 176.) 

Bedevaarten naar den top van den Tiong kandang worden zoowel 
door Dajaks als door Maleiers gedaan. Van uit Landak is de berg 
het gemakkelijkst te bestijgen van uit kampong Sangkoe’ , de bewoners 
van Tajan beginnen de beklimming te kampong Mangkit. 

De eerste pleisterplaats is gelegen bij de Pédagei (offerplaats) op 
den overgangsweg van het grensgebergte, het verbindingspad tusschen 
Sangkoe’ en Mangkit. 

Men is daar reeds vrij dicht bij den top. De pédagei worden 
hier gevormd door een paar steenen. Ten allen tijde vindt men 
daar talrijke toempangs (mandjes met offerspijzen) aan de boomen 
hangen, offergaven van aldaar gepasseerde bedevaartgangers. 

Van af de Pédagei is het ten strengste verboden (pantang) ijzer 
of staal verder naar boven te brengen. Geweren, kapmessen, lansen 
en speren, soms sleutels, als men die bij zich mocht hebben, 
worden hier achtergelateu, voor men de beklimming verder 
voortzet. | | 

Een teder onderzoeke hier zijn geweten, of men het wel wagen 
zal nog verder aan den tocht deel te nemen, want straks 
moet men de Batoe Balawang (batoe = steen, balawang = 
bérpintoe = die een deur of poort vormen) passeeren, twee steile 
en dicht naast elkaar staande rotsblokken, waarvan de legende 
vertelt, dat zoodra een onrein of zondig mensch zich in die 
natuurlijke poort waagt, de rotswanden zich naar elkaar toebuigen. 
om den onreine te verpletteren. 

Toen wij den berg beklommen, konden wij dan ook bemerken , 
dat, Onze volgelingen niet zonder angst tusschen de Batoe Balawang 
doorliepen en weer vrij ademhaalden, toen zij zonder letsel te 
bekomen, de poort achter den rug hadden. 

Op den top, vanwaar men bij helder weder een heerlijk vergezicht 
geniet, vindt men een vlak gedeelte van slechts een tiental meters 
in het vierkant, dat Panindjau, d.i. rom uit te zien, kijkplaatsu 
heet. Dit is de eigenlijke plaats, waar men de zniatr uitspreekt „ 
en waar men later terugkomt om te ~bajar niatr. 


DER DAJAKS VAN LANDAK EN TAJAN. 103 


De niat houdt bijv. de gelofte in, dat zoodra de reeds lang 
lijdende echtgenoote hersteld zal zijn, men weder zal komen, om 
de aanwezige rotsblokken met fijne oliën te begieten, of wel dat 
men eenige geheel witte hoenders — soms nog voorzien van gouden 
sporen — alhier zal loslaten. ! 

Het is gewoonte hij de Panindjau eenige talismans mede te 
nemen. (Gewoonlijk zoekt men daartoe stukjes wortel van aldaar 
groeiende aroesstruiken; een kostbaar stuk verkrijgt men echter, 
wanneer men met de hand over een pas gezalfd rotsblok heen wrijft 
en bij die gelegenheid een stukje steen loslaat. 

Controleur Westenenk, mijn toenmalige kollega in Tajan, welke 
den Tiong kandang ook beklom, deelt in een rapport aan den 
Resident nog mede, dat zich op deu top van den berg een steen 
bevindt welke vkasihv genoemd wordt, hetgeen aldus verklaard 
wordt: „Allah geeft aan hen, die vragen”. 

Verder spreekt de Controleur van het rusteloos zoeken der mélati 
Tiong kandang, die aan den bezitter een verbazend groot geluk 
zou moeten aanbrengen. 

Zoowel aan de Batoe Balawang als op de Panindjau vonden wij 
weer talrijke toempangs opgehangen. 


$ 137. Andere heilige bergen. 


In mindere mate dan de Tiong Kandang staan in Landak nog 
in de reuk van heiligheid: 

de Goenoeng Ampiras, op den linkeroever der Landak-rivier 
gelegen, tegenover Ngabang, juist tegenover de plek, waar in 
1895 de bandongs (Chineesche handelsvaartuigen) gemeerd lagen , 
de Goenoeng Angging nabij Boenoet, ten noorden van Ngabang 
ook op den linkeroever der Landak-rivier, 


1 Het loslaten van hoenders op heilige plaatsen is ook in Zuid-Celebes 
gebruikelijk. Men laat daar hanen los, na hun eerst een kleine insnede in de 
kam gegeven te hebben. Zulk een haan wordt liefst niet gegeten. Volgens 
sommigen zou hij, die zich verstoutte dit te doen, groot gevaar loopen, dat 
men hem den nek omdraaide. Zulke hanen heeten in het Boegineesch 
manoet-maradéka, in het Makassaarsch djangang maradéka d.i. 
vrije hoenders. 

Zie Matthes, Bijdragen tot de Ethnologie van Zuid-Celebes, p. 121. 

Ik herinner mij niet, of voor de op den Tiong kandang losgelaten witte 
hoenders ook het verbod bestaat, hen te dooden en op te eten. 


104 BIJDRAGE TOT DE KENNIS VAN DEN GODSDIENST. 


de Goenoeng Bédjepa nabij de Riam Mélanggar in het 
noorden van Landak, 

en de Ampar Djawa op de Goenoeng Satap. 

Op al deze plaatsen is het baniat gebruikelijk en zijn het weer 
zoowel Maleiers als Dajaks, die er ter bedevaart trekken. Ook 
Chineezen in het land geboren komen er vaak ten offer, niet zelden 
vindt men aldaar broederlijk bijeen Chineesche offerstokjes en vlag- 
getjes, naast door Maleiers gezalfde steenèn en varkenspooten, door 
den Dajak aan zijne Dewatas geofferd. Zoo ergens verdraagzaamheid 
op het punt van godsdienst bestaat, zoo is dit zekerlijk in het 
landschap Landak der Wester afdeeling van Borneo. . 


§ 188. De kanonnen van Monggoh. 


Bijzondere vermelding wegens de hooge vereering, die zij genieten, 
verdienen ten slotte de kanonnen van Monggoh (Mariam Monggoh), 
een plaatsje gelegen aan de samenvloeing der Landak en Manjoeké- 
rivier, vroegere residentie van de vorsten van Landak. 

Deze kanonnen werden door den Sultan van Bantam aan den 
vorst van Landak geschonken ten teeken, dat de cijnsbaarheid 
van Landak aan Soekadana had opgehouden te bestaan, en zijn 
dezelfde stukken, waarvan de heer Palm bij Radermacher (Be- 
schrijving van het eiland Borneo, voorzoover het tot nu toe bekend 
is. Geplaatst in Verhandelingen van het Bat. Genootschap DI. II 
blz. 124) spreekt. Zie Veth, Borneo’s Westerafdeeling, Deel I 
pag. 236. 

In November 1894 deed de toenmalige waarnemend Panambahan 
van Landak, Pangeran Mangkoe Boemi cen bedevaart naar deze 
kanonnen en noodigde den Controleur J. van Weert en mij uit 
hem op dien tocht te vergezellen. Genoemde Controleur logeerde 
ten mijnent, door den Resident aangewezen, om mij als Controleur 
van Landak te vervangen. 

De tocht van Ngabang tot Monggoh geschiedde per roei- 
vaartuig, de Pangeran gezeten in zijn groote staatsie-bidar, ge- 
heel in het geel, door ongeveer 50 roeiers met behulp van 
korte pagaaien voortbewogen, de Controleurs in een Gouvernements- 
vaartuig, een net wit geschilderd vaartuig, met zes man op de 
lange riemen. 

Bij de Batoe Sarawa’ (een halve paal beneden Monggoh) gekomen , 
hield de Pangeran eeu oogenblik op, aangezien de adat voorschrijft, 


DER DAJAKS VAN LANDAK EN TAJAN. 105 


dat de bezoeker der Mariam Monggoh eerst van zijn voornemen 
kennis geve aan deze rotsblokken. ! 

Te Monggoh bezichtigden wij eerst de beide kanonnen. Het eene 
is een oud Compagnie’s stuk en vertoont de letters V. O. C. 
(Vereenigde Oost-Indische Compagnie), het andere vertoont een 
wapen, dat reeds half uitgewischt is. 

Zij liggen op den grond zonder affuiten op een steil heuveltje 
tusschen de samenvloeiïng van de -Landak- en de Manjoeké-rivier 
onder een groote kajoe-ara boom (soort waringin). 

Ook Pangeran Mangkoe Boemi deelde ons mede, dat deze 
kanonnen een geschenk waren van den Sultan van Bantam aan den 
vorst van Landak na afloop van een oorlog met Soekadana, lang 
voordat de Hollanders zich op Borneo vertoond hadden. 

Van oudsher staan zij onder beheer van eene te Monggoh 
wonende familie, alleen deze heeft het recht de kanonnen af te 
schieten. 

Het bérniat (Mal) geschiedt hier toch onder het lossen van 
een los schot uit een ‚der beide vuurmonden. De Pangeran kwam 
hier ook met eene bepàalde bedoeling, zijne vrouwen hadden hem 
reeds een drietal dochters geschonken, maar nog geen enkelen zoon, 
en nu kwam hij het kanon beloven, dat hij het naderhand nog 
eens zou doen afschieten, indien het slechts zorgen wilde, dat hij 
nu ook een zoon kreeg. 

De bewaker van- de kanonnen was reeds aan het werk geweest, 
om hen op het bezoek van den Pangeran voor te bereiden. 

De beide stukken — het een is volgens de inlanders van het 
mannelijk, het ander van het vrouwelijk geslacht, evenals de op 
Java aanwezige heilige kanonnen Kjai Satômò en Njai Satomi — 
zie Wilken, Animisme, Hoofdstuk IV, Ind. Gids 1884, dl. IL, p. 60 
— het eerste te Batavia, het tweede te Soerakarta — te Monggoh 
liggen man en vrouw behoorlijk bijeen — waren den dag te voren 
schoongemaakt en voorzien van rijstgebak en betel, voor hen gereed 
gezet op koperen schotels, met gele kleedjes bedekt. 

Onder het langzaam inschuiven van een kardoes — een linnen 
zakje, 33 K.G. kruit bevattende, prevelde de Pangeran zijn gelofte, 
boven vermeld. 


1 Vergelijk hetgeen Controleur H. Ris mededeelt in zijne monographie 
over de „Onder-Afdeeling Klein-Mandailing-Oeloe Pahantan en hare bevolking 
met uitzondering van de Oeloe's (Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde, 
volgreeks 6, deel 2, pag. 531.) 


106 BIJDRAGE TOT DE KENNIS VAN DEN GODSDIENST 


Daarop viel een zwaar schot, oorverdovend, 80 K.M. in den 
omtrek werd de trilling gevoeld. De Pangeran plantte daarna links 
en rechts van de druif takjes van een boom; groeien deze voor- 
spoedig op, dan is dit een teeken, dat de offerbede zal verhoord 
worden. 

Of het kanon van Monggoh aan het verzoek van den vorst 
voldaan heeft? 

Een paar jaar later is hij zelf overleden, het is mij niet bekend 
of hij mannelijke nakomelingen heeft nagelaten. ' 


Veel geheimzinnigs wordt er nog van de Mariam Monggoh 
medegedeeld. In tijden van oorlog springen zij in de rivier, en 
duiken eerst weer op, wanneer de vrede gesloten is. Waarlijk geen 
prijzenswaardige eigenschap van oorlogsmateriaal | 

Kort voordat een groot ongeluk gebeurt, waarschuwt een der 
kanonnen, door geheel uit zich zelf een schot te losser:, de bewoners 
van Monggoh echter niet. 

In den tijd, dat ik Controleur te Ngabang was, werd een der 
prinsessen van den bloede door een krokodil aangegrepen en hevig 
verwond. 

Verscheidene personen hadden kort te voren een zwaar schot 
gehoord. Dit moest wel het kanon te Monggoh geweest zijn. 


§139. Wonderkanon te Tebang (Tajan). 


Niet alleen Landak is wonderkanonnen rijk, ook in Tajan treft 
men er een aan. Het is gelegen in de buurt van kampong Tebang. 

Ziehier wat Controleur Westenenk, welke het gezien heeft, ervan 
mededeelt in een zijner reisrapporten : 

„Hoogst eigenaardig is er een oud groenbemost kanon, lang 1.50 
Meter, mond 0.5 d.M. met gebroken mond, dat op +1 Meter 
boven den grond half ligt, half hangt op de wortels van eenen 
reusachtigen boom, vroeger boengoer (Lagerstroemia reginae) 
geweest, samen opgegroeid met waringin en later omslingerd en 
verstikt door een doodenden vijgenboom (kajoe ara). 

Men mag dat kanon volstrekt niet aanraken. 

Wanneer er een vreeselijk onheil zal geschieden of een oorlog 


' Volgens vriendelijke mededeeling van den tegenwoordigen (Juni 1901) 
Controleur A. H. N. Kruysboom heeft Pangeran Mangkoe Boemi geene 
mannelijke telgen nagelaten. 


DER DAJAKS VAN LANDAK EN TAJAN, 107 


zal uitbreken, lost het kanon (geheel uit zich zelf) schoten zonder 
te worden geladen. De Tebangers zwoeren mij, dat zij tijdens de 
uitbarsting van Krakatau allen hadden gehoord, dat het kanon drie 
malen achtereen vuurde, waarna boven den woudreus een reusachtige 
rookkolom opsteeg, die tot verre in den omtrek was gezien, en het 
water der kleine soengai in heftige golfslag kwam. Wanneer een 
tak van den boom (die met het kanon vereerd wordt) valt, dan 
is er spoedig een doode! Ken doode tak wijst op een oud man, 
een jong takje op een kind. 

Blijft de regen te lang weg, dan baadt men het kanon, dat wil 
zeggen, men begiet het met water uit de soengai, en niet lang 
duurt het, of een weldadige regen doet alles wat kwijnde herleven. 

Dat wonderkanon is volgens de legende herkomstig van Java en 
werd in een oorlog tegen Palembang gebruikt. Toen echter de 
vijand hem den mond met een kogel verbrijzelde, begon het kanon 
te spreken en smeekte, naar Tebang te worden overgebracht, zooals 
dan ook geschiedde tot zegen dier kampong. 


$140. Geloften aan den Sultan van Pontianak. 


Verder dient nog vermelding, dat in het zuidelijke deel van 
Landak en Tajan en Meliau geloften worden gedaan aan den Sultan 
van Pontianak. Groot is de roep, die van zijne kramat uitgaat. 
Men brengt hem als offers geiten en kippen, ook Landaksche 
vorstentelgen gingen naar Zijne Hoogheid ter bedevaart op en 
schonken hem kostbare diamanten in voldoening eener gelofte. 


§141. Heilige tambawangs. 


Naast heuvels, rotsen, kanonnen en menschen staan in Landak 
nog in de reuk van heiligheid eenige tambawangs. De voornaamste 
daarvan is de Tambawang Bagoet, gelegen tusschen Djering en Darit 
op den linkeroever der Manjoeké-rivier. Toen wij eens genoemde 
Tambawang passeerden, vergezeld door een vrijwillig gevolg van 
wel 200 Dajaks, werd het eerst zoo luidruchtige gezelschap, zoodra 
wij dit heilige bosch binnengingen, zoo stil als een muis; eerst 
toen we weer in het open veld waren, herkreeg het gezelschap 
zijne vorige stemming. 


108 BIJDRAGE TOT DE KENNIS VAN DEN GODSDIENST 


Het gebruik van beelden. 


§ 142. De Pantaks. 


Wij zullen later zien, dat het bij verschillende Landaksche 
stammen gewoonte is, van gestorven hoofden en voorvechters beelden 
te maken. Deze beelden heeten panta”. 

Aanvankelijk worden zij — althans in Manjoeké — ergens aan 
den weg geplaatst, doch niet op het graf. _ 

Wil het geluk, dat een der nakomelingen van den overledene 
voor wien een panta” is gemaakt, een kop snelt, dan heeft deze 
persoon het recht de panta* van zijn voorvader uit den grond te 
trekken en over te brengen naar de padagel. 


§ 148. De Padagei. 


De padagei is een offerplaats voor den Kemang Trio ergens in 
het bosch. Op elke padagei is een aanplant te vinden van rén- 
djoewang en pelei-boomen, benevens bamboe-stoelen van een 
bijzonder soort (boeloehbala met gelen stam, waarvan de punt 
niet in een dun sprietje uitloopt, maar als het ware afgeknot is). 


§ 144. Lotsboomen. 


Oorspronkelijk zijn dit lotsboomen, geplant door de offeraars, 
wier leven met dat der laatste samenhangt. Groeit de eene gunstig 
op, dan de andere ook, lijdt de eene een kwijnend bestaan, dan 
verkeert ook het leven van den ander in voortdurend gevaar. 

De pantaks op de padagei zien allen dezelfde richting uit. 
Zij zijn dikwijls reeds zeer vervallen; van het oorspronkelijk krijgs- 
kostuum is gewoonlijk niets meer te zien, zelfs armen ontbreken 
dikwijls. 

Offers worden op de padagei gebracht, wanneer een nieuwe 
panta” bijgeplaatst wordt. 


$ 145. Panjoegoe. 


Verder vindt men op de padagei groote stukken steen (panjoegoe) 
of groote blokken ijzerhout (djongkò). Deze worden er neergelegd 
bij het afleggen van den eed aan den Kemang Trio, waarbij tusschen 


DER DAJAKS VAN LANDAK EN TAJAN. 109 


mensch en geest de verbintenis wordt aangegaan, dat beiden zich. 
aan de oude landsadat zullen houden. 

Ook wanneer vijandige stammen na de verzoening den grooten © 
eed afleggen, plaatsen zij zulk een steen (panjoegoe) in den 
grond. Echter niet op de padagei. 

In kampong Darit kan men ook dergelijke panjoegoe vinden, 
dateerende van een verbond, aangegaan tusschen de Manjoeké-Dajaks 
en hun radja. De laatste had van de Dajaks de vergunning gekregen. 
een nieuwe hacil te mogen vorderen. Beide partijen deden daarop 
den grooten eed op de panjoegoe. De radja beloofde, dat dit 
nu de laatste verandering in het belasting-stelsel, die ooit zou 
plaats hebben, zijn zou. Nimmer zou hij of een zijner afstamme- 
lingen andere hommages dan de bestaande mogen vorderen. De 
Dajaks van hunne zijde beloofden de belasting dan ook werkelijk 
te zullen opbrengen. „Zoo vast (tata p), onwrikbaar en onveranderlijk 
de steen (panjoegoe) is, zoo onveranderlijk zal ook de verbintenis. 
zijn.” Daarbij had een groot barimah plaats om de Dewatas hiervan 
getuige te doen zijn, en hun zegen erover af te smeeken. 

Men vatte evengenoemd gezegde, dat onder het plaatsen van 
den steen uitgesproken wordt, niet op als symboliek, maar als 
eene uiting van het vast vertrouwen in de kracht van sympa- 
thetische werking. De vastheid van den steen zal op het verbond: 
overgaan. ! 


$ 146. Afwenden van gevaar bij besmettelijke ziekte. 


Behalve bij het plaatsen van een nieuwe panta’ wordt op de 
padagei geofferd in tijden van groot gevaar, bij het heerschen. 
van besmettelijke ziekten (awar of angin-angin — verderf- 
aanbrengende wind). Volgens het volksgeloof zijn deze rampen 
toe te schrijven aan verstoring der wereldorde, en is men bij- 
zonder beducht voor de kwade rasis, die men daarom tracht af te- 
wenden. 


| Bij de Bataks is bij het sluiten van een verbond eedzwering gebruikelijk , 
waarbij ieder der deelnemers zijn rechtervoet op een grooten steen plaatst, 
daarbij zeggende: „Indien ik mijne gelofte niet nakom, dan zullen ik en 
mijne nakomelingen in steenen veranderd worden”. Zie Koning Salomo en 
Radja Gading door G. van Asselt p. 12. 

Het is de vraag of de oorspronkelijke beteekenis van den steen bij de 
eedzwering bij de Bataks niet dezelfde is als bij de Dajaks. 


110 BIJDRAGE TOT DE KENNIS VAN DEN GODSDIENST 
$ 147. Tampajan als altaar. 


Men steekt dan door de latten van het hooge bordes (ginggang) 
voor het Dajaksche huis drie bamboe-stokken in een driehoek in 
den grond, bindt deze vorksgewijze samen, en plaatst tusschen de 
uitstaande armen van deze stellage een tampajan siton. Deze sitou 
wordt gedekt daor een bord, waarop men de op de padagei gedoode 
honden en kippen neerlegt. Een tampajan aldus gebruikt heet 
mpanoela’y = iets dat afweert. Is het offer volbracht, dan wordt 
een pantang ingesteld van drie tot zeven dagen (balala of 
balala awar). Gedurende dien tijd is het verboden het kampong- 
huis binnen te gaan. Wie dit voorschrift overschrijdt, betaalt een 
boete van een tampajan siton, een hoen, wat gewone en wat 
kleefrijst. Wie weigert te betalen loopt gevaar in de tong kal-boete 
(zie § 20) te vervallen. Verder is het verboden, hout te hakken, 
rijst te stampen, dieren te dooden, groenten als toespijs te zoeken. 
Ten teeken van het pantang steekt men aan den ingang van de 
kampong een stok in den grond, welks boveneinde gedeeltelijk 
tot houtfranjes is versneden (pabajoe). 

Na afloop van de pantang wordt de tampajan v van het bordes 
naar beneden gebracht en geplaatst aan den ingang van het kampong- 
erf, als weermiddel van kwade invloeden. 

Volgens onze aanteekeningen heeft het bestrijden van algemeene 
ziekten aldus plaats in Témilah. 

Waarschijnlijk gaat men in Manjoeké op dezelfde wijze te werk. 


Bij die stammen, waar het snellen niet meer voorkomt, verdwijnen 
door den tand des tijds ook de pantaks op de padageis (Karangan- 
Dajaks). 

Het schijnt echter, dat men in dit gebrek weer wil voorzien. 
Althans bij de Sangkoe* Dajaks (kampong Pelai) vonden wij in de 
padagei twee beelden, welke zeer ruw gevormd waren. Men 
verzekerde ons dan ook, dat het geene beelden waren van overleden 
voorouders, evenmin van bepaalde levende personen. 


$ 148. Ampago. 


Zij waren gemaakt van pelei-hout, een lompong-soort, dat 
spoedig vergaat. Het eene was van het mannelijk, het andere van 
het vrouwelijk geslacht, de genitalia waren duidelijk uitgedrukt. 


DER DAJAKS VAN LANDAK EN TAJAN, 111 


Daaromheen zag ik pelei- en réndjoewang-boompjes (aldaar 
sabang geheeten) alsmede croton-planten en saba-boomen. Deze 
beelden heeten „am pagor. Ook in Témilah vond ik beelden langs den 
weg, die men ampago noemde en welke geen volledige nabootsing 
der menschelijke gedaante vormden, daar armen en beenen ontbraken. 

Vermoedelijk waren het effigie-offers, evenals de Empatong der 
Dajaksche stammen langs de Kajan- en Mélawi-rivieren (zie Kuhr’s 
Schetsen uit de Westerafdeeling van Borneo, Bijdragen tot de T. L. 
en V. kunde, volgreeks VI, deel 3, pag. 62 sqq.), welk vermoeden 
nog versterkt wordt door eene mededeeling van Controleur Barth, 
dat bij de Toelak-Dajaks van Soekadana ook beeldjes voorkomen, 
ampago genaamd, die werkelijk effigie-offers zijn. Zie zijn 
Overzicht der afdeeling Soekadana, p. 137. 

Ook in Manjoeké vindt men beelden van pelei-hout van ruwe, 
dikwijls wanstaltige gedaante, soms met vrij groote genitaliën , welke 
echter slechts bij nieuwe beelden te zien zijn, daar het zachte hout, 
vooral in uitstekende deelen spoedig vergaat. 

“ Deze zijn daar echter nimmer op de padagei geplaatst. In 
kampong Rajan (Bémajah) vond ik eene heele verzameling dier beelden. 


$ 149. Panoela’. 


Zij heeten daar panoela’. Bij een enkel dezer beelden zijn de 
genitaliën te zien. Voor de geheele groep is een bank aangebracht 
tot het plaatsen van offerspijzen. Verder ziet men er ook stukken 
steen (panjoegoe) en ‘eenvoudige klangkangs van bamboe 
gemaakt. . 

Vroeger maakten wij reeds kennis met de groote klangkangg 
(offertafels) in de nabijheid der kampong opgericht. Op het veld 
en in het bosch gebruikt men echter kleinere offertoestellen. Het is 
een in den groud gestoken bamboe-stok, waarvan het boveneind in 
verschillende deelen gesplitst is, welker uiteinden naar buiten zijn 
omgebogen. Tusschen deze uiteinden wordt rotan gevlochten , zoodat 
het geheel gelijkt op een trechtervormige mand op hoogen voet. 
In deze mand worden de offersprijzen neergelegd. 

Een panoela’, waarnaast een panjoegoe, vonden wij nabij 
Papoeng aan de Belentiau-rivier. 

Door de weelderige tropische vegetatie is het hoofd van het 
beeld geheel begroeid. Dit is eene toevallige omstandigheid, die 
niet mag leiden tot het denkbeeld, dat de koppen d&er beelden 


112 BIJDRAGE TOT DE KENNIS VAN DEN GODSDIENST 


steeds van zulk een vederbos voorzien zijn. lets meer op den 
achtergrond ziet men de overblijfselen van een offertafel. 

Ook ziet men een panoela* aan den kant der Manjoeké- 
rivier aan den voet van een boom. Ook hier heeft Flora zich weten 
te vestigen op het hoofd van het beeld. Aan den anderen kant van 
den boom bevinden zich panjoegoe-steenen, en daarbij een stok 
met een wit vlaggetje, een offer van een Chinees aan het Dajaksch 
afgodsbeeld! Iets verder ziet men de overblijfselen van een offer- 
tafel. 


§ 150. Panjambahan. 


Ruwe beelden van pelei-hout zagen wij ook in Manjoeké-Bandong. 
Men noemde ze daar zoowel panoela’ als panjambahan, en 
men voegde er bij, dat men ze maakte bij het heerschen van 
epidemische ziekte. Men plantte er ook weer pelei- en randjoe- 
wang-boompjes omheen en boeloeh-bala. Elk jaar bracht men 
er offers (bari mah). 

In kampong Sétolo. noteerden wij, dat men offers bracht aan de 
panoela’ bij groote droogte. De panoela* zou de zetel zijn 
van een geest (hantoe), dien men te eten geven moest, om regen 
te krijgen. 

Het is onduidelijk, wat met de panoela’s en de panjambahans 
bedoeld wordt. Misschien is er verschil in beteekenis der beide 
beelden, ofschoon de vorm ongeveer gelijk is. 

Het woord »panjambahanyv = hetgeen eerbiedig wordt aan- 
geboden, doet denken, dat deze beelden werkelijk effigie-offers zijn , 
vooral ook, omdat zij bij het heerschen van besmettelijke ziekten 
gemaakt worden (vergelijk de témbado’s der Meliau-Dajaks, Int. 
Arch. f. Ethn. Bd. IX, 1896, blz. 80). 

De beteekenis van het woord panoela’ = hetgeeu dat of degeen 
die afweert, doet denken, dat men het beeld ithyphallische onheil- 
afwerende kracht toekent (zie Wilken. Iets over de beteekenis van 
ithypallische beelden bij de volken van den Indischen Archipel in 
de Bijdr. t. d. T. L. en V. kunde, 5% volgreeks, 1° deel en Serrurier, 
Phallisme, Tijdspiegel, 1896). 

Niet onmogelijk is,dat deze beelden van peleihout tot beide 
doeleinden tegelijk hebben gediend. Een effigie-offer dus, dat tevens 
door den phallus kwade invloeden paralyseert. 


DER DAJAKS VAN LANDAK EN TAJAN. 1138 
§ 151. Beelden bij de Tajan-Dajaks. . 


Ook bij de Paréngoewan-Dajaks van Tajan zagen wij beelden van 
pele i-hout. 

Tusschen de beelden in waren stukken hout geplaatst. Het geheel 
noemde men „spadageir. Men deelde ons nog mede, dat men bij 
snelfeesten (totong) de oude koppen naar die padagei bracht, en 
er dan een barimah plaats had. Wat de beteekenis der beelden 
is, blijkt uit onze aanteekeningen niet. 

Bij de Broewa-Dajaks (Batang Tarang-Tajan) verstond men onder 
„padageir een paar groote wonderlijk gevormde stukken hout, 
die versteend waren. 

Elk jaar bracht men deze rpadageir offers, men noemde dit 
wampara padagein, waarbij kromong, tawak-tawak, gong 
en géndang bespeeld werden. Nabij deze steenen stond een kla n g- 
kang en een houten beeld, dat ampago genoemd werd. 

Het vampara padageir bevat, naar wij uit de beschrijving 
opmaakten, geen enkele ceremonie, die aan een snelfeest herinnert. 
De Dewata's worden opgeroepen om een offer aan te bieden. 

Men kent ook het voempang padageiv. Oempang is ge- 
schenk, en onder voempang padageir verstaat men het geven 
van een voorloopig geschenk aan de Dewata’s, indien men nog niet 
in staat is, door gebrek aan rijst, offerdieren en toewak, het 
feest, waartoe men eene gelofte heeft afgelegd, aan te richten. 
Oempang padagei is dus uitstel vragen — minta tanggo — 
voor een bajar niat, feest in voldoening eener-gelofte. 


Iets over het gebruik van tampajans in de afdeeling Landak. 


Veth. Borneo’s Westerafdeeling, dl. IL, p. 262 sqq., C. Kater. 
Iets over de bij de Dajaks der Westerafdeeling van Borneo 
zoo gezochte tampajans of tadjau’s. Tijdschrift voor Ind. 
T. L. en V. kunde, dl. XVI, p. 445. F. S. Grabowsky , Ueber 
die »Djawets” oder heiligen Töpfe der Oloh Ngadju (Dajaken) 
von Süd-Ost Borneo. Zeitschrift für Ethnologie 1885, pag. 121. 

Wilken. Aanteekening over de door de Dajaks als heilig 
beschouwde en vereerde potten, témpajans, djawét’s of balangas. 
Bijdr. tot de T. L. en Volkenkunde v. Ned. Indië, vijfde 
volgreeks, vierde deel, pag. 122. 


114 BIJDRAGE TOT DE KENNIS VAN DEN GODSDIENST 


Schmeltz. Ueber einen heiligen Krug von Borneo. Int. 
Archiv für Ethnographie, II, 1890, S. 29. 

Westenenk. De Maolang en Sekadou-Dajaks. Tijdschrift 
voor Ind. T. L. en V. kunde, dl. XXXIX, pag. 12 van 
den overdruk. 

Barth. Overzicht der afdeeling Soekadana, pag. 114. Ling 
Roth, Natives of Sarawak, Vol I, p. 150 en II, p. 284. 


§ 152. Verklaring van Wilken van de vereering 
der tampajans. 


In bovengenoemde aanteekening geeft Wilken eene verklaring van 
de vereering van tampajans door de Dajaks. Aan het einde ervan 
den inhoud resumeereude, zegt Wilken „Wij zien dus, dat het 
gebruik van potten tot opberging van relieken vrij algemeen verbreid 
is bij de Dajaks. In enkele gevallen blijken die potten werkelijk 
témpajans te zijn. Behalve dat dit van de Olo-Lowangan uitdrukkelijk 
gezegd wordt, is zulks ook op te maken uit de zooeven geciteerde 
mededeelingen betreffende de Dajaks van Noord-Borneo en de 
bewoners van Bandjermasin. Aanvankelijk — dit is dus de conclusie 
waartoe wij komen — reliekbergers, werden Témpajans later, als 
verblijfplaatsen van de zielen der afgestorvenen, heilig gehouden en 
misschien wel uls mediums gebruikt, totdat eindelijk ook dit begrip 
verloren ging, en men tot de vereering kwam van het voorwerp 
om zich zelf, als een machtig wezen, gelijk dit nu nog het geval is.” 


$ 153. Bevestiging dezer theorie. 


Door verschillende schrijvers is deze stelling later bevestigd geworden. 
Zoo door Controleur Westenenk. 

Merkwaardig is ook het bericht van Controleur Barth. 

Het komt ons waarschijnlijk voor, dat deze Témpajan de 
bergplaats is geweest van de lijkasch of andere stoffelijke over- 
blijfselen van den stamvader der Djelai-Dajaks en men langzamerhand 
de bergplaats met de relieken zelf heeft vereenzelvigd. 

Bij de Meliau-Dajaks is het gebruikelijk bij de begrafenis van 
afgestorvenen een bosje haar ineen tam pajan te deponeeren , welke 
tampajau op een ijzerhouten paal vlak bij het graf opgericht 
wordt. Wanneer echter de lijken verbrand worden, wordt eeu 
half verkoold stuk been van den overledene op dezelfde wijze - 
opgeborgen. 


DER DAJAKS VAN LANDAK EN TAJAN. 115 


§ 154. Fetisistische vereering in Landak. 


_ Ook in Landak komt nog heden fetisistische vereering van de 
tampajan voor, welke er op wijst, dat zij vroeger diende tot het 
bewaren vau stoffelijke overblijfselen der afgestorvenen. 

Wauneer wij in een der volgende hoofdstukken eene beschrijving 
geven van een snelfeest in Témilah, waarop de panta’ van een 
gestorven hoofd door den nakomeling, die een kop is machtig 
geworden, naar de padagei, de offerplaats van den kamang Trio 
overgebracht wordt, zullen wij zien, dat het gebruik is dan op het 
hooge bordes (ginggang) voor de Dajaksche woning een zeer 
oude tampajan, eeu tadjau, gedekt door een grooten aarden 
schotel op een zelfde stellage van vorksgewijze samengebonden 
bamboe-staken te plaatsen als waarmede wij reeds boven kennis 
maakten ($ 147). 

Om deze tampajan wordt dan met den gesnelden kop in de 
hand gedanst (ménari) en zij zelve wordt gebruikt als offertafel 
(klangkang), daar de offersprijzen voor de Dewatas op den tot 
dekking dienenden schotel neergelegd worden. Vergelijk Veth o.c. 
pag. 268, regel 15 van onderen. 

De témpajan op die manier gebruikt, wordt Sandong ge- 
noemd, een woord waarvan de Témilah-Dajaks zelve de beteekenis 
niet meer weten, maar dat wij kennen uit andere deelen van. 
Borneo. 


$ 155. Sandong. 


Zoo heet namelijk de rijk. met snijwerk versierde doodkist der 

Olo Ngadjoe, een soort familie-graf, waarheen op het tiwah of 
doodenfeest de overgebleven beenderen uit de raoeng gebracht 
werden. (Zie het Dajaksch woordenboek van Hardeland). 
_ In Centraal-Borneo ontmoeten wij het woord bij de Ot-Danoms 
als lijkasch-urnhuisje (zie Kühr in de Bijdragen tot de T. L. en 
Volkenkunde van N. I. volgreeks VI, deel 2, p. 219), terwijl 
het volgens Barth, o. c. pag. 187 voorkomt als naam van een 
tampajan, dienende tot opberging van de overblijfselen der lijken 
van de Toelak-Dajaks in de afdeeling Soekadana. 

Hoogst waarschijnlijk is bovengenoemd snelfeest der Témilah- 
Dajaks oorspronkelijk een doodenfeest geweest, waarop de overge- 


116 BIJDRAGE TOT DE KENNIS VAN DEN GODSDIENST 


bleven beenderen in die Tampajan sandong neergelegd werden, 
en gelijktijdig de panta* van den overledene overgebracht werd 
naar de offerplaats van den kamang Trio. ! 

Men herinnere zich verder, dat ook de Tampajan, welke de 
balian op zijne séauces gebruikt, sandong heet. Wellicht diende 
die in vroeger tijd tot bergplaats der relieken van gestorven balians. 
(Zie $ 75.) 


§ 156. Begraven van lijken in Tampajans. 


Aan de juistheid van Wilken’s theorie wordt ten slotte alle twijfel 
ontnomen door de uiterst belangrijke mededeelingen, welke in 
Ling Roth voorkomen omtrent het begraven van lijken in tampajans 
door de Doesoens en andere volken van Noord-West-Borneo. 

Wij zien daaruit, dat Wilken zijne hypothese nog verder had 
kunnen uitstrekken. De tampajans waren niet slechts aanvankelijk 
reliekbergers, maar de begraafplaatsen van de stoffelijke overblijf- 
selen in hun geheel. Vergelijk ook Ling Roth, Vol. II, p. 286 
noot 4, regel 6. 

Opmerkelijk is het dan ook, dat de tampajans, welke in 
Landak meer dan andere voor heilig gehouden worden, nl. de 
djampa lama (oude djampa), de tadjau en de siam 
lama, alle zoo groot zijn, dat zij wel het lijk van een mensch 
kunnen bevatten. 

Veel komen er in Landak niet voor. De tampajans, die gebruikt 
worden om boeten te betalen, zijn alle van nieuw maaksel. 

Een paar zeer oude siam bezat in 1898 Soedjan, hoofd van 
Ampading nabij Betoeng. Hij noemde deze siam taman (taman 
— het land der Déwas, lusthof, zie $ 57) en siam pégoh. 

Soeradjaja hoofd van Ringau-Setonjéng bezat een oude djampa 
van het mannelijk geslacht. 


1 Ook in een ander opzicht is nog een treffende overeenkomst tusschen 
de sandong op het feest der Témilah-Dajaks en de voorloopige doodkist 
der Olo-Ngadjoe’s en ook met het schip van Tempon Telon, waarmede de 
zielen der afgestorvenen naar het zielenland overgebracht worden, dat allen 
de versiering van de buceros of rhinoceros-vogel dragen. Deze is o.a. te zien 
in Grabowsky’s „Der Tod, das Begräbnis, das Tiwah oder Todtenfest.” Int, 
Archiv. B. IH, s. 182 de afbeelding van de raoeng en de beschrijving van de 
banama tingang biz. 184. : 


DER DAJAKS VAN LANDAK EN TAJAN. 117 
§ 157. Mannelijke en vrouwelijke tampajans. 


De Landak-Dajaks noemen een ta m pajan mannelijk, als er een naga 
(draak) en relief op voorkomt. Die dit niet hebben zijn vrouwelijk. 
De onde tampajans zijn in Landak opgekocht door Saribas-Dajaks 
uit Sarawak, die nog vaak voor dit doel in Landak ten handel 
komen. Eenige aankoopen, door hen gedaan, kwamen ons ter oore. Bij 
geen enkel werd meer dan honderd dollars voor een tam pajan gegeven. 


$ 158. Vereering van tampajans. 


De oude ta m pajans — vooral dedjampa’s worden met zeer veel 
eerbied behandeld. Op het breken ervan staat een zeer hooge boete. 
Slechts op groote feesten worden zij voor den dag gehaald, hetgeen 
echter niet geschiedt dan onder het offeren van een hoen aan de 
Dewata's. Het bloed smeert men dan op den tampajan. Aan 
afschrapsel van een djampa kent men heil aanbrengende kracht 
toe, ook aan water, dat zich eenigen tijd in een djampa lama 
bevonden heeft. Men drinkt dit als geneesmiddel. Vergelijk Veth, 
o. c. pag. 263 en Ling Roth, o.c. Vol. II, p. 286. 

Omtrent de vereering der djawets in de Zuid-Ooster afdeeling 
van Borneo vergelijke men Grabowsky, o.c. pag. 127. 

Verder deelt Grabowsky mede, dat de dj a wets ook gebruikt worden 
om ”krohaiv bamboekokertjes gevuld met djimats (stukjes hout, 
steen, wortel) te bewaren. 

Kater deelt in zijne verhandeling over de tam pajans mede, dat de 
tampajan sébankang ooren heeft met zulke wijde openingen, 
dat er een linkerhand doorgestoken kan worden. Ook onder aan 
het oor kan men een réntaka (zeer kleine lilla) of een parang 
(kapmes, houwer) ophangen. 

Hieruit valt wel af te leiden, dat het ook gewoonte is,om aan 
het oor dier tampajan een ijzer te hangen. Dit herinnert aan de 
gewoonte van den balian, om in de sandong gedurende het 
babalian een stuk ijzer te plaatsen (zie § 75). 


$ 159. Tampajan beschutting tegen kwade invloeden. 


Toen wij op het snelfeest bij de Sépatah Dajaks de Dajaksche 
hoofden vroegen naar de beteekenis van het woord sandong, 


antwoordden zij ons, dat dit gelijk was aan het Maleische woord 
7° Volgr. VI. 9 


118 BIJDRAGE TOT DE KENNIS VAN DEN GODSDIENST 


pajoeng = scherm. De tampajan sandong diende toch, 
naar zij zeiden, als schermbeschutting tegen de kwade rasis. 

Dit is ook in het algemeen de beteekenis, welke de Dajak van 
Landak in den tegenwoordigen tijd aan de bovennatuurlijke werking 
van de wonderkracht van de tampajan hecht. 

Een voorbeeld zagen wij reeds boven ($ 147), hoe een tampajan 
siton als panoela’ gebezigd werd van de kwade rasis bij het 
heerschen van algemeene ziekten. 

Andere voorbeelden laten wij hieronder volgen: 

In Sangkroe (Béhé) zagen wij in de nabijheid der kampong 
ergens aan den kant van het voetpad een tampajau alang 
staan, ! omgeven door een aantal tampajan siton. 

De tampajan siton was gedekt door een aarden bord. 

Men had deze tampajan gebruikt bij een barimah na het 
uitzaaien van de padi, aan de Dewata’s belovende een groot 
hoen te zullen slachten, wanneer de oogst goed uitviel. 

Het offerhoen had bij het barimah op het aarden bord gelegen. 

Na afloop van den oogst zou men daar weer barimah, om dit 
groote hoen te slachten (bajar niat). Na deze ceremonie zou men 
de sitons wegnemen, maar de tampajan voorloopig nog laten staan. 

In kampong Toho (Ajoeh-gebied) vonden wij een 
kleine tampajan (een siton) ergens aan den weg 
staan onder drie vorksgewijze samengebonden bamboe 
staken, die een soort klangklang vormden. Ook 
dit toestel deed dienst bij het barimah. De tam pajan 
diende volgens de Dajaks als pantoela’ (= iets dat 
afweert) van de kwade rasis. 

Bij kampong Moroö (Méranti Béhé) zagen wij buiten op het erf 
twee tampajan siton staan, waarvan een met een aarden bord 
(mangko*) gedekt was. De tam pajan diende volgens het kampong- 
hoofd als spagarr == muur, natuurlijk tegen de kwade rasis. Men 
was gewoon ze als klangkang (offertafel) te gebruiken bij het 
barimah, waarbij men aan de Dewata’s vroeg, ziekte en ongeluk 
af te wenden. 


1 Kater spreekt in zijn verhandeling, o.c. pag. 448 abusievelijk van alang- 
alang soorten. Alang = (Daj.) kiekendief, = élang (Mal) alang-alang 
(Jav.) = hoog gras, in Landak altijd lalang genoemd. Alang(Mal.) = dwars, 
vergelijk palang en malang. De beteekenis van het woord alang in 
tampajan alang is ons onbekend. 


DER DAJAKS VAN LANDAK EN TAJAN. 119 


De deksel op de eene tampajan diende volgens het hoofd, om 
aan de vraag meerdere kracht bij te zetten. 

Nabij kampong Djandjang (Parëngoewan-Dajaks, Tajan) vonden 
wij een tampajan siton op de bekende wijze tusschen drie staken 
opgesteld. Deze was daar vroeger door Riboen-Dajaks geplaatst bij 
gelegenheid van een verzoeningsfeest na een sneltocht. Die tam pajan 
werd, zooals men ons mededeelde, nog steeds gebruikt als altaar 
om te „barimahs. Ook deze tampajan was met een bord gedekt. 


$ 160. Tampsjan als greusteeken. 


Tampajans worden vaak geplaatst op de grens van het kampong- 
gebied, om de kwade invloeden daar buiten te houden. Dit herinnert 
aan het gebruik van ithyphallische beelden als grenspalen in Japan 
en Korea (Zie Serrurier, Phallisme, Tijdspiegel, 1896, blz. 447). 
Ken tampajan, aldus gebezigd, noemt men tampajan sapat of 
panjapar d.i. grenstampajau. Ik trof er een aan op den weg 
vau Toho naar Sangkroe (grens Ajoeh en Behe); deze is daar door 
de bewoners van beide kampongs geplaatst onder het offeren van 
een varken (bari mah), waarbij zij zich verbonden de tam pajan als 
grens van elkaars gebied te beschouwen en te eerbiedigen. Wanneer 
nu de bewoners van een dezer kampongs rijstvelden aanleggen of 
boschprodukten zoeken binnen het grensgebied der andere kampong, 
zonder daartoe vergunning te hebben gevraagd, dan wordt geacht, 
dat door die handeling de kwade rasis opgewekt zijn ten opzichte 
van de benadeelde kampong. De kam poug, welke de tampa) an 
sapat niet geëerbiedigd heeft, wordt daarom door de andere 
beboet tot het betalen van een varken, dat dan bij die tampajan 
aan de Dewata’s geofferd wordt, om de wereldorde weder te her 
stellen. Het bloed van het offerdier wordt natuurlijk op de tam pajan 
gesmeerd. 


$ 161. Tampajan dienende om vrede te vragen. 


De tampajan als grensteeken heeft tevens de beteekenis van 
het vragen om vrede aan den vijand, die de grens zou willen 
overtrekken. ! 


' Deze beteekenis komt ook goed uit bij het gebruik van een tampajan 
als poengoet basi. 


120 BIJDRAGE TOT DE KENNIS VAN DEN GODSDIENST 


Is een vijandige stam in de nabuurschap zwervende met de 
bedoeling koppen te snellen, dan plaatst men aan den kant der 
grenswegen witte aarden kopjes boven op bamboestaken, waarvan 
de boveneinden als trechters gesplitst zijn, op zoodanige wijze, dat 
ze duidelijk in het oog vallen. 

Zulke kopjes noemen de Dajaks der Manjoeke-streek mangko* 
panabar (= panjawar Maleisch, van sawar == beletsel); 
de vijand toch is door dit wit aarden kopje tot terugtocht ge- 
dwongen. 

Door het witte kopje erkent men den twist op andere wijze dan 
door strijd n.l. door betaling van wergeld te willen bijleggen, 
en het is hoogst pantang zulk een teeken te willen veronacht- 
zamen. 


$ 162. Als teeken van onschuld. 


Is bij een naburigen stam gesneld en de dader nog onbekend, 
dan is het gewoonte, dat de omliggende stammen, welke geen 
schuld aan het misdrijf hebben, ten bewijze hiervan een wit kopje 
aan den gelaedeerden stam zenden. Dergelijk kopje heet mang- 
ko* panoela* basi d.i. kopje tot afwering van het 
staal (d.i. het zwaard). 


$ 163. Als kennisgave van vredesherstel. 


Is de dader gevonden en de zaak door betaling van het wergeld 
in der minne geschikt, dan worden de omwonende kampongs hier- 
van in kennisgesteld door de toezending vaneen tampajan, welke 
door een kom of schotel gedekt is (mando* toetoep bajar). 


$ 164. Tot uitnoodiging samen te snellen. 


Wil men bevriende stammen uitnoodigen, om te samen ten strijde 
te trekken of op koppenjacht te gaan, zoo geschiedt dit door de 
toezending van een wit kopje, waarop aan den binnenkant els 
teeken van bloed een roode vlek met djarnang (drakenbloed) is 
aangebracht. Dit kopje heet dama* panggagar. Dama” = blaas- 
roerpijl, maar heeft ook de beteekenis van tjap, stempel, middel 
om een bevel kracht bij te zetten, gagar — schudden, dama* 


DER DAJAKS VAN LANDAK EN TAJAN, 121 


panggagar — bevel om allen zonder uitzondering aan den strijd te 
doen deelnemen. (Manjoeké-Dajaks.) ! 


$ 165. Tampajan, middel om kracht bij te zetten 
aan bevel, bericht. 


In het algemeen worden verder witte kopjes en tampajansnog 
gebezigd, om aan een bericht meerdere geloofwaardigheid, aan eene 
lastgeving meerder ‚gezag te verleenen. 

Wil een Dajaksch hoofd zijne onderhoorigen (ana* boewah) er 
toe dwingen, weder in een kamponggebouw te gaan samenwonen ? 
(baradaug noemt men dit), dan doet hij zijn last daartoe vergezeld 
gaan van een tampajan mando’ tot het keeren van tegen- 
stand eu ongehoorzaamheid. 

Deze tampajan wordt dan het eigendom der onderhoorigen ; 
voldoen zij echter niet aan het bevel, dan vervallen zij in een 
hooge boete. 


$ 166. Als teeken van onderwerping. 


Ook als een teeken, dat men zich aan iemand wil onderwerpen, 
gebruikt men tampajans. 

Tijdens de Chineesche onlusten vluchtten de Pajoen-Bangan Dajaks 
(afdeeling Lara en Loemar) naar Landak, opgejaagd door de 
Kongsie Taikong. Zij wilden zich in Landak vestigen en zonden 
toen aan het stamhoofd der Manjoeké-Dajaks Patih, vader van 
Raksagati, hoofd van Sötolo, een tampajan mando* en aan 
Singa Démang, hoofd van Sétonah, in wiens rechtstreeksch gebied 
zij zich wenschten neder te zetten, een tampajan siam en een 








' Inplaats van de dama* panggagar zendt men ook de veder van een 
alau (soort buceros of jaarvogel), waaraan een stuk rood katoen en 
een pabajoe (stok met ingekerfde franjes. Zie boven § 147) gebonden is 
of ook een sampoetoet. Dit is een toorts van opgerolde harde boomschors 
met een koord omwonden, brandende met een tlauw gloeiend licht, dat door 
den wind tot eene vlam opflikkert. De sampoetoet wordt gebezigd door 
hen, die nachts op pad moeten, en het rondzenden er van houdt den last in 
zoo spoedig mogelijk op te komen, om desnoods nacht en dag door te loopen. 

2 Tot het verspreid wonen gaan de Dajaks — als de veiligheid zulks toelaat — 
vaak over na mislukte rijstoogsten, omdat het dan gemakkelijker is door het 
zoeken van boschvruchten en boschprodukten aan den kost te komen. Dit is 
zeer ten ongerieve van de geregelde kamponghuishouding, waardoor de 
hoofden zich steeds daartegen verzetten, dikwijls helaas tevergeefs. 


4 


122 BIJDRAGE TOT DE KENNIS VAN DEN GODSDIENST 


varken. De bedoeling van deze geschenken was het vragen om leven 
(njawa) en om onderhoud (palihara). Ook aan de Chineezen van 
Prigi zonden zij daartoe een varken en dertig gantang rijst. 


§ 167. Tot betaling van boete. 


Veelvuldig is het gebruik van tampajans als betaalmiddel tot 
voldoening van opgelegde boete. Soms bestaat zulk een boete slechts 
uit een enkel aarden kopje. Het zal den lezer echter wel duidelijk 
zijn geworden, dat het dan niet zoozeer de reëele waarde van het 
kopje is, die in aanmerking wordt genomen, dan wel de geheime 
kracht, die van het kopje uitgaat n.l. van ongeluk af te wenden, 
en dat dan de boete van een kopje op gelijke lijn dient gesteld 
te worden met de boete van een stuk ijzer of van wat bras 
banjoe (geöliede rijst). Zij dienen dus alleen, om de wereldorde 
te herstellen, de kwade rasis, die den verongelijkte bedreigen, 
weg te nemen. 


Bouwoffer. 


$ 168. In Europa. 


Het bouwoffer wordt door Richard Andree behandeld in zijne 
„Ethnographische Parallelen und Vergleichew onder den titel Ein- 
mauern (p. 18.) 

Ook bij de volken van den Indischen Archipel komt het bouw- 


offer voor, en is in de meeste streken eveneens voor het menschen- _ 


offer een zachter vorm in de plaats gekomen, namelijk het offer 
van dieren en levenlooze voorwerpen. 


§ 169. Menschenoffer in Borneo. 


Bij de Milanaus in het noord-westen van Borneo, bij de Timor laut- 
eilanders en bij de Alfoeren van de Minahassa kwam het menschenoffer 
tot voor korten tijd voor. (Wilken). Nu nog op de Mentawei-eilanden. 

In het bijzonder schijnt het bouwoffer bij de volken van den 
Indischen Archipel een offer te zijn aan den geest der aarde. 


MR Husaks TeX ZaNtak FX Tas ar. hej 
= 


$270. Verkiartre var Welker Zer Seteekeris vay 


„De gode? — semi Wises mo mn elen cor & wheate.- 
vereerme %) St taker vas den Indwwten Amkroe. — Rosine 


tor de T. L ez Vikurde was N. I. er:tde volrgmebs, verte dee, 
waarin deze geeerde tevens het hoowoter behande - aan wie by 
het oprichten vas eene zieuwe woring gecten! wondt, om bearken 
ming en afwending van rampen te ersacgern Is, of de aande selve, 
nataurlijk anthropopath:sch opgevat, als denkend, gevoelend en 
willend, òf de een of andere locaie geest, . 

Deze stelling gaat ook op voor de Landak-Dajaks: aangesien 
deze echter de Dewatas als de hoogste maden vereeren, welke si) 
nimmer voorbij gaan. geldt het offer in de eerste plaats dese 
geesten en daarna pas andere, in het bijzonder de aanigeesten, om 
deze te verzoenen wegens de inbreuk , die men op hunne rechten maakt, 


Eerst gaan de Dajaks over tot het bepalen der plaats, waar de 
nieuwe woning opgericht zal worden. Dit geschiedt met behulp van 
vogel- en andere orakels als van herten en insecten. 

Daarna wordt een gunstig tijdstip afgewacht, om met het bouwen 
een aanvang te maken. 

Dit geldt voor geheel Landak: het bouwoffer zelf verschilt naar 
den stam, bij welken men het aantreft. | 


Manjoeké. 


§ 171. Bouwoffer in Manjocké, 


Wanneer de gaten voor de hoofdstijlen gegraven zijn, offert men 
aan de Dewata’s een hond en een hoen. Het bloed laat men in de 
kuilen uitvloeien, de kippen worden erin neergelegd. 

Wanneer het geraamte van het huis gereed is, offert men waar 
een hoen en wanneer het huis reeds drie dagen bewoond is een 
hoen, een hond en een varken. Bij het barimah worden na de 
Dewata’s, de hoofdstijlen, de grond onder het huis en de bewoners 
gepipist, met rijst bestrooid en met bloed besmeerd, zoosls gebrui 
kelijk is. Dit geldt alleen voor het eerste huis van een radang, 
voor de tweede en derde lawang is dit niet meer noodig. 


124 BIJDRAGE TOT DE KENNIS VAN DEN GODSDIENST 


Dait. 
§ 172. In Dait. 


Voor het opstellen der hoofdstijlen offert men aan de Dewata’s 
een hoen, een hond en een varken. 

Ook aan de Goembalangs, een soort geesten, die in de aarde 
wonen, wordt een offer gebracht. 

Bloed van de offerdieren wordt ook in de gaten voor de hoofd- 
stijlen gesprenkeld, waarin men bovendien nog deponeert de koppen 
der offerdieren en een schaaltje of pakje met allerlei verschillende 
offerspijzen, van elke schotel eene kleine hoeveelheid (toerap of 
paloeboer). 


Djamboe. 
§ 178. In Djamboe. 


Heeft men het materiaal voor het nieuwe huis bijeen gebracht 
en de gaten voor de hoofdstijlen gegraven, dan gaat men over tot 
een barimah, waarbij aan de Dewata’s een hoen, een hond en 
een varken geofferd worden. In de gaten voor de hoofdstijlen legt 
men een stuk ijzer, een stuk lieswortel (djarangau) en de koppen 
van de geslachte offerdieren. Als het huis gereed is, zijn geene 
verdere ceremoniën 1 noodig. 


Rantawan. 
§ 174. In Rantawan. 


In de kuilen voor de hoofdstijlen werpt men een koendoer- 
vrucht (kalebas) daarin, benevens wat rijst en padi. 

Is het huis eenmaal gereed, dan offert men aan de De wata’s een 
kip, een hond, of een varken, naar den rijkdom van den bezitter. 
De stijlen ondergaan daarbij de ceremoniën van het barimah. 


DER DAJAKS VAN LANDAK EN TAJAN. 125 


Batang-Tarang-Dajaks in Tajan. 
§ 175. In Batang-Tarang. 


Is het gat voor de hoofdstijl gegraven, dan plaatst men daarin 
een levend hoen, wat zwavel, wat uien, wat slakken van gesmeed 
ijzer en wat géranggo’ of acorus terrestris (lieswortel). Dan 
laat men den stijl met kracht in den kuil neer, zoodat het hoen 
verpletterd wordt. 

Is de woning klaar, dan ondergaat het eerst de ceremonie met 
het hoen (kébo ajam) en slacht men het benevens een varken ; met 
het bloed dezer dieren besmeert men stijlen, spanribben en dwarsbalken. 


Semia. 
§ 176. In Semia. 


In de gaten voor de hoofdstijlen legt men den kop van een kip, 
welke men eerst aan de Dewata's heeft geofferd, verder wat kleef- 
rijst, wat tompi (= Mal. tjoetjoer) en wat betel. 


Soeti en Tengon. 
§ 177. In Noord-Landak. 


Bij deze Dajaks is het geen gewoonte iets in de gaten voor de 
stijlen neer te leggen. Bij het bouwen van cen gewoon huis hebben 
geene bijzondere ceremoniën plaats, bij het bouwen van cen pantja 
daarentegen wel. Bij den aanvang heeft cen barimah plaats; is het 
gereed, dan worden eenige honden geelacht eu geofferd eu de koppen 
boven detotong opgehangen. Het is tevens gewoonte daarksij tx menariën. 


Sém patong. 


Deze Dajaks leggen, wasser zij ou pautia ouwen, in elk gat 
voor de stijlen cen Gevend heer. dat door dex siji verpietterd wordt. 


F. Her /BANIAT” HET DOEN VAN GELOFTEN OP HEILIGE PLAATSEN 


§ 135. 
§ 136. 
$ 187. 
$ 138. 
§ 139. 
§ 140. 
§ 141. 


§ 142. 
§ 148. 
§ 144. 
§ 145. 
§ 146. 
§ 147. 
§ 148. 
$ 149. 
§ 150. 
§ 151. 


§ 152. 
§ 153. 
§ 154. 
§ 155. 
§ 156. 
§ 157. 
§ 158. 
§ 159. 
§ 160. 
§ 161. 
§ 162. 


INHOUDSOPGAVE. 


Het „baniatr. 

Tiong kandang. 

Andere heilige bergen. 

Kanonnen van Monggoh. 

Wonder kanon te Tebang (Tajan) 
Geloften aan den Sultan van Pontianak. 
Heilige Tambawangs. 


G. HET GEBRUIK VAN BEELDEN. 


De Pantaks. 

De Padagei. 

Lotsboomen. 

Panjoegoe-steenen, geplaatst bij het doen van een eed. 
Afwenden van gevaar bij besmettelijke ziekten. 
Tampajan als altaar. 

Ampago-effigie-offers. 

Panoela* 

Panjambahan. 

Beelden bij de Tajan-Dajaks. 


H. Ievs OVER HET GEBRUIK VAN TAMPAJANS IN DE 
AFDEELING LANDAK. 


Verklaring van Wilken van de vereering der tampajans. 
Bevestiging dezer theorie. 

Fetisistische vereering in Landak. 

Sandong. 

Begraven van lijken in tampajans. 
Mannelijke en vrouwelijke tampajans. 
Vereering van tampajans. 

Tampajan beschutting tegen kwade invloeden. 
Tampajan als grensteeken. 

Tampajan dienende om vrede te vragen. 

Als teeken van onschuld. 


§ 163. 
§ 164. 
§ 165. 
§ 166. 
§ 167. 


§ 168. 
§ 169. 
§ 170. 
§ 171. 
§ 172. 
§ 173. 
§ 174. 
§ 175. 
§ 176. 
§ 177. 


INHOUDSOPGAVE. 127 


Als kennisgave van vredesherstel. 

Tot uitnoodiging samen te snellen. 

Tampajan middel om kracht bij te zetten aan bevel, bericht. 
Als teeken van onderwerping. 

Tot betaling van boete. 


I. Her BOUWOFFER. 


In Europa. 

Menschenoffer in Borneo. 

Verklaring van Wilken der beteekenis van het bouwoffer. 
Bouwoffer in Manjoeké. 

In Dait. 

In Djamboe. 

In Rantawan. 

In Batang Tarang. 

In Semia. 


In Noord-Landak. 


DE GODENBEELDEN AAN DEN BUITENMUUR 
VAN DEN CIWATEMPEL TE TJANDI PRAM- 
BANAN EN DE VERMOEDELIJKE LEEF- 
TIJD VAN DIE TEMPELGROEP. 


DOOR 


Pd 


MARTINE TONNET. 


Op voorstel van Dr. J. Groneman , eere-voorzitter der archaeologische 
vereeniging té Jogjakarta werd in 1885 een begin gemaakt met 
de ontgraving der Prambanantempels, welke arbeid in 1890 werd 
voltooid. Alhoewel de zoogenaamde Lara-Djonggrang-groep alreeds 
langen tijd bekend was, kwamen bij de ontgraving vele verrassende 
bijzonderheden aan het licht, waarin Dr. G. aanleiding vond, tot 
eene beschrijving ervan over te gaan. Die beschrijving, opgeluisterd 
met eene rijke verzameling afbeeldingen van de tempels en hunne 
details, verscheen in 1893 onder den titel: Dr. J. Groneman. Tjandi 
Prambanan na de ontgraving met 62 lichtdrukken van Cephas. 

Daar de verklaring der bas-reliefs aan de tempelmuren tot heden 
toe nog steeds op gissingen berust, durven ook wij de vrijheid 
nemen, de uitkomsten onzer studie, die met die van dr. Groneman 
hier en daar in strijd zijn, en die zich evenmin buiten het gebied 
der gissingen bewegen, onder de oogen onzer lezers te brengen. 

Om de Ciwa-, Wisnu- en Brahmatempels nu, die deel uitmaken 
van deze groep, zijn reeksen van beeldgroepen gebeiteld, die aan 
deze tempels een dubbelslachtig karakter geven, daar die beelden 
van Buddhistische opvatting getuigen, terwijl de hoofdbeelden boven 
de tempelputten blijkbaar Brahmaansch zijn. 

Daar wij in eenige dezer godenbeelden wereldhoeders (lokapala’s) 
of beheerschers der windstreken meenen te herkennen, willen 
we die groepen eens wat nader beschouwen. We kiezen daartoe die 
van den Ciwatempel, die in het werk van Dr. Groneman fraai en - 
duidelijk zijn afgebeeld. 


DE GODENBEELDEN AAN DEN BUITENMUUR ENZ. 129 


Maar we zullen vooraf de eigenschappen en attributen der ver- 
schillende wereldhoeders nagaan. ' 

De lokapäla's in het Buddhistisch geloof zijn vier in getal. 

Voor het Oosten: Dhrtarästra, beheerscher der Gandharwa's; 
attribuut: de mandoline. 

Voor het Zuiden: Wirtdhaka, konjng der Kumbhända's (demonen). 

Hij draagt als helm een olifantskop en als attribuut een lang 
zwaard. 

Voor het Westen Wirupäksa *, koning der Näga's. Zijn attribuut 
Is een caitya of een juweel in den vorm van een caitya in de 
rechterhand en eene slang in de linker. 

Voor het Noorden Kubera of Waigrawana, koning der 
Yaksa's. Zijn attributen zijn eene vaan of eene lans met vaan 
in de rechter en een rat die juweelen spuwt in de linkerhand. 

De laatstgenoemde God, die tevens God van den Rijkdom is, is 
de gewichtigste der vier groote koningen (Caturmahäräja's) of wereld- 
hoeders, die volgens Buddhistische opvatting den berg Meru ‘of 
Sumeru, het centrum van het wereldsysteem, bewaken. 


Het Brahmanisme kent er vier of acht en wel vier voor het 
Noorden , Oosten, Zuiden en Westen en acht, wanneer het Z.Oosten, 
Z.Westen, N.Oosten en N.Westen daaraan worden toegevoegd. 

Daar de opgaven hunner namen volgens de ons toegankelijke 
bronnen niet overal gelijkluidend zijn, zullen we de betreffende 
passage uit het werk van Coleman in haar geheel overnemen. (bl. 253). 

„Meru. . 

The mythological mountain Meru, the Mienmo of the Burmese, 
and the Sineru of the Siamese, is termed by the Hindus the navel 
of the world, and is their Olympus, the fabled residence of their 
deities. It is described by them to be placed at the north pole and 
formed like a lotos, the petals of which are the abodes of the gods, 
attended by the Rishees, the Gundharvas, the Apsaras, and the 
Naga Rajah or great Snake King. On the summit is the heaven of 
Brahma; in the east is Swerga, the paradise of Indra, resplendent 


1 Geraadpleegd zijn voor de Brahmaansche lokapala’s het werk van COLEMAN 
The Mythology of the Hindus. 1832 en Wirkins, Hindu Mythology, 2¢ édit. , 
1900; voor de Buddhistische GrünwepeL, Mythologie des Buddhismus in 
Tibet und der Mongolei, 1900. ' 

3 Wirüpäksa beteekent volgens Prof. Kern hij, wiens oog misvormd 
is, symbool van den zonsondergang. 


130 DE GODENBEELDEN AAN DEN BUITENMUUR VAN DEN 


as a thousand suns; in the south-east is the heaven of Agni; in the 
south is Yama’s; in the south-west Virupacsha's; in the west, Varuna’s; 
in the north-west, Vayu's; in the north is Kuvera’s, whose seat is 
formed of lapus-lazuli; and in the north-east is the heaven of Siva, 
„of fervid gold.» Siva would thus appear to be doubly provided for, 
Virupacsha being also one of his names. According to some, Surja 
occupies the south-west. The heaven of Vishnu is variously placed: 
by some in the Frozen Ocean, and by others in a subterraneous 
sea of milk.» 

Op plaat 28 geeft C. ons een teekening te zien van dien Godenberg. 
Het centrum van de teekening is een plattegrond van den berg 
Meru. Daarboven zijn in vak B de godenverblijven geteekend. Nog 
hooger bevonden zich de hoogste hemelen met in den top het verblijf 
van het opperwezen. De vakken C en D moet men zich onder den 
berg denken. Het zijn de woningen der groote Näga's en de ver- 
schillende deelen van de hel. 

Wij hebben voorloopig alleen met het vak B te maken, dat 
Coleman als volgt beschrijft. 

„B. describes the heavenly mansions on the plane as they are 
placed above Meru, the sixteen, that are marked from 24 to 
89 being those of Indra and other deities.” 

Het is zeer te bejammeren, dat hij die andere vijftien goden niet 
noemt. Verder vinden we deze opgave omtrent den Z.Westelijken 
wereldhoeder verdacht. Nergens elders toch troffen we Wirüpäksa 
aan in het Brahmaansche godensysteem. Hij was voor de N. Bud- 
dhisten de beheerscher van het Westen. 

Elders op bl. 126—127 (noot) noemt hij de acht, als volgt: 

„Indra, the regent of showers and of the east wind. 

Vahni (= Agni) of the south-east. 

Yama of the south. 

Nairit of the south-west. 

Varuna, regent of the west. 

Marut (=Wayu) of the north-west. 

Kuvera of the north [vsouth” is een vergissing]. 

Ica (= Ciwa) of the north-east.» ! 

Verder zegt hij nog: „This account will be found to vary slightly 
from other descriptions of the regents of the winds or eight points 








1 Deze opgave is betrouwbaar, want zij is, zooals Prof. Speyer mij mede- 
deelt, ontleend aan het woordenboek van Amarasimha, den Amarakoca 
(zie aldaar I, 3, 2). 


CIWATEMPEL TE TJANDI PRAMBANAN ENZ. 131 


of the earth; but the several accounts differ in a very trifling degree, 
introducing Agni instead of Vahni'; Sürya instead of Nairit: 
Chandra for Kuwera; and Chandra also, or Prithivi. for Isa.” 

Waar er van 10 lokapäla's sprake is, zijn de beheerschers, van 
het Zenith en het Nadir er bij gerekend. 

Gaan wij nu de plaatsing der Brahmaansche wereldhoeders nog 
eenmaal na, dan zit dus: 

In het Oosten: Indra, God van den Hemel. Attribuut de 
wajra (bliksembundel); soms de lans. 

In het Zuiden Yama, God van het Doodenrijk, ook van den 
Tijd en dan genaamd Kala. Attributen: de paca (strik) en de danda 
(de knods of roede). 

In het Westen Waruna, God van de Wateren (in Wedischen tijd 
van den Nachthemel). Attribuut de paga (strik). Dowson noemt 
dien näga-päga of slangenstrik. 

In het Noorden Kuwera, God van den Rijkdom en ‚ Koning der 
Yaksa’s, ook wel Waicrawana geheeten. Attributen : de geldzak , 
de hamer en de lotos. Hij wordt gewoonlijk vergezeld door vier 
Yaksa's. Naast Kuwera wordt Soma of Candra genoemd, die 
door sommigen echter in het N.O. wordt geplaatst. Hij is de God 
van de Maan, oorspronkelijk de geest, die in de somaplant huist, 
een geneeskrachtige plant, waaruit een bedwelmende drank bereid 
werd. Voorts worden genoemd: — 

Voor het Z. Oosten Agni, God van het Vuur. Attribuut: de 
tomara (speer), de lotos, de banier en het bidsnoer. 

Voor het Z. Westen Surya, God van de Zon. Attribuut: de 
lotosbloem. 

Naast Surya vinden we bij Coleman voor het Z.W. genoemd: 
Wirtipaksha, die bij de Buddhisten het Westen beheerscht. Ook 
Nairit of Nirut noemt hij als zoodanig. In het Sanskrit luidt 
zijn naam Nairrta, een afleiding van Nirrti, de godin des verderfs. 

In het N.Westen zit Wayu. Attribuut de witte vlag: soms 
ook de olifantshaak en de speer of pijl. 

In het N.Oosten zit Ciwa. Attributen de trigüla (drietand) en 
de munda (doodskop); soms nog enkele andere, die van zijn ver- 
delgende kracht getuigen. Naast Ciwa wordt ook Soma geuoemd 
als beheerscher van het N.O. en in de derde plaats Prthiwi 
(Godin der aarde). | 


' Dit verschil is denkbeeldig; want vahni is een synoniem van agni. 


132 DE GODENBEELDEN AAN DEN BUITENMUUR VAN DEN 


Wanneer wij nu de Brahmaansche met de Buddhistische wereld- 
hoeders vergelijken, dan zien we, dat Indra met zijn wajra bij 
de Buddhisten heeft plaats gemaakt voor den Gandharwakoning 
Dhrtarästra, dat Yama heeft plaats gemaakt voor den Demonenkoning 
Wirtdhaka, wiens attribuut is een lang zwaard. Die demonen 
heeten Kumbhändä’s. Nu beteekent kumbha rpotr of rarr 
(doodenurn). De gelaatskleur van dien god is blauw, wat wijst op 
een schrikwekkend karakter. Het is dus aannemelijk, dat in hem de 
oude Hellekoning Yama voortleeft. De oude wedische God Warugs 
heeft plaats gemaakt voor den Nagakoning Wirüpäksa. Die Näga's 
spelen in het Buddhistische geloof een groote rol. Niet alleen, dat 
zij in de Buddhalegenden herhaaldelijk optreden als vereerders van 
Buddha en zijne leer, maar zij zijn in het volksgeloof de bewaarders 
van schatten, voornamelijk van edelgesteenten. Zij brengen geluk 
aan wie ze ziet en regen in tijden van droogte. Het is begrijpelijk, 
dat zij in het regenbrengende Westen wonen (ten Westen van den 
berg Meru) en met juweelen zijn gekroond. 

Alleen Kuwera (of Kubera) is wat naam en functie betreft, 
dezelfde gebleven. Maar zijne attributen zijn veranderd. 

Bezien wij uu de betreffende platen en beginnen we met Dr. Groneman 
aan de Oostzijde teu Zuiden van de trap. (Zie plaat XXXV). Daar 
zien wij [ndra als Wajra-päpi met zijn wajra (bliksembundel) als 
hoeder van het Oosten. Van eene mandoline is geen spoor te bekennen. 
We hebben hier dus den Brahmaanschen wereldhoeder voor ons. 
Aau weerszijden zitten drie vrouwelijke volgelingen. Dat stemt ook 
overeen met de gewone voorstelling, dat deze God van apsarasen 
\hemelnrmfen) is vergezeld. Aan de rechterzijde van den God zien 
we boren den troon een sentéblad afgebeeld en nog iets hooger een 
lotosbloem met afhangende meeldraden (zie origineele photo). Het 
sentéblad is "t srmbool van het koningschap. Het komt op bijna al 
deze reliefs voor. Waar het ontbreekt, zullen wij er op wijzen. 
ludra was de koning der Goden ' en is hier afgebeeld, mttende in 
zijn Swarga. een verblijf van de opperste zaligheid. dat gebouwd 
werd door Wicwakarman, den bouwmeester der Goden. De stad had 
voigens het Mahabharata een omtrek van S00 mijlen en was 40 
molen hoog. Hare pilaren waren gevormd uit diamanten: hare 
pate:zez, tromen en meubelen uit het zuiverste goud. 

‘Verg Sterk Sins qty rn de warang, tie werk: voorgesteld als 


ebiertewe van fen Sab-niran tem’. 


CIWATEMPEL TE TJANDI PRAMBANAN ENZ. 183 


Zij is de woonplaats der Gandharwa's (hemelsche zangers) en 
van de liefelijke apsarasen (hemelnymfen), die de minnaressen 
waren van Goden en Gandharwa’s en ook de belooning voor de in 
den strijd gevallene helden. 

Aan den Ciwatempel zien we ze in groote verscheidenheid om 
den buitenmuur in bevallige standen afgebeeld, afgewisseld door 
groepen van gandharwa's. 

Voortgaande, nemen we nu eerst de middenfiguren nl. die, welke 
naast de trappen zijn geplaatst, omdat wij daarbij in de eerste 
plaats de wereldhoeders meenen te herkennen. 

Westelijk van de Zuidertrap zien wij op relief N° XLI Yama, 
den beheerscher van het Zuiden, tevens God van het Dooden- 
rijk en Rechter der Dooden. ! Als zoodanig heet hij Dharmaräja 
en voert hij den päca (strik), waarmede hij zijne slachtoffers bindt. 

Op dit relief staat op de lotosbloem eeu roede. Hij is hier 
afgebeeld als Kala (= Tijdgod en Dooder). Zijn voornaamste volgeling 
is Citragupta, wiens taak het is, de daden en levensgebeurtenissen 
_ der dooden op te teekenen in het register Agra-Sandhäni.? Hij 
heeft een nagenoeg even schrikwekkend uiterlijk als zijn meester 
(uitpuilende oogen, groote tanden enz.) 

Yama is hier afgebeeld, zittende op den troon des oordeels. Aan 
zijne rechterzijde zitten zijne beide helpers of wachters en aan de 
uiterste rechterzijde zit Citragupta, kenbaar aan zijn schrikwekkend 
uiterlijk. Links zit de poortwachter Waidhyata, kenbaar aan zijn 
knods. In den uitersten linkervolgeling zien wij een der Yamadütas, 
wier plicht het was, de dooden binnen te brengen. 

Na de uitspraak van het vonnis werd de doode hetzij naar het 
verblijf der Pitaras (voorvaderen) in den hemel gebracht, hetzij naar 
een der 21 hellen gezonden of wel teruggezonden naar de aarde, 
om daar eene wedergeboorte te ondergaan. 

Verder wordt ons verteld, dat Yama twee onverzadigbare honden 
bezat met vier oogen en wijde neusgaten, die men zich dacht, 
rondwandelende onder de menschen, om de slachtoffers op te sporen 
en die den ingang naar zijn verblijf bewaakten. 

De beide wapens der volgelingen houden we voor in scheeden 


1 Verg. Batârà, Jâmâdipati of Jâmâ (tuer) in de wajang, ook Batârä Kala 
of Kämâmalah genaamd. 
3 Verg. Batéré Panjarikkan Cera vr agg ang) of schrijver in het Goden- 


verblijf als wajangfguur. 
7 Volgr. VI. 10 


134 DE GODENBEELDEN AAN DEN BUITENMUUR VAN DEN 


gestoken knodsen.' Op de scheede van Citragupta meenden we een 
jaartal te zien. 

Dr. JuxrrsorL had de goedheid, het voor ons te willen vergelijken 
met Oud-Javaansche inscripties en las eruit 996 Caka, wat gelijk 
staat met 1074 van onze jaartelling. 

Later werd het door Prof. Kern gelezen als 886 Caka = 964 n. C. 

Deze tempelgroep zou dan aanmerkelijk jonger zijn dan men tot 
nog toe heeft gemeend. 

Dat Yama, als Kala (= Tijdgod), de drager zou zijn van het 
jaartal, is zeer goed aan te nemen. 

Daar het Citragupta’s taak was, de daden en levensbijzonderheden 
der gestorvenen op te teekenen. vatten wij het jaartal op als het 
sterfjaar van den in den tempel begraven vorst. ? 

Denzelfden volgeling zien we op het pendant van dit relief N° XL 
meer op den achtergrond gezeten. Wij zien in de hoofdfiguur van 
dit relief den goedigen vorm van Yama als dharmaräja. 

Op de bloem staat de paca (strik). Citragupta draagt dan den 
naam van Karmala. 


Bij de beschouwing der Rämäyanareliefs aan denzelfden tempel 
(zie pl. XI, XVIII, XXIV en XXXIJ) merkten we nog op, dat 
de kapsels van het volk en van de volgelingen der vorstelijke en 
hooge personen dezelfde zijn als die der Wajang-Gédog-poppen , 
wier geschiedenis speelt in den tijd van Pandji om en bij Djajabaja’s 
regeering 1130-—1160 n. C. 

Daar de kapsels iu vroegere eeuwen op Java een groote rol 
hebben gespeeld, (ze waren meer nog dan kleederen of juweelen het 
kenmerk van den rang der dragers) is het begrijpelijk, dat dit 
karaktervolle kenmerk zich in de wajang heeft gehandhaafd. 

Niet alleen dus, dat door de vaststelling van dit jaartal de 
legendaire figuren der Pandji-romaus op historischeu bodem worden 
geplaatst, maar wij meenen, dat, ook in verband met de boven- 
bedoelde overeenkomst in kapsels, men in de reliefs aan Tjandi 
Prambanan het aanknoopingspunt zal moeten zoeken voor het historisch 
verband tusschen Midden- en Oost-Java. 





1 De Soesoehoenan van Solo bezit er een waarvan de scheede nauwkeurig 
denzelfden vorm vertoont als de hier afgebeelde. Dat wapen is met gouden 
franjes versierd, die aantoonen, dat het, evenals hier, met de punt naarboven 
wordt gedragen. 

3 In 1885 is uit den tempelput een steenen urn te voorschijn gebracht , 
gevuld met lijkasch en kostbaarheden. 


CIWATEMPEL TE TJANDI PRAMBANAN ENZ. 135 


Wij gaan nu den tempel om naar de Westzijde. Daar zit aan 
weerszijden van de trap een Godheid, die eene, met een juweel 
gekroonde slang in de hand houdt. 

De overeenkomst tusschen de meeste reliefs, die de hoeken en 
trappen flankeeren, bracht ons op de gedachte, dat de 8 wereld- 
hoeders dubbel zijn afgebeeld. In de 24 muurvakken hebben we dan 
16 Goden te verwachten. Dat stemt overeen met de opgave van 
Coleman, die 16 Godenverblijven noemt. 

In de op deze beide reliefs afgebeelde Goden herkennen wij 
Waruna, den beheerscher van het Westen, tevens God van den 
Oceaan, hier voorgesteld als päca-bhrt — strikdrager. ! 

In de Puränas wordt hij hoofdzakelijk als Watergod beschouwd. 
Zijn strik wordt daarin o.a. genoemd nägapäca (Näga-strik). 2 

Waruna bezit ook een scherm, genaamd abhoga, dat gemaakt 
is uit de bril (kophuid) van de brilslang en dat ondoordringbaar is 
voor water. De God draagt hier een bloemtros achter het linkeroor. 
De slang in zijn hand is in een strik gekronkeld. De voorste linker- 
volgeling houdt den abhoga omhoog. 

De middelste rechter-volgeling omklemt met de rechterhand eene 
lotosbloem. Het pendant van dit relief is nagenoeg identisch. 

Deze beide reliefs zijn hoogst merkwaardig. Wat het Näga- 
attribuut betreft, noch bij Coleman, noch bij Wilkins zagen we 
dit slang-attribuut afgebeeld of: genoemd. Altijd wordt daar gesproken 
van een strik of koord, ook van eeu knods in de andere hand. 
Alleen bij Dowson vonden wij den näga-päga vermeld. Men vergelijke 
GrünwepeL’s Myth. des Buddh. in Tibet und der Mongolei, bldz. 51, 
waar bij de behandeling van Padmasambhava’s levensbeschrij ving 
vermeld wordt, dat die heilige in het Westen in het land 
Nagapotadvipa komt, waar „die Macht hatte der Naga». Deze over- 
eenkomst met de voorstelling op Prambanan wijst er op, «lat ook 
naar Tibetaansche opvatting het attribuut van den Brahmaanschen 
hoeder van het Westen een naga was; onze reliefs wijzen uit, dat 
die dat ook voor Java is geweest. 

Wij wijzen er hier nog op, dat we Waruga in het Buddhisme 
vermeld vinden, nl. als 94" Slangenkoning (Grünwedel bl. 191) en 


1 Verg. Batárâ Barunâ (en-n2g) bij Gericke en Roorda. 


3 Verg. Nâgâpâsâ (290012) bij G. en R. de naam van een mythologisch 


wapentuig. 


186 DE GODENBEELDEN AAN DEN BUITENMUUR VAN DEN 


dat de Naga’s in het volksgeloof der Javanen steeds een groote rol 
hebben gespeeld. 

Nog altijd zijn deze dieren voor hen de geluk- en regenaanbrengende , 
schattenbewarende wezens, die als reincarnaties van menschen op 
aarde wonderen verrichten. De naam van den 44" Buddhistischen 
slangenkoning Wasuki leeft nog voort in den naam der Oostelijke 
residentie op Java: Basoeki en in de wajangverhalen. Ook Antabaga 
en Naga-Gini zijn voor de lezers der Javaansche legenden welbekende 
namen. De geleidelijke overgang van den Brahmaanschen naar den 
N. Buddhistischen beheerscher van het Westen, die een Näga- 
koning wordt genoemd, is door deze reliefs aangetoond. 

Wij gaan nu om naar de Noordzijde en zien op het relief 
Westelijk van de trap (pl. LII) eene zwaarlijvige figuur met vier 
Yaksa’s als volgelingen. Beide kenmerken wijzen op Kuwera !, den 
aan lepra lijdenden God van den Rijkdom, die, zoowel in het Brahmaansch 
als in het Buddhistisch geloof de beheerscher was van het Noorden. 
Maar vreemd: hij mist de hem voor beide kenmerkende attributen, 
Wisnu’s gevleugelde schelp : de gänkha, doet aan een watergod denken. 

Daarbij draagt hij eene zeer zonderlinge upawita, die wel uit 
menschenwervels lijkt te zijn samengesteld. Dit schrikwekkend karakter 
bezat Kuwera niet in het land der Hindoe’s. Zijn verblijf wordt daar 
voorgesteld als een gelukzalig oord, waar ellende, vrees, noch dood 
gekend wordt, waar geen verdriet bestaat, honger of ziekte. Wij 
meenen deze afwijkende voorstelling als volgt te kunnen verklaren. 
Ook de Javaansche mythologie kent een God van den Rijkdom, 
die volgens sommigen eene Godin is: Kjahi of Njahi Blorong, 
die als onderdaan (rijksbestuurder?) van Ratoe Lara Kidoel op den 
bodem der Zuidzee woont: een watergod aldus en wel een schrik- 
wekkende, want voor goud vraagt hij menschenzielen in ruil en zijn 
paleis is gebouwd van menschenbeenderen. Wij meenen in dit beeld 
het karakter van den Oud-Javaanschen Rijkdomsgod met dat van 
Kuwera vereenigd te zien. 

Kuwera is hier voorgesteld, gezeten in zijn lusthof Caitraratha 
of Mandara, die op den berg Meru gelegen is. Hij is het opper- 
hoofd van de Yaksa’s? en de Guhyaka’s. Ook worden de 


Kinnara’s als zijne volgelingen genoemd. 


' Verg. Batârà Kuwera (syn) bij G. en R. of Daniswird In de Wa- 
jang konden wij hem niet ontdekken. 


3 Verg. Jaksa (auams) bij G. en R. 


CIWATEMPEL TE TJANDI PRAMBANAN ENZ. 137 


In het feit, dat Wisnu’s hemel ten N. van den Meru gelegen 
was, ligt mogelijk ook nog een aanwijzing voor het afwijkend 
attribuut van den N. wereldhoeder. In de rechterhand draagt hij hier 
nog een onduidelijk symbool (geldzak ?). 

Op relief Ne LIII, het pendant van het vorige, zien we eene 
Godenfiguur, omgeven door twee Yaksa’s en twee Yakga-vrouwen 
of Yaksi's, die wijzen op Kuwera. Maar daar de hoofdfiguur naar 
het uiterlijk te oordeelen moeilijk met Kuwera is te vereenzelvigen 
en daar we meermalen Soma als beheerscher van het N. genoemd 
vinden, houden we dezen God voor Soma of Candra, den Maangod , 
die dan met Kuwera tezamen het N. beheerscht. ! 

Op de bloem staat de candrakänta of manicaka, het maan- 
juweel 2, dat gezegd werd uit maanstralen te zijn gevormd en een 
verkoelenden invloed uit te oefenen. | 

De voorste Yaksi draagt twee bloemtrossen, die naar het mij 
voorkomt, met de beschrijving der soma plant overeenkomen. De 
tweede draagt in de handen een klein fleschje* met spitsen bodem. 
Met de rechterhand drukt de vrouw op de stop en met de linker 
steunt zij den bodem, die niet op een voet rust. Om dien puntigen 
bodem en om het halsje zien we lofwerk. Degelijke fteschjes zien we 
in Grünwedel's „Handbuch der Buddhistischen Kunst in Indien» 
meermalen afgebeeld in de handen van Bodhisattwa’s, voornamelijk 
van Maitréya. Zie aldaar pl. 90, 92, 98 en 97. Op pl. 98 naar 
een bronsfiguurtje in Nepalschen stijl heeft het nauwkeurig 
denzelfden vorm als hier. Op pl. 90 naar een Gändhära-sculptuur 
is de bodem eenigszins afgeplat. Grünwedel noemt het daar het 
Grieksche zalffleschje. Op bl. 168 zegt hij, dat in de Gandhara- 
school het antieke fleschje met spitsen bodem kalaga in 
de plaats treedt van de ronde Indische lotä. We hebben hier alzoo 
te doen met de overneming van een Buddhistisch attribuut door 
Brahmanen. Maar ook Padmapäni (zie Griinwedel’s Mythologie von 
Tibet enz. bl. 126) wordt met zoo’n fleschje in de hand afgebeeld. 

Wat nog die overname van Buddhistische attributen betreft, wij 
wezen er in den aanvang al op, dat deze reliefs van Buddhistische 
opvatting getuigen. De houding der beelden, de tronen met makara- 
koppen en de daarnaast hangende bidschelien herinneren aan de 


' Verg. Soma (aster) Kawi== maan en Tjândrâ (namelep) K. N. 


2 Verg. Tjândrâkântä (ar2(99 0m go) Kw = maanjuweel of Sasikanta. 
8 Zie origineele photo. 


188 DE GODENBEELDEN AAN DEN BUITENMUUR VAN DEN 


Buddha’s en Bodhisattwa’s van Boroboedoer. Dezelfde invloed, die 
in Voor-Indië beslissend is geweest, heeft ook hier gewerkt. Grünwedel 
heeft aangetoond, dat de kunst der Gändhära-periode, die zuiver 
N. Buddhistisch was, op de geheele latere kunstperiode, ook op 
de Brahmaansche sterken invloed heeft uitgeoefend. ! 

Ondanks de overheersching van het Ciwaisme bleef de grootsche, 
Buddhistische monumentale kunst van Midden-Java krachtig nawerken 
en de bouwmeesters van deze tempels, die de vertolkers moesten zijn 
van het godsdienstig gevoel hunner tijdgenooten, gaven aan de be- 
schermende Goden der buitenmuren de kalme, zittende Buddha- 
houding en omringden ze met Gandharwa’s, bidschellen en lotos- 
bloemen, wat, alles tezamen genomen , aan Buddhistische bouw werken 
het rustige, lieflijke karakter geeft, dat met het wreed en strijd vaardig 
aanzien van Goden als Ciwa, Durga en Ganeca in het geheel niet 
strookt. We zouden deze tempels willen noemen: Brahmaansch 
gedacht, maar Buddhistisch gevoeld. ? 


We gaan nu den tempel om naar den Z. O. hoek en nemen eerst 
relief N° XXXVIII. Daar zien we Agni ?, den God van het vuur, 
als beheerscher van het Z.Oosten. Hij is hier voorgesteld als 
tomaradhara (speerdrager) en als saptajihwa (zeventongige). 
Op de lotosbloem links van den God staat een speer met zeven 
tongen : de zeven vurige tongen van Agni. | 


1 „Mag men op de aan den dag gekomen opschriften afgaan, dan zonder 
twijfel, is reeds op Midden-Java de Hindoe-Javaansche maatschappij vooral 
Ciwaïtisch geweest, want de Boeddhistische opschriften zijn zeer schaarsch 
en de (iwaïtische zeer talrijk. Aan een eigenlijk gezegden strijd valt ook 
hier niet te denken, een in goede en groote werken zich uitende rivaliteit, 
waarbij het Boeddhisme in zijn eigen trant ook hier in de eerste plaats 
bouwde, gaf om beurten aan beiden de bovenhand; eendrachtig leefden 
beide kerkgenootschappen naast elkander (op één opschrift wordt de Boeddha 
naast (iwa aangeroepen). Wat de reden was, dat, niettegenstaande de 
stichtingen der Boeddhisten over ’t algemeen zooveel grootscher zijn, het 
Ciwaisme toch het veld behield, is onduidelijk, maar dit deed het zonder 
twijfel, evenals in Engelsch-Indié.” (Enc. N. I. artikel: „Oudheden”.) 

3 In het opstel van Dr. Brandes: „de Makara als haartressieraad” lezen 
we in de volgende bewoordingen de meening van den schrijver: ,Ook Tjandi 
Prambanan laat het zien bij de Dewarsi’s aan den Mahâdewatempel, de 
Wisnwarsi’s aan dien van Wisnoe en de Brahmarsi’s aan dien van Brama, 
die allen geheel ten onrechte voor Bodhisatwa’s zijn uitgemaakt.’ 

8 Verg. Geni — vuur en enz oa (= bahni). Op Java werd Agni van de plaats 


gedrongen door Batârâ Brahmâ (enger), die voor de Javanen als Vuurgod 
geldt. Vgl. bramastra „vuurpijl.” 


CIWATEMPEL TE TJANDI PRAMBANAN ENZ. 139 


De zes volgelingen van Agni dragen hier een lichtschijf, die van 
een rand is voorzien. Op pl. XX van de Rämäyana-serie aan 
denzelfden tempel zien we diezelfde gerande glorie om de hoofden 
der Goden, die op aarde neergedaald zijn, om het gevecht tusschen 
Rima en de demonen bij te wonen. Terwijl op alle andere reliefs 
de glories van Rama en Laksmana glad zijn, vertoonen deze een 
rand. Ook Rama draagt er een op dit relief, daar hij dan optreedt 
in zijn gedaante als Wisnu, waarvan hij de incarnatie is. We noemen 
deze glories in het vervolg Godenglories. 

Agni is de leider van het verbrandingsproces en de Goden zijn 
op aarde neergedaald, om de plechtigheid bij te wonen. Zij dragen 
offerlepels, bloemen en ander offer-gereedschap. De voorste linker- 
volgeling draagt een steenen urn, waarboven een hondekop zichtbaar 
is. Hij heeft een hoofdtooi, die afwijkt van dien van den naast hem 
zittenden. Het is Yama, de Doodengod, die gekomen is, om de 
asch van den overledene in ontvangst te nemen, begeleid door de 
beide hellehonden. 

Yama draagt in deze functie geen kroon, maar zijn haar is getooid 
met bloemen. De middelste volgelingen dragen een voorwerp, dat 
we bij Wilkins in handen van Agni zien. 

Hij geeft daarvan geene nadere beschrijving. Wij houden het voor 
een lont. Het beeld van Agni zelf is buitengemeen fraai. Het is 
door een groot kunstenaar gebeeldhouwd. 

In N° XXXVII, het pendant van dit relief zien we Agni als 
Abjahasta (= hij die de lotos in de hand draagt). Hij zit in 
zijn verblijf en is hier, meen ik, voorgesteld als koning van de Pitaras. 

Zijne volgelingen zijn de hemelingen, die in hun aardsch leven 
het haardvuur getrouw onderhielden. Twee van hen dragen een 
offerlepel. De voorste rechtervolgeling draagt onder den linkerarm 
het dienstmes. 

De Zuid-Westelijke hoek van het gebouw biedt aan ons 
onderzoek de meeste moeielijkheden. Fersteus zijn de opgaven omtrent 
den beheerscher van die windstreek zeer verscheiden. Ten tweede 
zijn de hier afgebeelde attributen weinig kenmerkend. In de eerste 
plaats zoeken we hier naar Sürya *, dien we meenen te herkennen 
in de hoofdfiguur op N° XLIV. De fronsing in het voorhoofd houden 
we voor eene aesthetische voorstelling van zijn derde oog. Absurditeiten 
werden door de beeldhouwers van Prambanan steeds zooveel mogelijk 


1 Verg. Batârâ Surjâ (au) in de wajang. 


140 DE GODENBEELDEN AAN DEN BUITENMUUR VAN DEN 


vermeden. Hunne opvatting is over het algemeen hoogst artistiek 
te noemen. 

Strya was de Zonnegod en heet als zoodanig Bhaskara (= lichtmaker). 
Ziju attribuut is de lotosbloem, die we ook zien in handen der 
volgelingen. Op de bloem van den God ligt het zonnejuweel: 
süryakänta ', een kristal, dat gedacht werd uit zonnestralen te zijn 
samengesteld en in het zonlicht warmte af te geven. 

In XLV zien wij een nevenvorm van Sürya. De attributen van 
den God en van de volgelingen zijn nagenoeg identisch. 

Het meest raadselachtige. van alle reliefs is wel N° XLIII, dat 
met XLIV den Z.W. hoek omsluit. De lotosbloem met het daarop 
liggend juweel doen aan Sürya denken, maar we vinden ook aan- 
leiding, om dezen God voor Nairrta te houden, die mede als de 
beheerscher van het Z. W. wordt genoemd en als een booze geest, 
een Raksasa, wordt voorgesteld. 

De Godheid is hier afgebeeld met een zeer bijzondere kroon, die 
aan die van Räwaga in andere reliefs doet denken. Hij toont even 
als zijne volgelingen eene boosaardige uitdrukking. Hij houdt in de 
linkerhand een gesloten lotosblaem, waarnaast we een aar meenen 
te herkennen. De aan zijne linkerzijde gezetene volgelingen dragen 
glories. Wie ze voorstellen, konden we niet nagaan. De voorste houdt 
eene -driedeelige bloem in de hand. Eene lotosbloem is het niet. Het 
is waarschijnlijk een bloemsymbool, dat we niet kennen. We zagen 
dit symbool ook in de hand van Awalokitecwara (zie Grünwedel 
Myth. von Tibet bl. 65). 

De middelste houdt een lotosbloem omhoog, waarop een onherkenbaar 
voorwerp ligt. De laatste houdt de rechterhand naar voren geopend. 
Zoolang we geene bewijzen voor het tegendeel hebben, houden we 
dezen God voor Nairrta, den Satyaghna (= vermoorder der waarheid) 
van het Tibetaansche boek (zie Grünwedel, a. w. bldz. 52); die dan 
met Sürya tezamen de Z.W. windstreek beheerscht. ? 


Op relief N° XLIX zien we Wayu*, den Windgod, tevens 
beheerscher van het N.W. Hij is hier afgebeeld als gandhawaha 


' Verg. Surjâ-Kântâ (Gemeen rap) = zonnejuweel of brandglas. 

3 Verg. Batârâ Sambu (ana) in de wajang, een zoon van B. Guru, ook 
een Rudra genaamd. 

8 Verg. Batârâ Baju (rnay) in de wajang, ook genaamd Marutâ — Skt. 


maruta, marut. 


CIWATEMPEL TE TJANDI PRAMBANAN ENZ. 14] 


(= geurendrager). Op de bloemen der volgelingen ligt wierook, op 
de bloem van den God brandende wierook. Zijn attribuut: de vaan- 
missen we echter. 

Op het pendant van dit relief N° L zien we Wayu als heer der 
Maruts (—= Stormgoden). Op de bloem van den God staat eene 
driepuntige vlam. De voorste linkervolgeling houdt eene bloeiende. 
lotosplant in de hand. Daarnaast zitten twee personen met Gode n- 
glories. Het zijn de Maruts, kenbaar aan hunne rijkbewerkte 
gouden kronen. De gouden wapens, die zij in de Weda’s gezegd 
worden te voeren, ontbreken hier echter. De voorste schijnt een 
bloemruiker te dragen en de volgende een lotosbloem (fakkel in den 
vorm eener lotosbloem ?). 


In de beide reliefs, die den N.O. hoek van den tempel omsluiten 
(LV en LVI) herkennen we onmiddellijk Ciwat, den beheerscher 
van het N.O. Hij voert op beide reliefs de munda (doudskop) en 
de trigiila (drietand), en is hier voorgesteld als Mahakala 
(= de groote verwoester of de dood) en als Ígäna (= heerscher). 
De hoofdfiguren in deze beide reliefs zijn onmiskenbaar Ciwa en 
leveren, in verband met onze bronnen, den besten toetssteen voor 
de juistheid van onze geheele redeneering. De volgelingen leveren 
echter meer zwarigheid. De buitenste rechtervolgeling op LV voert 
een trigüla, de naast hem zittende een speer met weerhaken en de 
buitenste linkervolgeling een veelpuntige speer. De beide laatste 
attributen begrijpen we niet. 

Het pendant van dit relief LVI is wat de volgelingen betreft nog 
duisterder. Die aan de rechterzijde zitten, missen het kastenkoord 
en zijn dus blijkbaar Cüdra’s. De voorste draagt een bloemtros en 
de naast hem zittende omklemt met beide handen een klein fleschje, 
gedekt met een stop. Het is anders van vorm dan dat op het Soma- 
relief. Het schijnt smaller en rust op een voetje. Verder draagt de 
middelste linkervolgeling een platten over elkaar gekruisten halsband 
en de laatste een halsketen van tijgernagels, een echt Javaansch 
sieraad. Dit relief is zeer zonderling. 

Daar we voor de meeste windstreken de dubbele plaatsing der 
wereldhoeders hebben aangetoond, kan N° LVIII geen anderen God 
voorstellen dan Indra, want geen andere wordt voor het O. genoemd. 


' In de Manik-mâjâ genaamd Bagârâ Emprit Andjâlâ (= aM zn (23 aon ‚nm 


142 DE GODENBEELDEN AAN DEN BUITENMUUR VAN DEN 


Het hoofdbeeld is helaas zwaar beschadigd. Aan zijne rechterzijde 
‘zitten drie Goden, waarschijnlijk Gandharwakoningen, waarvan hij 
heer was. ! Die aan zijn linkerzijde zitten, missen de glorie. De 
Gandharwa’s hadden groote vermaardheid als medicijnwrijvers, in 
welke functie zij hier zijn afgebeeld. De middelste rechtervolgeling 
is bezig medicijn te wrijven. De voorste links gezetene houdt iets 
als zalf in de hand en in de rechterhand een (geneeskrachtige ?) bloem. 


We hebben nu de reliefs, waarin we de wereldhoeders meenen te her- 
kennen, besproken en gaan over tot de daartusschen geplaatste Goden. 

In N° XXXVI herkennen we Brhaspati of Guru, den leeraar 
der Goden, ook hun purohita (huispriester). Hij wordt vereenzelvigd 
met den planeet Jupiter en gold in den Rg Weda als een equivalent 
voor Brahmanaspati en dus ook voor Agni. In later tijd schijnen de 
eigenschappen dezer nevenvormen uit elkaar te zijn geweken, want 
de Brahmanaspati, die Wilkins ons beschrijft, gelijkt maar weinig op 
den Purohita, dien we hier voor ons hebben. Links van den God staat 
zijn meest kenmerkend attribuut: de lota of waterkruik. De drietand , 
vliegenwaaier, de bedelnap en het bidsnoer kenmerken hem alleen als 
priester, in dit systeem natuurlijk als Ciwapriester. Zijne volgelingen 
voeren ook de laatste attributen. De voorste rechtervolgeling draagt als 
upawita een snoer van bidkoralen. De Godheid draagt onder het 
kastenkoord een breeden platten band, die met een strik over den linker- 
schouder ligt precies als bij het Manjugribeeld van Oost-Java dat 
gedateerd is 1848 n. C. Vier van zijne volgelingen dragen zoo’n band. 

Het komt ons voor, dat tusschen Ciwa als Mahäyogin (= groote 
asceet) en dezen Guru der Goden op Java eene vermenging heeft 
plaats gehad. Den voorvorm van den Javaanschen Batara Guru 
begrijpen we nog niet. Zoolang we geene bewijzen hebben voor het 
tegendeel, houden we den hier afgebeelden God voor Brhaspati. In 
elk geval komt het ons gewaagd voor, in iedere, met een drietand 
afgebeelde Godheid een Ciwa te zien. ? 


1 De Gandharwa’s (nfian) die men ook in de versieringen der muren als 
mythische wezens met vogellijven ziet afgebeeld, zal men in de wajangfiguren 
Batârâ Patuk (uwen ang) = vogelbek en Batârâ Tumburu (T. is de eigennaam 
van een Gandharwa) moeten zoeken. 

2 Verg. Wrahaspati ( jamas on) Kw. = de daggod (?) en Araning 
Rési (en maj aaa) = hij, die genaamd is: Rishi ook Réspati (a92.1~« en) Kw. 
= Donderdag. ~ 
Verg. Jogiswârâ (qeuranasn) = de groote asceet. 


CIWATEMPEL TE TJANDI PRAMBANAN ENZ. 148 


Nu volgt een zeer merkwaardig relief (pl. XXXIX). We zien in 
de hoofdfiguur Hanuman in de gedaante van een God, wat hij 
naar de geboorte is. Hij is de zoon van Wayu, den Windgod en 
van eene hemelnymf Anjana, die in de gedaante van een aap uit 
den hemel verbannen werd. Zij zit links van Hanuman naast de 
Gandharwa’s, waarbij zij behoort. Ze is dadelijk te herkennen aan 
haar apengezicht. Ook de staart is duidelijk zichtbaar. 

Op de bloem, die Hanuman! in de linkerhand draagt, staat de 
knods, het gewone apenwapen. Aan die knods zien we drie wimpels 
(of vlammen ?) 

Rechts van den God zien we den berg Gandhamädana, waar de 
Gandharwa’s wonen onder hunne koningen Haha en Huht, die hier 
naast den berg zijn afgebeeld. Aan de andere zijde, op hetzelfde 
voetstuk, waarop de berg is geplaatst, zien we het geneeskrachtig 
kruid, dat daar groeide, en dat door Hanuman gehaald werd in den 
strijd tegen Räwana, om de gesneuvelden te doen herleven. Dit 
relief zit aan de Zuidzijde van den tempel tusschen Yama en Agni. 
Deze plaatsing van Hanuman schijnt eene beteekenis te hebben. 

In het werk van Coleman is op pl. 27 eene afbeelding te zien 
van het Zuiderfront van den Räma-tempel te Ramnaghur. Bij den 
bouw van dezen tempel schijnt dezelfde hoofdgedachte te hebben 
voorgezeten. In het midden der bovenste verdieping zien we Durgä, 
staande op den stier; lager rechts en links van de poort Yama, 
daarnaast Hanuman en in het Z.O. Agni. Deze overeenkomst 
kan o.i. geen toevalligheid zijn (Hanuman zit ook hier tusschen 
Yama en Agni). We wijzen er nog op, hoe boven de godenreeks 
aan tempel Prambanan aan alle zijden van den tempel in kleine 
nisjes apen schijnen te zijn afgebeeld. Die stellen dan natuurlijk 
Hanuman voor. In het Ramayana wordt verteld, dat Hanuman de 
Zuidelijke apenlegers aanvoerde. Mogelijk is dit de reden zijner 
plaatsing aan den Zuidkant. 

Aan den Räma-tempel staat in het Z.W. »Munggalay [= Mangala, 
Mars] een ongeluksplaneet. Naast Hanuman ontbreekt op ons 
relief het Sentéblad! — Hanuman was geen vorst. 

Op relief N° XLII meenen we Brahmanaspati te zien (= heer 
van gebed óf tooverspreuk) een nevenvorm van Agni. Hij is evenals 
Agni en Soma geboren op het altaar en stijgt vandaar naar de 


1 Verg. Bagawan Hanuman (10g en avg) of Baju Sutä (zoon van Baju) of 
Râmâ Dâjäpati. 


144 DE GODENBEELDEN AAN DEN BUITENMUUR VAN DEN 


Goden omhoog. Hij is de personificatie van het priestergebed. Op de 
bloem zien we de offervlam. Hij wordt vereerd door hemelsche rsis 
en aardsche Brahmanen. Twee van hen dragen fakkels, twee offerlepels 
en twee anderen maken een eerbiedig handgebaar. Ze zitten met 
geopenden mond en worden hier dus zingende voorgesteld. 

We hebben bij dit relief ook aan Hanuman gedacht, daar we 
dien op bovenbedoelde plaat aan weerszijden van Yama zien afgebeeld , 
links met priestermuts en priestersëlëndang. Deze omstandigheid 
vereischt eeu nader onderzoek. 

Op relief N° XLVIII zien we Karttikeya ! of Skanda den Oorlogsgod, 
hier in zijn hoedanigheid als Senäpati, aanvoerder der Godenlegers. 
Zijne drie attributen zijn aanwezig. Aan zijne rechterzijde staat de 
drietand, links de boog en daarnaast de pijl met de punt naar 
beneden (zie or. photo). Zijne volgelingen dragen hier lotosbloemen. 

Op N° LI zien we Kama? den Minnegod hier afgebeeld als 
Puspagara (d.i. wiens pijlen bloemen zijn). 

Zijn attributen zijn: een boog van suikerriet, waarvan het koord 
uit bijen bestaat en pijlen, die in bloemen eindigen. De God 
draagt hier boog en bloemenpijl in de linkerhand. Zijn gevolg 
bestaat uit apsarasen, wat ook geheel in overeenstemming is met de 
voorstelling in de Brahmaansche mythologie. Eene der nymfen draagt 
daar wel een banier, waarop een makara of een visch is afgebeeld. 

De voorste linkernymf ligt geknield voor een lotosplant, die op 
een voetstuk schijnt te staan en waarboven een vlam brandt. 


Op relief N° LIV is misschien Wicwakarman te zien, (dezelfde 
als de Wedische Tvastr) in zijn hoedanigheid van bouwmeester der 
Goden. 3 

Hij was niet alleen de bouwmeester der godenpaleizen, en de 
vervaardiger der uit zichzelf bewegende godenwagens maar smeedde 
behalve de wapens der Goden ook hunne gouden sieraden. De lotos- 
bloem in de hand van den God is afgebroken, maar daarboven 
zien we links van den God het beroemde vuurwapen, dat door 
hemzelf werd gesmeed. 


1 Van den naam Brahmanaspati ontdekten we in het Javaansch geen 
equivalent, ook niet van Kärttikeija, alhoewel de laatste naam nog voortleeft 
in prijaji kartikâ, naam van een bepaald soort inlandsche soldaten. 

3 Verg. Batârà Kamadjaj& (07 eax aw) of Manobawa Kw. 


3 Verg. Bagawan Manikârâ (era 47) == de goddelijke juwelier, eene 
Godheid, die in de zesde verdieping der aarde woont (G. en R.). 


CIWATEMPEL TE TJANDI PRAMBANAN ENZ. 145 


Volgens Coleman en Dowson voert hij in de rechterhand een kuods 
of boog (die hier ontbreken). Zijne vrouw was een Wanari (apin). 
Die is dus niet afgebeeld, wel waarschijnlijk zijne moeder, de 
beminnelijke Yogasiddha, die we zien in de naast hem zittende vrouw. 
Zijne helpers en leerlingen waren de drie Rbhu’s, die om hunne 
bekwaamheid als handwerkers onsterfelijkheid en goddelijke eer ver- 
worven hebben. 

Links van den God zit vooraan een hunner, wiens uiterlijk aan 
dat van een Raksasa doet denken. Evenwel, wij vonden nergens 
vermeld, dat de Rbhu’s een Räksasa-type vertoonden. Dit relief 
is zeer merkwaardig. De laatste rechtervolgeling houdt een juweel 
in de hand. Wigwakarman was ook een goudsmid. De middelste der 
Rbhu's houdt een offerbekertje in de hand. Hun proefstuk is ge- 
weest, uit één offerbeker, door hun meester gesmeed, er vier te maken. 

En nu relief N° XLVII! 

In ons systeem mag Narada de Godenbode niet ontbreken. Hij 
is beslist een van de zestien geweest. Ook in de Wajang leeft hij 
voort. Het eenige relief, waarop wij hem meenen te herkennen, 
is dit. Maar de ons toegankelijke bronnen geven helaas omtrent dien 
God weinig klaarheid. Het bij Coleman afgebeelde attribuut: de 
winä (hindoe-luit) stemt niet met dat, hetwelk hier op de bloem 
is afgebeeld. We zijn dus genoodzaakt, onze verklaring op de gis 
te geven. 

Narada dan wordt gezegd een zoon te zijn van Brahma en 
Saraswati. Hij was de bode der Goden en stond daarbij bekend als 
een wijs wetgever en astronoom, en als een uitstekend musicus. 

Hij wordt genoemd de uitvinder van de wina en behoort als 
zoodanig bij de Gandharwa’s. De laatsten zien we hier aan zijne 
rechterzijde gezeten. Zij bespelen als hemelsche muzikanten verschillende 
instrumenten. De middelste bespeelt de winä, waarvan de klankkast 
op den schouder rust. De Godheid zelf voert op de lotosbloem den 
weda, het attribuut van zijn vader Brahma. Aan zijne rechterzijde 
staat een spijsoffer: een bak met rijst, waarboven bloemen zijn 
gelegd, zooals we dat menigmaal aan Boroboedoer vinden afgebeeld. 
Het is hier geen attribuut. Het is niets dan eene aanwijzing, dat 


1 Verg. Batârâ Narâdá (samaa) of Kanekâputrâ (= zoon van Gáneca?) 


bode van Batârâ Guru. Hij wordt ook genaamd Dewaékébajan — de ordonnans 
der Goden. De génding (= gamelan-melodie): waru genjdjong of genjdjong 
dojong herinnert aan zijne derde functie (Zie G. en R.) Zijn verblijf in den 
Surálâjá heet Suduk-udal-udal. (G. en B.). 


146 DE GODENBEELDEN AAN DEN BUITENMUUR VAN DEN 


de Godheid is voorgesteld, bezig eene heilige handeling te verrichten. 
Die heilige handeling kan niet anders zijn dan de voordracht van 
het Ramayana, dat in de reliefs aan dezen tempel zulk eene voorname 
rol speelt. Uit een symbolisch voorwerp (?) in de rechterhand openbaart 
de God het gedicht aan Walmiki, die in luisterende houding aan 
zijne linkerzijde is gezeten. 

Naast Walmiki zitten twee personen, die attributen dragen, welke 
ons volkomen onverklaarbaar zijn. 


Gaan we nu de geheele reeks nog eenmaal na en plaatsen we 
daarbij achter de namen, waarvan we niet zeker zijn een ? dan zit 
dus op relief 

N° 58 en 35 Indra. 

„ 86 Brhaspati? 

» 37—88 Agni. 

» 89 Hanuman. 

» 40—41 Yama. 

» 42 Brahmanaspati? 

» 43 Nairrta? 

„ 44-—45 SüryaP 

„ 46—47 Waruna. 

„ 48 Karttikeya. 

„ 49—d0 Wayu. 

» 5l Kama. 

„ 52 Kuwera. 

» 53 Soma. 

» 54 Wicwakarman. 

» 55—56 Ciwa. 

» 57 Narada? 

We krijgen alzoo 17 Goden in plaats vau 16. Mogelijk, dat 
eene vergelijking met Britsch-Indische monumenten als den Räma- 
tempel tot een zuivere oplossing voert. Dat in dit stelsel, waarin 
een oppervorst, een huispriester, een bouwmeester en een bode 
aanwezig zijn, de poortwachters niet ontbreken mogen , spreekt 
vanzelf. ! Ze zijn aan weerszijden van de trappen in rijkversierde 
hoektempeltjes, ook op den omgang aan de binnenzijde der trap- 
leuningen in keurig bewerkte nisjes aan alle zijden afgebeeld. 

Voorts zien we aan weerszijden van de Zuider-, Wester- en Noorder- 


1 Vergelijk de wajangfiguren: Batârâ Tjingkârâbâálâ en Batärâá Bala Upata, 
die genoemd worden de poortwachters van Batârâ Guru’s paleis op den Meru. 


CIWATEMPEL TE TJANDI PRAMBANAN ENZ. 147 


trap, in rechthoekige steenblokken, in zeer laag relief knielende 
olifanten gebeiteld. Het zijn de dragers van den berg; ten getale 
van acht steunen zij den Godenberg en hunne herinnering leeft 
onder de Javanen nog voort. ! 

Bij Dowson vinden we de namen. Ze zijn, van den Oostelijken 
te beginnen: Airäwata, Pundarika, Wamana, Kumuda, Anjana, Push- 
padanta, Sarwabhauma en Supratika. Aan de Oosterpoort zijn ze hier 
blijkbaar weggevallen. Op pl. II zijn ze zeer duidelijk te onderscheiden. 

In de hoogste verdieping troont juist, zooals Coleman ons dat 
beschrijft: „the Supreme Being», in dit stelsel natuurlijk Ciwa met 
Durga en Ganeca, dien we hier ook te verwachten hebben: de 
Mahadewa der Javanen. 

Wij hebben ons den hier begraven vorst alzoo voor te stellen als 
opgenomen in den Suralaya, waar hij bewaakt en beschermd wordt 
door de hem omringende Goden. Over de rol, die Kuwera, Brhaspati 
en Hanuman in het geloof dier tijden gespeeld hebben, zal het van 
belang zijn, nadere studie te maken. De vele bronzen Kuwera's, 
die op Java gevonden zijn, wijzen erop, dat die Godheid daar eene 
voorname rol heeft gespeeld. Volgens Wilkins zijn de afbeeldingen 
in Engelsch-Indié van hem zoo schaarsch, dat hij er voor zijn werk 
geen is kunnen machtig worden. Bij Grünwedel vinden we hem enkele 
malen afgebeeld naar voorstellingen van dien God in Tibet en Japan. 

Ook onder de pijlerfiguren aan den Stüpa van Barhut bevindt 
zich eene afbeelding van Kuwera. 


NASCHRIFT. 


Na de voltooiing van dit opstel lazen we in de laatstverschenen 
aflevering der Bijdragen eene verhandeling van den heer C. M. Pleyte, 
waarin ons. de bezweringsformulieren en legenden, die betrekking 
“hebben op het winnen van den palmwijn (légén) in de Soendalanden 
worden meegedeeld. De schrijver vertelt ons, hoe de ontdekking en 


1 Het Javaansche woord gadjah (muz) en de Kawi-woorden dirada (a 
mac) en hasti (ung) die alle olifant beteekenen, zijn Sëéngkâlâ-woorden 
voor het cijfer 8. Zie ook bij G. en R. het woord kari («n-7), Van de namen 
dezer olifanten kennen de Javanen nog Erawäânâ (manman) en Puspädéntà 


(= 127 dao), Volgens G. en R. heet de eerste in het Skt: Airâwana. 


148 DE GODENBEELDEN AAN DEN BUITENMUUR VAN DEN 


bekendmaking daarvan wordt toegeschreven aau Batârâ Guru, die 
volgens die legenden in de gedaante van een rijstvogeltje den bewaker 
der rijstvelden: Sémar op het denkbeeld bracht, den bloemstengel 
van deu arènboom stuk te slaan en het sap te drinken. In de 
bezweringsformulieren, die nog steeds bij het tappen gebruikt worden, 
spreekt de tapper den boom aan als een maagd : Omas syang kantjana 
(bl. 605) (de gouden Godin Uma?); ook als Atji Omas (de heilige 
Uma?) (zie bl. I12). Uma is, als bekend, een andere naam voor 
Durga, Ciwa’s gemalin. Op bl. 607 noemt de tapper zichzelven 
Batara (= God) en spreekt den boom aan als Batari (Godin). 

Hier neemt in het bezweringsformulier de tapper blijkbaar de 
gedaante van Uma’s gemaal: Ciwa aan. In een Javaansche legende 
wordt Prabu Erjaparudra als de ontdekker van het lëgènsap genoemd. 
Rudra is alweer een andere naam voor Ciwa. Voor ons opstel het 
meest van belang is echter de overlevering, die op bl. 600 in een 
noot wordt meegedeeld, aangaande het ontstaan der lëgèn. 

Daarin wordt het rijstdiefje, dat er aanleiding toe gaf, gezegd 
af te stammen van Iwang of Hewang (hyang — God) Prit Handjolo, 
den heer van het Noordoostelijk deel der heerschappij (zie opstel). ! 
In verband met de andere aangehaalde legenden kan die heer niemand 
anders zijn dan Ciwa of Batara Guru, zooals zijn vreedzame vorm op 
Java wordt genoemd. Uit het hier door ons aangehaalde maken we op, 
dat de functie van Soma als bezielende geest van den offerdrank, 
voor de Javanen op Ciwa is overgegaan en dat het sap van de 
somaplant, die op Java niet voorkomt, daar vervangen werd door 
dat van den arénboom. 

De attributen in de handen der rechtervolgelingen op relief N° LVI: 
een bloemtros en een fleschje worden volgens deze opvatting 
verklaarbaar. 

Dat juist Ciwa de functie waarneemt, schrijven we daaraan toe, 
dat deze Oppergod der Hindoe’s in de Javaansche Mythologie zijn 
voorvorm heeft gehad, die als beschermende (Opper?) God der oude 
Javanen met den Hindoegod is samengesmolten. In zijn nog steeds 
voortleven in legenden, die op den landbouw betrekking hebben, 
zien we daarvoor het bewijs. Dat Qiwa op Java een veel vreedzamer 
karakter droeg dan in het Hindoeland, is o. 1. aan het meer vreedzaam 


1 In de Manikmâjâ worden acht door God Guru geschapen hoofdgoden 
genoemd, nl. dewâ kang mârâwolu, hetgeen volgens Rhemrev beteekent: 
„de goden, die zich verdeelden of verdeeld worden over acht windstreken.” 
Zie wolu (G. en R.) 


CIWATEMPEL TE TJANDI PRAMBANAN ENZ. 149 


karakter van dien voorvorm toe te schrijven, die, als beschermende 
geest van landbouw en windstreken, eene rol moet hebben gespeeld. 
Deze samensmelting van lokale of nationale met van buiten aan- 
gebrachte Godheden is volstrekt niets ongewoons. Bij Grünwedel 
zien we daarvan voor Tibet en Mongolië verscheidene voorbeelden. 
(bl. 178 enz.) We zullen deze samensmelting natuurlijk hoofdzakelijk 
hebben te zoeken onder de beschermende Goden van landbouw en 
windstreken. De Tibetaansche beheerschers der windstreken brengt 
Grünwedel onder de lokaalgodheden. De geboorte van nevenvormen 
is uit die samensmelting verklaarbaar. 


7° Volgr. VI. 11 


BREUKINK’S BIJDRAGEN TOT EENE GORON- 
TALO’SCHE SPRAAKKUNST BESPROKEN 


DOOR 


N. ADRIANI. 


De „Bijdragen tot eene Gorontalo'sche Spraakkunstr van den 
Controleur J. Breukink (gedrukt voor rekening van het Kon. Insti- 
tuut voor de Taal-, Land- en Volkenkunde van Ned. Indië, 1906) 
mogen begroet worden als een nuttig werk, waaruit een goed 
overzicht is te verkrijgen over de affixen waarover het Gorontaleesch 
beschikt tot het vormen van woorden uit stammen. Het is de 
oprechte begeerte om voor de Europeesche bestuurs-ambtenaren den 
weg te effenen tot het aanleeren van het Gorontaleesch, die den 
schrijver er toe gebracht heeft zijn vrijen tijd aan de taalstudie te wijden, 
daar hij heeft ingezien dat de ambtenaren in staat moeten zijn om ook 
zonder bemiddeling van tolken en hoofden aanraking met het volk 
te hebben, het eenige middel om het volk uit zijn achterlijken 
toestand ‘op te beuren. De Heer Breukink heeft hiermede niet alleen 
_ voor het volk van Gorontalo en zijne Europeesche bestuurders een 
nuttig werk verricht, maar ook de beoefenaars der Indonesische 
talen aan zich verplicht. Zijn werk is het beste wat totnogtoe over 
het Gorontaleesch is verschenen. Het boek van Joest is in geleerder 
stijl geschreven en maakt, oppervlakkig bezien, meer den indruk 
van het werk van een taalkenner, maar het is geen eerlijk boek. 
De schrijver heeft zijne lezers niet ingelicht omtrent de wijze waarop 
hij zijn werk heeft samengesteld. Hij heeft niet beleden dat hij zelf 
zeer weinig van de taal wist en het grootste deel van zijn materiaal 
heeft moeten overnemen van anderen, over wier kennis hij geen 
oordeel kon hebben. Hij heeft zich daardoor aansprakelijk gesteld 
voor een aantal beweringen, waarvan hij de verantwoordelijkheid 
niet zou kunnen dragen. 

De Heer Breukink is zoo eerlijk geweest ons een inzicht te geven 
in de wijze waarop zijn boek is ontstaan. Hij heeft den naam van 


BREUKINK’S BIJDRAGEN TOT EENE GORONTALO'SCHE SPRAAKKUNST. 15] 


den kundigen Inlander die hem heeft geholpen, dankbaar vermeld 
en zoodoende meteen verklaard hoe zijn werk is tot stand gekomen. 
Het is daardoor voor den lezer mogelijk de verdiensten van den 
Heer Breukink en die van zijn Leermeester billijk te beoordeelen. 
Hij zal nu den eerste niet aansprakelijk stellen voor de fouten die 
de laatste noodzakelijk heeft moeten maken, door den beperkten 
blik dien deze op zijne moedertaal had, maar integendeel den In- 
landschen Leermeester dankbaar zijn voor den rijkdom van het 
bijeengebrachte materiaal en den Heer Breukink voor de systematische 
rangschikking en verklaring daarvan. 

Nog ééne opmerking moet ik maken, eer ik tot de bespreking 
van de Spraakkunst zelve overga. In de laatste alinea zijner Voorrede 
zegt de Heer Breukink, dat hij aan zijne Handleiding eene vertaling 
in het Maleisch heeft toegevoegd. Mij dunkt, hij had verstandiger 
gedaan, indien hij den Hollandschen tekst als vertaling van den 
Maleischen had aangekondigd. De Maleische tekst is n.l. op vele 
plaatsen beter dan de Hollandsche, zooals ik in den loop mijner 
bespreking hier en daar zal aanwijzen. Wauneer wij den Maleischen 
tekst beschouwen als de, onder dictaat van Goeroe Doenggio, door 
den Heer Breukink gemaakte aanteekeningen, later door hem ge- 
schift en geordend, dan kunnen wij niet alleen hier en daar met 
de gegeven verklaring instemmen, maar ook eerder vrede hebben 
met de in het boek neergelegde taalbeschouwing, die bij een In- 
landschen Onderwijzer volkomen begrijpelijk is, maar die men bij 
een Europeaan niet zonder enkele aanmerkingen er door kan laten. 


Om nu tot het boek zelf te komen, in Hoofdstuk I, Spelling en 
Uitspraak, wordt de fout begaan van het schrift tot uitgangspunt 
der bespreking te nemen, zoodat de woorden worden beschouwd als 
te bestaan uit letters in plaats van uit klanken (lettergrepen). Vandaar 
mededeelingen als (bl. 5): de samenvoegingen van medeklinkers dé, 
nat, mb, ngg, kan men slechts met moeite in de uitspraak hooren. 
Hier zegt de Maleische tekst juister, dat die (twee of) drie letters 
moeten beschouwd worden als één letterteeken. De ware methode 
is intusschen deze: de voorhanden klanken beschrijven en daarbij 
mededeelen hoe die het best met ons alfabeth worden afgebeeld. 

Vergelijkt men nu Breukink’s klankleer met die van Joest, dan 
ziet de laatste er wel meer wetenschappelijk behandeld uit, maar 
tevens blijkt ~het, dat Joest de klanken der taal niet goed heeft 
gehoord en ze dus ook verkeerd heeft weergegeven. Hoewel de Heer 


152 BREUKINK S BIJDRAGEN TOT EENE GORONTALO'SCHE SPRAAKKUNST. 


Breukink een verkeerd uitgangspunt heeft gekozen, zoo heeft hij 
toch de klanken van het Gorontaleesch goed gehoord en ze in zijne 
spelling zóó afgebeeld, dat men redelijk wel kan begrijpen hoe ze 
klinken. 

Ook op bl. 6, waar gezegd wordt dat men in de Gor. spelling de 
r niet aantreft, heeft de Mal. tekst beter: in de Gor. taal komt de 
letter r in het geheel niet voor. Verder heet het, dat de r van de 
vreemde woorden als / wordt uitgesproken. Dit is volkomen juist, 
maar de volgende voorbeelden zijn niet alle overgenomen woorden. 
In de eerste plaats Hoelondtalo (Hoelondalo van den tekst is eene druk- 
fout), dat geen Gorontaleesche uitspraak is van Gorontalo, want 
het laatste is eene verhaspeling van het eerste. Doengoho (hooren), 
dat niet eens eene r vertoont, is ook bij vergissing onder die voor- 
beelden verzeild geraakt, want uit dit woord blijkt, dat de r van 
de 1¢ V. d. Tuuksche klankwet (de R-G-H-wet noemt Brandstetter 
ze, op bl. 18 van zijn Prodromus) in het Gt. overgaat in 4. Andere 
voorbeelden zijn duki, Mal. duri; tuluhu, Mal. tidur; dulahu, Loin- 
dangsch, Bobongko’sch, dolag zon, dag”. 

Op bl. 7 bovenaan had de Schr. beter gedaan de echt Goronta- 
leesche uitspraak van saja, sapi, sababoe, sangadja, enz. weer te 
geven, want als de taal de klanken s, ay, f/, niet heeft, zal de 
Gorontalees ze ook wel niet zuiver kunnen uitspreken. Bij de voor- 
beelden dtoemadt: en toeloeti heeft de Schr. dan ook de Gt. uitspraak 
opgegeven. 

Ook de voorbeelden van den op bl. 7 $4 opgegeven regel, dat 
alle lettergrepen open zijn en de taal dus vocalisch is, zijn niet 
alle geldig, daar toepa, talala, tojoengo, tala’a, timohe vreemde 
woorden zijn. 

Op bl. 8, $5 wordt medegedeeld, dat het Gt. in overgenomen 
woorden de gesloten lettergrepen opent, door den consonantischen 
sluiter met a, #, o of oe uit te spreken. Op bl. 7 is een voorbeeld 
van e in dezelfde functie gegeven, n.l. timohe, dat het Mal. tzmah is, « 
terwijl het eenige voorbeeld dat van o wordt gegeven, kondtolo 
(controleur) ongeldig is. Dit woord heeft n.l. in de Gt. uitspraak 
den oorspronkelijken eindsluiter afgeworpen, immers de lettergreep 
lo correspondeert met - leur van het Holl. woord. Het voorbeeld 
zou geldig zijn, wanneer de uitspraak luidde: kondtololo. Ook de a 
komt in het algemeen in deze functie weinig voor; vormen als 
Iboerahima en Itoematla (Ismail) kunnen Arabische accusatieven 
zijn. Blijven dus over z en oe. Omtrent het gebruik van deze twee 


BREUKINK'S BIJDRAGEN TOT EENE GORONTALO'SCHE SPRAAKKUNST. 153 


kan waarschijnlijk deze regel worden gesteld: Op grond van de 
voorbeelden op bl. 83 onderaan en bl. 84 bovenaan, waar de ge- 
sloten lettergrepen van de namen onzer maanden bijna alle met 3 
worden geopend, bv. Apoelili (April), Sepoetembeli (September), kan 
men aannemen dat in “talgemeen z de klank is waarmede een conso- 
nantische sluiter wordt hoorbaar gemaakt, gelijk dit ook in de vocalische 
talen der Tominibocht het geval is. Bij woorden met consonantische 
eindsluiters wordt daardoor eene looze eindlettergreep gevormd, die 
voor den klemtoon niet medetelt. Labialen worden gaarne met den 
labialen klinker oe uitgesproken, bv. maliamoe (kanon), van mériam 
(Mal), Adamoe (Adam); ook wanneer de te openen sluiter oe 
vóór zich heeft, wordt hij gaarne met ve geopend, bv. Mahamoedoe 
(Mahmoed), koeboeloe (Mal. koeboer , graf), toeloeloe (tjoetjoer , soort van 
gebak), boetoeloe (Mal. botol, flesch), enz. Zelfs in echt Gt. woorden, 
die den oorspr. sluiter hebben bewaard, door hem tot eene opene 
lettergreep uit te breiden, komt de oe in dit geval voor, bv. 
taloehoe (water), Bis. salog, Mal. saloer(an), Sang. saloe’; toeloehoe 
(slapen), Bis. tolog, Mal. tidoer ; doelahoe (zon, dag), Loind. dolag, 
Bobongko’sch id. 

Om nog even op de a en deo als openende klanken terug te komen, 
van de eerste wordt nog een voorbeeld gegeven in Makamoedoe. 
Hier heeft de tusschenklank zich tot a gevormd na de A en in na- 
volging van de a der eerste lettergreep. In zulke gevallen zal de 
a wel eens meer voorkomen. Van de o zijn op bl. 9 voorbeelden 
te vinden, bv. watimgo (zout), Mal. enz. asin; watopo (dak), Jav. 
atèp; toemoewoto (binnengaan), Bare'e sua. In de beide laatste ge- 
vallen is de o uit assimilatie te verklaren, in het eerste voorbeeld 
zou men 4, of om de wg, eene a, die (vooral in de eindlettergreep) 
in het Gt. gemakkelijk tot o wordt, verwacht hebben. 

De beschrijving der lange en korte klinkers in $6 op bl. 8, is 
blijkens $7 die van de uitspraak der klinkers van de geklemtoonde 
lettergreep. Tengevolge der verwarring van de begrippen lange, 
geklemtoonde en gerekte lettergreep, is ook dit gedeelte van de 
klankleer niet zeer duidelijk. 

Hoorpstux IJ. Wat de Hr. Br. van ma- zegt, toont aan dat 
het niet zoozeer een voorvoegsel is, als wel een proclitisch woordje, 
door hem terecht vertaald met vreeds, aly. Om de beteekenis zuiver 
te doen uitkomen, hadden zooveel mogelijk voorbeelden moeten 
gekozen worden, waarin geen ander voor-, of invoegsel voorkomt. 
Het eenige zoodanig voorbeeld dat de Schr. geeft is matali „reeds 


154 BREUKINK'S BIJDRAGEN TOT EENE GORONTALO’SCHE SPRAAKKUNST. 


gekocht.» De andere voorbeelden zijn alle gevormd met het infix 
-il-, dat door den Schr. terloops in eene noot op bl. 18 wordt 
vermeld, waarbij hij tevens zegt dat hij het niet afzonderlijk be- 
handelt. Welke reden kan daarvoor bestaan, waar het den Schr. 
toch duidelijk moet zijn geworden, dat dit infix in het Gt. nog 
zeer druk in gebruik is en ook dat het, evenals in de Minah. talen 
en in het Mongond., nog niet uitsluitend tot de passieve vormen 
beperkt is, maar nog de meer uitgebreide functie heeft om eene 
verleden handeling aan te duiden. De functie van -z/- is dus in de 
noot te beperkt opgegeven. De bijvoeging van 2/o- aldaar is onjuist; 
zulk een infix bestaat niet. Op bl. 82 wordt zlo- als afzonderlijk 
voorvoegsel behandeld. Daar -#/- het bekende invoegsel -zn- is, zoo 
is dit 2/o- niet anders dan de praeteritaal-vorm van het praefix o-, 
dat op bl. 24 is behandeld. Dit o- nu is het M. P. voorvoegsel 
ka- en zoo is dus zlo- id. met kima-, dat bv. in de Minah. talen 
nog in volle kracht fungeert. 

In dezelfde noot wordt ook even vluchtig over -oem- gesproken. 
Behalve de beide voorbeelden aldaar gegeven, komen nog hier en 
daar vormen met -oem- voor, bv. toemoewoto (binnengaan), doemodoepo 
(’s morgens) op bl. 9 en matiloemateo (is reeds weggeloopen) op bl. 18, 
waarin dus -2/- met -oem- te zamen staat. 

Uit de van ma- opgegeven functies in de §§ 2, 3 en 4, blijkt 
verder duidelijk dat het praedicatem vormt van naamwoorden, ma 
Limoetoe oetia, ndit is reeds L.r, mawa’u vik ben het (akoelak).n 
Door het naamwoord te maken tot een praedicaat, dus tot een zelf- 
standig onderdeel van den zin, legt men er ook vanzelf nadruk op. 
De gegeven voorbeelden maken dit voldoende duidelijk. 

II (bl. 18). mo- is het voorvoegsel dat aanduidt: de handeling 
staat aan te vangen of is aangevangen; het vormt dus eene tegen- 
stelling tot het infix -2/- en tot op zekere hoogte eveneens tot ma-. 
Dit komt duidelijk uit in de voorbeelden gegeven op bl. 19, in 
$ 2. Mo- vóór adjectief-stammen drukt niet, zooals ma-, uit dat 
de toestand dien het adjectief noemt is bereikt, van worden is ge- 
komen tot zijn, maar eenvoudig dat hij aanwezig is, zonder naar 
het worden te vragen. Zoo is het op bl. 15 § 4 genoemde voorbeeld 
mapatoe vertaald met vhet is warm geworden», terwijl mopatoe be- 
teekent „warm, warm zijnv, zonder dat er wordt gedacht aan den 
toestand die vóór dit warm zijn bestond. 

ITI (bl. 20). Dat ma? eenvoudig de aansporende partikel is, die 
in het Mal. mar: luidt, heeft de Hr. Br. reeds zelf opgemerkt. Bij 


BREUKINK S BIJDRAGEN TOT BENE GORONTALO SCHE SPRAAKKUNST. 155 


de opgegeven voorbeelden zou het beter zijn geweest, indien hij 
niet de conjuctief-vormen delowa, dtoetoewa, tapila, waupa, toeboewa, 
tijanga had opgegeven, zonder naar de behandeling van dezen vorm 
op bl. 70—72, $3 en 4 te verwijzen; het zou dan spoediger 
duidelijk zijn geworden, dat de Imperatief niet in mat zit, maar 
in de -a die achter deze w.w.-stammen is gevoegd en dat mai dus 
slechts eene aansporing is, die den Imperatief versterkt. 

III (bl. 21). po- moet worden samengenomen met mo-, waarvan 
het de nominale vorm is. Het heeft ook hier de regelmatige be- 
teekenissen van het nomen verbale, nl. Imperatief, bv. polao ga 
weg!” en Infinitief van doel, bv. podeto rom te naaieny. Wat in 
§2 wordt gezegd, valt geheel met het in §1 besprokene samen, 
want pokoenggoeli is het nomen verb. van mokoenggoeli , evenals polapoe 
van molapoe, enz. 

V (bl. 24). Het voorvoegsel o- is het M. P.4a-. Bijna in alle 
voorbeelden die de Hr. Br. geeft, wordt ook het suffix -a aan- 
getroffen, zoodat wij met de bekende vormen ka-an te doen hebben. 
Zoo staat ohama voor kahama en ota'owa voor katakoan kunnen 
gestolen worden,” katjwrian (Mal.), otzganga voor katvjangan rkunnen 
geroepen worden”, kapanggilan (Mal). 

Bl. 26, § 2. Ook het hier behandelde o-, ‘t welk beteekent 
„bezittende wat het grondwoord aanduidt, moet als een verzwakte 
vorm van ka- worden opgevat. In de meeste Indon. talen beteekent 
ka- vóór een substantief z.v.a. »mede-, -genootr, Lat. co-, bv. 
Tontemb. karo'ong rstadgenootr, karapi »metgezely, Bare’e kasi-, 
bv. Kasilipu „dorpsgenootr, kasitorano „medelid van den stam To 
Rano. Doch in het Gt. heeft oapula niet de bet. van „medehondw, 
maar van „gezel v. e. hond, een hond tot gezel hebbende, bezitter 
van een hondr, wat in het Tontemb. met maka- wordt aangeduid, 
dus makaasu, makawale (huisheer) Gt. obele (voor: kabele, Kabale). 
Zoo ook bij adjectieven (§2, bl. 28) opatu, „warmte hebbenz. 

VL. (bl. 29). De verklaring van het voorvoegsel popo- is onjuist ; 
het prefix po- gevoegd vóór een stam die met po- (N° IV, bl. 21) 
is samengesteld (d.i. vóór het nomen verbale) vormt den causatief. 
Dat dit po- id. is met dat van het n. verb. is niet waarschijnlijk , 
het als eene reduplicatie van po- te beschouwen, dus een n. verb. 
met herhaald prefix te zien in de met popo- gevormde stammen, 
met de bet. van een versterkten Imperatief, is geheel bezijden de 
waarheid. Uit de vertaling der voorbeelden blijkt trouwens duidelijk, 
dat men hier met den causatieven vorm te maken heeft, bv. popo- 


156 BREUKINK’S BIJDRAGEN TOT EENE GORONTALO SCHE SPRAAKKUNST. 


tetea viaat draveny, popodengeta vlaat bijteny, popotoewota vlaat 
binnengaany. De a- achter deze vormen is blijkbaar die van den 
Conjunctief (bl. 70, vigg.). In §2 (bl. 30) wordt, althans in den 
Mal. tekst, ook duidelijk gezegd dat gpopo- causalen vormt van 
adjectief-stammen en de voorbeelden bevestigen dit. 

VII (bl. 82). Zw- is, gelijk reeds boven is gezegd, het praeteritum van 
o- en staat dus gelijk met M. P. kina-. Men is dus geneigd om 
aan de daarmede samengestelde vormen de bet. „heeft kunnen — 
worden” toe te kennen. Volgens den Hr. Br. geeft het de bet. van 
verl. deelwoord aan de stammen waarvóór het is gehecht. In teder 
geval is de bet. perfectief; dit komt ook uit in de voorbeelden van 
$2, in welke het de bet. heeft: verkregen hebben, zooals ook in 
den Mal. tekst wordt gezegd; de Hollandsche is minder nauwkeurig. 
Ilobele is dus het perf. van obele veen huis bezitteny (bl. 26, $ 2), 
en te vertalen met reen huis verkregen hebbender. Zéér duidelijk 
is ook de bet. van dlo- vóór adjectief-stammen die eene kleur aan- 
duiden, bv. slolalahe win de gele kleur, in de curcuma gezet, eene 
gele kleur hebben kunnen verkrijgen. 

VIII (bl. 35). De functie van het voorvoegsel lo- is in den Mal. 
tekst juister omschreven dan in den Hollandschen, lotali, lopatali, 
lopo'ahu, lomate, enz. zijn in de gegeven voorbeelden niet te vertalen 
met: kocht, verkocht, gelastte, doodde, enz., maar met: heeft ge- 
kocht, verkocht, gelast, gedood, enz. De vormen met lo- zijn de 
perfectieven van die met mo- (II, bl. 18). Zij zijn nl. afgeknot uit 
vormen met milo, d.i. mo- met ingevoegd -2/-, op dezelfde wijze 
dus als in het Sang. xangala’ is ontstaan uit mznangala’ en in 
het Parigisch nanggoni uit minanggoni, resp. perfectieve vormen van 
mangala’ en manggoni. Zoo staat dus ook in het Gt. lotali voor 
milotali, lolihu voor miloliku, lolao voor milolao, resp. perfectieve vormen 
van motali, molihu, molao. En zoo is het ook bij de in § 2 op bl. 37 
genoemde voorbeelden, logulu staat voor mslogulu, lomengi voor 
milomengi, lohuni voor milohuni, resp. perf. van mogulu, momengi, 
mokunt. 

Van geheel anderen aard is het in §8 (bl. 88) genoemde lo, 
dat niet op deze plaats had behooren behandeld te worden. Het is 
m.i. niet anders dan een lidwoord en wel de korte vorm van het 
bekende azu, die bv. in het Bare’e „u luidt en dient als tusschen- 
zetsel, om twee woorden die elkaar in den genitief regeeren van 
elkaar te scheiden; het behoort dan als lidwoord bij het geregeerde 
woord. Waar het tusschen een werkwoordsvorm en den agens staat 


BREUKINE’S BIJDRAGEN TOT EENE GORONTALO'SCHE SPRAAKKUNST. 157 


heeft het (althans voor ons taalgevoel) de waarde van een agens- 
aanduider (zooals ons voorzetsel „doorr) gekregen en in die functie 
treedt ook hier het Gt. lo op, dus lo pito, Bar. zu labu „met 
een mes» of eigenlijk: veen mes (nadrukkelijk) is het»; lo tumala, 
Bar. mu penas „met een zwaards, enz. 

De plaats waar dit lo had moeten behandeld worden, is bl. 80, 
waar U en daz zijn besproken. In het Gt. staan deze vormen voor 
mt en naz en zijn de genitieven van ¢ en ¢az, die weder voor s2 
en «as staan, het eerste lidwoord vóór vrouwennamen en titels, 
het tweede vóór mannennamen. Het wordt door den Hr. Br. terecht 
met „doorz vertaald. De vormen Jaz, ii en lo komen alle drie nog 
eens terug op bl. 81, waar voor „metr wordt opgegeven: wolai, 
woli, wolo. De bet. »met» zit in wo, lai, li en lo zijn lidwoorden. 
Voorbeelden zijn alleen van woli gegeven, dat zoowel bij persoons- 
namen als bij dier-, en zaaknamen is gebruikt, terwijl men uit het 
bl. 80 en 85 (M) gezegde zou opmaken dat in het eerste voorbeeld 
wolat en in de beide laatste wolo had moeten gezegd worden. 

IX (bl. 40). Zol- is, blijkens vorm en beteekenis, een herhaald 
voorvoegsel. Het moet dus zijn ontstaan toen de vorm milo- reeds 
was afgeknot tot lW- en dit als een voorvoegsel werd beschouwd. 
Herhaling van het voorvoegsel is ontstaan uit stamreduplicatie, die 
weder is ontstaan uit stamherhaling. ‘Bij al deze drie vormen is de 
beteekenis die van herhaling der handeling. Zoo is bv. in den Bar. 
vorm da kupepewoloka vik zal er over nadenkenr (van den stam 
wolo) het voorvoegsel pe- herhaald, omdat de handeling nadenken» 
herhaling en langdurigheid in zich draagt. Theoretisch zou daarmede 
gelijk staan: da kupewolo-woloka, of: da kupewowoloka, maar deze 
vormen zijn niet in gebruik. 

De Hr. Br. geeft de stammen waarvóór dit lolo- is gevoegd, op 
in den vorm met de achtervoegsels -a en -e, waardoor het niet in 
de aandacht valt, dat de stammen, die Zolo- voorgevoegd hebben, 
ook steeds het suffix -a aanvoegen. 

De beteekenis der vormen met lolo- moet oorspr. eene praeteritale 
zijn. Ook in de voorbeelden die door den Hr. Br. niet in praeteri- 
talen zin zijn opgevat, is toch duidelijk dat de spreker het oog 
heeft op de talrijke gevallen waarin de handeling te voren is ge- 
pleegd. In den zin bv. die is vertaald „waarom lacht ge altijd in 
het bijzijn van de menschen?» heeft de spreker het oog op de 
talrijke gevallen waarin de aangesprokene in tegenwoordigheid van 
anderen heeft gelachen. 


158 BREUKINK’S BIJDRAGEN TOT EENE GORONTALO SCHE SPRAAKKUNST, 


X (bl. 42). 2go-. Dit voorvoegsel kan worden beschouwd als een 
sterke vorm van ka-, dat thaus in het Gt. den vorm o- heeft (zie 
boven), maar in een vroeger stadium der taal, toen zij de # nog 
niet had verloren, Ao- moet hebben geklonken. MNgo- heeft de functie 
om het woord waarvoor het is gevoegd tot een maatwoord te maken, 
zooals xga- in het Tontemb., 4a- in het Sang., Tag., en andere 
talen het doen. Zoo beteekent dus xgopotali néén koopsel, ééne 
kooping, één keer koopen» , ngopotoeboe néén kooksel , éénmaal kokenr, 
ngopolihoe néénmaal baden, één bad”, ngowadala néén paardenvrachtr, 
ngoboelotoe néén schuit volw, ngotanggalo neen geheele breedte, ééne 
breedtezijde, zoo breed als”, ngolihoe „één duizendtal, ngomalionoe 
„één milltoentalr. 

Thans volgen de samengestelde voorvoegsels, welker beteekenis 
uit de samenstellende deelen kan worden opgemaakt. Evenals vóór 
de stammen met het infix -2/-, waarvan op bl. 12 en 18 een aantal 
voorbeelden zijn gegeven, wordt ook vóór de stammen met het 
voorvoegsel mo- proclitisch ma- gevoegd, hetwelk aan de beteekenis 
van mo- die van ma- toevoegt, zooals de voorbeelden op bl. 46, 
§1 en 2 duidelijk aanwijzen. 

Mamai- bestaat uit ma- (bl. 12) en mai- (bl. 20). Ook van dit 
samengestelde voorvoegsel is de beteekenis gelijk aan die van de 
som der samenstellende deelen, gelijk de omschrijving en de ver- 
taling der voorbeelden aantoonen. 

Ook bij mapo- (bl. 47) is dit het geval; mapotoeboe beteekent 
woordelijk : „wordt (is geworden) iets om mee te kokenr. Bij malo- 
staat ma- min of meer pleonatisch, daar Jo- reeds het perfectief 
aangeeft. De Hr. Br. verzuimt ook hier te wijzen op het infix -4/- 
in de voorbeelden. De vorm malotilapi al reeds verbannen geworden» 
heeft, behalve de voorvoegsels ma- en lo-, ook nog het invoegsel 
-il-. Het is dus waarschijnlijk dat vormen als deze eerst zijn ont- 
staan, toen m-zl-o- reeds tot lo- was afgeknot, daar men niet kan 
aannemen dat er vóór een vorm als melotilapi: nog eens ma- zou 
zijn gehecht; in zulk een geval zou zeker geen uitwerping van mz 
hebben plaats gehad. 

Belangrijk is ook het voorvoegsel ma’o (bl. 50, N° 15), dat niet 
anders kan zijn dan het M.P. maka; van de & is in de uitspraak 
nog een spoor overgebleven. Terecht rekent de Schr. ma'o onder 
de samengestelde prefixen, daar het uit ma en o bestaat. De po- 
tentieele beteekenis ($ 1) en de possessieve ($8) zijn bv. uit de 
Minahassische talen wel bekend. Wat de jussieve beteekenis van 


BREUKINK'S BIJDRAGEN TOT EENE GORONTALO SCHE SPRAAKKUNST. 159 


$2 betreft, ik verklaar die niet recht te begrijpen. De Hr. Br. 
vermeldt ook dat ma’o- in dit geval korter wordt uitgesproken ; 
wellieht hebben wij hier met een ander voorvoegsel te doen. 

N° 16, mapopo (bl. 51) is niet juist verklaard, daar de Schr. 
begrijpelijkerwijze aan zijne opvatting van gopo- (bl. 29) was 
gebonden. De achtervoegsels, die de vormen met mapopo- steeds 
aanhechten, zijn de pronomina suffixa. De vormen met mapopo- 
samengesteld zijn causale vormen, zooals ook uit de vertaling der 
voorbeelden genoegzaam blijkt, waarbij men zich moet te binnen 
brengen, dat het woord voor „verkoopenr (potali) een causatief is 
van het woord voor ~koopen” (tal). 

Mailo- (N° 17, bl. 51) en mango- (N° 18, bl. 52) zijn duidelijk 
genoeg, daar zij uit ma- en zlo- (= M. P. Kia) en ngo- zijn 
samengesteld. In het algemeen hadden de met ma- samengestelde 
voorvoegsels, nadat ma- reeds vooraf was behandeld, beter kunnen 
behandeld worden met elk dier voorvoegsels te zamen, daar dit 
voor het spoedig verstaan der beteekenis gemakkelijker is. 

Groep II (bl. 52) bevat de met mo- samengestelde voorvoegsels, 
waarvan mopo- de verbale vorm is van het bl. 29 behandelde popo-. 
Dit mopo- is dus de aorist-vorm van het causatief, zooals mo’o- (N° 20, 
bl. 58) het is van de potentieele en possessieve vormen met o- 
(= M. P. ka), tegenover de perfectieve met ma'o. Ook mololo- 
staat op dezelfde wijze naast lolo- (IX, bl. 40). . 

Mongo- (N° 22, bl. 54) is zonder twijfel, naar het voorbeeld 
van den Hr. Br., op te vatten als samengesteld uit mo- en #go- 
(X, bl. 42). Evenals manga in het Sang., Tontemb. en andere talen, 
duidt mongo- een meervoud aan, of juister gezegd : eene verzameling 
of eenheid van gelijke deelen. MNgo- (voor xga-) is de sterke vorm van 
o- (vroeger ko-, = M. P. ka-), dat hier in zijne functie van een- 
heidsaanduider optreedt. De met mongo- samengestelde woorden zijn 
dan ook het best in 't Ned. weer te geven door samenstellingen 
met -heid en -schap, bv. mongobohoelotawoe nde jongelingschapr. 
Het zijn dan ook alleen de woorden die eene bepaalde categorie of 
zekeren stand van personen aanduiden, die met mongo- worden 
samengesteld ; een algemeene meervoudsaanduider is het niet. 

III (N° 28—27). Het op bl. 20 vlgg. behandelde maz- wordt 
gevoegd vóór de vormen samengesteld met de voorvoegsels mo-, po-, 
o-, lo- en lolo- (bl. 55—57), met geen andere beteekenis dan die 
van aansporing „kom doen wat het w.w. aanduidt, of van aan- 
wijzing dat het onderwerp komt doen of gaat doen de door het w.w. 


160 BREUKINK Ss BIJDRAGEN TOT EENE GORONTALO SCHE SPRAAKKUNST. 


genoemde handeling. Opmerkelijk is de accidenteele beteekenis die 
mai- in sommige dezer vormen heeft, geheel overeenkomende met 
die waarin ook wij rkomenr gebruiken. Zoo heeft het samengestelde 
praefix mazo-, behalve de bet. van de vormen met o- samengesteld 
(bl. 24), ook nog die van ~komen tev en maakt op die wijze den 
vorm accidenteel. Zoo beteekent dus mazoboelota »komen te kunnen 
geleend worden”, mazotalia komen te kunnen gekocht worden, 
enz. geheel overeenkomende in formatie met aitjatëlès, voor nimai- 
katétés, in het Tontemb. De perfecta der maimo- vormen worden 
gemaakt met mazlo- (voor maz milo), wat geheel regelmatig is. 
Maio- vóór substantieven is de accidenteele vorm van de met o- 
samengestelde stammen, die de bet. hebben van vbezitter van” 
(bl. 26, $2), bv. mai obele neen huis komen te bezitten. 
Mailolo-, de accidenteele vorm der samenstellingen met Jolo-, 
beteekent diensvolgens vreeds dikwijls zijn komen te doen wat de 
w.w. vorm aanduidtr. Zie de voorbeelden op bl. 57, onder N° 27. 
IV, N° 28 (bl. 58) behandelt het voorvoegsel lo'o-, samengesteld 
uit Jo- en o-, dus den verleden tijd van o- aanduidende. Neemt 
men aan dat lo- uit melo- is afgeknot en v- uit Ko-, dan kan men 
lo'o- herstellen tot mzloko, praeteritum van moko- (= M. P. maka), 
dus M. P. miraka, en dan kan de bet. geene andere zijn dan die 
van vheeft kunnen (kon) doen wat het grondwoord aanduidtr, dus 
lo'otali vheeft kunnen koopeny, lo'olihoe vheeft kunnen baden», 
lo’olalahoe nheeft kunnen geel verven”, lo'obele vheeft een huis 
kunnen bouwenr, lo'owadala vheelt een paard kunnen houdenr. 
Daar echter , volgens § 8, lo'ooeda'a beteekent „groot doen worden”, 
moet ter verklaring worden verwezen naar bl. 53, N° 20, waar mo’o is 
behandeld. In §2 staan de samenstellingen van mo’o met adjectief 
stammen opgegeven, deze hebben de bet. „kunnen brengen in den 
toestand dien het adjectief zegtr. Zoo is dus lo'ohata te vertalen 
met „heeft mager kunnen makenr, naar mo’ohata „mager maken. 
Van het prefix lololw- (N° 28, bl. 59) valt alleen te zeggen, 
dat het een versterkte vorm is van het boven besproken lolo-. 
Volgt de V° groep, die de samenstellingen van een aantal reeds 
samengestelde voorvoegsels met het prefix ma- bevat. De beteeke- 
nissen dezer samenstellingen zijn gemakkelijk af te leiden uit die 
der samenstellende deelen. Ma- voegt aan de reeds samengestelde 
voorvoegsels de beteekenis val, reeds, geworden tot” toe. Wat 
betreft de omschrijving van de beteekenis der voorvoegsels die in 
deze groep zijn vereenigd, daarbij zouden dezelfde opmerkingen 


BREUKINK'S BIJDRAGEN TOT EENE GORONTALO'SCHE SPRAAKKUNST. 161] 


kunnen gemaakt worden als reeds boven zijn neergeschreven bij 
de behandeling dezer voorvoegsels zonder ma-. Zoo is bv. bij N° 81 
(bl. 59) mamaimopo- en bl. 62, N° 35 mamaipopo- bij de omschrij- 
ving der beteekenis niet gezegd, dat die causaal is, evenmin als 
dit bij mopo- en popo- is opgemerkt. Het komt mij onnoodig voor 
die reeds boven gemaakte aanteekeningen te herhalen. 

Thans komen wij tot ta- (bl. 64) en oe- (bl. 65), N° 38 en 89. 
De Hr. Br. verklaart ¢a- te zijn eene afleiding van tawoe „mensch. 
Het is zeer wel mogelijk dat ta- eqne afkorting is van het bekende 
tau, to, toe, doch de wijze waarop in een groot aantal talen van 
Celebes het woord voor „menschr en dit prefix naast elkaar staan, 
doet vermoeden dat tau, enz. ook oorspronkelijk een aanwijzend of 
betrekkelijk voornaamwoord was en eerst later in versterkten vorm 
(wellicht door samenstelling met u —=axu, dus toen het de bet. 
„hij die, zij die, dat wat had gekregen) ook in de beteekenis 
mmenschy in gebruik is gekomen. Het zou eene lange uitweiding 
vorderen dit nader toe te lichten; ik hoop elders gelegenheid te 
hebben nog op deze zaak terug te komen. 

Wat oe- betreft, dit is zeer duidelijk een betrekkelijk voornaam- 
woord en wel een korte vorm van het bekende axu. De Hr. Br. 
vertaalt dan ook oeveda’a terecht met ~jang bésar, de grootste (de 
groote).. Dit oeda’a en het volgende oekiki (oelikt 1s een drukfout) 
bevatten reeds het hier besprokene oe en kunnen dus tweemaal oe 
vóór den stam krijgen. Ook aan de woorden oetelo, oebilango, 
oebangge en oelat heeft oe zich als een vast bestanddeel gehecht. 

De achtervoegsels, door den Schr. in de rubriek D (bl. 66—77) 
behandeld, zijn in de eerste plaats de pron. pers. suffixa, die zoowel 
als bezittelijk voorn.w. als in de functie van agensaanduider bij de 
passieve vormen optreden. De pron. suff. zijn : 

1¢ pers. e.v. oe (N° 1, bl. 66), mvd. xdfo incl. (bl. 76, N° 10, 
bl. 79, B), lams, of lami watia, excl. 

2° pers. e.v. moe (N° 2, bl. 69), mvd. Limongoli (bl. 79, B), 
ndto (ibid). 

3° pers. e.v. Zo (bl. 79, B), mvd. lémongolio (ibid). 

Deze vormen moeten vergeleken worden met de volledige vormen 
der pron. pers. 

1° pers. oe is afkomstig van waoe, de Gt. vorm van M. P. akoe. 
Gelijk ook in andere M. P. talen, wordt dit woord gebruikt, als 
men tot gelijken of tot minderen spreekt. Nederiger is watza, ver- 
korting van watotia, samengesteld uit wato (slaaf) en tia (deze), 


162 BREUKINK'S BIJDRAGEN TOT EENE GORONTALO’SCHE SPRA AKKUNST. 


gewoonlijk oetia vjang ini, den dezer; watia is dus = Mal. Aamba 
wt. Nog nederiger is watia watandto, woordel. vik uw slaafr. 

2° pers. -moe, het bekende pron. suff. dat in zoovele M. P. talen 
staat naast het pron. pers. 2° pers. e.v., in het Gt. zo (of yzo, Azo, 
dit hangt van den eindklinker van het woord af), staande voor zho, 
waarvan de volledige vorm zou zijn sz kau. Een beleefde vorm is 
dto, zie bij den 1° pers. mv. 

3° pers. -lio, de regelmatige Gt. vorm van ia, genitief van sia, 
en o.a. nog in het Mong. in gebruik, doch in de meeste talen tot 
-nja of -na geworden. Het pron. pers. is tio, d.i. sia. 

De meervoudsvormen van den 1® pers. zijn „dto (incl.) en lam? 
(excl.). Het laatste is samengetrokken uit lo ami, genitief van amz, 
de regelmatige Gt. vorm van het M. P. kami. Dit lo, een korte 
vorm van anu, het bekende M.P. onbep. voornaamwoord, is het 
gewone lidwoord van een woord dat in den genitief staat en kan 
dus het genitief-aanduidend tusschenzetsel heeten. In zijne functie 
van agens-aanduider is het reeds boven besproken. Eenige voor- 
beelden van genitieven zijn: boengo lo ajoe nboomstamw, tiomboe lo 
oloe'oe „grootmoeder der hand (duim)r, tango lo pale vrijsthalmr, 
pant lo woelawa vgoudsmidy, ngango lo doeholo »mond van de borst» 
(maag), mato lo doelahoe nzonneschijfw, pahoe lo beleoe nde zolder 
van mijn huisr, Aoengo lo afoe nboomvruchtr, lipoe lo Hoelondtalo 
nde stad Gorontaloy, oelea lo wadala rpaarderug”, botoe lo limo 
„citroen pit”. 

De genitief-aanduider van woorden die het lidwoord 4 hebben, 
is li (dus: sz, gen. wz, zooals bv. ook in het Tomboeloe’-sch); de 
woorden die het lidwoord ¢az hebben, gebruiken als genitief-aanduider 
lai (sai, bijvorm van sz, in sommige talen is saz, sez het vragend 
voorn.w. voor personen; geu. az). Zie bl. 80 en 85. 

Het pers. v.n.w., 1° pers. mvd. incl. is dto, de regelmatige Gt. 
vorm van het M. P. kita. Dit dient ook als beleefd v.n.w. van 
den 24" pers., daar men van de: beide partijen die in zo besloten 
zijn (gij en ik, gij en wij) de beteekenis geheel naar den 24° pers. 
overbrengt en er een beleefd v.n.w. van den 2% pers. van maakt. 
Dit is ook het geval met xdto, dat de Hr. Br. op bl. 76, N° 10 
behandelt. Dit suffix bestaat uit to (M. P. ta), de kortere vorm van 
ito (kita) en den tusschenklank », het genitief-aanduidend lidwoord. 
De Gt. uitspraak van dit -xto is door den Schr. met xdto afgebeeld, 
dat beter dan xto of „do de uitspraak aanduidt. Zoo is dus wada- 
landto vons (uw en mijn) paard», en ook ruw paards, (dat ik uit 


BREUKINK S BIJDRAGEN TOT EENE GORONTALO SCHE SPRAAKKUNST. 163 


eerbied zoo hoog stel, alsof het ook het mijne ware), apoelandto 
nonze honds en „uw hond. | / 

De Hr. Br. geeft op bl. 77 nog op als hoog v.n.w. l° pers. (tot 
minderen gebruikt), ndtogja, ‘t welk niet anders is dan de genitief 
van toga, Gt. uitspraak van het Mal. twan. Ook het voorn.w. 
2° pers. kan beleefdheidshalve worden vervangeu door itoeja »Mijn- 
heers. Op bl. 77 worden de voorbeelden gegeven ¢2jamandtoga , 
tilandtoeja, tijalaondtoga, vertaald met: bapa, mama, anak toean 
hamba, Mijnheers (uw, er staat abusievelijk: mijn) vader, moeder, 
kind. | 

Het mvd. van het pron. suff. 2° pers. (2 mongoli is de regelmatige 
genitief van het zelfst. voorn.w. 2° p. mvd. #2 mongoli. Het bestand- 
deel ¢ is het lidw. st, terwijl mongoli is te vergelijken met het 
Ternat. zgonz, het Mongond. moikou en te beschouwen als een 
meervoudsvorm van 22, vgl. het boven over mongo- gezegde. Mongoli 
is dus te ontleden in mo-ngo-li (= xt), waarin nz de eigenlijke pro- 
nominale stam is, te vergelijken met mz, miu, de stam van het 
pron. suff. 2° pers. mvd. in de Toradja’sche talen, en -miow, -mio 
in de Minahassische talen. | 

Het pron. 8° pers. mvd. is ¢ mongolio, dat van zijn Goronta- 
leesch uiterlijk ontdaan, den vorm krijgt st manganja „de gezamenlijk- 
heid van hen, het geheel van hens, zooals ¢2 mongoli (st mangant) 
is weer te geren met vulieder geheel, uwe gezamenlijkheidy. De 
genitief van ¢ mongolo nl. lt mongolio, dient als pron. possess. - 
3° p. mvd. 

Hiermede zijn de persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden 
besproken en komen wij tot een merkwaardig achtervoegsel, door 
den Hr. Br. op bl, 72 in de N°* 3 en 4 behandeld. Op bl. 20 is 
reeds van dit achtervoegsel gewag gemaakt, daar het in de daar 
gegeven voorbeelden voorkomt. Dit achtervoegsel is nl. het uit 
het Oud-Jav. en Bis. bekende conjunctief-suffix -a. *) Dat zich tusschen 
eene eind- e of -# en dit achtervoegsel eene 7 ontwikkelt en na a, 
o eu oe eene w, spreekt vanzelf. N° 3 en 4 behooren dus bijeen- 
genomen te worden. De beteekenis is door de omschrijving van den 
Hr. Br. en de door hem gegeven voorbeelden duidelijk genoeg. 

N° 5 (bl. 72) is deenclitica -lo, naar vorm en beteekenis iden- 


*) De Heer A. Lett, Zendeling-leeraar van het Rhijnsche Zendinggenoot- 
schap, deelde mij onlangs mede, dat ook de taal van het eiland Enggano 
dit conjunctief-suffix-a kent, bv. oboea „werk toch!” van den stam oboe (werken). 


164 BREUKINK'S BIJDRAGEN TOT EENE GORONTALO’SCHE SPRAAKKUNST. 


tisch met het Mal. -/ak. Ook dit is in de vertaling van den Hr. Br. 
duidelijk gemaakt. 

N° 6 (bl. 72), po, is eveneens meer eene enclitica dan een achter- 
voegsel. Het heeft in 't algemeen de beteekenis rsnogr, bv. dipo, 
Bur. bepa Tont. ra’ipe’, Mal. bélumpat, rnog niet”. In de voor- 
beelden op bl. 78 is po vertaald met veerst ‘nog». Op bl. 74 en 
75 wordt in N° 2 door de voorbeelden aangetoond, dat po aan het 
naamwoordelijk deel van het gezegde wordt gehecht, wanneer dit 
den nadruk verlangt. Het betr. voorn.w. oe wordt dan proclitisch 
vóór het w.w. deel van het gezegde gevoegd en lo enclitisch er achter, 
bv. palepo oe talyjolo nrijst eerst nog is het die gekocht worde.» 

Thans komen nog drie richtingswoorden, die eveneens enclitisch 
achter de werkwoordsvormen worden gevoegd. Het zijn ma’o dat 
eene richting van den spreker af, maji dat eene richting naar hem heen 
en mota, dat eene richting van spreker en aangesprokene verwijderd 
aanduidt. Van deze woorden is maji duidelijk genoeg, mako is in 
het Tontemb. een richtingaanduider voor het Westen, de streek die 
de wijde verte aanduidt, omdat daar de zon verdwijnt. Van mota 
ken ik geen equivalent. 

Hoofdstuk IIL (bl. 78 en 79) behandelt de telwoorden. Hierbij 
valt in de eerste plaats op te merken, dat de hoofdtelwoorden 1—10 
een geredupliceerden en eeu niet geredupliceerden vorm hebben. 
Ojindta moet worden opgevat als een geredupliceerde vorm van 
tsa, doeloewo van doewo, totoloe van toloe. De overige vormen hebben 
o- voorgevoegd en daarnevens ongeredupliceerde vormen, zoodat de 
meening voor de hand ligt, dat de eerste letter is afgevallen. Zoo 
zou dan olimo staan voor lolimo, opitoe voor popitoe. Ook is het 
mogelijk dat vormen als opato, olomo, owalo zijn nagevolgd, iets 
wat gemakkelijk kan plaats hebben bij de telwoorden, die dikwijls 
achter elkaar worden opgenoemd, waarbij dan allicht een streven 
ontstaat om ze aan elkaar gelijk te maken in aanvangssyllabe en 
aantal lettergrepen. Op deze wijze zou dan ook opoeloe naast mo- 
poeloe zijn te verklaren. 

toewawoe néénr moet wel met een numeratief zijn samengesteld, 
doch ik kan niet zeggen met welk. 

De 10-tallen 20—90 hebben J tusschen de benaming van het 
aautal tieutallen en het tiental. Doelopoeloe vtwintigy staat voor 
doeolopoeloe , towoelopoeloe ndertig” voor toloelopoeloe. Bij wopatopoeloe 
(40) en wolomopoeloe (60) is geen tusschenzetsel lo ingevoegd, waar- 
schijnlijk om het aantal lettergrepen niet uit te breiden boven de 


BREUKINK'S BIJDRAGEN TOT EENE GORONTALO SCHE SPRAAKKUNST. 165 _ 


5, terwijl daarenboven na to en mo de lettergreep lo zich niet 
handhaaft. 

Mohetoeto (100) is te vergelijken met Tontemb. maatoes, daar het 
met mo- is gevormd. Van af liAoe (voor riwoe) hechten de duizend- 
tallen het reeds boven besprokene #go- aan; lakita is overgenomen 
van het Mal. laksa. 

De breuken zijn omschreven met tajadoe vdeelv. Ngopalapa is 
overgenomen uit ‘t Mal. pérampat. De distributiva zijn gevormd 
met po- bv. pooloewo, woordelijk wrom twee te maken. Het woord 
voor veenmaalr, gpe'endta is van denzelfden stam isa als waarvan 
ojindta néénn is afgeleid. 

De ranggetallen zijn gevormd met het betr. v.n.w. oe, het prefix 
o- en het suffix -lio, dus oeoloewolio njang kadoeanja, de tweeder. 

Van de vragende en aanw. voorn.w. onder C en |) op bl. 79 
bevat tita „wie?r het lidw. ¢ (= sz), terwijl ta (= sa) een algemeen 
vraagwoord is. Fonoe is waarschijnlijk samengesteld met het be- 
kende anoe., | 

De aanwijzende v.n.w. oetija en oejito bevatten het betr. v.n.w. 
oe; tia is id. met het pers. v.n.w. 8¢ pers. enk. tja (= sia); een 
andere vorm is feja vhiery. Van oejito is de stam zlo, het Mal. enz. 
doe, terwijl feta tot dit zfo staatals Jav. ska tot zkoe. De a-klank 
in de laatste lettergreep wijst een grooteren afstand aan dan de oe, 
waarschijnlijk omdat bij het uitspreken der a de lippen verder 
worden uitgestoken en dus een grooteren afstand aanwijzen dan bij oe, 

Ik zal hier mijne bespreking van den taalarbeid van den Heer 
Breukink eindigen, die ik alleen heb ondernomen uit belangstelling 
in zijn leerzaam boek en uit lust om eens te laten zien welk een 
bruikbaar werk de Schrijver ons heeft geleverd. 


Den Haag, April 1907. 


7° Volgr. VI. 12 


AUSTRONESISCH EN AUSTROASIATISCH. 


DOOR 


H. KERN. 


Aan de vergelijkeude taalwetenschap, die in den loop der 19° eeuw 
zich voortdurend in breedte en diepte ontwikkeld heeft, is het te 
danken dat wij nauwkeurig de grenzen kunnen bepalen van een 
aantal grootere en kleinere taalfamiliën, en dat de verwantschap die 
tusschen de leden van elke taalfamilie bestaat volgens vaste regelen 
aangetoond en bewezen wordt. Elke familie heeft hoofdkenmerken 
die aan al haar leden gemeen zijn, en onderscheidt zich, in haar 
geheel beschouwd, kennelijk van andere familiën. Niettemin komt 
het voor, dat men enkele punten van overeenkomst ontdekt die niet 
uit ontleening kunnen verklaard worden. Zijn die punten van over- 
eenkomst dan slechts schijnbaar, toevallig? of zouden twee familiën , 
hoezeer thans en reeds vóór veel eeuwen duidelijk onderscheiden, 
soms tot een hoogere eenheid kunnen herleid worden? De antwoorden 
hierop zijn niet eensluidend. Het heeft niet ontbroken aan pogingen 
om aan te toonen dat er wel degelijk verwantschap, al is het dan 
ook in verderen graad, tusschen sommige verschillende taalfamilién 
bestaat. Een Italiaansch geleerde, Trombetti, heeft zelfs beproefd 
de gemeenschappelijke afkomst van alle talen aan te toonen. Zulk 
een onderneming is ontijdig en moest daarom reeds onvermijdelijk 
mislukken. Men bedenke wel, dat de oudste vorm waartoe wij de 
talen van elke familie kunnen herleiden, wel is waar niet met vol- 
komen nauwkeurigheid in allen deele, maar toch met een voldoenden 
graad van juistheid, volstrekt niet is wat de Duitschers noemen 
een „Urspracher — een term dien men liever geheel moest ver- 
bannen — maar wel beschouwd een tamelijk „moderner taal: dat 
wil zeggen, een taal welke eeuwen en eeuwen van ontwikkeling 
had doorgemaakt voordat ze het standpunt had bereikt dat voor 
onzen blik *t oudste, maar op zich zelf laat, jong is. Zou iemand 
nu willen beproeven een paar verschillende taalfamiliën, bijv. de 
Indogermaansche en de Ural-altaïsche, tot een gemeenschappelijken 


AUSTRONESISCH EN AUSTROASIATISCH. 167 


oorsprong terug te brengen, dan moet hij trachten de eigenaardig- 
heden die zich in verloop van tijd in elk der twee vergeleken 
familién ontwikkeld hebben of kunnen ontwikkeld hebben, van de 
bestanddeelen en vormen welke van den beginne af aan elk der twee 
eigen moeten geweest zijn, te scheiden. Vooralsnog is zulks in veel 
gevallen onmogelijk; zóóver is de wetenschap nog niet gevorderd. 
Maar aan den anderen kant is het niet te ontkennen dat er soms 
tusschen twee familiën zóóveel en zóó treffende punten van overeen- 
komst zijn, dat men onmogelijk aan toeval of ontleening kan denken. 
Zulk een geval doet zich voor bij de Chamitische taalfamilie, waartoe 
o.a. ‘t Egyptisch behoort, en de Semitische. Dat deze twee taal- 
stammen onderling verwant zijn, en niet eens in vèr verwijderden 
graad, is onwedersprekelijk. 

Een hoogst belangrijke ontdekking — als zoodanig mag men het 
bestempelen — betreft de verwantschap tusschen een ander stel van 
taalfamiliën, namelijk de Maleisch-Polynesische en de Mon-Khmertalen, 
bij welke laatste zich aansluiten nog eenige andere talen in Achter- 
en Voor-indië. Aan ‘t betoog van den samenhang van deze twee 
familiën is gewijd een onlangs verschenen werk getiteld »Die Mon- 
Khmer-Völker ein Bindeglied zwischen Völkern Zentralasiens und 
Austronesiens” ! door Pater W. Schmidt, wiens verhandeling over 
„Die Sprachen der Sakei und Semang auf Malakka und ihr Ver- 
hältniss zu den Mon-Khmer-Sprachen” in der tijd, zooals men zich 
herinneren zal, verschenen is in deze Bijdragen 6° Volgr., Deel VIII. 
Na deze verhandeling verschenen van zijne hand „Grundzüge einer 
Lautlehre der Mon-Khmer-Spracheny (in Denkschriften der. 
Kaiserl. Akad. d. Wiss. in Wien, phil.-hist. Kl. Bd. III), en 
„Grundzüge einer Lautlehre der Khasi-Sprache in ihren Beziehungen 
zu derjenigen der Mon-Khmer-Spracheny (in Abhandlungen der 
Kon. Bayer. Akad. d. Wiss. (Kl. I, Bd. XXII, Abt. 3). 

In de drie laatstgenoemde verhandelingen werd het bewijs ge- 
leverd dat in Achter-indié een gansche groep van onderling ver- 
wante talen bestaat, geheel verschillend van ’t Siameesch en Burmeesch, 
d.i. van de Chineesch-Tibetsche familie. Bedoelde groep omvat Mon, 
Khmer, Palong, Wa, enz.; voorts Semang en Sakei; Khasi en 
Nicobarisch. 

Reeds geruimen tijd vóórdat Pater Schmidt de Mon-Khmer-talen . 
tot onderwerp zijner studiën maakte, had Prof. E. Kuhn belangrijke 


' Herdrukt uit Archiv fir Antropologie, N. F., V, 1 & 2 (Bruns- 
wijk, 1906). 


168 AUSTRONESISCH EN AUSTROASIATISCH. 


punten van overeenkomst aangewezen tusschen genoemde Achter- 
indische talen en een groep in Voor-indië, welke *t Munda en Santali 
omvat. Verder onderzoek heeft de verwantschap tusschen de Mon-Kmer- 
en Munda-talen bevestigd. 

De taalfamilie gevormd door Mon-Khmer, Munda, Nicobar, Khasi, 
Semang onderscheidt zich, gelijk reeds met een enkel woord gezegd, 
scherp van de Chineesch-Tibetsche-Siameesche-Burmeesche familie. In 
welke verhouding staat ze echter tot de Maleisch-Polynesische, of, 
zooals Pater Schmidt ze noemt, Austronesische familie? De oplossing 
nu van dit vraagstuk is beproefd, en wel met goed gevolg, wat de 
hoofdzaak betreft, in ’t bovenvermelde werk # Die Mon-Khmer-Völkerr. 
Om den lezer een denkbeeld te geven van den inhoud van dit voor 
de beoefenaars der Indonesische talen hoogst belangrijk geschrift, 
moge hier een overzicht volgen van hetgeen de Schrijver tot staving 
van zijn gevoelen aanvoert. 

Na met voldoende uitvoerigheid in *t licht gesteld te hebben in 
welke verhouding de Austroasiatische talen ! tot elkaar staan, stelt 
hij als uitkomst van 't onderzoek vast, dat: de innige samenhang 
tusschen de Munda-talen met het Nicobarisch, Khasi, Mon-Khmer 
zeker 1s; een samenhang die niet louter een hypothese is, maar een 
feit, hetwelk denzelfden graad van zekerheid bezit als bijv. de 
onderlinge verwantschap der Indogermaansche talen (blz. 17). 

In tabellarischen vorm vinden wij bedoelde talen aldus gegroepeerd : 


I. a. Semang. 

b. Senoi (Sakei en Tembe). 

Il. a. Khasi. | 
b. Nicobar. 
c. Wa, Palong, Riang. 

III. a. Mon-Khmer (met Bahnar, Stieng, enz.). 
b. Munda-talen. 
c. Tjam, Rade, enz. Vermengingen met austronesische talen. 


In een afzonderlijk hoofdstuk wordt uitgeweid over de anthropo- 
logische kenmerken der volken die Austroasiatische talen spreken. 
Op grond van door anthropologen verzamelde gegevens komt Schrijver 
tot de slotsom dat al die volken physiologische kenmerken gemeen 
hebben waardoor zij zich zoowel van de Indogermaansche als van 
de Chineesch-Tibetische volken duidelijk onderscheiden. 


1 Deze naam is door den schrijver gekozen ter aanduiding der Mon-Khmer- 
Mundatalen. 


AUSTRONESISCH EN AUSTROASIATISCH. 169 


Het belangrijkste gedeelte, het eigenlijke hoofddoel van 't werk, 
is: "t bewijs te leveren dat de Austroasiatische en de Austronesische 
talen met elkaar in verband staan, een verband niet zóó nauw als 
er bestaat tusschen de leden van elk dezer twee familiën onderling, maar 
toch een onmiskenbaar, al is het dan ook meer verwijderd verband. 

Om deze stelling te bewijzen wordt de aandacht gevestigd o. a. op 
de overeenkomst in klankstelsel; in de oorspronkelijke overeenkomst 
in de woordvorming; in de aanhechting van ’t bezittelijk voornaam- 
woord; in de gelijkheid van een groote menigte wortelwoorden. 

Wat het klankstelsel betreft, is op te merken dat de aspiraten 
die thans in de Mon-Khmer- en Munda-talen voorkomen, zeker niet 
oorspronkelijk zijn. Zoo oordeelt Pater Schmidt, en ik ben het ge- 
heel met hem eens. Maar hij dwaalt als hij meent dat aspiraten in 
de Austronesische talen geheel ontbreken. O. a. heeft het Madoereesch 
zeer energische aspiraten; zoo ook ‘t Atjehsch. Ook is het duidelijk 
dat de f en v (niet te verwarren met w), welke in zooveel talen 
der familie voorkomen, thans spiranten, eenmaal aspiraten moeten 
geweest zijn. Ook de Toba-Bataksche h (nog steeds door k uitgedrukt), 
gewestelijk als onze ch klinkende, en de Niasche spirantische g 
(gh, niet ch, zooals de Duitsche zendelingen spellen) moeten zich 
uit aspiraten ontwikkeld hebben. Dit neemt niet weg, dat oorspronkelijk 
de Austronesische talen geen aspiraten bezaten, en in zoover blijft 
de stelling van Pater Schmidt in kracht. 

In de woordvorming vertoont zich de overeenkomst door 't gebruik 
van prefixen, infixen en suffixen. Vooral 't voorkomen van infixen 
Is zeer merkwaardig. 

Een derde punt van overeenkomst is het possessiefaanhechtsel. 
Geheel onjuist echter is de bewering (blz. 49) dat de Austronesische 
talen alleen den enkelvoudsvorm der voornaamwoorden aanhechten , 
ook waar de bezitters meervoudig zijn. Willekeurig en in strijd met 
bekende klankwetten is ook de meening (blz. 50) dat het enkelvoud 
kau zou ontstaan zijn uit kamu, terwijl dit laatste blijkbaar een 
verouderde meervoudsvorm is van mu, gelijk kapwa van pwa. 
Deze functie van ka is ook te herkennen wanneer het zgn. abstracta 
vormt, want de abstracta zijn oorspronkelijk collectief begrippen. 
Voorts duidt het prefix ka ook gelijkheid aan; natuurlijk, want de 
begrippen „gelijk, tegelijk, samen» raken elkander. 

Een aanzienlijke plaats is ingeruimd aan de vergelijking van den 
woordenschat der twee taalfamiliën. Het kan niemand die de lijst 
nagaat ontsnappen dat zooveel eenlettergrepige stamwoorden in de 


170 AUSTRONESISCH EN AUSTROASIATISCH. 


Austroasiatische talen teruggevonden worden in Austronesische twee- 
lettergrepige stammen bestaande uit m. m. hetzelfde bestanddeel 
vooraf gegaan door een ander. Dit is een schitterende bevestiging 
van de meermalen uitgesproken en met redenen omkleede stelling 
dat de tweelettergrepigheid der stamwoorden, die *t meerendeel uit- 
maken in de Maleisch-Polynesische talen, een gevolg is soms van 
reduplicatie, meest van samenstelling van een éénlettergrepigen 
wortel met een of ander formatief, welks functie slechts hoogst 
zelden te herkennen is, als behoorende tot een voorhistorisch tijd- 
perk der taal. Deze samengestelde vorm der meeste Austronesische 
stamwoorden, al ontbreken soortgelijke niet in de Austroasiatische , 
is een van de meest kenmerkende verschillen tusschen de twee 
familien die met elkander in een verwijderd, maar onmiskenbaar ver- 
band staan. Met andere woorden, er moet eenmaal in een zeer ver 
verleden, een taal gesproken zijn door een volk dat zich om onbekende 
redenen en op een niet te bepalen tijdstip in twee deelen gesplitst 
heeft; elk deel heeft zich zelfstandig ontwikkeld in verschillende 
richting, zoodat allengs de verschillen zóó groot zijn geworden dat 
de Austroasiatische en de Austronesische talen twee afzonderlijke, al 
is het dan ook verwante familien uitmaken. 

. Begrijpelijkerwijs zal men in de vrij lange reeks van vergelijkingen 
enkele ontmoeten die twijfelachtig, andere die onjuist zijn, maar 
na aftrek van al zulke gevallen blijft er genoeg en meer dan ge- 
noeg over om onomstootelijk te bewijzen wat de Schrijver betoogen 
wilde. Slechts op één onjuistheid voel ik mij genoopt de aandacht 
te vestigen omdat ik zelf de schuldige ben, niet Pater Schmidt. Het 
betreft N° 139° (blz. 146), waar eenige woorden voor ~zon” ten 
onrechte in verband gebracht zijn met Fidji rara. Want Sawu lodo, 
Sumba lodu, Rotti lëdo, Moa, Letti ler, Timor neno, Kei ler, 
zon, zijn vormen van een wijdverbreid woord dat in ettelijke ver- 
wante talen dag”, in andere zon”, in nog andere beide beteekent : 
Dajak andau, dag; pandang andau, zonneschijn; Toumbulu, 
Tonsea, enz. €ndo, dag, si éndo (eig. de Dag, verpersoonlijkt, 
dus z. v.a. Daggod), zon; Bisaya adlao; Bikol, Pampanga, [loko 
aldao, Tagalog arao, zon; Bentenan lau, Makassaarsch allo, Bug. 
aso, dag, zon; Ibanag aggau, dag; Malagasi maso andro, zon; 
Fate, Sesake, Lo elo, zon; Api mat ni elo, oog van den dag, zon ; 
Lakon, Whitsuutide alo, Lifu dho, Nangone du, Vanua Lava lo, 
Rotuma astha, Vaturanga aso, Florida, Ysabel a ho, zon ', Samoa 


1 Veor nog andere voorbeelden zij verwezen naar Codrington, Melan. Lang. 51. 


AUSTRONESISCH EN AUSTROASIATISCH. 171 


aso, Tonga aho, Maori ao, dag, daglicht; een afleiding is Jav. 
andon, dagelijks. Al deze vormen laten zich herleiden tot zoo iets 
als andau, ëndau. Wegens de verwantschap tusschen de linguale 
n en | werd daaruit in sommige talen aldau. Dewijl ld een 
ongewone medeklinkerverbinding is, vermeed men deze deels door 
verplaatsing, zoodat adlao ontstond; deels door omzetting, gelijk 
in l&do, waaruit door invloed der klinkers in den uitgang, lodo, 
enz. werd. 

Een geheel ander woord is Maori ra, Samoa lâ, zon. Uit den 
gerekten klinker blijkt dat het woord oorspronkelijk op een nasaal 
uitging. Derhalve is het etymologisch identisch met Fromanga dan, 
Yap, Marshall-eil. ran, Lifu dra, N. Caledonië tan, Florida 
dani, dag. In de Indonesische talen komt, voor zoover ik weet, 
dit niet meer als zelfstandig woord voor, maar des te meer als be- 
standdeel van afgeleide stamvormen; o.a. dav. padang, licht, 
schijnsel (van zon of maan); térang, helder; arang, doorschijnend, 
yl, dun; larang, schaarsch; Dajak pandang (andau), (zonne) 
schijn; iu de godentaal: dag; mandang, zich warmen; Batak 
torang, ‘t aanbreken van den dag, ‘tdagen; patorang ari, 
bij ‘t aanbreken van den dag; Alor taran, Ot Danum brang, 
helder; Toumbulu térang, Tagalog madalang, helder, duidelijk; 
Ibanag dalang-arang, helder schijnsel (der maan); glans (van 
goud), enz. Tot denzelfden stam zal wel behooren Fidji rara, zich 
bij *t vuur warmen. 

Het mag nu als vaststaande beschouwd worden dat de stamvaders 
der Austroasiatische en Austronesische volken (althans in linguistisch 
opzicht), welke Pater Schmidt als ~»Austrisch” bestempelt, van Voor- 
indië uit geleidelijk zich oostwaarts verbreid hebben. Dit is niet in 
strijd met de uitkomst van mijn eigen onderzoek omtrent het stam- 
land der Maleisch-Polynesische (Austronesische) volken. Op grond 
van taalkundige gegevens plaatste ik dat stamland aan de oostkust 
van Achter-indië. Ik verklaarde evenwel uitdrukkelijk dat ik het 
secundaire stamland bedoelde, d. 1. de streek waar de voorouders 
der Malaio-Polynesiers ‘t laatst als een samenhangend geheel woonden 
eer dat afdeelingen er van zich afscheidden om over zee nieuwe 
woonplaatsen op te zoeken. Waar het oudere stamland te zoeken was, 
kon uit de taalkundige gegevens zelfs niet bij benadering vastgesteld 
worden. Thans kunnen wij een stap verder gaan: wij weten nu dat 
er verwijderde verwanten der Austronesiërs in Voor-indié te huis 
behooren. Volgens de onderzoekingen van Dr. Sten Konow zijn niet 


172 AUSTRONESISCH EN AUSTROASIATISCH. 


alleen de Munda-talen met het Mon-Khmer verwant, doch vindt 
men ook een reeks van taaleigens in ‘t lagere Himälaya-gebied, van 
Kanäwar in den Panjab tot aan Darjiling, welke hoezeer Tibeto- 
Burmeesch in karakter, toch overblijfselen vertoonen van een oude taal, 
die de kenmerken draagt van ‘t Munda. Zelfs al laat men deze 
hybridische taaleigens buiten rekening, dan moet men toch tot de 
slotsom geraken dat de voorouders der Austroasiaten en Austronesiërs 
eene oudere laag der bevolking van Voor-indië hebben uitgemaakt, 
en door jongere aankomelingen, nl. Ariërs en Drawida’s, naar 
onherbergzame streken zijn teruggedrongen geworden, voor zoover 
zij niet met de Arische en Drawidische bevolking zijn versmolten. 
Doch ook Voor-indié zal wel niet het primaire stamland zijn, en 
als wij bedenken dat Ariërs en Drawida’s beide uit het Noordwesten 
in Indië zijn doorgedrongen, de eenen in Oostelijke, de anderen in 
Zuidwestelijke en Zuidelijke richting, dan ligt het vermoeden voor 
de hand dat reeds vóór hen de Austriërs uit het Noordwesten zijn 
gekomen, dus uit een Midden-Aziatisch gebied. Daarom noemt dan 
ook Pater Schmidt die Mon-Khmer-volken (met inbegrip natuurlijk 
der Voor-indische verwanten) vein Bindeglied zwischen Völkern 
Zentralasiens und <Austronesiensy. Een duidelijk overzicht van ‘t 
groote gebied waarover de twee verwante taalfamiliën zich uitgebreid 
hebben, geven twee der drie kaarten welke aan ‘t zoo belangrijke 
werk zijn toegevoegd. 

Alvorens te besluiten nog een paar woorden over de tot nog toe 
niet gangbare, door den Schrijver gekozen termen Austronesisch , 
Austroasiatisch en Austrisch. De eerste dient ter vervanging van de 
thans meest gebruikelijke benaming Maleisch-Polynesisch , die volgens 
Schmidt niet- recht past. Dat is ook zoo. Indien men de geheele 
reeks wil aanduiden door de uiteinden te noemen, zou men moeten 
zeggen Malagasi-Polynesisch, want de Maleiers wonen niet in 't 
uiterste Westen. Minder bezwaar zou er bestaan tegen den naam 
Oceanisch, die door sommigen gebruikt wordt. »Austronesisch” heeft 
dit voordeel dat door de wijze van samenstelling ‘t verband wordt 
uitgedrukt hetwelk tusschen de drie gekozen termen bestaat. Wel is 
waar is het een samenkoppeling van een Latijnsch met een Grieksch 
woord, doch zulks komt in kunstwoorden meer voor, o.a. in ter- 
minologie, Of de nieuwe namen algemeen bijval zullen vinden, 
zoodat zij allengskens algemeen in zwang zullen komen, is iets waar- 
omtrent het onvoorzichtig ware zich aan voorspellingen te wagen. 


HET WOORD VOOR PAUW IN SANTALI, 
MON EN INDONESISCH. 


DOOR 


H. KERN. 


De pauw heet in *t Santali marak, Mon mräk. Ditzelfde woord 
vinden we terug in ettelijke Indonesische talen : Javaansch , Sunda- 
neesch mérak, Maleisch märaq, Makassaarsch marrà, met 
bepalend lidwoord: marrak-a, de pauw; Bugisch mérra, Oud- 
javaansch mräk. In ‘t Ngadju-Dajaksch is marak de benaming 
van den fazant. 

Het behoeft geen betoog dat het Indonesische woord niet ontleend 
kan zijn aan ‘t Santali. Evenmin kunnen de Santals het overgenomen 
hebben van de Mons of omgekeerd. Het moet dus gemeengoed 
der taalfamilie wezen die Pater Schmidt als de Austroasiatische be- 
stempelt. Het is denkbaar dat de voorouders der Indonesiërs ‘t woord 
overgenomen hebben van de Mons of een hiermee naverwanten stam, 
maar dan moet die ontleening hebben plaats gehad in een zeer ver 
verleden, toen die voorouders nog in Achter-indié woonden.’ Het is 
echter evengoed denkbaar dat het woord, zoo geheel verschillende 
van de Arische en Drawidische benamingen van de pauw, een der 
vele is welke Austroasiaten en Austronesiérs van ouds her gemeen 
hebben. Wanneer men weet dat het algemeen Maleisch-Polynesische 
woord voor voogy mata, enz., in de Austroasiatische talen terug- 
gevonden wordt als mät, enz., dan zal men erkennen dat voor de 
laatste veronderstelling de waarschijnlijkheid pleit. Doch volstrekte 
zekerheid bestaat hieromtrent niet, zoolang men de etymologie van ‘t 
woord niet heeft opgespoord. 


Linguistic Survey of India. 


Nu ‘t onderzoek naar de verwantschap der Munda-talen , waaronder 
het Santali de voornaamste is, in Voor-indië, met de Mon-Khmer- 
talen in Achter-indié, door de geschriften van Pater Schmidt een 


174 HET WOORD VOOR PAUW IN SANTALI, MON EN INDONESISCH. 


schrede voorwaarts heeft gedaan, komt te rechter tijd ‘de verschijning 
van het 44 Deel van de Linguistical Survey of India. Onder 
de bekwame leiding van den Heer G. A. Grierson, bevat ook dit 
door Dr. Konow te Christiania bewerkte Deel van ‘t prachtig uit- 
gevoerde werk een schat van bijdragen tot de kennis der Munda- 
talen, alsook der Drawidische dialekten. 

Over den rijken inhoud van ’t boek zal hier niet uitgeweid worden, 
daar deze regelen enkel bestemd zijn om de aandacht er op te vestigen. 
Een enkele opmerking slechts omtrent de Inleiding moge hier een 
plaats vinden. 

Op blz. 17, waar Dr Konow het gevoelen van Prof. V. Thomsen 
ten aanzien van een verwantschap tusschen de talen der inboorlingen 
van Nieuw-Holland en die der Munda’s aan kritiek onderwerpt, 
geeft hij als *t voornaamwoord 1 pers. enk. op nu, n in de Melane- 
sische talen. Dit is onjuist, zooals men zien kan uit Codrington, 
Melanesian Languages, p. 112, vgg. Wel komt voor nu, wat niets 
anders is dan een verschrompeling van nyaku. Het kan niet genoeg 
herhaald worden dat dergelijke vergelijkingen louter op den tegen- 
woordigen klank af, niet de minste waarde hebben. Wie zich aan 
taalvergelijking waagt moet de historische methode volgen, d.i. 
trachten thans bestaande woorden volgens bekende regelen te her- 
leiden tot den oorspronkelijken, of althans oudst bereikbaren vorm. 
Doet men dit, dan ziet men dat er tusschen *t nu in zeer afgesleten 
Melanesische talen — om van ’t denkbeeldige nu niet te spreken — 
en de vormen in de Nieuw-Hollandsche talen geen overeenkomst 
bestaat. Ook tusschen Santäli ing en inyaku, nyaku is er geen 
verband te bespeuren, tenzij ing afgesleten is uit inyaku, wat 
zonder bewijs niet aangenomen mag worden. Eer zou men ing 
mogen vergelijken met Sundaneesch aing, ik. 


MEDEDEELINGEN BETREFFENDE SIDENRENG, 
RAPPANG EN SOEPA. 


H. DE VOGEL Has, 
Contr. B. B. 


Het landschap Sidenreng, zooals het thans, na afscheiding van 
Rappang en Malloese Tasie is ingekrompen, wordt begrensd: 

ten Noorden door Rappang, ten Oosten door Wadjo, ten Zuiden 
door Soppeng en ten Westen door Malloese Tasie, Soepa, Alita en 
Sawitto. Het is, zelfs in den tegenwoordigen toestand, zoo niet het 
grootste landschap van de Westkust van Celebes, dan toch het meest 
bevolkte. 

Behalve het eigenlijke Sidenreng, dat uit de acht banoewa's 
Teteadji, Watang Sidenreng, Masepe, Alakoeang, Lisa, Aratang, 
Goeroe en Liwoewoe wordt gevormd, bestaat het landschap uit: 

a. de 5 lili’s: Amparita, Tjerewali, Bilokka, Wanio en Watak; 
_ 6. de lilipitoeriassa: Batoe, Botto, Betaoe, Baroekoe, Kalempang, 
Lamerang en Baramase ; 

c. de li pitoeflawa: Bila, Oting, Botto, Boeloetjenrana, Ogi, 
Djampoe en Baroekoe. De sub 6 en c bedoelde lili's zijn neder- 
zettingen van vreemdelingen binnen het gebied van Sidenreng. Zij 
hebben ieder een eigen aroeng en hadat. Zij worden als van minder 
belang voor deze zaak buiten beschouwing gelaten. 

Het landschap Sidenreng wordt bestuurd door een Adatoewang, 
bijgestaan door een hadat. 

Na de militaire actie tegen Sidenreng deed de toenmalige Adatoe- 
wang, La Sadapotto, afstand van het bestuur en werd hij opgevolgd 
door zijn zoon La Tjeboe. ! 


' Een onderzoek, of het waar is dat het bestuur van Sidenreng alleen in 
de mannelijke linie erfelijk is, bracht aan het licht dat vroeger in dat rijk 
wel eens eene vrouw Adatoewang is geweest terwijl een man Aroe van 
Rappang was, dat deze bestuurders (zonderling geval) van waardigheid 
hebben verwisseld en dat sedert dien tijd alleen mannen bestuurders van 
Sidenreng zijn geweest. Men deelde tevens mede dat, wanneer alleen eene 
vrouw als ana-patola over zou blijven, men haar tot Adatoewang zou ver- 
kiezen, haar zou laten trouwen, en haar man tot Soeledatoe zou nemen die 
haar dan in het bestuur zou moeten vervangen. 


176 MEDEDEELINGEN BETREFFENDE SIDENRENG, RAPPANG EN SOEPA, 


De hadat van Sidenreng bestaat uit: de Talloe LattaE, de Aroe 
Malolo, vier pabitjara’s, 8 matowa’s, 8 panghoeloe annang en 5 
aroe lili’s, 

De Talloe Latta, oorspronkelijk rijksbestierder van het landschap , 
kreeg langzamerhand de bevoegdheid van plaatsvervanger van den 
vorst in het leengebied Malloese Tasie. Gedurende een reeks van 
jaren was de vrouw vanden Adatoewang Simanga Roekka, (van zich 


zelf Aroe van Nepo) Talloe Lattaks, welke waardigheid zij thans nog 


N 


bekleedt. 

De Talloe Latta had de bevoegdheid om uit te maken of Sidenreng 
oorlog moest voeren of niet. 

De Aroe Malolo (kroonprins) is hoofd van de hadat. Deze waardigheid, 
die vroeger vervuld werd door Karoeng Tinggimak, is thans vacant. 

Van de vier pabitjara’s woont er een bij den adatoewang voor 
ontvangst en overbrenging van bevelen, dienen er twee voor de 
beslissing in kleine zaken en dient er een speciaal voor toezicht over 
de kasoewiangvelden Lasalama, die zeer uitgestrekt zijn. 

De 8 matowa’s zijn de hoofden van de 8 banoewa’s. 

De panghoeloe annang hebben geen gebied , maar zijn medestemmers 
en medeadviseurs in den hadat. 

De Adatsewang wordt gekozen door den geheelen hadat. 

De Talloe Latta, de Aroe Malolo en de pabitjara’s worden benoemd 
door den Adatoewang en den hadat. 

De Matowa’s en de panghoeloe annang worden door het volk 
gekozen en door den Adatoewang en hadat benoemd. 

De pitoe ri asa en pitoe ri awa, zie boven, hebben een eigen 
Aroeng en hadat. Alleen in zeer moeilijke zaken roepen zij de beslissing 
in van den Adatoewang. 

De inkomsten van de bestuurders van Sidenreng waren in hoofdzaak 
die, genoten uit de opbrengst van: 

a. de kasoewiangvelden, voornamelijk die, bekend onder den naam 
Lasalama, gelegen in de omstreken van Teteadji. 

b. de in- en uitvoerrechten te Paré-Paré, waarvan hij de helft 
afstond aan de Talloe Lattak. 

c. de soesoengpassar, zonder vasten regel geind van passergangers 
die artikelen brachten, benoodigd voor de dagelijksche behoeften van 
den Adatoewang. Deze heffing werd in natura gevorderd. 

d. de monopolie’s van zout, sirih en tabak, welke artikelen alleen 
door den vorst mochten worden verkocht. 

e. het invoerrecht op opium, bedragende 10 pCt. van de waarde. 


MEDEDEELINGEN BETREFFENDE SIDENRENG, RAPPANG EN SOEPA. 177 


jf. de soesoeng d.w.z. heffingen op alle artikelen, afhangende van 
den willekeur van den vorst. 

De geestelijkheid van het landschap Sidenreng bestaat uit 1 Kadli 
voor het geheel en bovendien voor elke banoewa uit 1 Imam, 
4 chatibs, 4 moengkin’s en 4 bilal’s. 

Kleine zaken betreffende huwelijks- en erfrecht beslissen de Imam’ 8; 
de groote zaken worden behandeld door de sjarat, bestaande uit de 

Kadh en de andere geestelijken. 


Het landschap Rappang wordt begrensd : 


ten Noorden door het landschap Maiwa, ten Oosten en ten 
Zuiden door het landschap Sidenreng, en ten Westen door het 
landschap Sawitto. 

Het is een betrekkelijk klein landschap, dat gevormd wordt door 
de 9 aan elkaar sluitende kampoengs (banoewa’s): Lalang Bata, 
Baranti, Benteng, Manisa, Panreng, Paseno, Simpo, Dea en Koelo. 
Alle bij elkaar vormen een foorloopenden klappertuin met sawah’s er 
omheen. 

Vroeger werd het landschap bestuurd door een afzonderlijk vorst, 
totdat La Pangorisang, Adatoewang van Sidenreng, huwde met 
Patta Bangki, eene dochter van den toenmaligen Aroe Rappang. De 
zoon uit dit huwelijk geboren, Simanga Roekka was dus erfgenaam 
in de rijken Sidenreng en Rappang en werd dan ook vorst in beide. 

Hij was getrouwd met Talloe LattaK, die kinderloos bleef, waar- 
door bij zijn dood het bestuur van de landschappen Sidenreng en 
Rappang overging op zijn jongeren broeder La Sadapotto. Deze voerde 
het bestuur over de beide landschappen, toen de militaire actie tegen 
Sidenreng begon en het verzet van dat landschap werd gebroken. 

La Sadapotto deed afstand van het bestuur, en daar in beginsel 
was aangenomen om nimmer een persoon te belasten met het bestuur 
van twee landschappen, volgde de erkenning van La Sadapotto’s 
oudere zuster Njilitimo Aroe Baranti, gehuwd geweest. met Lamangkona 
van Wadjo, als bestuurster van Rappang en van La Tjeboe, La 
Sadapotto’s zoon, als bestuurder van Sidenreng. 

De bestuurster van Rappang wordt bijgestaan door een hadat, 
bestaande uit 1 pabitjara en 9 Soelewatangs. 

De pabitjara van Rappang wordt gekozen door den Aroeng, in 
overeenstemming met de Soelewatangs. Hij is in gewone omstandigheden 
de persoon die de zaken regelt. De 9 Soelewatangs worden aangesteld 


178 MEDEDEELINGEN BETREFFENDE SIDENRENG, RAPPANG EN SOEPA. 


door den Aroeng en den pabitjara; zij zijn feitelijk niet anders dan 
de hoofden van de hierboven vermelde kampoengs. 

De inkomsten van de bestuurders van Rappang waren voornamelijk 
die, genoten uit de opbrengst van: 

a. de kasoewiangvelden, die tijdens den vroegeren adatoewang 
steeds bewerkt werden, maar die tijdens La Sadapotto onbewerkt 
moesten blijven uit gebrek aan water; 

b. de tolgelden, bedragende 10 duiten per doorgaande pateke 
(pikolpaard) ; 

c. de soesoengpassar, zonder vasten regel geind van passergangers 
die artikelen brachten, benoodigd voor de dagelijksche behoeften 
van den Aroeng. Deze heffing werd in natura gevorderd. 

d. in- en uitvoerrechten van copra, ten bedrage van omstreeks 
5 pCt. van de waarde, van opium ten bedrage van f 2— per bol; 

e. de monopolie's van zout, sirih en tabak, welke artikelen alleen 
door den vorst werden verkocht. 

De geestelijkheid in het landschap Rappang bestaat uit 1 Kadli 
(ook optredend voor Imam van Watar& Rappang) en 8 Imams, voor 
elk der banoewa’s een. In elk banoewa vindt men 4 chatibs. 

Kleine zaken betreffende huwelijks- en erfrecht worden beslist door 
den Imam van de betrokken banoewa. Groote zaken en zaken waarin 
zij niet kunnen beslissen, worden gebracht voor de Sjarat van het 
landschap. bestaande uit den Kadli en de 8 Imams. 


Het landschap Soepa wordt begrensd : 


ten Noorden door het landschap Sawitto en Alieta, ten Oosten 
door Alieta en Soreang, ten Zuiden door Soreang en de baai van 
Paré-Paré, en ten Westen door de zee. 

Het is een zeer klein landschap geworden nadat, in het begin der 
vorige eeuw, de z.g. Malaese Ta sie daarvan afgescheiden en aan 
Sidenreng in leen werd gegeven. 

Vóór de jongste militaire actie werd het landschap bestuurd door 
eene Aroeng met den titel van Datoe, bijgestaan door een hadat. 
Deze hadat bestaat tegenwoordig uit: 1 Kapala bitjara, 2 pabitjara’s 
en 2 matowa’s. De Kapala bitjara is eene instelling van ongeveer 
een jaar oud. Deze waardigheidsbekleeder diende als plaatsvervanger 
van den Datoe, die — zoon van den radja van Gowa — steeds 
in Gowa woonde. 

Vroeger was een Soelewatang, hoofd van de hadat, maar sedert 
de laatste 20 jaar is die waardigheid niet vervuld. De pabitjara’s 


MEDEDEELINGEN BETREFFENDE SIDENRENG, RAPPANG EN SOEPA. 179 


en de matowa’s hebben geen bepaald gebied, waarover zij het beheer 
voeren, maar dienen om bevelen te geven en over te brengen. 

Bij overlijden van den Datoe wordt zijn opvolger door de hadat 
en de menigte gekozen uit diens kinderen, onverschillig of zij van 
het mannelijk of vrouwelijk geslacht, de oudste of jongste zijn. Bij 
ontstentenis van kinderen wordt de opvolger gekozen uit de andere 
erfgenamen [steeds ana patola’s]. 

De hadatsleden worden aangewezen door den Datoe en de hadat. 

De laatste Datoe van Soepa, thans voortvluchtig, is een broeder 
van den voortvluchtigen Aroe van Alieta, La Pangorisang. Zijne tante 
Ma Deloeng, overleden Datoe van Soepa, zuster van de vrouw van 
karaeng Limbangparang, voortvluchtige radja van Gowa, stierf 
kinderloos; vandaar dat haar zusterskind, zoon van den radja van 
Gowa, tot Datoe van Soepa werd aangesteld. 

Ana patola’s van Soepa zijn er niet meer. 

De voortvluchtige Datoe, La Mapanjoeki, is getrouwd met eene 
dochter van Karaeng Tinggimal, die nu zwanger is. Men koos 
Karaeng TinggimakK tot Datoe van Soepa, om hem in de gelegen- 
heid te stellen het bestuur van Soepa te bewaren voor zijn nog 
niet geboren kleinzoon, die de eenige ana patola van Soepa zou 
kunnen worden. 

Daar de Datoe van Soepa steeds in Gowa woonde, moest hij aan 
een der hoofden in Soepa zelf eene grootere bevoegdheid geven dan 
in gewone omstandigheden het geval zou zijn. De nieuw aangestelde 
Kapala bitjara, Mohamad Noeroe, ver familielid van den voort- 
vluchtigen Datoe, maar door een mardeka-vrouw, kreeg van den 
Datoe de bevoegdheid, zelfstandig in zaken te beslissen. Kon hij 
geen beslissing nemen, dan werd de hadat bijeen geroepen om in 
overeenstemming met hem een besluit te nemen. Eerst nadat dergelijke 
beslissingen waren genomen werd daarvan aau den Datoe in Gowa 
kennis gegeven. De beslissingen werden genomen tegen betaling : 

a. in civiele zaken, van 13 duiten op de 80 duiten geschil waarde. 
Dit geld werd naar Gowa gebracht en door den Datoe als volgt 
verdeeld: } voor den Datoe en de andere helft voor de hadatsleden. 
Deze helft werd in vieren verdeeld. De kapala bitjara en de beide 
pabitjara’s kregen ieder één deel, de beide matowa’s samen één deel. 

b. in diefstalzaken van 8 maal de waarde van het gestolene, waarvan 
de bestolene eenmaal en de hadatsleden 2 maal de waarde kregen. 

Eene verdeeling van het landschap in territoriale onderdeelen 
bestond niet, maar kwam langzamerhand tot stand toen men de 


180 MEDEDEELINGEN BETREFFENDE SIDENRENG, RAPPANG EN SOEPA. 


noodzakelijkheid begon in te zien, over woninggroepen hoofden 
aan te stellen. 

Als zoodanig bestaan nu de kampongs, elk onder een kapala kampong: 
Oedjoeng Lero, Lero, Minralo, Tanah Mailik, Sabbangparroe, 
Parengki, Barrakasanda, Tjekowole, Kani, Alakang, Langi, Tobone, 
Geresih, Latemappa, Ladea, Polewali, Beiabelawang, Madjenang, 
Labanta, Mangarabombang, Wanoewak, Tak, Karabalo met een 
totaal aantal van 1396 mannen. 

De inkomsten van de bestuurders van Soepa waren, behalve die 
voortvloeiden uit de hierboven besproken heffingen bij de rechtspraak, 
voornamelijk die genoten uit de opbrengst van: 

a. de kasoewiangvelden, die sedert geruimen tijd niet meer bewerkt 
werden en die vroeger -+ 8000 bossen padi opbrachten. 

6. de in- en uitvoerrechten’, geïnd door een sjahbandar, van welke 
de invoergelden later aan Alieta werden afgestaan. De in- en uitvoer- 
rechten brachten gemiddeld f 875 ‘sjaars op. 

c. de passerrechten, die om de 5 dagen 80 duiten opbrachten. 

d. het zoutmonopolie, dat vroeger bestond. 

e. de dobbelrechten, door La Mapanjoeki afgeschaft, omdat zij 
het aantal diefstallen in de hand werkten. 

jf. de palawa tana, d.z. heffingen bij huwelijken, uiteenloopend 
naar rang en stand van 8 duiten tot f 4. 

De hadatsleden kregen inkomsten uit het recht tot het plaatsen 
van vischfuiken [kleine & f 2.50, groote à f 5 ‘sjaars] en uit de 
kasoewiang velden. 

De geestelijkheid van het landschap Soepa bestaat uit een Kadli 
tevens Imam, 4 chatibs en 4 bilals, die, vereenigd als sjarat, 
beslissen in huwelijks- en erfeniszaken. 


Paré-Paré, 23 Januari 1906. 


CATALOGUS 


DER MALEISCHE HANDSCHRIFTEN VAN HET KONINKLIJK 
INSTITUUT VOOR DE TAAL- LAND- EN VOLKEN- 
KUNDE VAN NEDERLANDSCH-INDIE 


DOOR 


Dr. Po. 8. VAN RONKEL. 





In 1898 is door wijlen Dr. J. Brandes een „voorloopige inven- 
taris van eenige der handschriften” van het Koninklijk Instituut 
samengesteld. „De tijd ontbrak” — zoo schreef de heer Brandes 
op het schutblad van zijn’ inventaris — ,,dezen inventaris behoor- 
„lijk af te werken. Vandaar dat bij enkele handschriften het aantal 
„bladzijden niet kon worden opgegeven, bij anderen de aanduiding 
„algemeen of vaag moest blijven, redacties niet konden worden 
»gepraeciseerd.” 

‘De door Dr. Brandes geinventariseerde handschriften, 128 in 
aantal (de nummers 500—628), zijn Battaksche, Lampongsche, 
Javaansche, Maleische en enkele over inlandsche talen handelende 
Hollandsche schrifturen; na de voleinding van den inventaris is 
de verzameling manuscripten met een zevental Maleische ver- 
meerderd. Doch behalve deze 135 handschriften bezit het Koninklijk 
Instituut nog eenige in Archipel-talen geschrevene manuscripten, 
welke door niet-deskundige hand met eene korte aanduiding van 
den titel zijn ingeschreven in het „Register van de Handschriften 
van het Koninklijk Instituut’ waarin 426, meerendeels Hollandsche, 
handschriften zijn genoteerd; na onderzoek bleek het aantal der 
onder de vele Nederlandsche verscholene, aan Maleische hand- 
schriften toebehoorende, titels een dertigtal te bedragen, terwijl 
de in Brandes’ lijst genoemde Maleische teksten ruim vijftig in 
getal zijn. 

Vanwaar deze handschriften gekomen zijn is moeilijk na te gaan. 
Deze, trouwens weinig ter zake doende, vraag is door Dr. Brandes 
gedeeltelijk beantwoord in eene achter zijn inventaris voorkomende 
aanteekening: „van de voorafgaande hdss. werden met n°. 160, 

Te Volgr. VI. 18 


182 CATALOGUS DER MAL. HANDSCHRIFTEN 


221 en 420 der hdss. van het Instituut, die hier niet voorkomen, 
daar deze lijst met 501 begint, n°, 524, 525, 528, 542, 543, 
551, 604, 605, 606, 607 en 608 gekocht op de auctie van 27 
April 1885 bij Martinus Nijhoff voor de som van f 38.28..... 
Sommigen der andere hdss. werden ontvangen als geschenk van 
Prof. Dr. P. J. Veth.” In de later bij de verzameling gevoegde 
handschriften is de naam van den gever of vermaker vermeld. 

Eene betrekkelijk zoo kleine collectie manuscripten in rubrieken 
te verdeelen zoude onnoodig zijn, indien alle handschriften een 
bepaalden inlandschen titel droegen, of de door die handschriften 
vertegenwoordigde teksten eene vaststaande inlandsche aanduiding 
hadden. In dat geval kan men eenen handschriften-catalogus alpha- 
betisch inrichten, en is de index tevens register, wat het opzoe- 
ken — en daarvoor, niet tot gezette lectuur is toch een catalogus 
bestemd — belangrijk vergemakkelijken kan. Waar echter de 
veelal zeer heterogene Maleische handschriften gewoonlijk niet alle 
met een vaste benaming zijn aan te duiden, zooals b.v. de door 
Dr. Brandes gecatalogiseerde Javaansche, Balineesche en Sasaksche 
handschriften aangetroffen in de nalatenschap van Dr. H. N. van 
der Tuuk, beveelt eene groepeering naar den inhoud zich aan, 
zij het ook dat daaraan enkele bezwaren verbonden zijn. Immers 
meer dan eens bevatten Maleische handschriften brokstukken van 
geheel verschillenden inhoud, zoodat de beschrijving van een der- 
gelijk manuscript onder verschillende afdeelingen van den catalogus 
__ moet gevonden worden, indien bij de groepeering met den inhoud 
alleen is rekening gehouden, Buitendien is de vermenging van 
twee soorten in één geschrift vaak zóó innig dat men bezwaarlijk 
kan vaststellen tot welke der twee vertegenwoordigde afdeelingen 
het werk in quaestie te brengen is; zoo kan men b.v. langdurig 
twijfelen of een werk als de Oendang Oendang Ménangkabau tot 
de rubriek geschiedenis of tot die der Inlandsche Wetten is te 
rekenen. Onderverdeeling in kleinere rubrieken, zooals de verdee- 
ling van geschriften over den islâm in die over de plichtenleer, 
de geloofsleer, de mystiek, de hulpwetenschappen, is doorgaans 
ondoenlijk, daar meestal meer dan ééne dier afdeelingen der heilige 
wetenschap in een en hetzelfde handschrift behandeld wordt, en 
het al of niet opnemen door den verzamelaar van andere brokken 
dier wetenschap in zijn manuscript afhankelijk kan zijn van geheel 
toevallige factoren, zooals het al of niet kunnen beschikken over 
nog eenige quaternen schrijfpapier e.d. 


VAN HET KONINKLIJK INSTITUUT. 183 


De verdeeling in rubrieken bij Maleische schrifturen kan dus 
niet anders dan vrij grof en benaderend zijn, en veelheid van 
afdeelingen kan die vaagheid slechts in zeer geringe mate ver- 
kleinen. Bij elke verdeeling blijven moeilijkheden; zoo men de 
gedichten als eene afzonderlijke rubriek handhaaft, dus in dit 
geval een louter formeel onderscheid in acht neemt, moet men de 
sjairs van religieusen inhoud van de afdeeling des islÂms, waar 
zij krachtens hunnen inhoud thuis behooren, afvoeren en bij de 
afdeeling poësie, waar van alles vereenigd is, onderbrengen, alleen- 
lijk dewijl de vorm, het berijmd zijn, dat vereischt. Geen enkele 
verdeeling der Maleische handschriften is in alle opzichten zuiver 
en consequent. Evenwel, voor eene weinig omvangrijke verzame- 
ling als die van het Koninklijk Instituut is deze quaestie van 
ondergeschikt belang; hier zoude desnoods eene optelling naar de 
nummers der handschriften, gevolgd door een systematisch over- 
zicht, kunnen volstaan, doch in het belang der uniformiteit met 
den catalogus der Leidsche handschriften en den nog uit te geven 
catalogus der Maleische handschriften te Batavia, hebben wij ook 
deze verzameling naar onderscheidene afdeelingen gecatalogiseerd. 

Wat den catalogus zelf aangaat, bij elk handschrift zijn het 
uiterlijk en innerlijk beschreven; afmeting, aantal bladzijden en 
regels per bladzijde en schrifteoort worden vermeld, en inhoud of 
redactie aangegeven. Wanneer van een geschrift meer dan één 
titel bekend is, hebben wij, wederom om der wille der uniformi- 
teit, dien titel behouden welken makers van andere catalogi reeds 
als den meest in zwang zijnden hebben gebezigd. Bij in Latijnsche 
karakters geschrevene manuscripten wordt zoo mogelijk de in het 
geschrift zelf voorkomende titel, volgens de daar gebruikte schrijf- 
wijze, in den index vermeld; men zal dus tjarieta vinden nevens 
tjarita, sila-sila naast salisilah, eene schijnbare onregelmatigheid 
die bij het geringe aantal der tot deze soort behoorende hand- 
schriften geen verwarring kan veroorzaken. Verder is bij elk 
daartoe in aanmerking komend handschrift aangegeven in welke 
verzamelingen andere exemplaren zijn aan te treffen. 

Die verzamelingen zijn: 

De Leidsche Universiteitsbibliotheek, gecatalogiseerd door Dr. H. 
H. Juynboll, Leiden, 1899. 

Londen, East India House, gecatalogiseerd door Dr. H. N. van 
der Tuuk, in het Tijdschrift van Nederlandsch-Indië, 1849. I, blz. 
385 en volg. 


184 CATALOGUS DER MAL. HANDSCHRIFTEN 


Londen, Royal Asiatic Society, gecatalogiseerd door Dr. H. N. 
van der Tuuk, in de Bijdragen van het Koninklijk Instituut, 
3e volgreeks. I, blz. 409—474. | 

Londen, Britsch Museum, gecatalogiseerd door Dr. G. K. Nie- 
mann, in de Bijdragen van het Koninklijk Instituut, 3e volgreeks. 
VI, blz. 96—101. 

Batavia, collectie-H. von de Wall, geïnventariseerd door Mr. L. 
W. C. van den Berg, Batavia, 1877. 

Van de te Batavia berustende verzamelingen van het Bataviaasch 
Genootschap van Kunsten en Wetenschappen en van wijlen Dr. Cohen 
Stuart, alsmede van wijlen Dr. Brandes, zijn gedeeltelijke, en slechts 
voorloopige, inventarissen gepubliceerd; een beschrijvende catalogus 
dier collecties, tezamen meer dan vierhonderd nummers tellende, 
is door schrijver dezes gereedgemaakt. 

Bij de vermelding van tot laatstgenoemde verzamelingen behoo- 
rende handschriften kon nog niet van het catalogusnummer ge- 
bruik gemaakt worden; daar is dus uitsluitend het handschrift 
nummer genoemd. 

Voor de inhoudsopgave van verscheidene manuscripten kon naar 
de in Dr. Juynboll’s catalogus voorkomende analyses verwezen 
worden, waardoor eene belangrijke besparing van tijd en moeite 
werd verkregen. 


VAN HET KONINKLIJK INSTITUUT. 


AFDEELING I. 
Verdichte Verhalen. 





L 
Hikajat Ahmad Moehammad. (HS. 608). 
18 x 121/, c.M., 516 bl, 13 r. 


Voorin staat: Zas Aes gean pa ale! At ATI KK> el 
Dol oiidss (seth SO pda nij sll Agen 
Begin: bi Kale cgs) de all prions ary mam , 0 AU pam 
NS sis OF ol BD gira be je ale 
en ne 5; oe Kas & dS teas! om we ee ml 
cy! Vie osfel Radyo! ale! 95 Tijs kao SNS EL gS! Fa CLP 
Behalve de 516 met duidelijk schrift beschreven bladzijden be- 


vinden zich in dit in perkament gebonden HS. vele onbeschreven 
bladzijden; het HS. toch eindigt abrupt met de woorden: aw whe 


js Jl Re Som Kid giel 5 tj Koi be ha gl 
cal EE ab! SLS > o ASE 5 Eyl KI VES HL Clo 
kl opsla ol) By Gls gS OW de gt AP OF OH 545 
cyt! ts 
De inhoud van een gedeelte van dit verhaal is medegedeeld in 
den Catalogus van Dr. H. H. Juynboll, bl. 144—147. Dat ge- 
deelte vindt men in dit HS. in de bl. 1—427, in eene zelfde 
redactie, met dezelfde opeenvolging der gebeurtenissen en nagenoeg 
dezelfde spelling der eigennamen. 
De inhoud van het in het Leidsche Handschrift niet voor- 
komende gedeelte van dit verhaal zal worden medegedeeld in 


de Beschrijving der Maleische Handschriften te Batavia, bij 
n°, 127. 


186 CATALOGUS DER MAL. HANDSCHRIFTEN 


Andere handschriften : 

Leiden: Catal. bl. 144—147, cod. 8249 en 3314. 

Batavia: Collectie-Von de Wall, n°. 131. 

Batavia: Collectie-Bataviaasch Genootschap, nos 127 (geheel 
dezelfde tekst en met dezelfde woorden abrupt eindigende als het 
HS. van het Kon. Instituut), en 185 (fragment). 

Batavia: Collectie-Cohen Stuart, nos 107 (eenigszins afwijkende 
redactie, eindigt op dezelfde plaats abrupt) en 120 (eindigt abrupt, 
enkele bladzijden vroeger). 

Batavia: Collectie- Brandes, 1 n°, 435 (eindigt ongeveer op dezelfde 
plaats). 


Il. 
Hikajat Indra Poetra I. (HS. 542). 
27X18 ¢.M., 174 bl., 28—25 r. 


De eerste twee bladzijden geven een kort begrip van het ver- 
haal, dat in overeenstemming is met de inhoudsopgave van 
Dr. H. H. Juynboll, in zijnen catalogus, bl. 122—124. Het 
eigenlijke begin komt letterlijk overeen met dat van cod. 1933; 
zie Catal. bl. 125. 

Het HS. is getateerd: 29 Radjab 1111. 

De hoofdstukken zijn voorzien van opschriften vermeldende den 
korten inhoud. Hier volgt eene vermelding van den omvang 
dier hoofdstukken, vergeleken met de opgave betrekkelijk cod. 
Leyd. 1690: 


Cod. Leyd. 1690. HS. Kon. Inst. 542. 
bl. 13 bl. 8 
25 16 
41 27 
72 42 
87 51 
115 65 
130 74 
174 101 
198 116 
229 136 
260 157 


VAN HET KONINKLIJK INSTITUUT. 187 


De eigennamen komen overeen, behoudens enkele kleine ver- 
schillen van ondergeschikten aard. 


III. 
Hikajat Indra Poetra II, (HS. 525). 
31 x 20 c.M., 157 bl, 21—27 r. 


De inleiding is als van het vorige handschrift, en het eigenlijke 
begin komt geheel overeen met dat van Cod. Leyd. 1938. 

De capita bovenvermeld vallen in dit HS. op de bladzijden: 8, 
17, 27, 53, 70, 89, 100, 185. Het HS. eindigt met het huwelijk 
van Indrapoetra met Poetri Sri Boelan, d.i. omstreeks het einde van 
het hoofdstuk dat in cod. 1690 bij bl. 198 eindigt. Aan den rand 
staat dan ook bij het slot geschreven: p. 198 MS, 1690. Het HS. 


eindigt abrupt: oe St Aten cy Vel) il oe tel, Ru he 
Sho GE ten stow gia lin Noh Zp! Kw gi HLO 
ES sto Bap shew By ob st SUS Bet lo Into Gi 
De eigennamen wijken zeer weinig af van die in het vorige 
en het Leidsche handschrift. 


IV. 
Hikajat Indra Poetra III. (HS. 221). 
27x 21 cM., 347 bl, 28—30 r. Latijnsch schrift. 


De aanhef is: 

Bahowa Ini cadsed tsjeritra hhakajat indra patra jang indah 
perkataannja jang masjehoer pada taanah manusija doer pada tanah 
dijn terlaloe iloc roepahnja sjahadaan kasactijanja daen terlaloe 
pantas barang lakoenja daen sikapnja terlaloe baik.... 

De korte inhoud, waaruit de transscriptie van vele eigennamen 
kan gekend worden, is: sabermoela ijalah jang disoroehkan oleh 
radja Sijahijana kapada baramsacti, daen ijalah jang diterbangken 
marac amas, daen ijalah jang berdjalang dalam hoetan belantara 
saorang dirin:a babrapa ija melaloewi goenoeng jang besar besar 
daen bertemoe dengan tasik Samadara, daen ijalah jang bertemoe 
dengan toean poetri Goemala ritna serai, daen ijalah jang baroleh 
goemala Gikmet, daen ijalah jang mengadap baramasacti dengan 
radja diwalila mangoerna, daen ijalak jang diterbangken dijn jang 


188 CATALOGUS DER MAL. HANDSCHRIFTEN 


berna (sic) tamar boeka, daen ijalah jang bertemoe dengan boekit 
amas, daen boekit perac, daen boekit permata, daen ijalah jang 
bertemoe dengan goenong appi, daen ijalah jang bertemoe dengan 
tasik bamadjoer aladjaib ; daen ijalah jang bertemoe dengan tasik ulh- 
hoesjac ulaisic daen ijalah jang berdjalang jang tiada didjalang orang 
demikian lah gagah parkas indra patra, daen ijalah ijang berdjalan 
dalam goha saboelan lamanja, daen ijalah jang memboenoeh mama- 
doeda sijah, daen ijalah jang membonoh goeraksja matti dalam 
tangan Indra patra, daen brapa hhikmat radja tohlila Sija gendock 
memboenoh goeracsja itoe tijada djoega, dapat di boenoh nja, 
makka dapat diboenoh oleh Indrapatra, dengan di prangnja Sija- 
hadaan ijalah jang diboewang kan oleh mantri radja Sijahijana 
kadalam lawat tiga tahon Lamanja, daen ijalah jang beroleh Cian 
Soetra poeti namanja haloes seperati aijer ambon roepahnja, daen 
jjalah jang bertemoe dengan dewi Lackariba didalem lawot, 
daen ijalah jang berdjalang dalam lawoet dijn, daen ijalah jang 
bertemoe dengan darmagamgga makka diberinja sawatoe panah 
dan babrapa hikmat hoeloebalang diberikannja kapada Indra 
patra. 

Systematisch is de gebezigde transscriptie blijkbaar niet. Het 
eind en begin van eene episode worden aangeduid met Wa Allahoe 
âlam baltsawab Alcadsa pri mengatakan.... 

Het verhaal zelf heeft geene bijzondere afwijkingen. 

Het slot is: Tamat Hhikajat Indrapatra pada hadjarat Nabi 
kami Isâ Mesihh ibnôe Mariam rohh ALLAH sariboe toedjoh 
ratús sambilan blas, Likor pada sapoeloh hari boelan dúlahhadja 
pada hari, pada hari Djoemât dan pada wactoe Lobhri. 

Deze dagteekening is verward, doch schijnt eene copieering te 
zijn van die van HS. 542, welke luidt: tammat hikajat Indra 
Poetra pada hidjrat sariboe saratoes sapoeloeh asa pada sémbilan 
likoer hari boelan Radjab pada hari arba° dan pada waktoe doehâ. 
Indien werkelijk HS. 542 gecopieerd is door den schrijver van 
HS. 221, dat twintig jaren jonger is, heeft deze copiist vaak het 
origineel verkeerd begrepen, o.a. de termen der dagteekening, 
gelijk blijkt uit het verkeerd gebruik van hidjrah, Lihor en de 
spelling Lohhri (vo). 

Als oude transscriptie in de spelling dier dagen (1719) heeft 
het HS. in elk geval waarde. 

Andere handschriften: 

Leiden, Catalogus, bl. 121—125, cod. 1690 en 1933. 


VAN HET KONINKLIJK INSTITUUT. 189 


Londen, Royal Asiatic Society, nos 9, 37 en 55. 

Batavia, Collectie-Von de Wall, n° 168. 

Batavia, Collectie-Bataviaasch Genootschap, n° 125 (volledig ex., 
met geringe afwijkingen). 


V. 
Hikajat Sjahi Mardan. (HS. 524). 
33'/,X2leM., 75 bl, 23r. 


Op den omslag staat: WPT >, opel sl Al Hilke maar 
het begin heeft den juisten titel: ogêe oel fs wll aga zb xalK> 
Add Ep abel cribs GAS MGT cael Gy SI lij Verder 
wordt gezegd dat aan de lectuur een viervoudig nut is verbonden, en 
wel als volgt: ple pl Jel bd ye sb Kd zal allot 
re) Im coleial AES Jaaal Ka HAS he Ot jl 
erik Ps i Ku ek OS Jo AK KS Elo Qle Be 
Eys ABS Jamo AK MES nie lo Qlé Read pst km 

pt Be Ke ble SWS niel AES dhe le Lalo de blogs 

Daarna begint het verhaal welks inhoud in den catalogus van 
Dr. Juynboll is vermeld, op bl. 149 en 150; het verhaal is ook 
bekend als hikajat Indra Djaja en hikajat Bikrama Ditja Djaja of 
Widjaja. 

De eigennamen komen veelal overeen met die van Cod. Leyd. 
1733, maar in stede van elas! „sheet het land van Sitti Dewi 
hier „ad lo, terwijl „al lo de naam van het rijk van Indra 
‘Alam is. Ale„595 de vorst van Nederland uit cod. 1733 heet hier 
(bl. 52) Poetra Alam van Yio, JE! (50 van Noesantara uit 
dien codex heet hier (bl. 65) do van ess ongeveer zooals 


in cod. 1919 dus, en Adi Moelja van eerstgenoemden, Adam Moelja 
van laatstgenoemden codex heet hier (bl. 68) Daja Moelja. Het 
beloop van het verhaal vertoont geene afwijkingen. 


Uit het slot: usta MS loys et zb bes jr Kl af 
ost velo Jed en Ame GLP 8 oS nd ob? Fl Unb 
So ONE OS chnew HD erdal Gust lo quipw blijkt dat de datum 
van het MS. is 14 Rabi ‘I 1249. 


190 CATALOGUS DER MAL. HANDSCHRIFTEN 


Andere handschriften : 

Leiden, Catalogus, bl. 148—158, cod. 1733, 1919, 2300 (1), 
2192(3) en 3197 (2). 

London, East India House, n°. 373b. 

Londen, Royal Asiatic Society, n°. 60. 

Londen, Britsch Museum, n°. 14. — 

Batavia, Collectie-Von de Wall, nos 149, 150 en 151 (n°. 149 
volledig, enkele afwijkingen, nos 150 en 151 fragmenten). 

Batavia, Collectie-Bataviaasch Genootschap, nes 51 (volledig) en 
147 (fragment, gebrekkige copie). 

Batavia Collectie-Cohen Stuart, n°. 140 (geringe verschillen). 

Batavia, Collectie-Brandes, n°, 536 (copie van cod. Leyd. 3197 (2). 


VI. 
Hikajat Soeltan Ibrahim. (HS. 607, 2de gedeelte). 
22X14 ¢M., 57 bl, 15 r. 


Begin: Ale cyst de Wh ops A am TD all pw 
whl do 23) opl pathy! le dips hae aR gh Ee 9 
SY SEE ently cal a lg enh OK lS za SIS 
ore OA AS nlite coal SY ijd De yk Wop gla 

rat pins) OBS Glo AS fo 

Slot: ar, lr SP aldo DS pals oale ik aa 
lk bis aad de 1824 bre VS gh nig gw is Lo 
ed dy 9 gdp cod BSW OS Le ge Ft PE BRI GE el 

Ql on clan ated 

Den inhoud van dit verhaal vindt men medegedeeld in De 
Hollander’s Handleiding tot de beoefening der Maleische taal- en 
letterkunde. (bde dr.) bl, 346, 

Het verhaal is uitgegeven: door Roorda van Eysinga, Batavia 
1822 Lenting, Breda 1846, en Regensburg,’ Batavia 1890. De 
tekst van dit HS. komt met dien der uitgaven overeen. 

Zooals uit de bovenstaande aanhaling blijkt is dit HS. gedateerd: 
22 Ramadân 1824 H. (sic), en 1239 H., laatstgenoemde datum als 
die van beeindiging van den druk! Blijkbaar is dit eene navolging 


van het slot van Roorda van Kysinga’s twee jaren vroeger ver- 
schenen editie. 


VAN HET KONINKLIJK INSTITUUT. 191 


Andere handschriften : 

Batavia, Collectie-Von de Wall, nos 118, 119 en 120. 

Batavia, Collectie-Bataviaasch Genootschap, n°. 155 (gelijke 
redactie). 
"Batavia. Collectie-Cohen Stuart, n°, 180 A (met nieuwe bestand- 
deelen vermeerderde redactie). 

Batavia, Collectie-Brandes, n°. 421 G (dezelfde redactie als die 
van dit HS.) 


VIL. 
Hikajat Sang Bima. (HS. 638). 
35 x 21'/, e.M., 121 (96 + 25) bl., 17 r. 


Begin: Ke pl de wll prs ayy pam TD all aw 
ass elo Rw reSbs vie Put Lee Ret Hr hw pent Ra 
stdin Ri Mw plea Cok Qld wai? 

Dan wordt verteld dat een Maleier naar Bima kwam in den 
tijd van Soeltan Hoesnoeddin, genaamd Dalang Wisawarta, een 
armoedig man, die om zich te vertroosten het verhaal van Poetri 
Tasik Séri Naga Tjandra Koemala opstelt, daarop volgt: o} whe 


AA Pos gary SE eral slew gk lO ss UO pad chy 
| | Te 3), ew sien 

Het verhaal vertelt van drie djinn’s tusschen den hemel en de 
aarde, genaamd Sangjang (5,95 yai,l), Sangjang Wija, en Sang- 
jang Toenggal; van den eersten stammen af alle dewa’s en batara’s 


en bagawan’s en mambangs, van den derden de Pandawa Lima 
en Korawa’s. Sangjang Toenggal had twee zonen: Sangjang Ass 


geheeten. Verder was er Batara Goeroe met zijn zoon Batara Brama, 
deze gewon: Barmani, deze: Bagawan Sandjang, deze: Palisara, 
deze Bagawan Biasa en Bagawan Besoeki, deze: 1e Santarata, 
blind aan beide oogen, waarom zijn vader Korawa geheeten werd, 
2e Pandawa Dewa Nata en 3° 4» ls; Besoeki gewon: le Dewi 


zis gus, 2e Basoe Dewi; de le wordt wegens onwettige zwanger- 


schap verdreven en door Dastarata aangenomen. Bagawan Biasa 
is van oordeel dat zijn zoon Pandoe Dewa Nata met haar moet 


192 CATALOGUS DER MAL. HANDSCHRIFLEN 


huwen; aldus geschiedt. Pandoe Dewa Nata wordt vorst in Marta 
Wangsa waar hij voortreffelijk regeert. Dewi Ganti bevalt, onder 
een toeloop van alle dieren des wouds, van een zoon die Darma- 
wangsa genoemd wordt; later baart zij, met een oproer in de ge- 
heele natuur, en wel uit haar oog: Sang Bima. Zijn moordlust 
maakt den vader beducht. Dewa Ganti baart uit den navel Ardjoena 
met een pijl; later worden uit een bijwijf Sang Koela en Sang 
Dewa geboren. Tafereelen uit hunne jeugd volgen nu. Sang- 
jang fs» incarneert zich als Sémar, en wordt bediende bij de vijf 
pandawa’s, die hij onderricht in de krijgskunst. Zij strijden met 
de mambangs (bl. 26) en onderwerpen hen. Bl. 34. In het land 
der raksasa’s is Dewi Roembi, Bima onderwerpt het land, huwt 
met haar en gewint zé WS (= Gatotkatja); hij onderwerpt het 
land der batara’s, huwt met Soekarba, overwint 89 landen, daalt 
met de zijnen af naar Padjadjaran, onderwerpt het rijk, noemt zich 
Praboe Djaja Lélana, verkrijgt de prinses wle 55, cytew) (= Lake- 
miningrat) tot vrouw. Maar eerst moet haar vader naar Djajakérta 
vertrekken om alles voor het huwelijk in gereedheid te brengen. 

Het HS. eindigt abrupt: Soes,» OK Ait AES AS ok de 
iss s AS Aid! Ps es. cyan „IS Logan ish > ut cie 
vlo EO gil Felt BS SS gmt lo oi Eje 
HB lo sl oP rr on HI yo OS BY yo BY 
GLP ils BRE Glo £9 OS lip ELT dee cyst yen shes 

1 BRE los Reo OF de og olin TY 

Het vervolg van dit HS. werd gevonden in een bundel Makas- 
saarsche papieren, gerangschikt onder n°. 555; dit vervolg, ook 
abrubt eindigend, telt 25 bladzijden, en vangt aan: 545 (5% lo 
isk> ul ie bg-ale yo wkn GP ho NAS igo aow hs 
slk opd Loges, wat onmiddellijk by het slot van het eerste 
fragment aansluit. 

De tocht en aankomst der gezanten met het vorstelijk paar worden 
uitvoerig beschreven. Daarna wordt uitvoerig verhaald van de ge- 
ruchten omtrent eene aanstaande onderneming van den vorst van 
Tjirébon tegen de roovers die Djajakarta onveilig maakten en de 
prinses wilden rooven, tegen de lieden van Praboe Djaja Lélana 


dus; de geruchten worden bewaarheid, de beide afgezanten ont- 
wapenen den vorst van Tjirébon en voeren hem en de zijnen ge- 


VAN HET KONINKLIJK INSTITUUT. 193 


vankelijk mede. De vorst van Tjirébon wordt begenadigd, en laat 
zijne kinderen Tjanda Ratra Wati, Angling Koersi en Raden Kara- 
madjaja naar Djajakarta komen. Daarna is sprake van den strijd 
van Praboe Djaja Lélena tegen den vorst van Poegér, dien hij en 
zijne vier broeders (eaddMS of mall sid genoemd) overwinnen. 
Vervolgens trekken zij naar Xiiw dicht bij «3. Daar wordt de 


dochter van een naga zwanger doordat haar blik dien van Sang 
Bima had opgevangen, welke oorzaak van zwangerschap hare ouders 
niet willen aannemen. Sang Bima en de zijnen zijn intusschen 
oostwaarts getrokken. 

Het slot van dit handschrift is: sles ww oli pl CS de 


Shri EL cla cole EM oh Er Bol aol cal sp os 
ols wast gel alge A OS CW col che OST gle Cont Glaus 
as Ob egal 8 da wal B Ft Goes Kile ole cay 

Ved BEI pgs or ols B cst Me UG OS wo 


Dit verwarde wajangverhaal is blijkbaar eene in Celebes gemaakte 
bewerking van tot den Pandawa-cyclus behoorende vertellingen, 
welker bekende, in vele wajangstukken voorkomende, eigennamen 
hier zeer verbasterd zijn. Zonderling is de identifieering van den 
naam van den held Bima met dien van het eiland Bima, welke 
op de eerste bladzijde van het HS. voorkomt. 

Hoewel van dergelijke wajangverhalen en andere de pandawa- 
geschiedenis behandelende verhalen vele handschriften in de bekende 
verzamelingen te vinden zijn, is er geen aan te treffen dat met . 
dit verhaal verwant, laat staan er aan gelijk is. 


AFDEELING II. 
Mohammedaansche Legenden. 





VII. 
Hikajat Aboe Samah. (HS. 607, le gedeelte). 
22x14 c.M., 51 bl, 15 r. 
Op den omslag staat: Aas giel fs low ol RylKe pel ot 
oil Bas BUS Moo MES les gede 


194 CATALOGUS DER MAL. HANDSCHRIFTEN 


Begin: wyaiasl! ral O50 lier HS tl de Alb yer ais 
eit vest des alll ak osje rile al st) lha> py! _ 
„zl mbo slo Ie we! Rabo! ale! ce hij em pis & 

Slot: AB bFyS RES Moo Bows glo law gal Ru ane 
ai eas Ks emai casa! Sy AS 5 dS (yaa, css? 5 ff 
JK SWRew alll An Rae Oost opal ee Fr ee SM iw 
JS Eb Poort Baar AP ey tT Lew gb Al el zn oye) 

I oF Me B Vort Ens ii sil ED 


De ware naam van Aboe Samah is Aboe Sjahmah. 

De inhoud van dit verhaal is medegedeeld in den catalogus van 
Dr. H. H. Juynboll, bl. 200 en 201. 

Het schrift van dit HS. is duidelijk, de koerân-verzen zijn met 
roode inkt geschreven. 

Zooals uit bovenstaande aanhaling blijkt is dit HS. gedateerd: 
Kampoeng Kroekoet, Batavia, 11 Ramadân 1239 H. 

Het tweede gedeelte van dit HS. werd beschreven onder n°. VI; 
het is de Hikajat Soeltan Ibrahim. 

Andere handschriften : 

Leiden: Catal. bl. 200—202, cod. 1720 (1), 3201 (2) en 3309. 

Batavia: Collectie-Von de Wall, nos 76> en 97. 

Batavia: Collectie-Bataviaasch Genootschap, nos 146 (eere ge- 
brekkige copie in Latijnsch schrift, met denzelfden naam, dezelfde 
plaats en denzelfden datum als vermeld in het HS. van het Kon. 
Instituut), 198 0, 203 B, en 388 A. 

Al deze HSS. vertoonen ééne redactie. 


a 


IX, 
Hikajat Amir Hamzah. le deel (HS. 420). 
30 x 20 c.M., 282 bl, 25 r. 


Inlandsche lederen band; op een overgebleven reep van een 
schutblad staat „ssd shad cylo AS INN 995 OS zalk ws? ws? 
gS ot Bod pe me SP OS Eyl CSF phere 

Dit deel bevat 27 hoofdstukken. Het schrift is duidelijk; de 
getallen der hoofdstukken, vele eigennamen en de Perzische verzen 


zijn met roode inkt geschreven. Het verhaal is hetzelfde als in 
de Leidsche HSS. nos 1697 en 1698, over welker karakter en 


VAN HET KONINKLIJK INSTITUUT. 195 


onderlinge verhouding uitvoerig gehandeld wordt in mijn „De 
Roman van Amir Hamza", Leiden 1895, bl. 94 en volg. De ver- 
deeling in hoofdstukken is nagenoeg gelijk aan die in codex 1698; 
doch wat in de twee Leidsche HSS. tjaritéra 2 en 3 is vormt 
hier de 2e tjaritëra, wat daar tjaritéra 4 is, vormt hier de 3e, wat 
in cod. 1697 tjaritëra 5 en 6 en in cod. 1698 5 en 5 is, vormt 
hier de tjaritéra’s 4 en 5 (dit laatste zonder opschrift). Ook in 
de spelling der eigennamen en in verschillende aan cod. 1698 
eigene, in hoofdstuk III van genoemd werkje vermelde, bijzonder- 
heden, is dit HS. congruent aan cod. 1698. 


2° deel (HS. 528) 
31 x 20 c.M., 360 bl. 25 r. 
Voorin staat: Jo gst giel Rea sol dn Klk sl Kade 
wit Xs RRS Brahe AMOS pr il zat cath few ge- 


volgd door de gewone waarschuwing om het geschrift onder het 
lezen niet met sirihspeeksel te bezoedelen, noch het te dicht bij | 
de lamp te houden waardoor olievlekken zouden kunnen ontstaan, 
evenmin het uit te leenen nadat men het zelf reeds geleend heeft, 
en de mededeeling dat de prijs ervan tien rejalen zilver is, en dat, 
wanneer het in onwaardige handen mocht komen, men het terug 
moet bezorgen bij den commandant Moehammad “Abdoellatif. Daar- 
onder staat het jaartal 1792. 

Het slot van het eigenlijke verhaal is: X05 seas PLS snes 
OP Hype yom Rawr ol? OS Sot pdr 5D nl cai! 
SES ilk opl ole Be Pl hy Une pad Cull tiel dso 
gel gli Pass 52 Feld ahh coo zet lm SY wy de 

sort El bg zer 

Daarna echter komt het, ook in codex 1698 voorkomende, 
verhaal over den dood van “Amr ibn Oemajjah, den trouwen helper 
van Hamzah, en dit besluit met de woorden: ese! Biya eat! cand 
cstanilae Ea) ig cya? Ri sa Op de laatste bladzijde staat het 
begin — zes regels — van een gedicht. 

Hoewel overigens nagenoeg gelijk aan codex 1698, heeft toch 
dit HS. eene afwijking daarvan en overeenkomst met codex 1697 


en wel in de plaats waar het alleen den Maleischen versies eigene 
stuk over “Badî'oezzamân is ingevoegd; evenals codex 1697 toch 


196 CATALOGUS DER MAL. HANDSCHRIFTEN 


vertoont dit HS. die invoeging bij tjaritera 70 en niet, zooals 
cod. 1698, bij tjaritéra 66. Maar evenals codex 1698 mist dit 
HS., in tjaritéra 81, eene geheele episode, vermeld in mijn ge- 
noemd werkje op bl. 173, en over het algemeen komt het met 
codex 1698 tot in kleine bijzonderheden overeen. 

Andere handschriften : 

Leiden: Catalogus, bl. 196—198, cod. 1697, 1698, 2020 en 
3308 (1). | 
. London: Royal Asiatic Society, n°. 56 (fragment). 

Batavia: collectie-Bataviaasch Genootschap, n°. 23 A [fragment; 
begint in dâstân LVIII (= tjar. 60 en 61). 

Batavia: collectie-Cohen Stuart, n°. 138 (gemengde, deels ge- 
moderniseerde, redactie). 

Batavia: collectie-Brandes, n°. 145 (gewone redactie, met eene 
lacune). 


X. 
Hikajat Nabi Mi‘radj. (HS. 605). 
20'/, X 17 e.M., 190 bl, 13 r. 


Naar gewoonte begint ook dit manuscript der legende van de 
hemelvaart des profeets met de verzekering van Moehammad 
aan ‘Abbâs dat de zonden vergeven zullen worden van een ieder 
die dit verhaal leest, hoort of opschrijft; de woorden luiden: 


Niks ss xl es?) Je ally yard aay ray ifn) pee 
i pkgs Bw AS ri UE plea ploy zele alll Jo alll Jow, 
AHS SMS Byte GAS EAL pd alae py SK UP 
wal B Alain sitisuw all Liss ols iis gals exile 55 
oa Ft gl Pg yw a zeg) JA dled alll igilo Ow 
yy) el Eys! Kaka SY MES LT Cyd Lew OE B50 da 
‘wr ASD eee) kw 

Slot: eee LSP Tydgd ARS cy! zi en walk as 
MS yb Gye hie bo LEE gr eh gH! GL OS ie 
af GN IBE MS ED pal AE KS Ost, GA cope gH 
yey on Sl ei! abyss AES alyd pad milo rig evo 


VAN HET KONINKLIJK INSTITUUT. 197 


De Europeesche datum is dus 26 Januari 1835; als naam van 
den schrijver wordt vermeld: Moehammad Hasan ibn ‘Abdoelaziz 
van Batavia. De twee laatste pagina's zijn gevuld met een ge- 
dichtje over het goede gebruik van het geschrift. 

Dit HS. bevat het in vele talen voorkomende verhaal van de 
reis des profeets naar den hemel, de zeven verdiepingen der aarde 
en die der hel, op het wonderpaard Boerâk, begeleid door Gabriel. 
Toen de profeet dit alles in de moskee mededeelde, vond hij geen 
geloof bij een jovd, in sommige HS. o=, hier A> genoemd, 
die echter door zijne vele ervaringen in eenen droom moet erkennen 
dat de profeet in éénen nacht zóóveel heeft kunnen doorleven. 

Andere handschriften : 

Leiden: Catalogus, bl. 208—205, cod. 1713, 3805 en 8306 (1). 

Londen: Kast-India House, n°. 68a, 

Batavia: Collectie-Von de Wall, n°. 78. 

Batavia: Collectie-Bataviaasch Genootschap, nos 123 (fragment) 
186 (lacuneus) 199, 358, 364 en 389 A. 

Batavia: Collectie-Brandes, n°. 207. 


XI. 
Hikajat Nabi bértjoekoer. (HS. 569, le gedeelte). 
27 X 21'/, c.M., 15 bl., 10 r., afwisselend rood en zwart. 


Het bekende verhaal van het scheren van den profeet door 
Gabriel, voorafgegaan door de verzekering des profeets dat aan 
ieder die dit verhaal leest en aanhoort zijne zonden vergeven zullen 
worden, en gevolgd door waarschuwingen nopens het goed bewaren 
van dit verhaal, waaruit velerlei zegen zal voortvloeien. 

Het schrift en de spelling van dit niet gedateerde gedeelte van 
HS. 569 zijn gebrekkig. 

Andere handschriften : 

Leiden: Catalogus, bl. 186—187, cod. 1720 (2), 1953 (5) en 
3345 (2). 

Londen: Royal Asiatic Society, n°. 62, VI. 

Batavia: Collectie-Bataviaasch Genootschap, nos 60, 256 B, 365 CO, 
388 E, 405, 406 A en OC. 

Batavia: Collectie-Brandes, n°. 192. 

Uitgegeven te Batavia, bij Lange & O°. in 1858. 


Te Volgr. VI. 14 


198 CATALOGUS DER MAL. HANDSCHRIFTEN 


XII. 
Hikajat Nabi wafât. (HS. 569, 2e gedeelte). 
27 X21!/, c.M., 68 bl, 10 r., afwisselend rood en zwart. 


Bovenstaande titel is de meest voorkomende van het verhaal 
over het zalig uiteinde van den profeet; hier is de titel Zjarstéra 
tatkala baginda rasoel Allah akan poelang karahmat Allah ta“ála. 

Het begint met de toezegging van vergeving der zonden voor 
elken lezer en hoorder. 

De afschrijver noemt zich op de laatste pagina: lis ras 
liesl ciimsui Jae; als datum wordt genoemd: van het begin: 
2 Djoemâda II Maandag, van het beëindigen 3 Radjab, Vrijdag, 
zonder jaar. 

Het schrift is hetzelfde als van het le gedeelte. 

Andere handschriften : 

Leiden: Catalogus bl. 188, cod. 1767 en 1953 (4). 

Batavia: Collectie-Bataviaasch Genootschap, nos 364 D én 389 B. 

Batavia: Collectie-Brandes, n°. 421 A. 


AFDEELING IIL. 
Geschiedenis. 





XIII. 
Sjadjarah Malajoe I. (HS. 631). 
31'/, x 21 c.M., 285 bl, 28 r. 


Voorin: Sijara, Malayoo Sila Sila Raja Raja. 

Dit HS. bevat de uitgebreide Maleische Kroniek, in dien zin 
dat niet de editie van Klinkert, doch de langere editie van W.G. 
Shellabear met den hier gegeven tekst parallel is. De uitgave van 
Klinkert telt 34 hoofdstukken, die van Shellabear eveneens, echter 
met een toevoegsel van bijna vijftig bladzijden druks. Dat toe- 
voegsel — het is door mij kortelijk weergegeven in het Tijdschrift 
voor Ind. T. L. en Vk. uitg. door het Bat. Gen. deel XLIV bl. 
308—373 — komt, evenals in de Leidsche codices 1703, 1716, 


VAN HET KONINKLIJK INSTITUUT. 199 


1736 en 3210, ook in dit HS. voor. Hoewel dezelfde feiten ver- 
meldende als de editie Shellabear heeft dit HS. toch een niet geheel 
gelijken tekst; de niet belangrijke verschillen kunnen blijken uit 


een voorbeeld: het begin van het toevoegsel: 


Ed. Shellabear, bl. 362. 

zh OATS disi de nual 
zo il all se oly lie sas 
det alm bw guile pie 
all Je (oki ie ol Kim ol 
WK GLP Moo de (KES ado) 
ST pie RES gle Pr 
AEF Da Kye, Row Klm 
pos da „Kapr Ry alin gS 
295 tome oF KES Tle OK 

obtsslo 


HS. Inst. bl. 251. 
Ri! a} Aas ze ben ea HS 
Bhs one lol vow alia zo 
as Je (6 Ki pie AAA shin 
AD Mo dhe wal RES ab! all 
flyin KES gla PAPA MK 
ol AED Phe EK, ek) Ke 


Amd Sgr oslo 


De zeer talrijke Arabische aanhalingen en vele der eigennamen 
zijn met roode inkt geschreven. De hoofdstukken zijn niet ge- 
nummerd, en het traditioneele slot der capita ontbreekt veelal. 
Telkens zijn episodes die in de uitgaven in een bepaald hoofd- 
stuk voorkomen hier op andere plaatsen te vinden, terwijl menige 
passage van dit HS. in de edities niet voorkomt. Zoo wordt in 
de uitgave Klinkert, bl. 46 en volg. vermeld dat drie nazaten 
van Alexander den Groote bij twee weduwen op den Boekit Sa- 
goentang kwamen, en dat door hunne komst de te velde staande 
rijst in goud veranderde, ten gevolge waarvan de beide vrouwen - 
rijk werden. Zij noemen Nila Pahlawan den woordvoerder: Sang 
Sapoerba. Zijn wit rund braakt schuim, waaruit een menschelijk 
wezen ontstaat Bat genaamd, die Sang Sapoerba loofde in vele 
soorten van bewoordingen: adapoen Bat itoelah daripada anak Yoe- 
tjoenja asal orang jang mémbatja tjaritëra déboeloe kata. Nila Pahla- 
wan en Karna Pandita werden door Bat met de twee vrouwen 
in het huwelijk verbonden; uit hunne nakomelingen kwamen de 
awang’s en de dara’s. Dit alles kwam Démang Lebar Daoen ter 
oore; hij begaf zich naar die plaats en werd door Sang Sapoerba 
met luister ontvangen. Alom werd het ruchtbaar dat afstammelingen 
van Alexander den Groote naar den Boekit Sagoentang Maha 


200 CATALOGUS DBR MAL. HANDSCHRIFTEN 
Meroe waren afgedaald, waarop alle vorsten hen kwamen huldigen. 
In de uitgave van Shellabear, bl. 30 en volg. wordt hetzelfde 
verhaald, maar in dit HS. staat het volgende: ,.,!o jad oe de 
abo; hue wal a) BY lin cw A SE pd egal sl 
BS le ggd yal ID stel el vt 0 petal Rar das 
ere ol ole sel onl ye J bgn od nld pad Reo 
AD gE old Gat ot) ul ohne da zal ot) iil olie 
Sead Tee sla Cbd reld Roald SS Cal Bd gal OK 
GEUS gpl Xo Med alll nt ceo che Gdn Rw Gy ATO Eyles 
yol> IML Lele EI cas! 2 Ad av whe Sy ye cya} 
5-91 EEN pete Sear ze JS Grr 5 he zaand was ge 


pS SG on gt yy ek pe mein zot SAS eren 
ub ze ai Lis rijken eal obs da ob ek oS a 
Ad Kays oy vis ok s ob w oe Lsa ob zis ole 
pe ais} g zb zr Loye Alle eb a ‚5 EE de ee 


pd z zj zy grt or dois sits in tin by 

get Rebel ori! ee slan wke lo ad Rao ay! b 
Sa cht Bel hol yee GUI Odo all br So sae 
oto ed Red ot SS Ma MS at ga lg JE doo 
zo or Jl dS jeuk Sn Vlogs Kas zh Sl dla 
cr ERS ple zb Ega alb Alo Ka cri ll 93 Aak 
BMP wal ol, U Ege A ge ene OD gil Jeka 
dn SS oa gd Reed aol he mnl lin les QyiXolo 
AS Jas yg Rilyw ai all cha AA pid pw gi 


od gistel, stie. Daarna wordt zijne regeering in Menang- 
kabau verhaald. Op bl. 30 wordt medegedeeld hoe Sang Sapoerba 


VAN HET KONINKLIJK INSTITUUT. 201 


de zee wilde leeren kennen; in de beide uitgaven staat: bérapa 
lamanja Sang Sapoerba diam di Palémbang maka baginda berkira- 
kira héndak mélihat laoet, doch in het H.S.: térsëboetlah pér- 
kata’an Sri Tri Boewana karadja’an di Palémbang itoe kapada 
soewatoe hari baginda bérfikir héndak méntjari témpat négari karéna 
négari Palémbang itoe tiada bérkénan lagi poela baginda héndak 
mélihat laoetan. Het voorafgaande hoofdstuk, voor een deel geheel 
andere verhalen bevattende dan het overeenkomstige in de uitgaven, 
eindigt met de woorden 9 cave melo wlysall piel allo. De 
hoofdstukken der uitgaven vallen in dit HS. op de volgende pagina's, 
IV: 41, V: 44, VI: 46, (zonder eenige afscheiding) VII: 53, VIII: 58, 
IX:61, X:65, XI:67, XII: 77, XIIL: 84, XIV: 103, XV: 120, 
XVI: 125, XVII: 184, XVIII:138, XIX:140, XX: 142, XXI: 147, 
XXII:150, XXIII:155, XXIV:160, XXV:163, XXVI: 167, 
XXVII: 186, XXVIII: 196, XXIX :201, XXX:215, XXXI: 218, 
XXXII:221, XXXIII:228, XXXIV: 248, slot der uitgave-Klinkert: 
bl. 250. Tal van grootere en kleinere verschillen met den tekst 
der edities zijn in dit HS. op te merken; omstreeks bladz. 120 
gaan de teksten meer congrueeren. 

Het slot van dit HS.“is als dat van de uitgave-Shellabear, echter met 


de toevoeging: A&S D= 5 Ao 43a tel, Bm RK mA 
osn) Sod rg Km SF DS pie cy LSP ye) cyhanew 
pi hao Ka mi sje! wrëd, waaraan dus het jaartal ontbreekt. 


Het handschrift is door Prof. G. K. Niemann aan het Instituut 
gelegateerd. 


XIV. 
Sjadjarah Malajoe II, (HS. 587). 
82 x 20'/, c.M., 13 bl., 32 r., Latijnsch schrift. 


Begin: Alkiesa Tjerietera ijang ketiega Kata sahiboel hiekaijat 
maka terseboetla perkatoen sang nila aoetama tienggal diebanten. 

Het HS. bevat het 3e verhaal (tot bl. 4), het 12e verhaal (tot 
bl. 11) en het 13e verhaal tot aan de woorden: djiekalo soeatoe 
hal negrie inie apa isab pada kamie sekelian sab, wat in de uit- 
gave-Klinkert voorkomt op. bl. 137: cya) (553 SL low Ke 

De tekst is bijna woordelijk gelijk aan dien der uitgaven ; alleen 
staat in het HS. in plaats van <> steeds hiengga. 


202 CATALOGUS DER MAL. HANDSCHRIFTEN 


Andere handschriften : 

Leiden, Catalogus, bl. 2830—233, codices 17038, 1704, 1716, 1760, 
1736 en 38210. | 

Londen, Royal Asiatic Society A n°. 18, 35, 39, 68, 80, B n°. 5. 

Batavia, Collectie-Von de Wall, nos 188, 189 en 190. 

Batavia, Collectie-Batav. Genootschap, n°. 11 (eindigt in het 
13e verhaal). 


° XV. 
Oendang-Oendang Ménangkabau I. (HS. 570). 
20'/, X17 c.M., 247 bl, 21—23 r., Latijnsch schrift. 


Dit geschrift vermeldt de overleveringen der Padangsche Boven- 
landen, in verband gebracht met vele bestaande adat’s en wetten. 
Het is ook bekend onder den naam Soerat Tambo Radja. 

Na eene Arabische inleiding, door de Maleische vertaling ge- 
volgd, wordt vermeld, op bl. 4: setalah itoe di namai akan kitab 
inie memoetoesken bagie sekalian kakandak antara sjarak dan adat 
dari pada sakalian oelma marikaitoe dan sakalian hakim marikaitoe 
dan sakalian hakim marikaitoe jang mempoenjai akhal dan bitjara 
marikaitoe adanja. ’ 

En verder: Amabaadoe kemadian daripada itoe maka adalah 
kanjataan dan katantoean jang di batjakan atas bahasa djawi, so- 
paja moerah mahhafadlalkan, dan mengatahoewi dia pada sakalian 
orang jang baharoe berkahandakh kapadanja lagie tiada berbilang 
__Patsalnja dan atsalnja dan babanja dan hhadisnja dan moealanja 
dan msailahnja dan oetsoelnja malainkan atas sakira kira paham 
jang patoet mandapat sakalian kitab dan kaadilan bagie sakalian 
menoesia mechaloekhnja Allah taala adanja. 

Daarna wordt gehandeld over Allah en zijne eigenschappen, de 
noêr Moehammad, de nederdaling daarvan op Adam, vele Arabische 
philosophische, mystische e.a. termen en hunne ware beteekenis. 
Op bl. 18 staat de traditioneele verdeeling in negen hoofdstukken, 
als volgt: oendang oendang taaloek kapada le Radja radja, 2e ka- 
pala kapala dan panghoeloe panghoeloe; 8° sakalian alim dan 
aloema jang khadlir lagi hakim marikaitoe; 4° segala paki pakian 
he sakalian permanian; 6° sakalian boeni boenian; 7e rami ramian; 
8° sakalian hoekoem jang terpakei didalam isi alam ini; 9e sa- 
kalian kabesaran segala manoesia didalam alam ini. Van deze negen 
»poetjoek’s” heeft een deel betrekking op Roem, een op China en 


VAN HET KONINKLIJK INSTITUUT. 203 


een op Menangkabau. Op bl. 25 wordt de schepping van Adam 
verhaald, en hetzelfde verhaal medegedeeld als voorkomt in de 
vertaling van een soortgelijk boek door E. Netscher in zijne ,,Ver- 
zameling van overleveringen van het Rijk van Mänangkäbou, Indisch 
Archief, Re jaarg. III, bl. 39 en volg. Daarna is sprake van den 
oorsprong van Iskandar Dzoe’l Karnain, zijne krijgstochten en zijne 
zonen Simaharadja Alif, Simaharadja Depang en Simaharadja, even- 
als in de vertaling van Netscher, welker inhoud hier getrouw 
vertegenwoordigd is, behoudens enkele verschillen, vooral in eigen- 
namen; zoo heet de hond Malim (o. c. bl. 43) hier Maalam ~ 
(bl. 39), Tjatija Bilang Pandé (o.c. bl. 48) hier tjatti bilang pandi 
(bl. 40) e.d. 

Het geheele in genoemde vertaling voorkomende verhaal is in 
dit HS. te volgen tot bl. 104, waar een nieuw gedeelte wordt 
ingeleid met de woorden: hata dangan takhadir Alla taala maka 
babarapalah lamanja antaranja maka moefakatlah Datoek Soeri 
diradja serta Datoek nan batiga itoe jaani Datoek katamanggoengan 
dan Datoek Perpati Sabatang serta Datoek Soeri Maharadja nigo itoe. 
De in het vervolg vermelde wetten worden toegeschreven aan 
„niniek kita katamanggoengan dan Parapatie Sabatang.”’ 

De volgende wetten komen verder ter sprake: 

Oendang-Oendang nan salapan perkara, bl. 122. 

Oendang-oendang nan doelapan, bl. 129. 

Sjarak kitaboelfala en Adat, bl. 136. 

In dit gedeelte zijn de talrijke Arabische woorden en uitdrukkingen 
meerendeels geheel verbasterd en onherkenbaar geworden, en vele 
aanhalingen uit den Koerân, eveneens bijna onherkenbaar, en uit 
de overlevering worden als argumenten geciteerd. Op bl. 151 staat 
als slot: Kerna kitab itoe terlaloe basar sakalie kalie oleh terka- 
talah ia die badannja daripada sakalian adat Nabie ts.m. laloe ka- 
pada sakalian adat jang terpakai adanja. 

Katahoewi olehmoe hei Talib parie manantoean asal kata K. p. r. 

Bl. 152 begint met de woorden: Istiadat Aldoenia namanja 
pada segala orang jang berakhal namanja, eene verhandeling over 
het begrip (akhal) en de daarvan afhankelijke eigenschappen en 
negaties daarvan, in verband gebracht met sjarak, adat, istiadat, 
limbaga. Uitvoerig is het gedeelte over den rang (martabat) van 
den mensch in de schepping, met uitweidingen over zijne voor- 
treffelijkheden en gebreken. Op bl. 192 vangt eene verhandeling 
aan over de termen van den sjarak en hunne beteekenis, voor- 


204 CATALOGUS DER MAL. HANDSCHRIFPEN 


namelijk ten aanzien van het procesrecht, waarna wordt voortge- 
gaan met de uiteenzetting van ,,akhal.” 

Op bl. 225 komen de „martabat negri” ter sprake, nl. kam- 
poeng doesoen jang die kapala batoeah, koeat negrie jang ada 
kapala jaanie panghoeloe, loehak jang babapithalak lagie ada kapala 
Radja en soeroeh soeroeh atau masdjid jang ada kapala pagawie 
alam dan oemah dan pakih dan khalie, welke vier rangen uit- 
voerig worden behandeld. Op bl. 229 worden de drie martabat 
perampoean genoemd, gevolgd door de martabat’s der orang kaia, 
der alim, der fakhir dan pandito, der orang jang djadie soedagar, 
der mantrie; in de laatste uiteenzetting (der mantri’s) eindigt het 
geschrift met de woorden: dan djikalau toean diam pada siasat 
mantrie kamana akan die bawa dan djikalau die katanja kamie 
pada kadoeanja separtie ibarat njatala itoe ialah anak kakie doelat 
sikoer djangan die kok kamie berdoea itoela djangan die palang- 
kan djoea adanja. | 

Dit handschrift, dat een voor een Europeaan gereedgemaakten 
tekst schijnt te bevatten, is als eene uitgebreide Tambo te be- 
schouwen; of al het op de eigenlijke oendang-oendang Ménang- 
kabau volgende inderdaad tot eene, zij het ook zeer uitvoerige, 
redactie van den Tambo gerekend moet worden is niet zeker. 


XVI. 
Oendang-Oendang Ménangkabau II. (HS. 222 (1), 


21'/,x 17 cM., 121 bl, 19 r. Latijnsch schrift. 


Dit handschrift vertegenwoordigt eene andere redactie van den 
Tambo. Vooraf gaat een gedeelte over de waarde der Menang- 
kabausche wetten en het belang van hare toepassing, beginnende 
met: Patsal pada menjatakan beda ‘daripada sidik dengan midik 
tjardik dan tjandakijo pada arib dengan bidjaksana, pada hal sabab 
toemboeh pada kita persalahan sabab toemboeh kahinaän sabab 
toemboeh katjalaiin oleh sagala kita manoesija karana doedoekan 
sidik dengan midik. 

Op bl. 3 is te lezen: Adapoen pitoea Datoe katoemanggoengan 
serta Datoe perpatih Sebatang mangikoet kata adinja Nabi Salala 
oe alayiwasalam dan dalil Allah oe taäla, en na eene vermelding 
van de beteekenis der pénghoeloe’s staat op bl. 4 Adapoen anak 
Berpatih Sabatang Djamatang namanja nama iboenja Djoelihata. 
Eerst op bl. 8 opent eene Arabische inleiding, door de Maleische 


VAN HET KONINKLIJK INSTITUUT. 205 


vertaling gevolgd, den eigenlijken tambo, in het begin waarvan 
de negenvoudige verdeeling aldus wordt opgegeven: 1. taäloek 
kapada Radja, 2. kapada Panghoeloe, 3. kapada alam, 4. kapada 
pakaijan, 5..kapada permainan, 6. kapada boeni boenijan, 7. ka- 
pada ramiramijan, 8. kapada hoekoem jang terpakaj pada Alam, 
9. kapada kabesarau Alam. Daarna volgt de geschiedenis van Adam, 
van Alexander den Groote en de epigonen, en van Datoek Katoe- 
mènggoengan, met geringe afwijkingen van HS. 570, ook in de 
eigennamen (b.v. tjatti bilang pandi hier: Tjati bilang panday). 
Eerst op bl. 89 wordt vermeld dat de negen poetjoeks der oendang- 
oendang in drie landen vigeeren: nl. een in Minang Kerbau, een 
in Atjeh en een in Roem, ijalah nan dipakay orang Mokkah dan 
Madinah; eenige regels verder wordt de oorsprong van de wetten 
der Chineezen, Benggaleezen, Engelschen, Franschen en Hollanders 
behandeld. Op die bl. 89 toch valt het einde van het eigenlijke 
geschiedverhaal met de woorden Adapoen Datoe Soeri di radja 
ijalah mamak oleh Datoe nan berdoea itoe. In het laatste gedeelte 
worden allerlei bepalingen medegedeeld, op gezag van Datoe katoe- 
manggoengan en Datoe perpatih sebatang. Het slot is: Adapoen 
adat jang sepoeloeh pertama berdagang berniaga, berhoem, bertanam 
bertaranak kerbau djawi berboewat bertahoen berboewat kebadjikan 
berboeat ibadat pahi mengadjie atau mengadjar berlajer katangah laoet 
berdjinaka pada segala hamba Allah serja menjerja tolong menolong 
pada kerdja kebadjikan atau berniaga itoelah nan sabanar benar 
adat jang patoeb kita pakaij pada segala handaij tolan kita-Tamat. 
Van de verschillende handschriften welke in meer of minder 
afwijkende redactién de Tambo-materie behandelen zijn te vermelden: 
Leiden: Catalogus, bl. 245—248, cod. 1962, 1745, 1772(1), 
1778 (1), 1915 (2) en 3382. 
Batavia: Collectie-Von de Wall, nes 202, 203, 204 en 205. 
Batavia: Collectie-Bataviaasch Genootschap, nos 27 en 280 (eenigs- 
zins afwijkende redactiën). 


XVII. 
Tjarita Bangka I. (HS. 541). 
24X 17 e.M., 112 bl, 17 r. 


Begin: Plas Eyal 5) cree BO whi Sgt lS Za Mad 
we AS lew has Jes wast CAST Mel piso. 


206 CATALOGUS DER MAL. HANDSCHRIFTEN 


In de eerste pasal worden twee legenden omtrent het ontstaan 
van Bangka medegedeeld. Volgens de eerste was een schip uitge- 
zeild uit Djohor onder den kaptein aS ) ops; deze had den dood 
gevonden door een prik van den naald zijner vrouw, men dacht 
aan opzet en een oproer ontstond; het schip dreef voort en werd 
Banka, de masten werden bergen, een sloep werd Biliton, eene 
hut werd Batoe Bali, de keuken werd Sembawang Dapoer. Volgens 
de tweede is Bangka ontstaan uit een schip dat voer tusschen 
een van Djohor losgeraakt stuk grond en de kust, en werd het ge- 
stuurd door dienzelfden kaptein, die op dezelfde wijze den dood 
vond, waarna oproer ontstond. De geulen tusschen het land en 
het losgeraakte deel werden grooter; zoo ontstonden Bangka, 
Billiton en Singkep. 

In de 2e pasal wordt eene legende verhaald gehoord bij de lieden 
van Maras, in de 3e bij die van Blinjoe e.a.; zoo worden vele 
legenden over het ontstaan van Bangka medegedeeld, later worden 
de geschiedenis van Bangka en het ontstaan der voornaamste ambten 
behandeld; de verschillende oorlogen worden opgenoemd, een vorsten- 
kroniek wordt gegeven en eene wetgeving wordt (in § 26) uit- 
voerig beschreven in 45 artikelen. Het aantal pasal’s is 29. 

Het slot is: yal Elke fs ale! ySlondo Glo pleco alinkao 
ovaal ik Bt OB MS gil oF GIP nn tym 


Bol cvs tb ne yeh za jh 0 Ale al il 
Mo Hw oat, cylys SP 17 AS zaan 


XVIII. 
Tjarita Bangka II. (HS. 586). 
34 <x 21 c.M., 145 bl, 34 r. Latijnsch schrift, 


Begin: Soerat karangan olih Toemenggoeng kerta Negara jang 
bertanda di bawah ini didalam tjerita asal kedjadian Poelo Banka 
dan dari mana orang of manoesia jang ada di dalam itoe Poelo 
serta lain lain hal jang soeda djadi serta soeda dihimpoenkan dengan 
masing ampoenja tjerita serta di ambil sadja sedikit sedikit mak- 
soednja dengan pendik jang bagimana terseboet dibawah ini 
adanja. 

Het slot is: demikianlah diparboewatkan olih jang mangarang, 
ini serta tjerita, soela harap akan ampoen kepada Toehan jang 


VAN HET KONINKLIJK INSTITUUT. 207 


maha moelia, apa jang djadi tersalah '), atau tida betoel, melainken 
demekianlah adanja, tammat. Olih Toemenggong kerta negara 
jang berboewat itoelah adanja Telah tarsalin ini tjerita kapada 
tahoen Holanda 2 July 1861 tahoen Melajoe 23 Dzoelhadji 1277. 

Dit handschrift heeft denzelfden tekst als n°. 541, doch eene 
copie van dat MS. kan het niet zijn; trouwens dit HS. is ouder 
dan n°. 541, gelijk uit de data blijkt. 

De laatste vijf bladzijden zijn gevuld met eene korte beoordeeling 
der legenden en eene vrij uitvoerige inhoudsopgave met verwijzing 
naar de bladzijden waar de „Fatsal’s’”’ beginnen. 

Eene uitvoerige inhoudsopgave van. dit geschrift is gegeven 
door F. S. A. de Clercq in de Bijdragen van het Instituut, deel 
XLV, bl. 113—163, waarnaar verwezen worde voor analyse, ge- 
halte van den tekst, eigenaardige uitdrukkingen en derg. 

Ken ander handschrift wordt vermeld in den catalogus van Dr. 
Juynboll, bl. 254, cod. 2285. 


XIX. 
Sjadjarah Radja-Radja Riouw. (HS. 630). 
33 X 21 ¢.M., 181 bl., 31 r., (bl. 1—42), 38 r., (bl. 483—181). 


Voorin staat: ,Dit handschrift, een getrouwe copie van een 
dergelijk dat berust in het archief van den Jangdipertoewan woeda 
Riau, en de geschiedenis van het vorstenhuis beschrijft werd mij 
door Radja Ali Kelana, die zich steeds een trouw en oprecht vriend 
betoonde, als aandenken aangeboden bij mijn aftreden als Resident 
van Riouw en onderhoorigheden. April 1896 v. Hasselt’. In Sep- 
tember 1903 werd het HS. door den heer Van Hasselt aan het 
Instituut afgestaan. 


Begin: „Sige ls elis rad ony Rhod & SS ld 
Cs ad adil she edes pbo GES ode algae zb EN AS 
Wht sd ise zl, plien dole ode zo Bye lS haw 
geiser ann WS ond Et ga gly el gl) a 


besl coh ais sp ps PI eye 
Daarna wordt rekenschap gegeven van de redenen welke tot 
bekorting geleid hebben in de volgende woorden: maka berpan- 








1) Hierdoor is het zonderlinge wsaaw,s aan het slot van HS. 451 opgehelderd. 


208 CATALOGUS DER MAL. HANDSCHRIFTEN 


djanganlah hikajatnja ini didalam sjadjarah dan sijarah Malajoe akan 
tatapi pada kitab ini boekannja maksoedkoe akan mémpérboeat 
tjitéra jang pandjang itoe karéna tjitéranja jang pandjang soedah 
ada bébérapa banjak karangan orang jang déhoeloe déhoeloe dari- 
padakoe déngan kitab ada jang disoerat déngan tangan dan ada 
jang ditjitak déngan soeratan tab adapoen jang akoe pérboeat ini 
sakadarkén héndak ménjatakén pératoeran jang djatoeh pada pér- 
djalanan antara pérdjalanan radja radja Malajoe déngan radja radja 
Boegis tatkala pada masa radja radja sabéleh Djohor déngan radja 
sabélah Djohor déngan radja radja sabélah Boegis dan radja radja 
sabélah poelau Pértja soepaja méngatahoei djalan dan sabab bér- 
tjampoeran nasab saténgah atas saténgahnja déngen pérkata’an dan 
karangan jang kémas. 

Op bl. 2 begint de geschiedenis der regeering van Sri Pikra- 
mawira; daarop volgen Iskandar Sjah, Radja Bésar Moeda; voorts: 
de geschiedenis van Djohor, de regeering van Soelaimân Sjâh, de 
salisilah Law 9Je5 xluwrtiu gadle tly (bl. 11), de salasilah radja radja 
sabélah Boegis jang masoek katanah Barat négari Djohor (bl 15), 
de salasilah katoeroenan Oepoe Daeng ils, en vele andere oepoe’s 
(— bl. 35); de geschiedenis der Boegineesche vorsten van Loewoe, 
de betrekkingen tot Djohor en andere Maleische rijken, de geschie- 
denis van Landak, en andere landen en die der vorsten van Riouw 
in het bijzonder. Uitvoerig worden de aanrakingen met de Hol- 
landers, en later de onderhandelingen met den resident Elout 
behandeld; het slot vormt de volgende alinea: tammatlah pékér- 
dja’an Soeltan Mahmoéd itoe habis kisatnja dan tinggallah jang 
dipértoean moeda radja Moehammad Joesoef didalam Riouw sérta 
istérinja poetra soeltan Mahmoêd al Marhôem maka tétaplah jang- 
dipértoean moeda radja Moehammad Joesoef mémarintahkén négari 
Riouw déngan ségala dairah ta‘alloeknja sabagimana atoeran pa- 
doeka ajahanda Marhoém jang déhoeloe déhoeloe pada pangkatnja 
adapoen jangdipertoean bésar soeltan Soelaimân Badroel'âlam Sjâh 
tétap poela didalam négari Lingga dan salaloe sahadja soeroeh 
ménjoeroeh ka Riouw kapada padoeka adinda baginda jang-dipertoean 
moeda radja Moehammad Joesoef dan kapada residen Riouw dari- 
pada pékérdja’an négari dan lainnja adanja. Aan het einde wordt 
het boek betiteld: lbs GmaSy> dp sela Het, bol hase mal 


rs pla ol) sepr UU! gE ls pal Ra ofl mr il 
zo err oe Rb SO on fr Jl me pn ls 


VAN HET KONINKLIJK INSTITUUT. 209 


Slaw 5,5 (CSS waarop eene waarschuwing volgt nopens het 
wijzigen dezer kroniek, 

Slot: SP unl Ko AS uss cy ssl cy! law ax she 
WNP Kw BEP dd aow Jd pe AD! (69 dd ILL a, ce? 

| io 

Als datum van het overschrijven wordt vermeld 8 Sja‘bân 1318, 
als plaats: Pénjéngat, als copiist: Ali ibn radja hadji Moehammad 
Riouw. 

Onder verschillende namen is deze Riouwsche kroniek bekend, 
z.a. hikajat négéri Riouw, silsilah radja Boegis, atoeran satija Boegis 
déngan Malapoe. 

Andere handschriften: 

Leiden: Catalogus, bl. 283—234, cod. 1724 (2) en 1741 (1). 

Batavia: Collectie-Von de Wall, nos 195 en 197. 


XX. 
Hikajat Salasilah Perak. (HS. 632). 
34 x 21 cM., 103 bl, 31 r. 


Begin: cds Ry Alke aly) Kaal pao zt at aon) 

| zld yd Tp Reals sl so ikl vake 0e bras 
Kabel mabe! Sis call Tel) deel ordo Alet (ob alll Jb 
re ol 95 kal oly BP IGS QUT 0 Nee se 
Hee logs zj TASS that Glo coms ols syle ele 
gl CS MOS od a bt cy ahr oF HE yo 
je shige Bike wt des gl de val, pil xl) 6 RS 
ope Gh Ge all tad Sy LT opt ot oI de 
es! chs} IAS oP 

Slot: se praia sad} de dele WK ly TAS py tt ot 
Sen za lola eyisls 3 us F Bob mam Rilo hole zl 
Blawl (ysl Kalk iz Is le fl eis 5 ESS Ohl 
cyl (Ac (yale bras gien Kae all Iz ey 5,9 eye 
a Mo gal ese IAS eam sil Kids loge Nita! slits jypaia 


- glas sole 


210 CATALOGUS DER MAL. HANDSCHRIFTEN 


Dit handschrift bevat eene geschiedenis van Perak. In het 
manuscript ligt eene uitvoerige inhoudsopgave van wijlen den heer 
G. K. Niemann, uit wiens inleidende opmerkingen het volgende 
tot kenschetsing van het geschrift wordt overgenomen: „Over het 
geheel is het vrij goed geschreven, slechts hier en daar eenigszins 
onduidelijk. Het is een geschenk van het nu overleden correspon- 
deerend lid Maxwell, die zelf op Malaka woonde, naar ik meen 
te Perak. Hij gaf reeds een kort account of the history of P. in 
het Journal of the Straits Branch of the R. As. Soc. in 1878, 
pag. 187... Het is niet onbelangrijk voor de kennis van gebruiken 
aan de Maleische hoven, en bevat passim enkele in de Wd. boeken 
ontbrekende woorden. Ook wordt een nederzetting der Hollanders 
in Perak voornamelijk voor den aankoop van tin vermeld, p. 65—97 
_ wordt een pleziertocht van een der sultans naar de zeekust ver- 
haald, die in dichtmaat gesteld is en ikatan sjair wordt genoemd; 
op p. ¥7, reg. 8 v.o. gaat hij weer voort in proza...” Behalve 
de analyse van het verhaal heeft Prof. Niemann uitvoerige aan- 
teekeningen over den tekst in het in ’t HS. bewaarde cahier neerge- 
schreven. Het HS. is slechts aan één kant der 103 bladen be- 
schreven. 

Andere handschriften zijn niet op te geven. 


XXI. 
Tjaritéra Négari Djambi. (HS. 538). 
32'/, x 20 c.M., 10 bl, 31 r. 


Begin: 5,0 ce Line loys cyan ASO ZR gelo Logw atol she 
Bos 50 er 5 AAI be! ale Mas Ido es 
hee cri IAD sas Lal wy! was vee AXA Zz 5, olsun 


ot bake Bee Alo Rone dl lo SS shah egte Zh 
Slot: MS Flo SP lage’ ww SASS Sige BY lt 
hey ee zo INS to BGO ed GIO gest) ol lo bolo 
edo sle JOS ger edo JE Go FD wall eno gol> 
erdlo (slm gylol wp tel) clo 


In een aantal kleine paragrafen wordt in dit HS. de latere ge- 
schiedenis van Djambi, zijn vorsten, hooge ambtenaren, afzonder- 
lijke landschappen medegedeeld, beginnende met ‚5,59 (bl. 


VAN HET KONINKLIJK INSTITUUT. 211 


sl I tye pwei lw gem, die drie zonen had: Raden Moe- 
hammad Kasim, Raden Taboen namanja Raden Rangga en de 
tegenwoordige soeltan, genaamd Raden Danting. 

Op het laatst geeft de ongenoemde schrijver eenige data, t.w. 
16 Juni 1832 zijn tocht naar den soeltan als gezant van den heer 
u~isd, 6 October 1832 idem naar Soeralangoen. 

Daarop volgen twee feiten in datzelfde jaar zonder datum. 

12 November 1834 zijn zending door den heer w5\>,.; naar soeltan 
Moehammad Fachroeddin. 

1 Januari 1835 zijne vestiging met den luitenant +,s,X£! te Moe- 
wara Kampi. 

19 Maart 1837 zijne aanstelling tot démang van Wikoen. 

23 Juli 1838 zijna voorloopige vestiging te Palémbang. 

Andere handschriften worden niet vermeld. 


XXII. 
Hikajat Négari Djambi. (HS. 205). 
33 X 20 e.M., 33 bl, 31 r. Latijnsch schrift. 


Begin: Iniela soewatoe Tjarieta dariepada Zaman parboe kala 
ada saorang Radja die Dalam Nigrie Djambi nama Toean Talanie 
radja die dalam Nigrie jang Asal, adala satoe Nigrie die Darat 
doessoen Moeara Djambie dan sampie sakarang ada bekas Nigrie ietoe. 

Slot: tiada barapa lamanja maka sultan Machmoed Mohidien 
poen matie maka Pangeran Ratoe djadie Radja Barnama Sultan 
Mohamad Paharoedien dan Pangeran Paraboe djadie Pangeran 
Ratoe Marta Ningrat jang ada sakarang die Nigrie Djambie Domi- 
kianla adanja. 

Dit HS. bevat eene geschiedenis van Djambi, van soeltan Talanie 
tot Mahmoed Fachroeddin. Talani liet zijnen zoon in een kistje 
in de zee werpen, daar sterrewichelaars hem hadden voorspeld dat 
zijn zoon hem in den strijd zou dooden. De vorst van Siam vond 
den knaap, die later naar Djambi ging en inderdaad zijnen vader, 
die hem niet erkennen wilde, doodde. Later volgt de geschiedenis 
van de aanrakingen met de Hollanders. 

In inhoud komt: dit manuscript overeen met het op bl. 245 
van Dr. Juynboll’s catalogus beschrevene handschrift; de Ménang- 
kabausche prinses Pinang Masak, aldaar op bl. 11, wordt hier 
op bl. 21 genoemd met de vermelding dat zij van een djinn af- 
komstig is. 


212 CATALOGUS DER MAL. HANDSCHRIFTEN 


Jaartallen komen in dit geschrift niet voor, ook niet aan het 
einde; het Leidsche HS. echter is gedateerd 27 Rabi* I 1253 H. 

Ander handschrift: 

Leiden: Codex 2013. 


XXIII. 
Tjarieta sabab djatoeh koewasa Sultan Djambi. (HS. 207). 
33 Xx 20 cM., 8 bl., 32 r. Latijnsch schrift. 


Begin: Tjarieta sabab ienie Sultan Djambie Barmoela djatoe 
dia poenja koewasa Dan hilang dia Poenja Koewat Adalah asalnja 
Tatkala bardierie Sultan Machmoed Mohidien djadie Radja mang- 
gentie Soedaranja Sultan Masoed Badaroedien maka Sultan istrienja 
nama Ratoe mas iessa maka Tatkala ietoe kira kira pada tahoen 
1812 katika ietoe Sultan Bagiemana adat Radja Radja mengambil 
anak anak orang Nigrie ada kira kira 30 orang. ; 

Slot: Kamoedian Pada Tahoen 1842 Sultan Mohamad Paha- 
roedien matie maka Pangeran Ratoe Marta Ningrat djadie Radja 
Nama Sultan Abdul Rachman Nassaroedien ijala sekarang Sultan 
die Djambie. 

Dit HS. bevat een kort relaas van de oorzaken welke geleid 
hebben tot het verloren gaan van de politieke macht der soeltans 
van Djambi; op den omslag staat als titel: Val van Djambi. 


XXIV. 
Tjarieta Adipati Wira Tanoe Datar. (HS. 215s), 
82 x 20'/, cM., 38 bl, 31 r. Latijnsch schrift. 


_ Begin: Bahoewa iniela Sewatoe Ihayat atas trietanja Toeän 
Adhiepatie Wiratanoedatar Bopati Tjieandjoer ijang dahoelloe. 

Adapoen Toeän Adipattie Wiratanoedatar itoe terlebieh mashoer 
ampoenja kebaekkanja kebanjakan orang ijang sanget terpoedjie 
kepadanja. 

Slot: Sahadan dieatas inie tjrieta koerang lebienja itoe hendakla 
Toelloeng betoelken dan mäloemken barang ijang bersalla dieätas 
dimiekieän inie adanja. 

Onderaan: „Geschreven te Tjiandjoer Res. Preanger Regentsch. 
1857.” 


VAN HET KONINKLIJK INSTITUUT. 213 


Dit geschrift is vertaald door C. M. F. Stockhausen, en die 
vertaling is door S. Keijzer in de Bijdragen van het Instituut, 
nieuwe volgreeks, deel VI, bl. 292—306 gepubliceerd. 


XXV, | 
De invoering van den islâm in de Preanger. (HS. 215). 
32 x 20'/, c.M., 17 bl, 24—30 r. Latijnsch schrift. 


Op den omslag: Verhaal van de invoering van den Islam in 
de Priangerlanden. Maleisch handschrift van 1857, ingezonden door 
den heer H. W. van Marle. . | 

Begin: Adapoen tjrietanja ijang bermoela memasjok kapada 
agama Islam toeroen menoeroen ijang memasjok bilangan die 
Kabopaten 'Tjieandjoer iaitoe hienga darie Arija Wangsa goprana 
segara herangkrawang hinga dari sietoe dateng sekarang mendjadila 
baharoe 9 toeroenan ampoenja lama tela masjok kepada agama Islam. 

Slot: Toeroenan hinga darie Praboe Tjioeng Mandara dateng 
Skarang Welohoe alam soeda babrapa lamanja Taonnje ietoe adanja. 

Onderaan: „Geschreven te Tjiandjoer Res. Preanger Regentsch. 
1857”. 

Dit geschrift is vertaald door OC. M. F. Stockhausen, en die 
vertaling is door S. Keijzer in de Bijdragen van het Istituut, 
nieuwe volgreeks, deel VI, blz. 307—313 gepubliceerd. 


XXVI 
Tjarita Siam. (HS. 534). 
33 X 20 cM., 40 bl, 27 r. Latijnsch schrift. 


Begin: Adala kapada tahoen Nabie Mohamad anak Abdulla 
1238 dan kapada boelan Zulhadjie kapada katika ietoe toean 
Pangeran Said Hassan Bin Oemar bin Abdulla Alhabsie mendapat 
reder dan order darie bawa Doelie Jang die Partoewan Bessar 
Gouverneur Generaal G. A. G. P. Baron van der Kavelan Radja 
jang mamerenta Nigrie Doenja Tana Indie, manjoeroe barlaijar ka 
Nigrie Siam membawa soerat sarta bingkissan kapada Radja maha 
Bessar die Banoewo Siam. 

De schrijver noemt zich Abdulla uit Bassoeki. 

Hij verhaalt hoe hij met den genoemden Pangeran naar Siam 
gezonden werd door den Gouverneur-Generaal Van der Cappelen, 

Te Volgr. VI. | 2 16- 


oa % yu 


214 CATALOGUS DER MAL. HANDSCHRIFTEN 


hoe hij aldaar den naam kreeg Djeroe Toelis Oetoessan Jang die 
partoean Djiktro, hoe hij zich kweet van de gegeven opdracht bij 
den vorst Pra ongkan, hoe hij in Bezoeki teruggekeerd zich wijdde 
aan een onderzoek naar de geschiedenis van Siam, en in staat werd 
gesteld die geschiedenis te schrijven. 

De inleiding bevat mededeelingen over de afstamming der 
Siameezen, de godsdiensten en bijgeloovige gebruiken in Hindoestan, 
de bevolking van enkele Indische landen e.d. Daarna, op bl. 14, 
begint het eigenlijk geschiedverhaal met de vermelding van Kon 
Loang Kiran en zijn broeder Kon Loeng hut, waarna het optreden 
van den Chinees Sien uit Tak verhaald wordt; zijn regeering 
en die van Pija Tjakrie worden uitvoerig verteld. Zijn opvolger 
is Sum Didit Ratjoe Loekto (bij Juynboll, ad cod. 2011 Sim 
Didtu Râtjû Lakat). Na het geschiedverhaal — 119 jaren koningschap 
en vele jaren van verbrokkeling onder kleine vorsten — volgt eene 
uitwijding over de minderwaardigheid der Siameezen, de ervaringen 
van de gezanten van den Gouverneur-Generaal, de bemoejingen 
van Engelschen, e.d. 

Het slot is: Sabarmoela adala hikajat ienie tella di soeroe olleh 
jang Die Partoean Bessar Gouverneur-Generaal tjitak diedalam 
Nigri Batawie dengan bachsa olanda damikian Ja Adanja. 

Dit geschrift is, naar het schijnt, identisch met de Hikajat 
Radja-Radja Siam, zie Catalogus-Juynboll, bl. 240, ad cod. 2011, 

Andere handschriften zijn niet op te geven. 


XXVII. 
Silasila Radja Radja didalam négari Palémbang. (HS. 414). 
34 x 20'/, c.M., 37 bl, 33 r. 


Op den omslag staat: „Jol Rul Ls, Aloo re) Pha 52! ene 
Inie Silasila atsal Radja di negrie Palembang. 

Begin: crrSn2 yl gmt SY Grok JK 59-90 cts OHS logs 
esn SL SB zino BT GLI one RT Rell peal ke 
BY RUS Kos Eos Fine Rad Lb erage gil Ride Saw 

gna SEI ph ME hed ge ale pdr, SY Rel 

el ehs wal VGT Vols sl Kaala 

In de inleiding wordt verhaald dat een schip verging bij den 
berg Sagoentang; de gezagvoerder vestigde zich daar. Een schip 


VAN HET KONINKLIJK INSTITUUT. 215 


van Java verzeilde daarheen, na een jaar kwam het terug om 
de familieleden van dien gezagvoerder over te brengen ; zou bevolkte 
zich Palémbang. 

In § 1 is sprake van vorst 8e, in Keda Hindi en zijne zonen 
en kleinzonen, onder wie Radja Soeran wiens zoon Soelan naar 
Palémbang voer, en de verschillende gewesten aldaar onder zijne 
zonen verdeelde. De geheele geschiedenis is in 13 paragrafen ver- 
deeld ; in § 3 is sprake van den Javaanschen vorst Prawidjaja VII, 
wiens dood in § 5 verhaalt wordt, in § 6 van den panémbahan 
Palémbang, Raden Pasah, die gehuwd was met de dochter van 
den soesoehoenan van Ampil Dénta, iu § 7 wederom van Radja 
Soeran in Amdan Négara. In die § wordt het ontstaan van Jas 
verhaald, van wien gezegd wordt: „laars cy Bow coy eral Jas 

ols aika ele Ko let Erle yd Ew SS nw 

In de faatsto § worden vele jaartallen gegeven, beginnende 
met 981, de komst van Kjai oye som #sÂS uit Soerabaja, en 
eindigende met 2 Radjab 1277: den dood van Ahmad Nadjmoeddin 
in Ternate. 

Bl. 31—39 zijn gevuld met eene verhandeling over de oude 
titels en hofgebruiken in Palémbang; de schrijver besluit zijne 
optelling met de woorden: Ass aw wal wd JA gls 
Bab ff Ret by 


Alleen de linkerhelft der bladzijden is beschreven. 


XXVIII. 
Tjarita Radja Radja didalam négari Palémbang (HS. 531). 
34 X 21 c.M., 23 bl., 25 r. 


Begin: fed (583 Aloo tel) omge opl he ally ami 249 
os gt lab JOS Cope slay cdg AS awd Tjd all 
IB oe gle) AIO! Beld EK plo gls rs Gud pote 
GE SEO MS plaa PU nls ho gles est Gail wal 
mS Eh Bt B MS GW GP pil Ee Ul Cae 

Baby eal DER, al) SS Od Soy alge Gail) amy Carp 

Dit handschrift bevat het begin eener geschiedenis van de inwen- 


dige verwikkelingen in Palémbang. Het eindigt abrupt met de woor- 
den: ob sole zo JI arene coal capita IT whe ler alin 


216 CATALOGUS DER MAL. HANDSCHRIFTEN 


AS KS ele Dyas GE Age oS yglita WK che Sb Eyl as 
Ny AS Brow Ke yt cra GPS le Ft MKS mal Les Hil 
Mig SB opw So IKE pl AD KE Qo Cal 5e 
(FOR 

XXIX. 


Geslachtsregisters der vorsten van Palömbang. (HS. 527). 
129 x 98, plano. Latijnsch schrift. 


„Bahoewa sedjara ini djatoe riwaijatnja di Timoer en Singapoera 
en Melaka Bantan Tandjoenpoera en Menang Kabouw en Kommering 
Oeloe en Bengkoeloe masok toeroen dari riwaijat Soltan Askander 
Zolkarnain. | 

Dan Palembang toeroenan riwaijatnja dari Radja Soelan sampe 
watas depattie Karang widara poetoes radjanja diganti ole Prijai 
datang darie djawa toeroen temoeroen hingga sampe sekarang 
ada terseboet didalam sedjara Palembang. Deperboeat salinan olé 
raden Mochtar bin Raden rangga astra widjaija Abdulla di negrie 

Palembang 22 January tahoen 1869. R. Mochtar.” 


127 x 119 plano; idem. 


„Tertoelis dipalembang Kepada 24 January 1869 disalinken 
ole Raden Mochtar bin Raden Rangga Astrawidjaja Abdulla. 
R. Mochtar.”’ 


XXX. 
Tjarita Nigrie Palembang, (HS. 196). 
33 X 20 c.M., 36 bl., 27 r. Latijnsch schrift, 


Deze titel komt voor in den aanhef waarin verhaald wordt 
dat een resident van Palembang last gaf de oude geschiedenis 
van dat gewest op te schrijven, aan welk bevel gevolg gegeven 
is „akan tatapie tiada bolleh dapat kapada timpoe mana dan 
soeda barapa lamanja sekadar die atoerken kiesonja djoewa.” 

Het verhaal vangt aan met Radja Soeran anak darie Radja 
Tarsie Badaras die Nigrie Keling. Uit verschillende bronnen heeft 
de schrijver geput, ook uit de Sjadjarah Malajoe; opmerking ver- 
dient dat de beide edities ontbrekende aanspraak van Bat (hier 


s ee e 
ove? e 


VAN HET KONINKLIJK INSTITUUT. 217 


Boeto) ook hier voorkomt, en wel als volgt: (bl. 6) „hoe soewajta 
Padoeka Srie Machradja sariemo srie sapta soerina Boemie ijoedjaija 
Pala Nakaramo Nitkaling Karta makoeta Ran moeka Trie Boe- 
wana parie sang sakaraijta biena Nangka Darmo Rana Saran 
Geto Sengo Sano Ran wikramo wedat Ratta pala waijka saij Daij 
daij wa Ddij die Paraboe kala moelie malikie Daramo Radja 
Paramaysoerie,” waarop volgt: ,maka Radja ietoe die Gelarnja 
olleh Boeto ietoe Sang Saprabo Fram Srie Trie boewana.”’ [Zie 
de aanspraak, bij n° XIII (HS. 631)). 

Slot: ,maka darie dari Toeroenan kijaie Gedeng Soero moeda 
ieniela segala radja radja die Palembang maka habisla Tjarieta 
Pasal jang partama die Nigrie Palembang maka die samboet Tja- 
rieta Pasal jang kadoea soeratnja soeda ada kapada Srie Padoeka 
toean Resident.’ 

Een gedeelte van deze geschiedenis is in het Hollandsch vertaald, 
in Handschr. 201*, bewaard in HS. 201. 


XXXI. 


Tjarieta atoeran Radja Radja diedalam Nigrie 
Palembang. (HS. 201). 


33 X21 ¢.M., 17 bl., 31 r. Latijnsch schrift. 


Samengesteld op last van den resident en militairen comman- 
dant Luit. Kol. De Kock. 

Het HS. begint met de overwinning van Demak door den 
eoeltan van Padjang en de uitstrooming van Demaksche grooten 
naar Palémbang als gevolg dier onderwerping. 

Vijftien vorsten worden opgeteld, als laatste: „Machmoed Bada- 
roedien jang sakarang ada die Tarnatie.” Aan het slot worden de 
jaren van nieuwe contracten opgenoemd, nl. 1662, 1678, 1679, 
1681, 1691, 1722, 1755, 1763, 1791. 

Onderaan staat: Dé Perboeat oleh P. T. Karta mengala. 

In dit HS. ligt eene gedeeltelijke vertaling van HS. n° 196. 


XXXII. 
Hikajat Mahmoéd Badroeddîn. (HS. 201»). 
33 x 20 c.M., 9 bl, 32 r. Latijnsch schrift. 


Op den omslag staat: Het leven van Machmoed Badaroedin. 
Dit. handschrift bevat een kort relaas van de regeering van 


218 CATALOGUS DER MAL. HANDSCHRIFTEN 


Mahmoéd Badroeddin, die in 1218 H. optrad, zijne verwikkelingen 
met de Engelschen en Hollanders, de expeditie van Gillespie, 
de bemoejingen van Daendels e.d. Het slot is: ,maka Tetapla 
Sultan Achmad Nadjamoedien die Kardia an Sampie Timpoe 
Gouvernement Olando pegang India toean Menteng datang djadie 
Kommissaris Palembang adanja.” 


X XXIII. 
Contract met Palémbang. (HS. 537). 


31 x 21 ¢.M., 6 bl, 25 r. 

Begin: Blw (6,0 Risin KS alin! 
Od By cB dd sat el ahd PD Unity pall Cray 
cho d Rt ASUS Hy oP SI ep! Ke ven ond weedy 
A> eat GLP Uhr pal OS MI Ra ensued Ike 5,9 
masons esl bp ASS el ld yhnr nil pil crag PE OS 
Ly Kant Wye al was! CSS Ss Be ys? Slaw hs ytd sll 
caste GEO Spek OS BI Cw BRET OST Gigs bos SLs! 
SS whe Ad pKa ost ogo RHO oles POLCw bogs dea Vols! 
ol opd (59 5820 abi alias By TO ol 
Slot: Igo Vail, Ami Crp Comat cot BSP AS OS Bo 

1722 9 hoo ates. 

De bladzijden van dit handschrift zijn in Europeesche volgorde. 


XXXIV. 


Contract met Palémbang. (HS. 532.) 
31x 21 ¢.M., 9 bl, 17 r. 


Begin: silkw Bardo aks asid nil ll Jen Den ae 
nap di I ls ls Ar ried ol IA add Loser 
vs we msl NN ol) gE Lenin GES ignd fry’ 
orb gE db oss ot B allel coral gekan lo Bald 
LS Srl aT fame) A IRS GEO des vw yay 65 
os ol fo Eu GR ples est Gly & sil) ale 


VAN HET KONINKLIJK INSTITUUT. 219 


Ger Sythe Bol ok oi Be lS et ge OST Zr gil, 
oh Ob: Et ob Ad Ado ld GR lo Gals 
ot oh Aker Glo Sane pgs bo od Ai est 
……. WAIT 

Het geheele contract van den Gouverneur-Generaal Van der 


Parra met den vorst van Palémbang is verdeeld in tien paragrafen, 
de eerste pérkara, de anderen fasal genoemd. 


Slot: sil) opge WB pele Ss ens pllo Ses glo kk 
ho OS pad ahd ami el) aed jn all gee py Ald 
pny dale alll Jo Si BAD Ad eid ht EP pal alps 
SEP ho AS al Sho gS AS ephte alyd ESO eg rn 

MAT 1775 slot (6 lO aki gy Cima! oP Xd shall 93 les 

De bladen van dit handschrift zijn in Europeesche volgorde. 


XXXV. 


Toeroenan Radja Loewoe dan Radja Soppeng. (HS. 634). 
35 X 21 e.M., 17 bl, 20 r. 


Dit HS. bevat een korte geschiedenis van enkele dynastieën 
van Zuid-Celebes, voornamelijk van Loewoe, Soppeng, Tanette, 
Sidenreng. Het laatste jaartal (op bl. 2) is 1861, toen Soeltan 
CAbdoelkarim van Loewoe den 16e2 September vrede sloot met 
het Gouvernement. 


Het begin is: m5 Radom oly ol oo) zh obs ober dl ste 

ol opt ot sel EI Sigh 

PPS chan bags AS gjin B IAT gie Eyal WSO oo ely ost oI! 

ils iki Sym GEN Verde cal uw 18 

Het laatst vermeld is de 2le vorst van Tanette, die zijn ge- 

bied heeft laten opmeten, die wegen heeft doen aanleggen, en die 

EUD Bye OP el tlie va lj AS Leif ably 

ol ie gl Hi 

Op bl. 2 en 4 zijn randnoten aangebracht, waarschijnlijk van 
Prof. Niemann. 


220 CATALOGUS DER MAL. HANDSCHRIFTEN 


XXXVI. 
Toeroenan Radja 3 ebb. [HS. 555 (1) ]. 
35'/, X211/, c.M., 1 bl, 21 r. 


Over de beheerschers der landstreek Ls a yb. Begin: als 
El leit a PSPS vile 0 pk vo hye OF mad 8 ' 
wi ght ent elas Zbl Za! leit & Mh ls Ek ok 
B nahe cst. 

Blot: a> ae so AS shall 95 cytes 5, filw OS onli 
WF Raw od Sod. 


XXXVII. 
Tjaritéra Manggarai. (HS. 555 (2) J. 
35 x 21'/, e.M., 2 bl. 


Begin: ale! S239 ot, a led Ie gills opal oe 
CS asl 

Dit HS. bevat een kort verhaal van de onderwerping van Mang- 
garai en Soemba door Dewa Sang Bima, zijn komst op Bima, de 
geboorte van zijn zijn’ zoon wss „sl van wien de vorsten 
van Bima afstammen, de islamiseering van Bima, de ondernemingen 
tegen Manggarai en de verwikkelingen met de Compagnie. Het 
stuk is opgesteld door den kleinzoon van Soeltan ‘Abdalkadim, 
zoon van Soeltan ‘Abdalhamid, die zich de broeder van den feitor 
van Bima noemt. 

Slot: iw sos! E+) ele iso ai} Le wads eas} Od A 
EN Kee mio SP er One lln zw ot slat Hv. 


VAN HET KONINKLIJK INSTITUUT. 221 


AFDEELING IV. 
Inlandsche Wet en Adat, 


XXXVI. 
Oendang Oendang Bandar. (HS. 540). 
84!/, x 21'/, oM., 22 bl, 34 r. 


Op den omslag staat: JAis opw Louk 2! ) or Pelie). 

Het eerste hoofdstuk is de Atoeran Marga, verdeeld in 22 ar- 
tikelen, zeer verwant aan die der Oendang Oendang Palémbang, 
en nu en dan daarmede gelijkluidend. 

Het ‘tweede hoofdstuk is de Atoeran doesoen dan bérladang in 
16 artikelen, en het derde de “Adat pérhoekoeman in 103 artikelen, 
wederom zeer gelijkende op het overeenkomstige hoofdstuk der 
Oendang Oendang Palémbang (Zie n°. XLII). Vooraf gaat eene 
inhoudsopgave van alle artikelen, gedateerd: 1862 „24 IAS 99e 

Slechts de rechterhelft der pagina’s is beschreven. 


XXXIX. 
Oendang Oendang I. [HS. 222 (2) }. 
20 X 151/, c.M., 94 bl, 15 r. 


Na de eulogie roept de auteur Allah’s bijstand in bij het 
5d di ok Ly PEAS! lo File FLT d UA 19de 
GES CAS a Qh; del hAl Bl ab gid Agio 
Win zeke lo Ligh aes Pots As pl Uw andel GEKS so al, 
MS Ar Phos lk lj Ag Ra Pale Aw lo de Fr el, 
pie aly jas SS Case Ar A Jol Aw oo Jake 
2s Ria pile alle 

Daarna wordt uiteengezet dat de wet tweeledig is: 1°, die volgens 
de adat, ontvangen van de nenek Katoeménggoengan dan Para- 
patih Sabatang, 2°. die volgens de sjar’, welke is de hadith dan 
dalil sérta idjmâ’ ségala ‘oelamâ. De adat nu is zesvoudig: 
1%, Jol A Hisar 20 yi ip IP. Slings WH 40, Kd will 


222 CATALOGUS DER MAL. HANDSCHRIFTEN 


50, slay olf Jer of 6% sleu WS pes ol. Na vermel- 
ding der verschillende bepalingen, voornamelijk van strafrechter- 
lijken aard, vangt de schrijver zonder overgang aan met het Mo- 
hammedaansch procesrecht; omstreeks bl. 20 begint eene uitvoerige 
opsomming der vereischten voor de getuigen, met vele fa’idah’s, 
het optreden voor den rechter, de bekentenis; daarna volgt het 
strafrecht. De bedoeling van den auteur is den indruk te geven 
dat dit gedeelte van het Moslimsche schoolrecht inderdaad in 
Ménangkabau zoude gegolden hebben. 
Het handschrift is gedateerd 27 Ramadân 1285. 


XL. 
Oendang Oendang II. (HS. 222 (8) }. 
21X17 e.M., 84 bl., 18—22 r. Latijnsch schrift. 


De doxologie ontbreekt. In plaats van 5 fin ple „lo heeft 
dit handschrift: dalam Poelau Andalas. 

Dit HS. is niet, zooals het voorgaande, telkens onderbroken 
door gedeelten van het Mohammedaansche procesrecht. Terwijl 
in het vorige HS. onmiddelijk na de vermelding der inlandsche 
strafwetbepalingen eene aanwijzing volgt hoe gehandeld moet 
worden wanneer adat en Moslimsche wet met elkander in strijd 
zijn, en daarna de uiteenzetting der artikelen van de theoretische 
Moslimsche wet nopens de manier van procedeeren gegeven wordt, 
volgt in dit HS. onmiddelijk op de inlandsche strafbepalingen — 
welke in de andere bewoordingen gesteld zijn dan die van het 
vorige manuscript —: de Zamoen (artinja mamboenoeh orang 
dengan pengatahwannja) de Sakar (artinja mamboenoeh orang 
dengan tidak pengatahwannja), de sarat barpindah hoetang kapada 
waris nan sapandjang adat, (bl. 63), de Mara Tabat kapala Kotta 
(bl. 67), het mandirikan Imam sambahijang (bl. 69) en het 
mandiriken Imam adat (bl. 77). 

Hoewel dit HS. ook in spelling vaak gebrekkig is, vertegen- 
woordigt het toch eene meer volledige, echte en oorspronkelijke 
redactie dan het vorige manuscript, dat slechts voor een gering 
deel — nauwelijks één vijfde — inlandsche wetsbepalingen 
bevat. 

Slechts de rechierhelft der pagina’s van dit HS. is beschreven. 


VAN HET KONINKLIJK INSTITUUT. 223 


XLI. 
Katérangan pérkata’an ségala oendang oendang. (HS. 236 (3) J. 
34 x 21 e.M., 2x4 bl. 


Verklaring van eenige uitdrukkingen in Palémbangsche wetten 
voorkomende, gevolgd door eene kleine verhandeling over enkele 
adat’s voor en na de invoering van het Nederlandsch gezag. 

In Latijnsch en in Arabisch schrift. 

Bovenaan staat: Behoort bij missive van 14 Juni 1870, n° 56, 
De stukken zijn beide gedateerd 23 Mei 1870. 


XLII. 
Oendang Oendang Palémbang I. [HS. 236 (7) }. 
84 X 21'/, c.M., 45 bl, 40 r. Latijnsch schrift. 


Het eerste hoofdstuk is getiteld Adat boedjang Gadies Kawien, 
en verdeeld in 27 ,,patsal’s’, het tweede (bl. 9) Atoeran Marga 
in 29, het derde (bl. 16) Atoeran doesoen dan berladang in 32, 
het vierde (bl. 25) Adat perhoekoeman in 64, het vijfde (bl. 41) 
Atoeran Padjak in 16. 

Alleen de rechterhelft der pagina’s is beschreven. 


XLII. 
Oendang Oendang Palémbang II. (HS. 416). 
33'/, xX 21 c.M., 64 bl, 32 r. 


Op den omslag staat ylollo boyss FASS srg! 0593 erate 

De rechterhelft der bladzijden bevat den tekst in Latijnsch 
schrift, de linker in Arabische karakters. 

De eerste drie hoofdstukken zijn dezelfde als van HS. 236 (7), 
maar het vierde is in dit HS. Atoeran Kaoem verdeeld in 18 
»pasal’s”, het vijfde (bl. 37) is gelijk aan het vijfde en het zesde 
(bl. 43) aan het vierde van het vorige HS, 

De spelling in beide handschriften is verschillend, evenwel niet 
belangrijk, gelijk blijken kan b.v. uit $ 4 uit de Adat Pérhoekoeman, 
naar HS. 236 (7): Djika orang jang daoewa oetang pioetang 
membaijar tanda srah tiada boleh lagie Pasi Rah perwatien ambil 


224 CATALOGUB DER MAL. HANDSCHRIFTEN 


walesan djika oetang terbaijar, en naar de transscriptie in dit 
HS.: Djika orang iang dawa oetang pioetang membaiar Tanda 
srah tiada bole lagie Passirah Proatin ambil Walassan djika 
oetang terbaiar. 

Andere handschrifien : 

Batavia: Collectie Bataviaasch Genootschap, nee. 140 (4 hoofd- 
stukken) en 150 (compleet). 


XLIV, 


Atoeran dan Oendang Oendang didalam pégangan 
Mokko Mokko. (HS. 180). 


32 x 20'/, c.M., 8 bl. 38 r. Latijnsch schrift. 


Na eene inleiding over de hoofden en hune bevoegdheden volgt 
een veertiental bepalingen voornamelijk van strafrechterlijken aard. 
Het slot is: Mokko Mokko den 31e July 1855 
De Gezaghebber 
(w. g.) N. Hewetson. 
De Toeankoe Regent van Mokko Mokko 
(w.g.) Sulthan Takdir Chalipa Tullah Sah. 


XLV. 
Oendang Oendang Bangkahoeloe. (HS. 210). 
33 X21 c.M., 22 bl. 18 r. 


Dit HS. is eene copie van het in 1821 in Londen gedrukte 
werk A Code of Laws as established bij the Pangerans Court at 
Fort Marlborough collected bij Henry Robert Lewis Esq. Het 
wetboek is verdeeld in 42 paragrafen. De gedrukte tekst is in 
het bezit van. het Kon. Instituut. 


XLVI. 
Atoeran orang orang bérladang. (HS. 236 (4) |. 
33 X21 ¢.M., 8 bl. 32 r. Latijnsch schrift. 


Eene kleine verhandeling over enkele adat’s bij den landbouw, 
voorafgegaan door een scheppingsverhaal dat slechts ééne pagina 


“VAN HET KONINKLIJK INSTITUUT. 225 


beslaat. Het stuk heeft ongetwijfeld betrekking op Palémbang. 
De titel is: Inila soerat pesaka ninik poeyang toeroen ganti 
orang marga adjie die basaken melayoe adanja. 


XLVII. 
Gebruiken in Moesi Ilir. (HS. 236 (6) ]. 
382 < 20 c.M., 26 bl., 31 r. Latijnsch schrift. 


Op den omslag staat: Over de afkomst van de bevolking der 
Moussie Ielier. | | 

Van 17 marga’s worden in dit handschrift in regelmatige 
volgorde medegedeeld: de herkomst der bevolking, der godsdienst, 
de huwelijksgebruiken, de gebruiken bij het sterven, en de middelen 
van bestaan. 


XLVIII. 
Adat orang djawa di négéri Malang. (HS. 322). 
34 x 21 cM., 18 bl, 37 r. Latijnsch schrift. 


Begin: Die bawak inie darie adatnja Orang djawa njang soeda 
die pake selamanja die Negrie malang. 

Het geschrift behandelt: de slamétan’s, goloften, huwelijks- 
gebruiken, adats gedurende zwangerschap, bij en na de bevalling, 
bij het tandenvijlen, bij sterven en begrafenis en bij het bouwen 
van een huis. 

Het handschrift is slechts aan de rechterhelft der pagina’s 
beschreven. 


XLIX. 
Atoeran négéri Palémbang. (HS. 536). 
33 x 21 c.M., 9 bl., 30 r. Latijnsch schrift. 


Begin: adapoen atoeran ijang tela terpakie kepada orang Besar 
didalem negrie Palembang. 

Dit handschrift bevat eene beschrijving der gebruiken bij de 
geboorte, de besnijdenis, de naamgeving, huwelijk, sterven en 
begrafenis, bij de voorname lieden in Palémbang in zwang. 


226 CATALOGUS DER MAL. HANDSCHRIFTEN 


L. 
Atoeran nama gélaran prijaji jang dibawah Soeltan. (HS. 595). 
311/, x 20 c.M., 4 bl., Latijnsch schrift. 


De volledige titel is: Iniela atoeran Nama Gelaran pariijaie 
mantrie die dalam Nigrie jang die bawa Sultan. In dit HS. wordt 
aangegeven welke titels aan de bloedverwanten, aanverwanten 
(jang tjoema parmielie) en hoogste ambtenaren des soeltans (van 
Djokjakarta?) kunnen gegeven worden. 

LI. 
Pékérdja’an Orang Dajak. (HS. 580, 2de gedeelte). 


32!/, x 20 cM., bl. 12—16, 26 r. 


Dit gedeelte bevat eene korte vermelding van enkele Dajaksche 
gebruiken, gevolgd door eene genealogie van vorsten en toeméng- 
goengs in Martapoera. 


LI. 
Transscriptie hiervan (HS. 579, 2de gedeelte). 
32'/, x 20'/, c.M., bl. 10—14. 


Hier achter volgt een begin van ,,Adatnja Daijack Siang dan 
Moeroeng.” 


AFDEELING V. 
Gedichten. 





LUI. 


Njanjian deri bahasa Haruko tarsalin kapada bahasa 
malayu. (HS. 577). 


33 X 21 c.M., 5 bl, Latijnsch schrift. 
Links staat de Haroeko-tekst, rechts de Maleische vertaling ; 


onder elk lied wordt in het Maleisch de bedoeling en de verklaring 
der toespelingen medegedeeld. Er staan 17 liederen met vertaling, 


VAN HRT KONINKLIJK INSTITUUT. 227 


en enkcle noten in het: Hollandsch, in dit handschrift, dat met 
„n°. 18”, zonder het 18e liedje echter, eindigt. 


LIV. 


Njanjian derij bahasa Oma tersalin kapada bahasa 
malayn. (HS. 575). 


38421 ¢M., 3 bl, Latijnsch schrift. 


Dit handschrift is op dezelfde wijze ingericht als het voorgaande; 
het bevat 13 liederen. 


LV. 
Pantoens. (HS. 533). 
31 x20 ¢.M., 6 bl, 26 r. 

Verschillende pantoens, met zeer veel Ménangkabausche woorden, 
nl. „pantoen laki-laki” met „djawab pérampoean’’, 2 x 9 in aantal, 
»pantoen boedjang’ en „djawab gadis’, 12 in aantal, en eenige 
„djawab gadis’, de laatste met verklaring. 

LVI. 
Sjair Alif Ba Ta. (HS. 635). 
34 X21 c,M., 10 bl, 32 r. 

Links de tekst in Arabisch schrift, rechts de transscriptie. Een 
kunsteloos rijmelwerk, beginnende met de waarde en de beteekenis 
van den alif, daarna handelende over den resident van Riouw die 
den 28en Juni 1893 vertrok, en grootendeels bestaande in ver- 
maningen, en aanwijzingen nopens goede vormen in het spreken. 


Met het gelijknamige gedicht in Cod. Leid. 1735 en HS. Von 
de Wall n°. 2368 heeft dit gelegenheidsgedicht geene verwantschap. 


LVII. 
Sjairs. (HS. 629). 
21x17 ¢.M., 41 bl, 22 r. 


Geschenk van den heer A. L. van Hasselt. 
Het eerste gedicht is aan uitlegging van droomen gewijd; vele 


228 CATALOGUS DER MAL. HANDSCHRIFTEN 


Arabische woorden, voor het meerendeel zeer slecht gespeld, komen 
in dezen sjair tabir mimpi voor. De schrijver, „Mohd Cassim” 
heeft dit rijmwerk den 20 Februari 1896 te Riouw voltooid. 

Op bl. 20 begint een sjair over de kenmerken van vrouwen 
en hare firdsah, welks lezing aanbevolen wordt met de woorden 
cyt bt lo hes a Guy Slee FMP oli. 

Op bl. 32 begint een negenvoudige sml SI» Ell ows, 
ingeleid met de regels: 
cprglee HENS Amal LEN yk cls ms END gew 

op ed gal St TSO ad B gelo 

Op blz. 37 staat de vermelding der hoeroef dan angka firasat, 

79 9 8 9 3 672746835 4 21 
als volgt: « bye ve ter js,S%9¢ 7-4 oY I 
1135654321 81 

De laatste vier bladzijden bevatten een ,,sjair slamat Sri Padoeka 
Toean Besar berangkat berlajar’’ door „Mohd Cassim” den 30 
Maart 1896 te Riouw vervaardigd. ~° 


AFDEELING VI. 
Islam. 





| LVIII. 
Mohammedaansche wetten. (HS. 580, le gedeelte). 


821/, X 20 c.M., bl. 1—11. 


Enkele wetsartikelen over strafrecht, voornamelijk over de dijah, 
procesrecht en erfrecht. 


LIX. 
Transscriptie hiervan. (HS. 579, le gedeelte). 
33!/, x 201/, c.M., bl. 1—10. 


De artikelen zijn genommerd. Enkele aanteekeningen in het 
Hollandsch zijn aan den rand aangebracht. 


VAN HET KONINKLIJK INSTITUUT. 229 


LX, 
Erfrecht. (HS. 612). 
34 x 67 c.M., 2 vellen plano. 


Tabellarisch overzicht van de verdeeling der nalatenschappen 
volgens de Mohammedaansche wet, het eene vel in Arabisch, het 
andere in Latijnsch schrift. 


LXI. 
Bidajat almoebtadi bifadl Allah almoehdi I. (HS. 625). 
Q1'/, x 161), e.M., 105 bl, 19 r. 


Incompleet exemplaar afkomstig uit Atjeh; zie Notulen van het 
Kon. Instituut 16 Febr. 1895 (Bijdragen, 6° volgreeks I, bl. XXVII). 

Het geschrift is verdeeld in drie bâb's; het eerste handelt over 
den ielâm, den ímân, den tauhîd en de ma rifah, het tweede over 
de galât en wat daarmede samenhangt, en het derde over de 
vasten en wat daarmede samenhangt. Volgens de inleiding bevat 
dit in de Mohammedaansche wereld zeer bekende werk: saténgah 
daripada ségala itikâd dan sömbahjang dan poeasa bérhias déngan 
bérhagaj-bagaj moetiara dan manikam bérkarang. De vertaling van 
den titel is: pérmoela’an orang jang menoendjoek kami djalan jang 
bétoel. 


LXII. 
Bidajat almoebtadi bifadl Allah almoehdî II. (HS. 628). 
211/.x 17 e.M., 77 bl, 17 r. 


Onvolledig exemplaar, ook uit Atjeh afkomstig (Zie Notulen. 
Kon. Inst. ibid.). Vooraf gaat eene doa welker 16 malige uit- 
spreking in éénen nacht eene voortreflijke uitwerking heeft. 

Andere handschriften : 

Leiden: Catalogus, bl. 285—286, cod. 3280 en 3281. 

Batavia: Collectie-Von de Wall, n°. 17, 

Batavia: Collectie-Bataviaasch Genootschap : nos 102 A, 105, 108, 
282, 298, 318, 324, 325, 345, 376 B, 377 B en 381 A. 


Te Volgr. VI. | 16 


230 CATALOGUS DER MAL. HANDSCHRIFTEN 


LXIII. 
Geloofsleer e.a. (HS. 624). 
Afmetingen van den omslag: 21 x 15 c.M. 


Bl. 1—6. Onsamenhangende aanteekeningen, o.a. over geloofsleer. 

Bl. 7—69, 17 r. Fragment van een werk over geloofsleer. De 
laatste bladzijde dier verhandeling is Atjehsch. 

Bl. 69 en 70. Gebeden en djimats. 

Bl. 70—75. Kleine verhandeling over geloofsleer. 

Bl. 76—79, 17 r. De verhandeling over de geloofsbelijdenis 
van Sjaich Noéroeddin ibn “Ali ibn Hasandji ibn Moehammad Hamid 
getiteld Sjifa‘al koeldeb. Andere handschriften van dit werkje be- 
vinden zich te Batavia, Collectie-Bataviaasch Genootschap, nos 115 B 
en 339 B. 

Bl. 80. Over de nijjah tot den sémbahjang. 

Bl. 81—87. Arabisch gedeeltelijk met interlineaire Maleische 
vertaling ; over den adab. 

Bl. 88—96. do‘a’s, djimats en berekeningen. 

Bl. 96—139, 13 r. Verhandelingen over de vereischten voor 
het imâm zijn bij de galâts, over de beteekenis der sémbahjangs 
en over de geloofsleer. 

Bl. 140. De nijjah voor de vasten. 

Bl. 141 en 142. Over den s&mbahjang. 

Bl. 142—153. Do‘a’s, djimats, faidah’s en losse notities. 

Bl. 154. Begin der Kifajat al “ibâdah, waarvan te Batavia een 
exemplaar aanwezig is, collectie-Bataviaasch Genootschap n°. 314. 

Bl. 155—157. Djimat’s en berekeningen. 

Bl. 158—176, 17 r. De Kifajat al “ibâdah, eene verhandeling 
Byars xv, = risalat jang simpan genoemd, over het geloof. 

Daarna volgen nog enkele bladzijden met gebeden en losse aan- 
teekeningen van weinig belang, benevens djimats. 

Ook dit handschrift is uit Atjeh afkomstig; zie Notulen-Inst. l.c. 


| LXIV. 
Geloofsleer. (HS. 626). 
201/, X 16 c.M., 49 bl. 


Bl. 1—33, 19 r. Catechismus over de geloofsleer, in soe’âl’s 
en djawâb's. In den aanhef wordt dit vragenboek genoemd eene 


VAN HET KONINKLIJK INSTITUUT. 231 


phat) tll hw yt chew Ry ole Slome Sls ME olan As Ly. 

Bl. 34—43, 19—20r. Verhandeling over de nijjah tot de calat, 
aangeduid als Ragrew aid Kw plies MS coed SS Oly 
CIO les Ll Oy eli (gd 5 Le So Rasy aide Jw Elo 


Stat Bb OP BP Gb TN Lene ge Eek ost 
LH te Le SAR Fafe eve 

Bl. 4346, Eene fa’idah ontleend aan de Fadâ'il al ‘Asjoéra 
over de bijzondere uitwerkingen van sémbahjangs op den ‘asjoera- 
dag, d.i. den 10en Moeharram. 

Bl. 47—49. Verhandeling over den oorsprong der tahlil’s voor 
de overledenen en voor de levenden. 

Het slot vormt de formule der nijjah tot de vasten. 

Ook dit handschrift is afkomstig uit Atjeh; zie Notulen-Insti- 
tuut, l.c. 


LXV. 
Mystiek. (HS. 627.) 


22X16 c.M., 44 bl. 


De eerste twintig bladzijden zijn gevuld met allerlei notities, 
hoofdzakelijk van mystieken aard. 

Bl. 20—44 bevatten eene verhandeling over de mystiek volgens 
de sjatarijjah en naksjibendijjah-tarikah’s, in welker aanvang na 
eene behandeling van den dzikr, wordt gezegd: xis,b al adt 
Kaak Hluwdw sb abril owns ay Yall, aylbat} sols 
ms Od 2 Elo he bw Cart Sagtd Er Kd Yall 0 
ei wali oe 9 oil Bo wal gl dS SLT plang ae alll 

Ualally iN Reem ye Kagill 

Aan het slot wordt het werk in gebrekkig Arabisch genoemd: 
nail) (coll Glell 1X2 63). 

Ook dit handschrift is afkomstig uit Atjeh; zie Notulen-Insti- 
tuut, l.c. waar op gezag der hoogleeraren Niemann en Van der 
Lith gezegd wordt dat de handschriften (nos 624—628) „niet de 
minste waarde bezitten.” 


2932 | CATALOGUS DER MAL. HANDSCHRIFTEN 


AFDEELING VIL. 
Varia. 





LXVI. 
Kitab Ta‘bir. (HS. 604). 


bl. 1—47, 19'/, X 151/, c.M., bl. 48—13%:20!/, x 17 c.M. 
137 bl, 18 r. 


Het handschrift bevat drie ta“bir-boeken, nl. de verklaring van 


droomen (, 2 ji), van zon- en maansverduistering Wiy%S „aaas) 
veel) el) en van aardbevingen (x x5). De droomen 
worden ingedeeld naar de weekdagen, en naar de beginletter van 
den droom in elken aan den met name genoemden dag vooraf- 
gaanden nacht. De eerste paragraaf handelt over den Vrijdagnacht; 
de letters hebben de volgorde van het Arabische alphabet, en na 
de s komen de lam-alif, de ja, de tja (die ook na de djim volgde), 
de nga, de ga en de nja De tweede paragraaf handelt over den 
Zaterdagnacht en hier staat de tja slechts éénmaal, op hare plaats 
achteraan. In zeven paragrafen worden de nachten behandeld, tot 
bl. 42; aan het slot worden enkele gebeden tegen veel en angstig 
droomen medegedeeld. Op de volgende bladzijde worden de zon- 
en maansverduisteringen behandeld, en wel in acht paragrafen, 
naar de acht jaren van den achtjarigen cyclus, elke paragraaf 
weder afgedeeld naar de twaalf maanden. De paragrafen zijn : alif, 
ha, djim, za, dal, ba, wau en dal-achir. Op dezelfde wijze is de 
uitlegging der aardbevingen verdeeld. (bl. 64—86). 

Aan het slot beveelt de schrijver allen die de uitlegging willen 
gebruiken aan eerst toestemming te vragen aan de wetgeleerden, 
en doet de mededeeling dat het werkje is goedgekeurd door Sjaich 
“Abdoerra’oéf van Atjeh, benevens Sjaich Badroeddin en Sjaich “Ab- 
doellah, beiden van Lahore, die den eerstgenoemde in Arabië hebben 
leeren kennen, en dat deze drie sjaichs hem wagijjat’s hebben 
gegeven van moreelen en religieusen inhoud, welke vermaningen 
de auteur aan zijne lezers overbrengt. 

Op bl. 91, na de vermelding van droomen die men niet mag 
uitleggen (die in dommeling niet in slaap, die vóór de reiniging 
en die van vorsten en rijken behalve de goeden onder hen) volgt 


VAN HRT KONINKLIJK INSTITUUT. 233 


de interpretatie van de droomen naar de onderwerpen, en wel over: 
den hemel, de menschen, de viervoetige dieren, de boomen, enz. 
tot twintig toe, in even zooveel bab’s, de laatste, op bl. 125, over 
droomen van onreinheid. Dit gedeelte is gedateerd 2 Dzoelka'idah 
1248, 16 April 1833. 

Op bl. 127 begint eene verklaring van onwillekeurige bewegingen 
in het menschelijk lichaam, op bl. 185 eene verhandeling over 
de teekenen van geluk en ongeluk aanbrengende katten. 

Het slot is: ols slam opl pul zut law 2 Jb pul Blow akil 
Bla las 05 LS ello kamas all oles ELS clsin (slike 


De schrijver noemt zich Ms Glia! Gil Gasol ol. 

Andere handschriften : | 

Leiden: Catalogus, bl. 304, cod. 1695 en 1966. 

Batavia: Collectie-Von de Wall, n°. 217. 

Batavia: Collectie-Bataviaasch Genootschap 376 A (slechts de 
droomuitlegging naar de onderwerpen). 


LXVII, 


Cosmogonie. (HS. 535). 
33'/, x 20'/, cM., 2 bl., Latijnsch schrift: 


Eene cosmogonie, naar het schijnt een begin van een radjah. 
Begin: awang lagie oewoeng Beloem ada djadie aras Korsie 
Beloem ada djadie Boemie Langit beloem ada djadie Boelan 
Bintang beloem ada. | 
LXVIII. 
Reis in Palémbang. (HS. 600). 
33'/, x21 e.M., 3 bl, 32 r. 


Dagregister van eene reis in Palémbang in het jaar 1847. 

Begin: psrabslo 65,3 eelt colo REI 1847 wol 21 oP MS 
pis Ge Bt outs og? bed B Velt Use seh ld. 

De laatste dag waarover gerapporteerd wordt is 31 October. 


234 CATALOGUS DER MAL, HANDSCHRIFTEN 


LXIX. 


Rapporten over Palömbang. (HS. 563). 
33 X 21 ¢.M., 70 bl. Latijnsch schrift, 
De eerste acht bladzijden bevatten rapporten van Toeménggoeng 
Soera Nendita van Ogan Oeloe in 1847. Overigens bevat het 


HS. voornamelijk bevolkingsstaten; een staat van opneming der 
Batang Ari in 1835 is ook in Arabisch schrift aanwezig, afzonder- 


lijk geschreven. 
LXX, 
Rapport over Moesi Oeloe van 1847. [HS. 236 (5) ]. 
33 X21 cM., 19 bl., 35 r. Latijnsch schrift. 
Bovenaan: piyagem NO. I, 1847. Begin: Menjataken hal keadan 
die marga sanga desa pesira Depatie Anga Mengala. 
LXXI. 
. Instructie aan de hoofden van Palémbang. [HS. 236 (1) ]. 
32 X 21 cM., 10 bl, 20 r. 
Bovenaan staat De Kock. 
Begin: Ueto (guido POLS lends ls! Bw ijl of 
bels plee. 


De instructie is verdeeld in 19 paragrafen. 
Blot: 1846 ‚ost 23 fel 

LXXII. 

Brieven. (HS. 229). 
Ken Bundel brieven, enkele in Latijnsch schrift, van Palémbang, 
allen van 1848; 20 stuks. 
LXXII, 
Brieven. (HS. 236 (2) ). 
84 x 21'/, c.M., In Arab. en Holl. schrift. 


Van Toeankoe Laras nan berampat Danau dan Matoea aan den 
Commandeur van Salapan Kota en Toedjoeh Loerah. 

Bovenaan staat: Behoort bij missive van den Gezaghebber van 
14 Juni 1870, n° 56. 


VAN HET KONINKLIJK INSTITUUT. 235 


LXXIV. 
Brief. (HS. 240). 
. 46 x 38 c.M. 

Met veel verguldsel versierde brief van den soeltan van Bima 
aan den Gouverneur-Generaal Van der Capellen, van 1 Safar 1239 H. 
LXXV. 

Brieven. (HS. 241). 
40 x 27 c.M. Latijnsch schrift. 


Rijkelijk versierde brief van den Soeltan van Soeméntp Pakoe 
Nata Ningrat aan den Resident van Soerabaja P. Vreede Bik, van 
1 Januari 1854. 


44 X 35 c.M, Latijnsch schrift. 
Idem van den Panémbahan van Madoera Tjakra Adi Ningrat 
aan den Resident van Soerabaja, van l Januari 1854. 
LXXVI. 
Brief. (HS. 246). 
52 x 41 e.M. 


Rijk versierde brief van Pakoe Nata Ningrat, Soeltan van 
Soeménép aan den Gouverneur-Generaal Van der Capellen van 27 
Februari 1826. 

LXXVII. 
Brieven. (HS. 319). 


Zeventien brieven uit Atjeh, benevens losse papieren met op- 
gaven van goederen en enkele teekeningen. Voorin ligt eene 
lijst der 17 brieven met vermelding van de namen der afzenders 
en geadresseerden. 


LX XVIII. 
Brief. (HS. 599). 
27 X21 aM. 


Blijkbaar gefingeerde brief van een zich wyri5 byw noemenden 
schrijver aan een verder niet aangeduiden „Gls wuls, zonder datum. 


236 CATALOGUS DER MAL. HANDSCHRIFTEN 


LXXIX. 
Passen. (HS. 621). 


Vijftien stuks passen en scheepsverklaringen uit Atjeh, vele voor 
gezien geteekend door officieren van Z.M. oorlogsschepen in 1874. 

Voorin ligt eene inhoudsopgave met aanteekeningen van wijlen 
Prof. Juynboll van 27 December 1875. 


LXXX. 
Nama sajoer sajoeran dan boeah boeahan. (HS. 594). 
84!'/,x 21 e.M., 7 bl, Latijnsch schrift. 


Door een regent van Buitenzorg opgemaakte lijsten. le Lijst 
darie nama segala roepa boea boea njang orang ketjil biassa makan ; 
links de inlandsche namen, rechts, met eene andere hand, de bo- 
tanische namen; 2e Lijst darie nama Segala roepa saijoeran njang 
orang ketjil biassa makan, links: nama Saijoeran njang orang 
ketjil biassa makan, rechts: orang ketjil makan pagimana die 
bikinnja. In de linkerkolom zijn met eene andere hand de bota- 
nische namen bijgeschreven. 


LXXXI. 
‘ Krissenboek. (HS. 529). 
33 > 21 c.M., 38 bl., 21 r. Latijnsch schrift. 


Op een etiquet op den fluweelen band: Raden Arija Tjietro Somo. 

Begin: die Bawah inie Tjarieta iang bertama memboewat Zen- 
djata. Het HS. bevat teekeningen en beschrijvingen van bijzondere 
krissen op last van met name genoemde vorsten en grooten ge- 
maakt in de javaansche jaren 152, 216, 230, 261 enz. tot 1774, 

Op bl. 37: Tamat tanda roepa nja keries, tersoerat die Bondjot 
Kallienjamat 3 arie Veberwarie 1859 pada Raden Arija Tjietro 
Somo Adiepatie dongkol Iapara. Daarna volgen nog enkele regels 
over de namen van verschillende soorten ijzer en drie ,pammoor” 
(pamor) soorten met kleine figuren., 

Waarschijnlijk is dit geschrift uit het Javaansch vertaald. 


VAN HET KONINKLIJK INSTITUUT. 237 


LXXXII. 
Nieuwe Testament. (HS. 544). 
27 X 20 c.M., 697 bl, 29 r. Latijnsch schrift. 


Van de Handelingen der Apostelen tot het slot der Openbaring 
van Johannes. 

Begin: Perbowatan Rasoel Rasoel jang Kadoes jang soedah de 
Soerat oleh Lucas. 

Slot: Tamat atawa Kasoedahan Katoeronan atawa Kanjataan 
Johhanna daan segala kitaab pardjandjian bharou. 

Het schrift is uit de 17e eeuw. 


LXXXIII. 
Catechismus. (HS. 543). 
26 x 20 c.M., 391 bl., 22 r. Latijnsch schrift. 


Maleische vertaling, naar het schrift te oordeelen uit de 17e 
eeuw, van een uitvoerigen catechismus der Christelijke leer, ein- 
digende met het Onze Vader en de vragen en antwoorden daarop 
betrekking hebbende, waarbij gewaarschuwd wordt tegen het ijdellijk 
gebruiken van vele woorden; gelijk de Hindoe's doen. 


LXXXIV. 
Timoreesche Spraakkunst. (HS. 572). 
213/,x 17 e.M., 19 bl. Latijnsch schrift. 


In het Hollandsch en in het Maleisch gestelde korte spraak- 
kunst van een dialect van Timor; de opschriften der paragrafen 
zijn in het Hollandsch, de voorbeelden in het Maleisch. Achteraan 
eene verhandeling over den godsdienst der lieden van Timor Am- 
rassie, groot 6 bladzijden, getiteld Agama deri awrang Timor 
Amrassie. 


LXXXV. 


Daftar Parkata’an. (H.S. 574). 
31x16 c.M., 30 bl, 26 r. Latijnsch schrift. 


Een „Daftar Perkata‘an” getitelde woordenlijst in twee kolommen; 
links de „Bahasa Negerij'’, rechts „Malajuw”. Behalve woorden 
bevat het HS. ook korte zinnen in beide talen. 

Te Volgr. V1. 16* 


238 CATALOGUS DER MAL. HANDSCHRIFTEN 


LXXXVI. 
Ternataansch-Maleische woordenlijst. (HS. 582). 
32 X21 ¢.M., 6 bl. 

Bovenaan staat: yder cssgw Aled wil Umit, 2 maw poli AS 
BBS pled Ka eral ST OE pen JS Ud MAT exh? lem 
OB ihe oe SBS ol ot en AE ze 5 Sule v 

end Oue pm EGF olijke Id ode els 

Onderaan: piel Calg ays wal Umit jen alam. 


LXXXVII. . 
Transscriptie hiervan. (HS. 581). 
32)/. x 201/, c.M., 5 bl, Latijnsch schrift. 


Bovenaan staat: Pada tahon 1260 Saharie bulan Sa'aban ha- 
rinja chamis oras poekol 9 atan 14 h: b: Augustus 1844; pada 
kutika itu maka tuwan Gouverneur derie Molokoe Tuwan Besar 
G. de Seriere minta bahasa Ternata kaseh mengartie dengan Ba- 
hasa Malajoe pada Secretaris Ternate Hadjie Abdul Habib. 

Onderaan: Djumlat Samoeanja 15 bahasa adanja Menjalim jang 
benar Djortoelis Malajoe Soleyman. 


LXXXVIII. 
Maleisch-Timoreesche woordenlijst. (HS. 584). 
841, Xx 21'/, e.M., 22 bl, Latijnsch schrift. 


Na de woorden volgen enkele korte volzinnen en vervoegingen 
in slecht overgeschreven Nederlandsch, b.v. ik heb bevelen, gij 
heb bevelen, hij heft bevelen. 

De laatste twee bladzijden worden ingenomen door eene Neder- 
landsch-Makassaarsche woordenlijst. 


LXXXIX. 
Woordenlijst. (HS. 588). 
33 X21 ¢M., 47 bl, 32 r. Latijnsch schrift. 


Woordenlijst in twee kolommen; links Maleisch, rechts eene 
niet “aangeduide taal, waarschijnlijk uit het Zuid-Oosten van den 


VAN HET KONINKLIJK INSTITUUT. 239 


Archipel. De telwoorden 1—10 zijn: osser, doei of sarro, kior, 
fiak, napobba of imsoejin, onem, fiek, 8 komt niet voor, sioe 10 
komt niet voor. 


XC. 
Minahasisch-Maleische Woordenlijst. (HS. 590). 
32 <x 20 c.M., 17 bl, 22 r. Latijnsch schrift. 


Op den omslag staat: Bahasa Minahasa Tersalin kapada Bahasa 
Malayuw. Nuuwuh Nemahasa Injeera Inwie Nuuwuh Malajuw. 
Jang Bowat ini [israel Petrus Hermanus Sumanpan. Kema pada 
19 h.b. September 1844. 


XCL. 
Maleisch-Kakas-Langoewan Woordenlijst. (HS. 592). 
83'/, xX 21 c.M., 8 bl, 31 r. Latijnsch schrift. 


Bovenaan staat: Woordenlijst van eenige woorden en volzinnen 
in de Alfoersche taal en van de verschillende uitspraak en be- 
teekenis tusschen het Sondereesch en Tondaansch. 

Op de eerste twee bladzijden staat het Nederlandsch in de eerste 
kolom, maar verder is de eerste kolom Maleisch, de tweede Kakas 
en de derde Langoewan. 

Onderaan staat: Buatang deri jang bertanda atas mintahan tu- 
wan van Delden Minado pada 9 h.b. October 1844. D.J.S. In 
Miriwang. 


XCII. 
Maleisch-Alfoersche Woordenlijst. (HS. 593). 
83 X 21 ¢.M., 8 bl., 37 r. Latijnsch schrift. 


Bovenaan staat: Woordenlijst van eenige woorden en volzinnen 
van het Maleisch in het Alfoersch en de verschillende uitspraak 
en betekenis tusschen de distrikten Sonder, Tondano, Kakas, Lan- 
guwang en Saronsong, alsmede eenige woorden van het Mangin- 
danowo en Balangingie. 

De le kolom is Maleisch, de 2e Alfoersch van Kakas, de 3e 


240 CATALOGUS DER MAL. HANDSCHRIFTEN ENZ, 


Alfoersch van Langowan, de 4e Mangindanowo en de 5e Balangingie. 
Op bl. 5 en 6 zijn slechts de eerste drie kolommen ingevuld. 


XCII. 


Maleisch-Mönangkabausche Woordenlijst. (HS. 596). 
33 X 201/, c.M., 2 bl., Latijnsch schrift. 
Bovenaan staat Menangkabau Selat, met welk laatste woord 


wasrschijnlijk Riouw-Maleisch bedoeld is. Het woord is echter 
niet duidelijk geschreven. 


ee) 
{a 


VV VV U VIELE EYES esse | 


Nummers der Handschriften met volgnummers 
en bladzijden in den catalogus. 


EE yy 


5 


EE EE RR RR EE KE ER ES 


en) 
kep 


ER ER RE RR ER EE. 


. 534 


535 

536 

537 

538 

540 

541 = 

542 

543 

544 

555 (1) 
» (2) 

563 

569 1¢ ged. 

569 2e » 

570 

572 

574 

575 

577 

579 1e ged. 
» Qe » 

580 1e » 
» Qe » 

581 

582 


5 
Kd 


A A we EE A EK EE OE ¥ BY 


XXX VIII, 
XVII, 


LXXXVI, 


LXXX VIII, 


X VIII, 
XIV, 
LXXXIX, 
XC, 

XCI, 
XCII, 
LXXX, 
L, 

XCII, 
LXX VIII 


a 


s¥v¥vsusvsysys § ¥ vyxyvy ¥Yysuevswvwe ve vy ve douse ue VU BES BE ewe YS EY YB YY B 


242 


ae 
Ta 


OE: EE | 


. 600 


604 
605 
607 1e ged. 
» Qe » 
608 
612 
621 
624 
625 


n°, 


IV VU 3 3 3 vy wes 


NUMMERS 


LXVIII, 
LXVI, 
X, 

VIII, 
VI, 


zg 


s U VUV 5 u 3 u 3 yy 


DER HANDSCHRIFTEN. 


. 233 


232 
196 
193 
190 
185 
229 
236 
230 
229 


en 
ua 


Ve VU es 3 3 3 u u u 


5 
e 


5 


3 3 3 VU 5 vz 3 u 


. 230 


231 
229 
227 
207 
198 
209 
191 
219 
227 


INDEX DER HANDSCHRIFTEN. 


Adat orang Djawa di négari Malang soe ee 399 
Atoeran dan oendang oendang didalam eégangan | Mokko Mokko. . . 180 
Atoeran nama gélaran prijaji jang dibawah Soeltan. . 595 
Atoeran négari Palémbang . . . 536 
Atoeran orang orang bérladang . . 236 (4) 
Bidâjat al moebtadí bi fad] Allâh al moehdí. . 625, 628 
Brieven . . . .... « . « 229, 236(2), 240, 244, 246, 319, 599 
Catechismus . 543 
Cosmogonie . nr 535 
Daftar Pérkata’an . . … … 564 
De invoering van den Islam in den Preanger 245 
Hikajat Négari Djambi. se 205 
Tjarieta sabab djatoeh koewasa Sultan Djambi 207 
Tjaritéra Négari Djambi . 538 
Erfrecht . . . 612 
Gebruiken in Moesi Ilir . 236 (6) 
Geloofsleer . . . . ..... 626 
Geloofsleer e.a.. . . 2. - 1. 1 we - … … 624 
Hikajat Aboe Samah . 607, 1° ged. 
Hikajat Ahmad Moehammad . . . 608 
Hikajat Amir Hamzah 420, 528 


Hikajat Indra Poetra. . . . . . . . 6 
Hikajat Nabi bértjoekoer 

Hikajat Nabi Mirâdj. 

Hikajat Nabi Wafat . 

Hikajat Salisilah Perak . 


221, 525, 542 
569, 1° ged. 
oe 605 
569, 2e ged. 

632 


244 INDEX DER HANDSCHRIFTEN. 


Hikajat Sang Bima ....... . 
Hikajat Sjahi Mardin. … . 

Hikajat Soeltan Ibrahim. . ... , 
Instructie aan de hoofden van Palémbang 
Katérangan pérkata’an ségala oendang oendang 
Kitab Ta‘bir . 

Krissenboek . 2 8 
Maleisch-Alfoersche Woordenlijst . 
Maleisch-Kakas-Langoewan Woordenlijst . 


Maleisch-Ménangkabausche Woordenlijst 
Maleisch-Timoreesche Woordenlijst . . . . 
Minahasisch-Maleische Woordenlijst . 
Mohammedaansche Wetten . 

Mystiek 

Nama sajoer sajoeran dan boeah boeahan. 
Nieuwe Testament. 

Njanjian deri behasa Haruko . 

Njanjian dery behasa Oma. 

Oendang Oendang. 

Oendang Oendang Bandar . 

Oendang Oendang Bangkahoeloe . 
Oendang Oendang Ménangkabau . 

' Oendang Oendang Palémbang , 


607, 2e ged. 
. 936 (4) 


579, 1e ged., 580 1° ged. 


222 (4), 570 


222 (2), 222 (3) 


HS. 
633 


524 


236 (3) 
604 
529 
593 

. 592 

. 596 
584 
590 


627 


575 


540 
210 


. 236 (7), 416 


Contracten met Palémbang . . 532, 537 
Geslachtsregisters der vorsten van Paldmbang . 527 
© | Hikajat Mahmoêd Badroeddin . toe . 201a 
= } Silasila Radja Radja didalam ndgari Palémbang. MA 
2 Tjarieta atoeran Radja Radja diedalam Nigrie Palembang . 201 
Tjarita Nigrie Palembang. . . . . , . 196 
Tjarita Radja Radja didalam négari Palémbang . 534 
Pantoens / ‚ 533 
Passen . ee ee « « « 621 
Pékérdja’an Orang Dajak 579, 2e ged., 580 2e ged. 
Rapport over Moesi Oeloe van 1847 236 (5) 
Rapporten over Palémbang . 563 


INDEX DER HANDSCHRIFTEN. 


Reis in Palémbang. 

‘Sjadjarah Malajoe . . 
Sjadjarah Radja Radja Riouw. 

Sjair Alif Ba Ta 

Sjairs . oe oe ee 
Ternataansch-Maleische Woordenlijst 
Timoreesche Spraakkunst . . . , 
Tjarieta Adipati Wira Tanoe Datar. 
Tjarita Bangka . 

Tjarita Siam. 

Tjaritéra Manggarai . 

Toeroenan Radja aL 3, 5. 
Toeroenan Radja Look dan Sopeng . 
Woordenlijst . 


581, 582 


245 


HS. 
600 


587, 631 
630 
635 
629 


. 572 

. 215a 
544, 586 
534 


. 555 (2) 
. BBB (A) 


634 
588 


INHOUD. 247 


Bladz. 
Tjarita Radja Radja didalam négari Palémbang (XXVIII) . . 245 
Geslachtsregisters der vorsten van Palémbang (XXIX). . . . . 216 
Tjarita Nigrie Palembang (XXX) . . . 246 
Tjarieta atoeran Radja Radja diedalam Nigrie Palembang XD . 217 
Hikajat Mahmòed Badroeddin (XXXII) . . . 217 
Contracten met Palémbang (XXXIII-XXXIV) . . . . - 218 
Toeroenan Radja Loewoe dan Radja Soppeng (XXXV). . . . 219 
Toeroenan Radja wlad gi (XXXVI). © … wwe. 220 
Tjaritéra Manggarai (XXXVII)_. . . . . . . . 220 

AFDEELING IV. 
Inlandsche Wet en Adat. 

Oendang Oendang Bandar (XXXVII) . . . . . . . 224 
Oendang Oendang (XXXIX—XL) . ° . . 221—2292 
Katérangan pérkata’an ségala oendang oendang (ELD . . . . 223 
Oendang Oendang Palémbang (XLII—XLIII). . . 223 
Atoeran dan Oendang Oendang didalam pégangan Mokko-Mokko. (XLIV) 224 
Oendang Oendang Bangkahoeloe (XLV). . . . . 224 
Atoeran orang orang bérladang (XLVI) . . . . . . 24 
Gebruiken in Moesi Ilir (XLVIJ) . . . . . . - 225 
Adat orang djawa di négari Malang (XLVIII) . . . . ~ 225 
Atoeran négari Palémbang (XLIX). . . . . 225 
Atoeran nama gélaran prijaji jang dibawah Soeltan (L) . . - 226 
Pékérdja’an Orang Dajak (LI—LID . . . . . . - 226 


AFDEELING V. 


Gedichten. 
Njanjian deri hahasa Haruko tersalin kapada bahasa Malayu (LIII). . 226 
Njanjian dery bahasa Oma tersalin Kapada b bahasa | Maleye ms). . 227 
Pantvens (LV) . . . . . . . 227 
Sjair Alif Ba Ta (LVI) . . . . . . . . . 227 
Sjuirs (LVII) . . , . . . . . . 227 
AFDEELING VI. 
Islâm. 
Mohamimedaansche Wetten (LVIII—LIX) . . . . . . 228 
Erfrecht (LX) . . . . . 229 
Bidâjat al moebtadi bi fad] Allah al moehdi (LXxI—LxID . ~  . 229 
Geloofsleer e.a. (XLIII) . . . . . . . . - 230 


Mystiek. (LXV). . . . . . . . . . - 230 


248 INHOUD. 


- 


AFDEELING VII. 


Varia. 

. Bladz. 
Kitab Tabir (LXVI) . . . . . . . . . 232 
Cosmogonie (LXVII) … . . ; . nr . . 233 
Reis in Palémbang (LXVIII) . . . . ; . . ; . 233 
Rapporten over Palémbang (LXIX) . . . . . . . 234 
Rapport over Moesi Oeloe van 1847 (LXX) . . oe . 234 
Instructie aan de hoofden van Palembang (EAD. ‘ - . 234 
Brieven (LXXII—LXXVIII) . . . . . 234—235 
Passen (LXXIX) . . . . . . 236 
Nama sajoer sajoeran dan boeah boeahan (LX XX) . . . . 236 
Krissenboek (LXXXI)_. . ; . . ; . . . . 236 
Nieuwe Testament (LXXXII). . . . . . . . . 237 
Catechismus (LXXXIII) . . . . . . . . . 237 
Timoreesche Spraakkunst (LXXXIV) . . . . . . ~ 237 
Daftar Pérkata’an (LXXXV) . . . . 237 
Ternataansch-Maleische Woordenlijst (LXXKVI—LXXXVID) . . - 238 
Maleisch-Timoreesche Woordenlijst mana) . . . . . 238 
Woordenlijst (LX X XIX). . . . . ; . 238 
Minahasisch-Maleische Woordenlijst (XC) . . . . . . 239 
Maleisch-Kakas-Langoewan-Woordenlijst (XCI)_. . . . . 239, 
Maleisch-Alfoersche Woordenlijst (XCII). . . . ; . . 239 


Maleisch-Ménangkabausche Woordenlijst (XCIII) . . . . . 240 


BIJ DRAGEN 


TOT DE 


TAAL-, LAND- EN VOLKENKUNDE 


VAN 


NEDERLANDSCH-INDIE, 


UITGEGEVEN DOOR HET 


Koninklijk Instituut voor de Taal-, Land- en Volkenkunde 
van Nederlandsch-Indië. 


ZEVENDE VOLGREEKS, — ZESDE DEEL. 
(DEEL LX DER GEHEELE REEKS). 


DERDE EN VIERDE AFLEVERING. 


'S-GRAVENHAGE 
MARTINUS NIJHOFF 
19058. 


INHOUD. 


Bladz. 
vere Engelsche ieziug umtreut de verovering van Banda en 
Ambon in 1796 en omtrert den toestand dier eilanden- 
groepen op het eind der achttiende eeuw. Uitgegeven en 
toegelicht door Mr. J. E. Hrrrgs . 249 
Jets over de „Ternataausch-Halmaherasche- taalgruep. door 
A. Huerisg (Met schetskaartje . 369 
Bijdrage tot de kenuis der vereerizg van Wisnu op Java. 
door Dr. H. H. Juyyporr 412 
Fene bijdrage tot de geschiedenis der Regeerings-reglementen 
van Ned. Indië, door P. H. vas per Kevep 421 
Bijdrage tot de volksgeneeskunde bij de Maleiers der Pa- 
dangsche Benedenlanden, door J. J. KreEEMrFR, Controleur 
bij het Binnenlandsch Bestuur . 4358 
De Toe Badjeng eu de legende omtrent hun oorsprong, 
door J. Trorsas. Controleur bij het Binnenlandsch Bestuur 488 
Beschrijving der Maleische handschriften van de Bibliothèque 
ovale te Brussel, door Dr. Pu. S. van RoNKEL. 501 
Bestuursvergaderingen en Jaarverslag. 
Bestuursvergadering van 15 Juni 1907 . XXIX 
Bestuursvergaderiug van 21 September 1907 XXXI 
Bestuursvergadering van 19 October 1907 . XXXV 
Bestuursvergadering van 16 November 1907 ‚ XXXVII 
Bestuursvergadering van 21 December 1907 XL 
Bestuursvergadering van 18 Januari 1908 . XLII 
Jaarverslag over 1907. XLIV 


DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 251 


Engineers 1782, he was promoted Lieutenant 1786, Captain 1798, 
Major 1804, Lieut.-Colonel 1806, and retired Nov. 18107. De 
toevoeging (met eene andere hand geschreven) bij Lennon’s naam 
in den titel dezer kopie „Godfather to Walter Caulfield Pratt, 
Oviny House (?), Aylesbury (?)” is misschien eene vingerwijzing, dat 
ons afschrift is geweest in particulier bezit van een met Lennon 
bevriende familie. 

Ons afschrift is niet door een en denzelfden kopiist gemaakt. Zooals 
ik in verschilleude noten heb opgemerkt, zijn niet minder dan 
drie afschrijvers aan het werk geweest. Het grootste deel (tot bldz. 
210 van deu tekst) is gekopieerd door iemand, die met het Engelsch 
op niet te besten voet stond, en wel door va native”, zooals Lennon 
zelf onder de opdracht aan de directeuren der Oost-Indische Com- 
pagnie zegt. Bij bldz. 210 schijnt mij cen andere hand aan het 
werk te zijn geweest, vermoedelijk die van Lennon zelf: immers het 
schrift gelijkt op diens ook in onze kopie blijkbaar origineele hand- 
teekening onder de opdracht aan de O. I. C. Bij bldz. 227 begint, 
dunkt mij, weer een andere hand. 

Ons afschrift was door Lennon zelf voor iemand anders (wie?) 
bestemd. »The correct copy” had hij moeten zenden aan de Direc- 


‚ teuren en hij maakte verontschuldigingen, dat hij dit dus niet heeft 


kunnen zenden. 

Heeft Raffles ons exemplaar in handen gehad? Verschillende 
potloodaanteekeningen zijn bij ons handschrift gemaakt en de hand 
daarvan doet mij telkens denken aan die van Raffles. Maar dit is 
slechts een gissing. 

Wat de wijze van uitgeven aangaat, ik heb enkele gedeelten niet 
opgenomen, die mij geheel en al onbelangrijk voorkwamen ', maar 
overigens geheel het manuscript weergegeven. Er was natuurlijk het 
een eu ander in wat van elders bekend is, maar ook dit werd veelal 
bekeken met een anderen blik, dan wij dit gewoon zijn: ik heb 
het daarom niet weggelaten. Natuurlijk laat ik de in het rapport 
vervatte oordeelvellingen geheel voor rekening van den schrijver. 
Soms gevoelde ik mij gedrongen, hierop nog eens uitdrukkelijk in 
een noot te wijzen. Niet altijd deed ik dit echter. De noten, door 
mij geplaatst eu die wel dienen te worden onderscheiden van die 
van Lenuon, mogen overigens tot opheldering voor den lezer strekken. 
Ik plaatste mij daarbij op het standpunt, dat ik de verklarende 


1 Ik heb dit door..... aangeduid. 


952 DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 


aanteekeningen schreef voor hen, van wie ik mag veronderstellen, 
dat zij die noodig hebben; niet voor hen, die dit alles even goed 
of beter weten dan ik. Ik verwijs overigens naar de noten zelf. 

Met verbeteringen van schrijffouten en verkeerde interpunctie heb 
ik mij zelf de vrije hand moeten laten, o.a. omdat, zooals boven 
gezegd, het handschrift grootendeels is overgeschreven door iemand, 
die nog al fouten heeft gemaakt. Bij ook maar den geringsten 
twijfel heb ik daarvan doen blijken. 

Hen register van plaats- en persoonsnamen en van verklaarde 
vreemde woorden heb ik achter deze uitgave geplaatst. 


JOURNAL of an expedition to the Molucca 
Islands under the command of admiral Rarnrer 
with some account of those islands at the 
time of their falling into our hands, and like- 
wise suggestions relative to their future better 
management in case of being retained in our 
permanent possession. By Captain Water Caur- 
FIELD LENNON. Godfather to Walter Caulfield 
Pratt, Oviny House (?), Aylesbury (?), Principal 
Engineer and Secretary to the Expedition. 


To the Honorable the Court of Directors of the 
United Fast India Company Sca &ca. 


Honorable Sars, 


In the following pages which I have the honor to lay before 
you, you will find a regular detail of every material occurrence 
during our expedition to the Eastward; interspersed with such 
remarks and reflections, as presented themselves at the time, unwarped (?) 
by either system or prejudice. 

I thought it better to represent every circumstance according to 
the first impression it made, without attempting to dress it into 
form; as the first sketches, tho’ rude, of one who faithfully copies 
the object before him, often stamp a stronger idea of resemblauce 
than the finished painting of a more perfect artist. Conceiving it 
my duty to propose every thing, that occurred to me, conducive 
to the good of the service or the interest of the State, I have 
done so without reserve to the best of my judgement. In apology 
however for the many faults, which must be noticed throughout, 
I have to plead an almost continual state of ill health and some- 
times of extreme pain. | 

Should I be able to convey to your Honorable Court a clear idea 
of all our transactions, with the motives that led to them; of the 
state of the countries we have gained, and their dependencies; and 


254 DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 


from the hints I have ventured to throw out of future advantages 
and improvements, should any be found of real utility hereafter, 
my object will be fully attained and in your approbation I shall 
enjoy my ultimate reward. 


I have the honor to be, Honorable Sirs, 
with the highest respects Your most obedient, 
and most humble servant, 


W. CAULFIELD LENNON. 


NB. This not being the correct copy, which I have lately been 
obliged to send to the Court of Directors, you will make allowances 
for the writing of a native !. 


JOURNAL of an expedition to the Molucca Islands 
under the command of Admiral Rainier. 


Madras, October 1795. In consequence of the unforeseen success 
of the French in overturning the Government of Holland, and from 
an apprehension of the Dutch colonies falling under the dominion 
of that power, an expedition was fitted out at Madras, by orders 
from England, for the purpose of securing the Molucca Islands to 
the ancient Government of Holland, if it again should be restored 2 ; 
or in case of their rejecting the offer of our protection, finally to 
reduce them by force. The expedition was formed under the Com- 
mand of Admiral Rainier, and consisted of the Suffolk, 74, Cen- 
_turion, 50, Resistance, 44, Orpheus, 36 *, and Swift and Hobart, 
sloops of war; the Arniston, Indiaman, Surprize and Mary, tran- 
sports, with about 800 troops on board the different ships. We 
embarked on the 15' of October, and sailed about 5: o'clock in 
the evening, in the midst of threatening appearances of the approaching 








1 Wie de persoon is, aan wien onze kopie is gezonden, blijkt niet. Misschien 
is het niemand minder geweest dan Raffles, de beroemde en beruchte. 
Immers, aan den kant der bladzijden zijn verschillende aanteekeningen ge- 
maakt met potlood, geschreven door een hand, welke veel gelijkenis vertoont 
met die van dezen lateren luitenant-gouverneur van Java en onderhoorig- 
heden, terwijl de inhoud dier opmerkingen dikwijls overeenkomt met Raffles’ 
elders uitgesproken denkbeelden. De aanteekeningen moeten dan zijn ge- 
schreven vóór de verovering van Java, zelfs vóór of zeer spoedig na Raffles’ 
komst op poeloe Pinang in 1805. 

3 Op deze bewoordingen in verband met Willem V’s bekende proclamatie 
van Kew, kom ik beneden in een naschrift terug. 

3 De cijfers achter de schepen geven vermoedelijk het aantal kanonnen 
aan, dat zij aan boord hadden. 


DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 255 


monsoon; having just before we weighed anchor, received intelli- 
gence of the capture of Malacca by the detachment sent sometime ago, 
under the command of Captain Newcome ' of the Orpheus, and 
Major Brown of the Company's troops ..... 

Nov" 18", We made Pulo Pinang...... 

The population of Pulo Pinang exceeds 20,000 souls, consisting 
of Chuliars, Chinese, Malays, Bengallies, Portuguese, and Europeans ; 
the first bear the greatest proportion in number and are chiefly the 
boatmen and fishers, but some of the richest traders are of this 
cast; they are originally all from the Malabar and Coromandel coasts. 
The artificers and most of the shopkeepers are Chinese. The persons 
who are generally employed in clearing the ground and cutting 
down trees for timber are Malays, who work by contract, and with 
their little axes with long handles cut down or sit idle at their 
pleasure. Their manner of cutting differs from what is generally 
practised ; if the lower part of the trunk of a tree be much thicker, 
as it for the most part is, than, at the height of 6 or 8 feet, they 
erect a stage, and cut it at that height where it is least trouble; 
then clearing away the underwood, they take advantage of the 
wind, and cutting nearly through several trees in its direction, 
they fairly fell the first, which in its fall brings down all the others 
to the leeward of it. After the trees are somewhat dry, they are 
set fire to, but seldom were entirely consumed; very large timbers 
are still lying in the direction they chanced to fall. This and the 
quantity of ground lost by the stumps still remaining (if left to 
nature to decay as is usually the case), impedes the cultivation for 
not less than 6 years, and sometime 10. It would seein therefore 
more advantageous to dig the trees at first fairly out of the ground. 
Rice is generally cultivated after the wood is cut down, but from 
the ground not being effectually cleared, there is full a third part 
of it lost for at least 6 years, and the standing stumps give it the 
most barbarous appearance possible. The variety and luxuriance of 
the trees over this island, as over all the Malay islands, is very 
beautifull; timber very, plenty and good; but they have no teak, 
which is the best wood in India. Poon grows to an immense size, 
and one tree large enough for the Suftolks main mast, for which 
it was intended, lay upon the beach. 

The soil about the town itself is sandy and very disagreeable, 


1 Vgl. G. Lauts, Geschiedenis..... van de Nederlanders in Indië... Vv, 
(1859), bldz. 257. 


256 DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 


being either quite loose sand, or overgrown with long grass. The 
inland part of the island is very high, covered with wood. The 
pepperplantations here flourish extremely well, and I am told that 
the pepper is of a better quality than at Bencoolen, which has 
diminished in the quantity of its produce considerably for some 
years past. Perhaps this circumstance may be a means of encouraging 
Pulo Pinang, and it is imagined that it would be much more to the 
advantage of the Company to withdraw the establishments of Ben- 
coolen and bestow their attention on this island. This addition 
alone would be sufficient encouragement and security to Penang. As 
to Bencoolen, since it is only kept up for the purpose of collecting 
the pepper on the Westcoast of Sumatra, and seeing that the quantity 
produced has gradually diminished for some years past, it is a query (?) 
with very little doubt, if the whole of this pepper would not just 
as certainly be brought to the English at Penang, where the Malays 
could sell it at a price, not so much above the contractprice of 
Bencoolen, as to equal the expence of that settlement now. ! 

The harbour of Penang is proved to be safe and capable of 
holding all the ships of our navy in the East, and affording them 
and any other ships every requisite assistance at all times. There 
is now a shipwright established, who builds ships here, and from 
the cheapness of timber, if encouragement was given to artificers, 
ships might be built cheaper here, than any where in India, and 
docks for the largest ships could be formed almost by the simple 
excavation of the rock of Pulo Jeraja, where the Chinese now 
manufacture. chunam very cheap and good. It is therefore a good 
situation for establishing a naval arsenal, as the most central to 
all the trade between India and China, and all the islands to the 
Eastward, which, it is hoped, may soon be carried to an extent 
much beyond what it has been hitherto and this in all probability 
could be done without any, or at most a very trifling, expence to 


1 Hier is, met potlood, geplaatst de volgende kantteekening: 

»Very just, for pepper is purchaseable at all other parts of Sumatra and 
one half the price it is at Bencoolen. Another advantage of Penang is its 
centrical situation, by which it might be made the entrepot of all the com- 
merce of India with China, but in such case it must be a free port and not 
shackled with duties on import and transhipping. When they were imposed (?) 
to meet(?) the expences of the ,Scottish Invasion”, Penang was almost 
deserted by the Malays, who consumed a large quantity of British and 
Indian manufactures, which they paid for(?) in produces(?) disposeable (?) 
to the Chinese.” 


DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 257 


the Company; since if they would only avow their encouragement 
and support to the settlement, in the manner before mentioned, 
its being continued a free port would secure it such a resource 
of shipping and trade, as would tempt the speculation of individuals 
to these undertakings. The watering of ships at Penang at present 
is by no means convenient, but might easily be made so. 

The fort is situated at the N. E. point of the island, which 1s 
certainly the best; but it is in itself so childish a plan and scale, 
so near the sea, so ill executed, and so crowded on by the town 
and houses adjoining, that I fancy, to afford a real security to their 
possessions, it will be found necessary to build another in a different 
place; the best place for the purpose is said to be about 6: miles 
South, where there is an inner harbour, which might be improved 
for the reception of large ships. The tree or plant which yields that 
curious substance, the elastic gum, grows here in abundance; its 
juice, when cut or broken, resembles milk, which when suffered 
to remain exposed to the air, coagulates into the substance we see 
it, without any chemical process whatever. Bullocks and sheep 
are very scarce and poor here; the: beef is generally buffalo, chiefly 
from the opposite shore of Quada !, and sheep are imported from 
Bengal. Poultry are plenty and cheap, the market being supplied 
by Malay prows, besides what are bred on the island. Vegetables 
are cultivated in great plenty by the Chinese, who wherever they 
settle are industrious and orderly. 

24th, This morning embarked with the Admiral on board the 
Orpheus, we weighed anchor at 10: o’clock...... 

80... 

we did vot anchor in Malacca road untill 5 o’clock in the evening. 

December 1“. The Admiral landed and was received by the 
Governor, M* Couperus 2, Major Brown and all the officers of the 
garrison, and was conducted to the Government house. We dined 
this day with Mr Couperus; there was a large company. Madam 
Couperus was dressed in a mixture between the Malay and Portu- 
guese. Her outward garment being made exactly. like a shift. She 
looked as if she reversed, the order of her dress altogether; her hair 
was drawn so tight to the crown of her head, and the skin of 
her forehead so stretched, that she could scarce wink her eyelids. 


1 Kedah. 
2 Abraham Couperus, de Nederlandsche gouverneur, die in Augustus 
1795 Malaka aan de Engelschen had overgegeven. 


258 DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 


She seemed however very affable and well-bred. In the evening 
she played on the harp and was accompanied by some of her slaves 
on violins. She chewed betel incessantly, as did the other ladies 
in company and every chair in the room was furnished with a 
cuspedor. to spit in; for while the ladies chewed and played, the 
Dutchmen smoaked their long pipes and drank klienbeer !, which 
is some of the best malt liquor I ever tasted. We were attended at 
dinner and during the evening by Malay slaves, male and female, 
some of the latter rather pretty, considering the general cast of 
Malay features. 

8th, This day visited the works of the fort and town, which 
were found in better order and more capable of defence, than could 
be supposed from the facility with which it was gained by so 
small a force, as that sent against it. Had the Dutch been true . 
to their trust and assembled the garrisons of Rhio and Perah, 
as they were ordered from Batavia to do, they certainly might have 
occasioned us a deal of trouble. 

16, After much inquiry and considerable expence, we obtained 
very satisfactory information relative. to the situation, strength 
aud disposition of the natives of Amboina, from which there are 
great hopes, the task of reducing it, if necessary, will not prove 
_ very arduous. 

17, By an English ship, arrived from China, we learn that 
there were no French ships at Batavia on the 1% of November, 
as three Portuguese ships left it on that date and arrived at Macao. 

December 8d, These Portuguese may account for the white flags 
that we have heard [in ?] frequent reports of as Frensch in that quarter. 

19%, The Suffolk, Centurion and Hobart arrived this morning 
from Pulo Pinang. 

21™*. The Arniston, indiaman, was this day dispatched on her 
voyage to China. | 

25th, Chiefly engaged in compleating the survey of Malacca. The 
prize agents employed in taking account of all the public effects. 
Major Brown having resigned the Government of Malacca, and 
Major Vigors having preferred going on the expedition, Capt” Parr, 
next in seniority, was put in orders for the command of Malacca. 

30%, As it appeared to the Admiral, that we were scarce in 
tonnage, the Armenia, captain Sands, of 300 tons, was this day 





1 Kluin- of Kluunbier: een Groningsch brouwsel. 


DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 259 


taken up at four pagodas a ton p" month for six weeks certain. 

81%. Several of the seamen, being in a very sickly state, were 
sent ashore, as being unfit for immediate service, and as there was 
a great want of wholesome accommodation for them, a temporary 
hospital for the sick of the navy was erected. Notwithstanding 
that this town is surrounded on the landside with impenetrable 
jungles and swamps, from the small proportion of sick in hospital 
it may be reckoned healthy for Europeans, tho’ since our possession 
of it the rains have been very constant. This is probably owing 
to the effects of putrid vegetation being washed away as soon as 
formed. 

Tho’ situated in the most favorable way for uniting all the 
resources of a rich country, with an easy communication by sea 
to foreign markets, Malacca now labors under every incon- 
venience that an island does. without its advantages; and tho’ it 
has adjoining a soil capable of yielding the richest productions of 
every kind, and tho’ under the dominion of an European power 
for about 250 ' years, it remains, even to the foot of the lines of 
the town, as wild and uncultivated, and in as perfect a state of 
nature, as if there never had been a settlement formed here; and 
except by the small river that passes between the fort and town, 
you cannot penetrate into the country in any direction above a 
five miles. Nor is even this extent general, being confined to the 
roads which run along the sea-shore, about two miles each way, 
and one that goes inland. Mr Couperus has a country-house about 
four miles on this latter road, and there were some time ago 
gambir-gardens about 7 miles in-land, to which this road led, 
but it is not at present cleared farther than Mr. Couperus’s house. 
There is no cultivation at present round Malacca but the gardens 
of the Chinese and a few of the Malays, who supply the town 
with great abundance of vegetables and fruits, the varieties of 
which are reckoned at upwards of 100; very few of them are indebted 
however to cultivation, being mostly the spontaneous productions 
of nature. The gardens immediately next the town are so choked 
up with cocoanut-trees, that even from Bocca China? you can 
hardly see a house; they grow indeed so thick as very much to 
obstruct the free circulation of air and almost entirely to keep off 
the land-wind, which at this season is the prevailing one, and very 


1 Sedert 1511, dus in 1795 bijna 3 eeuwen. 
3 Boekit tjina. 


260 DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 


cool and pleasant. This extraordinary want of cultivation I am 
informed is the consequence of the restrictive policy of the Dutch 
government of Batavia, who make a point of discourageing it in 
all their settlements, the more effectually to render them dependant 
on Java, where alone they promote cultivation and improvement, 
and from where they supply all the other settlements even with 
the common necessaries of life. Sugar might be cultivated here to 
great advantage, the climate being very favorable to its growth, 
but no more is grown than is used as a common vegetable, the 
manufacture of that article having been hitherto prohibited. Salt 
too might with very little attention and care be made in quantity 
on the swamps quite close to the town, as they are subject to 
be overflowed by the tides and have no frish water to communicate 
with them. There was some years ago a very good manufacture of 
gambir here, which exported near 40,000: picul annually, but * in 
the war with the Malays, the gardens were cut down, and the 
manufacture distroyed. Since then there is but a very small quantity 
made here, and Rhio is now the chief place where it is manufactured. 
Gambir is a substance of a waxy consistence, and a light yellowish 
brown colour, formed by the decoction of the leaves of a shrub, 
into which a small quantity of riceflower is thrown, to make it 
more firm and solid. It is of an acrid bitter taste, and is eaten 
with betle by all the Malays; it leaves an agreeable sweetness on 
the palate. This article was the only manufacture of Malacca, that 
I can learn, and with canes, dammer, betel, nuts and gold-dust 
constitute the only natural exports; and it is dependant on foreign 
markets even for the common necessaries of life. The exclusive trade 
which the Dutch carried on, and the breach of which they punished 
with death ? was in tin, pepper, opium, Japan copper and spices. 
1 Hier staan de woorden ,some years ago” in het manuscript, maar 
zij zijn met potlood doorgeschrapt. 

3 Nog den 15 October 1794 waren de verbodsbepalingen tegen particulieren 
handel in specerijen en oliteiten vernieuwd (zie J. A. van der Chijs, Neder- 
landsch-Indisch Plakaatboek, XI, 1893, bldz. 821) „op poene van de poenali- 
teiten, daartegen gestelt” Deze straf was echter toen niet meer, zooals onze 
tekst heeft, de doodstraf, maar straffe aan lyf of leeven” (Plakaatboek, t. a. p., 
bldz. 692), terwijl ook op deze straf bepaling gaandeweg in de practijk vele 
uitzonderingen waren toegelaten (vgl. bv. Plakaatboek, t.a. p., bldz. 668, 
546, v.). In October 1781 was de „levens-straf” uitdrukkelijk gesteld ge- 
worden op den handel „in de vier fyne speceryen of de daar van gestookte 
olien” en in ,amphioen..... behalven die van de (Amphioen-) societeit te 
Batavia is ingekogt..... " (Plakaatboek, X, bldz. 300, v.v., 561, 567, vgl. bldz. 





DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 261 


The two first articles they bought from the Malays at their own 
prices, having either established factories for smelting the tinn and 
collecting the pepper, as at Rhio, Perak, Palambang et**, or forced 
them to sell wherever they could find them; the other three articles 
they sold to them. Their open trade consists in salt, piece-goods of 
India, Macassar cloths, tortoise-shell, ivory, wax and gold-dust. 
Some years ago, when the Commissioners from Holland ! found 
the trade of Malacca so much on the decline, they reduced the 
civil and military establishments of it considerably. This diminution 
of the trade is in a great degree owing to the vicinity of Penang, 
where the Malays, finding a free sale for all their goods, naturally 
carried them whenever they could scape the vigilance of the Dutch. 
Perhaps the prosperity of Penang is considerably indebted to the 
monopoly of Malacca. How far it may be affected hereafter by this 
monopoly being put an end to, it is hard to say. Certainly Malacca 
is better situated for trade, particularly that carried on by the 
Malays in their prows, and it is the key of the Straits, since no 
ship can pass but in sight of it; and there is little doubt, but it 
will soon recover its former consequence, when the freedom of trade 
shall take effect, and the Dutch influence is known to be at an 
end. "Tis probable that there will be found advantages and trade 
sufficient to support both this and Penang. This settlement it 1s 
certainly necessary to keep, to prevent any other power establishing 
themselves in it, and it is likely the Americans would avail them- 
selves of the circumstance of its being evacuated in a short time, 
which might be attended with very inconvenient effects to us here- 
after; and as to Penang, it possesses natural advantages enough to 
insure its prosperity, unless thrown off and disclamed as unworthy 
the protection of the Company; and amongst its advantages its 
harbour for ships and resources in ship-building are not the least, 
particularly as it is not at all improbable but the chief business 
done in that line may soon find its way from Batavia thither, which 
indeed is sincerely to be wished on the score of humanity, that 


238, 469 v.v.). Dit in overeenstemming met en in navolging van voor- 
schriften van 1774, 1771, 1770, en vroegere (Plakaatboek, VIII, bidz. 611, v.v., 
729, v.v., em vroegere deelen; De Jonge, De Opkomst van het Nederlandsch 
gezag in Oost-Indié, XI, 1883, bldz. 263, enz.). 

Bij deze dus niet geheel juiste voorstelling staat een kruisje in potlood, 
als teeken van bijzondere aandacht, door een der lezers daaraan gewijd. 

1 Nl. de Commissarissen-Generaal Nederburgh c.s., benoemd in 1791, te 
Batavia gekomen in 1793. 


- 


262 DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 


baneful climate having so often proved fatal to those whom either 
choice or necessity led thither for repairing their ships, it might be 
worth attention to endeavour to establish the artificers in the ship- 
building line at Penang, which I have already remarked is well 
calculated for a naval arsenal. We should then have resources on 
both sides of India, and ships meeting with accidents on one side 
of the Peninsula need not go to the other for repair. The trade in 
ships too is very much increased in these straits within a few 
years back, which is attended with the good effect of discouraging 
the propensity to piracy so common among the Malays. 

Abundance and great variety of timber fit for ship-building is 

to be got both here and at Penang. Masts of the largest size are 
got very cheap from the opposite side at Syac, and are sent 
annually to Batavia; it was for the purpose of carrying a cargo 
now ready here, that the Constantia, an old Dutch indiaman, was 
sent from thence some time since, and now lays here. A 74-gun 
ships-mast may be bought for 200 Dollars. 
_ The population of Malacca does not exceed 14.000 or 15.000, 
which is calculated from the quantity of rice imported, and may 
be tolerably exact. They consist of Malays, Chinese, Chuliars ! 
and Kuropeans; aud as there is nothing bearing any resemblance 
to a rajah or supreme head among them from the interior part 
of the country,. each cast has its own chief or Captain as he is 
called, who are all subordinate to the Government. 

The disposition of the Malays about Malacca is quite inoffensive, 
nor has there been any act of treachery, that I could learn, com- 
mitted by them for a considerable time 2 past. In their domestic 
habits they are free from the prejudices of the Hindoes and are 
reckoned Mahometans. They are extremely indolent, and if not 
tempted by the hope of gain would never exert themselves, tho’ 
very muscular in their make and better formed for strength and 
activity than any of the natives in India. They are passionately 
addicted to gaming and cock-fighting, which are their chief amuse- 
ments. Creese-fighting is the principal public exhibition I could 
observe, in which the combatants pride themselves, not in the 
boldness of attack and manly agility, but in the wily approach of 


1 Mooren van de kust van Malabaar? Vgl. H. Yule and A. C. Burnell, 
Hobson. Jobson (London, Murray, 1886), p. 159, sub voce „Choolia. — Vgl. 
hiervóór bldz. 255. 

2 Vgl. hiervóór, bldz. 260. 


DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 263 


a tiger, where their greatest merit lies in getting unawares behind 
their antagonist and surprizing him by a stab in the back; and 
this circumstance I look upon as strongly indicative of the general 
disposition of the Malays. 

The Chinese are equally addicted to gaming with the Malays, 
and have here and at Penang licensed houses, where they play 
with dice, a kind of hazard that seems to have a good deal more 
variety than our’s. They are also fond of theatrical exhibitions, in 
which their merit is considerable. Their chief performers are car- 
penters and other artificers, and there is no doubt, if people of 
the same rank in life in a distant country-town in England were 
to attempt getting up a play, they could hardly equal the exhibition 
of this sort we saw at Pinang on a stage erected for the purpose 
in the streets. The spectators sat on chairs aud benches in the 
open air, and were refreshed with tea and sweetmeats. Their music 
is certainly very disagreable, being composed of gongs and very 
harsh hautboys. They are very industrious, almost: all of them keep 
little shops and sell groceries of all sorts. They all hitherto sold 
arrack, and the consequeut drunkenness of the place was abominable. 
I am happy to observe now however, that by the new regulations 
with respect to the duties this article is put under limitation 
and taxed as it should be. The Chinese, when they arrive at a 
certain age, always prepare their coffins, as a memorandum of the 
end they must, sooner or later, necessarily arrive at, and as a 
stimulus to the observance of morality during life; and certainly 
they are in general a very orderly well behaved people. At every 
man’s door you accordingly see 4 or 5 immensely thick planks, 
of which their coffins are to be made. Their burying-ground they 
always choose on a hill, and that called Bocca China derives it’s 
title from being chiefly devoted to that purpose. Their tombs are 
of a particular construction, being surrounded by a considerable 
space, open on one side, and simicircular on the other, some of 
them formed at a great expence. They always enclose with the 
dead body a certain quantity of provision and sometimes money. 
From their industry and ingenuity they are vere useful to new 
settlements, and deserve to be relieved from those oppressive 
impositions which the Admiral has very wisely put an end to. 
They are great breeders of hogs and are generally the persons 
who slaughter them; but the priveledge of doing so became a 
subject of taxation in the Dutch Government and still continues 


964 DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 


so, as they have a particular method of increasing the weight of 
the pork by introducing water into the cellular membrane similar 
to the cheat butchers at home sometimes practice of blowing up 
meat to make it look well, but still more effectual. They kill beef 
too, which is very coarse and bad, being all buffalo. There are 
bullocks and cows here, but very scarce and poor, and the milk 
and butter, both here and at Penang, are very bad; the cause is 
the same in both places, the soil not being sufficiently cleared, 
the natural grass in the swamps and jungles is too coarse for 
cows, but is the best for buffaloes, which here grow to a great 
size and strength, and when taken, are very fierce. For the same 
reason sheep cannot thrive, there is therefore no mutton but from 
Bengal. — 

Almost all the mountains in the Peninsula of Malacca, as well 
as these in Sumatra, are impregnated more or less with gold, and 
many of them go by the name of Mt Ophir. That inland from 
this place is about 26 miles; the communication to it being by 
the river that disembogues naer Point Sisa. The Malays who go 
there are under no restraint, nor pay any duty; but enclose with 
stakes a certain extent of ground, where they think convenient, 
work untill they procure the quantity they want and then return to 
dispose of it. The richest gold-mine in the world is said the black 
mountain in Cochin China: the working of which having been in- 
terrupted by civil wars for four years together, some time back; 
the price of gold-dust in China rose 25 percent higher than its 
general rate, and upon its being again opened, gold-dust thro’ that 
immense empire fell to its former standard. 

Concerning the works of the fort and town of Malacca, according 
to the plan they are built upon, they are in tolerable good repair, 
and capable of considerable defence; tho’, should it remain eventually 
in our possession, which is not unlikely, and a garrison be esta- 
blished on it, it would be absolutely necessary to modernize the 
whole river-face of the fort..... 

The severity, which the Dutch have constantly exercised in this 
Government, has impressed itself so forcibly on the minds of the 
inhabitants of all denominations, that they can hardly conceive the 
English to be now their rulers from the mildness of our admini- 
stration and the politeness we show to the Dutch; which is attended 
with the ill effect of their influence being still so great, as to keep 
back every kind of information and assistance that we might naturally 


DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 265 


expect; it therefore becomes the more necessary to adopt decisive 
measures, and the Admiral has accordingly resolved to send away 
the late governor and Dutch soldiers, who have been hitherto 
kept, in contradiction to the orders from Madras. However, as there 
has been a sort of interregnum with regard to the administration 
of justice, it was thought necessary, to continue in office the 
members of the former Court of judicature, which some of them 
seemed not over-willing to comply with, untill they were given to 
understand that the ultimative was being sent to Madras; accordingly 
a commission of justice was made out and issued. The Fiscaal is 
the acting member upon all occasions of small import, and in the 
Dutch government his fees always bore proportion to the rigour of 
the punishment. This stimulus to cruelty neither the general dispo- 
sition of the Dutch, nor the particular temper of MF Rhude required ; 
and it was but a short time before our arrival, that a young woman 
with child was whipped so unmercifully, that she died in a short 
time. They sometimes proportion the punishment to the time of 
smoaking their pipes, and it is not uncommon to say, give him 
one pipe or two pipes, according to the magnitude of the offence, 
meaning that the criminal is to be flogged during the time that the 
pflegmatic Fiscaal smoakes one or two pipes of tobacco. ! 

The investigation of the public accounts and revenue has been 
a source of great trouble, and untill the determination to send away 
Mr Couperus and the Dutch soldiers was understood, every possible 
difficulty was thrown in the way. It now appears that several things 
were omitted in the statement of public property first sent. The 
accounts of the salaries and emoluments of the Dutch servants 
seem to be loaded with a great many more charges than is natural 
to conceive would be allowed; but there seems to have been a great 
deal of peculation in practise, particularly in one article, the share 
of 25 percent on the revenue that was allowed to the civil servants; 
the consequence of which was, that the Government tempted the 
Chinese farmers of the revenue to bid a vast deal more than they 
were realty worth, from the first fruits of which their shares were 
regularly paid; but the balance was more than could be collected, 
and they were therefore obliged to write to Batavia for a remission 
of it altogether, which I am informed was never refused. 


1 Natuurlijk dat een dergelijke beschuldiging aan het adres der toen- 
malige Nederlandsche autoriteiten te Malaka geheel blijft voor rekening van 
den schrijver. 

7 Volgr. VI. 18 


266 DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 


The public sale of the revenue was some days ago advertized 
for this day, on the principle of a trade open to all, upon certain 
fixed duties, which perhaps may be more profitable in the end than 
the mondpoly. 

1796: January 384. The orders issued some days ago for the 
embarkation of the troops was necessarily changed on the Admiral 
resolving to leave behind the Centurion, for the defence of the 
Straits and settlement of Malacca, as we have lately had frequent 
reports of French and Dutch cruizers being out. From this and the 
great increase of stores and baggage, all the ships are very much 
crowded. 

4th, Mr” Couperus having had orders to prepare himself to go to 
Madras on this day on board the Swallow, as he had a family 
and vessel of his own (which has hitherto passed for a brig, be- 
longing to the king of Cochin, commanded by a French officer) he 
requested permission to proceed in her, and having reported himself 
ready and obtained his pass-port from the Admiral, he embarked 
accordingly. | 

6. The troops and stores being all on board the respective ships, 
we embarked this morning and being provided with such inter- 
preters and guides, as were necessary, sailed from the road of 
Malacca about 12 oclock..... 

These Straits are by no means well laid down, as it is impossible 
to know the different islands and head-lands from any chart of 
_ them yet published. It certainly would be a very desireable circum- 
stance to have a complete regular survey of them, as from the 
number of different islands, channels might be discovered, that 
would favor the passage of ships in either direction and with any 
winds, as I am informed there is deep water and good anchorage 
thro’ almost all of them; but from want of a knowledge of them 
ships, being afraid of exploring new passages, lose a vast deal 
of time..... . 

11%, A sail in sight to the Southward, wich proved, as was 
supposed, to be the Transfer, captain Elmore; we stood on with 
the tide, but not being able to weather Pedro Branca, were obliged 
to return, and again anchor under Point Romania. The Transfer 
also joined us. 

12%, This day received intelligence from the mate of the Transfer, 
who was on shore at Rhio, that on the 7‘ instant a prow arrived 
there from Banca, the noqueda or Malay commander of which 


DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 267 


reported to the sultaun of Rhio, that there were in the Straits of 
Banca 3 French and 2 Dutch ships of war (capal prauw‘ in 
the Malay tongue) and that the Sultaun advised him, not to 
proceed by that passage on that account. The mate, who came on 
board us, thinks the report well founded, as the forfeiture of his 
life, he says, would be the consequence to the noqueda of false 
information. The Admiral on this resolved to return as far as the 
Little Carimons and send into Malacca for the Centurion, and, after 
giving the requisite warning to the settlement of Malacca, to 
proceed by the straits of Durion and Banca, in order if possible 
to intercept this force, which might be an armament (?) destined either 
for the recovery of Malacca or to distress our trade in these Straits ; 
and there is some reason to suspect, M". Couperus may have given 
intelligence to Batavia of the exact situation of the garrison of 
Mallacca and likewise of the- probable time of our departure. The 
soldiers on board the Orpheus are reported to be very discontented , 
on account of the difference of the provisions with which they are 
served from that of the sailors. On long voyages like the present, 
when the services of men are to be immediately called for and 
every exertion expected from them, there should certainly be more 
attention and liberality shewn to their provision, on which their 
health so materially depends. They are denied the little gratifications 
of flower, pease, sugar et°* and only served biscuit and salt beef 
1 pound of each p™ day to each man. The consequent sickness or 
at least weakness of the men after a voyage of 6 weeks, must 
surely be a much greater loss to the public service than those 
little allowances, which would not only gratify their pride as well 
as palate, but keep up that efficient vigor necessary on their arrival 
at their distined scene of action. For supposing only five in a 
hundred to suffer by the saving, exclusive of the idea of humanity, 
that of economy will make it evidently appear, that it is cheaper 
to employ one hundred stout, hearty, well-fed men, than one hundred 
and five, supported on this curtailed allowance, five of whom are 
sure to become unserviceable thereby. 

14h, Having come to an anchor off the Little Carimon-island, 
the Admiral dispatched the Hobart and Malay prow to Malacca 
with orders for the Centurion and Swift to join us. Wrote to 
captain Parr, commandant of Malacca, an account of the information 


1 Kapal pérang? 


268 DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 


which caused our return, and the Admirals intention to proceed by 
the Strait of Banca, to clear it of any enemy that may be there. 

16%, The troops were landed at a very good watering-place on 
the Great Carimon-island, to refresh themselves, while the transports 
were well washed and cleared, which from being so crowded could 
not be done, while they were on board, and was therefore necessary 
for their health and comfort. We also changed our place and 
anchored nearer to the watering-place. 

17, This day joined us from Malacca the Centurion, Hobart 
and Swift. They inform us of the loss of Shah Muushy of Bombay 
from China on the rocks of Pedro Branca on the 8“ inst‘. The crew 
were all saved in their boats but the ship went to pieces immediately , 
and nothing but their lives saved; the boats passed us, in the night 
of the ninth. The loss of this fine ship is the consequence of the 
want of a proper survey of these straits, with proper remarks on 
the tides and currents. From the Phoenix we this day learn by 
our boats which returned from her, that there are two Spanish 
. frigates at Manilla, both sickly (?), bound shortly to Spain, by the 
way of Cape Horn; that the forces of Manilla are considerably 
encreased and great pains taken in their discipline; that the fort 
is put into a very respectable state of defence, the works being 
new modelled and repaired. The present governor is reckoned an 
active, clever man, who encourages cultivation and trade. Some 
specimens of a white rope, made of grass, and some of the material 
itself prepared for twisting were brought us, which seems to be 
very strong; but I understand, decays in fresh water. They make 
a very good sort of canvass of it. I am inclined to think that if 
the long grass, which grows in the beds of all the great rivers on 
the boast, was properly prepared, it is the same or at least would 
be equivalent to it in strength and durability, as it possesses a 
remarkably strong fibre, very fine and silky ..... 

18th. At 6 o'clock this morning weighed anchor with a fine 
breeze from the North and made sail, now a formidable looking 
fleet, consisting of 9 vessels; as we sailed thro’ the Straits of 
Durion, the farther we advanced, the more convinced we were of 
the in-accuracy of the charts of it, which are more calculated to 
lead ships astray than to direct them; so that, had we not on 
board the different ships some good pilots, we should have been 
much at a loss..... 


DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 269 


When being in sight of Monapin-hill on the island of Banca, 
we came to an anchor. 

21s, We got under weigh (?) very early this morning ; the Swift, 
being very far ahead, made the signal for a strange sail, which 
we were in hopes was one of the Dutch fleet, but it turned out 
to be a Portuguese ship, which was in the road of Mintone(!), trading. 
We also saw two Malay kitches, which our hopes were for a short 
time flattered by ; such is the effect of refraction in all these straits, 
from the very strong evaporation, that, had we not been acquainted 
with the deception, we might frequently have fancied fleets in 
view from the trees being so extra-ordinarily raised by it; and once 
the Hobart actually made the signal for a fleet, the appearance of 
the trees being so strikingly like one. The Portuguese captain came 
out to speak to us and told us he has been here since the 28* 
ultimo and heard nothing in that time of either French or Dutch ships. 

227, Last night being remarkably fine with a fair wind, we 
continued under an easy sail, and this morning were a-breast of 
Parmesan-hill on Banca and the Second point of Sumatra. The 
troops and stores were now moved from the Hobart to the Centurion, 
the former being destined to return to Malacca and Madras. The 
water in this strait is quite brown, owing perhaps to the low 
swamps on the Sumatra side, where the trees actually grow in the 
water. The putrid leaves therefore and the mud of these swamps 
may give this colour to the water. A small brig is just now observed 
at anchor off Lucepara-island, to chase which our boats and those 
of the Squadron are sent. Lucepara and the First point of Sumatra 
form the entrance of the Straits of Banca from the South; it is 
very narrow and only 44 and 5 fathoms, the ground softest towards 
the Lucepara side, but the mid channel is perfectly safe. About 7 
o'clock, this evening, our boats being nearly up with the chase, 
she fired upon them so briskly, that they could not attempt to 
board her, and as she appeared to make sail towards Batavia and 
a breeze springing up, the Orpheus was sent in chase. We were 
very anxious about the boats this night, as the wind freshened very 
much and it grew very dark. 

234, This morning early we discovered the Orpheus with her 
prize; they joined us about 10 o'clock with all the boats quite 
safe. The brig proves to be the Harlingen, captain Pilander, of 
14 guns and 48 men. She was sent from Batavia 5 weeks ago to 
cruise off these straits, to watch the appearance of the English 


270 DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 


fleet. The Admiral made prize of her directly, as she fired at our 
boats first and we learned from the captain the certainty of a 
Dutch war; we also heard the agreeable news of the taking of the 
Cape of Good Hope. The Hobart parleyd us this night, when we 
proceeded on our voyage Kastward, with a fine breeze. 


The men on board are growing very sickly ; the Admiral has 
therefore ordered the soldiers to be served the same allowance of 
sugar, rice and pease as the sailors. The sailors are chiefly ill 
of scurvy and fluxes, the soldiers of swelled throats, like an 
exterior sort of quinsy, and I am told it is the same complaint in 


This night being very fine, saw the high-land of Celebes at 11 
o'clock, upon which we laid to the remainder of the night. 

31%. Saw the island of Tanakeka this morning, which is low- 
land. Celebes, as you approaclf it, is extremely beautifull, many 
parts of the land resembling the finest parks in England. As we 
coasted slowly on with a light breeze, a boat with a Dutch soldier 
came on board from Bonthian, where they have a little wooden 
fort of 8 guns and 16 men, under a serjeant, who is subordinate 
to Boclacumba, which is farther on about 20 miles, where as we 
intended to call for water and stock, we kept the Dutch man on 
board to pilot us to the best anchorage. The tide seeming to make 
against us, we anchored for part of the night, while is was calm. 

February 1* The wind being very faint this morning, so that 
it was feared the ship could not get in, the Admiral sent a boat 
ashore to the Dutch resident at Boelacumba. After three hours 
rowing in a very hot sun, we landed and found a miserable 
Dutchman, resident, an assistant and a doctor, with about 20 
soldiers, and a little wooden fort with 16 guns, 6 and 8...? 
As it was not the Admirals intention to take advantage of their 
weakness on the present occasion, we only demanded a supply of 
provisions, which he immediately gave the necessary orders to 
provide; but having very little power or influence, as he says, he 
is afraid what he can procure will be very inadequate to our 
wants. We dined with him, as it rained heavily with violent thunder 
and lightning. They are sometimes subject to earthquakes, a shock 
having been felt 5 months ago, when captain Seaton of the Helen 
was here, but they are not frequent nor violent. This, the resi- 


DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 271 


dent, Mr Wist, says is the rainy season here, which begins about 
the latter end of December; he asserts that notwithstanding the 
fruitfull appearance of the country from the sea, it produces nothing 
but a little rice in the valleys and cocoanuts near the coast, and 
from a nearer view of it, what appears to be beautiful plains and 
fine pasture grounds, are nothing but extended savannahs and deep 
morasses. However the soil is naturally extremely rich and only 
requires a sufficient cultivation to make it produce every fruit and 
vegetable within the tropics. The rise of the land towards the 
mountain is very grand and might afford every gradation of climate, 
that could be wished for, and if made the use of that might be 
and of which it is capable, would probably be one of the richest 
places in the Kast. There is a small river here with very good 
soft water, but very inconvenient watering from the distance 
the ships are obliged to lay, near three miles, and the bar 
at the rivermouth being only passable for ships boats at high 
water. 

2°, Karly this morning the Admiral went ashore to see the place, 
which from captain Seatons discription was imagined to be very 
plentifull in all sorts of supplies; but there is a great deal of 
difference between the wants of a single country-ship with about 
10 Europeans on board and a fleet like ours. Indeed in all des- 
criptions of places like this, it were to be wished that those who 
make them, could devest themselves of that sort of rapture, which 
their arrival at a friendly port, where they chance to get their 
immediate wants supplied and the novelty of the scene altogether 
are so apt to excite, particularly after a voyage of any length; 
and that they would confine themselves to a just representation of 
what a place really can produce and the use that it may be of 
to navigators in general. It was with the greatest difficulty and 
exertion that we could get 18 bullocks, 12 buffaloes and 12 
sheep, with a few poultry, and no fruit or vegetables; the bullocks 
were good but very small, weighing only ® 120 each, at 6 
Sp. dollars, sheep at 8 and buffaloes at 10 each. The Dutch resi- 
dent here seems to possess very little influence, but, as we were 
informed, has several villages under his management, from which 
he collects the tithe of the produce of rice, which about defrays 
the expence of this garrison and Bonthian. In this part of the 
country they manufacture those fine cotton cloths of a tartan 
pattern, so much esteemed amongst the Malays; but the colours 


272 DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 


are not so bright, nor I fancy can they afford them so cheap, as 
the Chay goods on the Coast of Coromandel. 

The Dutch have numerous factories on this island, most of which 
are subordinate to Macassar, the chief seat of Government; and as 
they must be rather a disagreeable check to the natives, it is 
probable, that the removal of the whole of them would be a very 
acceptable price of service to the rajahs of Ghoa or Macassar on 
the S. W., Bony, up the great gulf of Sewa, and Mandar on the 
N. W. coast of Celebes, where they possess their chief settlements, 
by which we might secure enlarged priviledges of trade and open a 
mart for immense quantities of our manufacture, opium, cloth 
and hardware; and perhaps an embassy for this purpose, conducted 
in a proper manner, after the removal of all the Dutch posts, would 
be attended with very benificial effects.' For if a proper compact of 
mutual trade was entered into, whereby they would consent to give 
every preference of trade to the English ? and hovst the flag of Great 
Britain at all their sea-port towns, it might prove a sufficient 
bar to any other nation making a settlement amongst them; and 
by this means acknowledging the sovreignty of the British nation 
(aided by their natural aversion to all invasion of their naturel 
rights and liberties, which must always in some degree happen by 
the most liberal settlers), would exclusively? secure all the ad- 
vantages, the intercourse with this island could afford, without the 
necessity of establishing garrisons and posts along the coasts, to 
occupy the territory, as the Dutch at present do, to preserve a 
dominion of little or no value. 

The rajahs in the interior of the country are continually at war’ 
with each other, which I am told the government of Macassar 
encourages, and they invariably sell as slaves the prisoners they 
make in their expeditions, which are often for no other purpose. 
Some prisoners are lately arrived here, four of whom some of our 





' Hierbij is geplaatst de volgende kantteekening met potlood: 

„A very important subject of consideration.” 

2 Uit deze en dergelijke (zie de volgende noot, enz.) opmerkingen blijkt 
opnieuw, dat bij de beschuldigingen, door de Engelschen geuit tegen het 
monopoliestelsel onzer Oost-Indische Compagnie, ook al geldt het spreekwoord 
van pot en ketel. 

8 Hierbij is de volgende potlood-aanteekening geplaatst: 

„In addition to this a consul, either a Portuguese or halfcast Englishman, 
would be necessary to guard our exclusive privileges (?) of trade in time of 


peace, under the British flag.” | 
4 


DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 273 


gentlemen bought. The Buggesses! have in general a very good 
character for fidelity and bravery, which qualities would render 
them very fit for Sepoys? on the Coast of Coromandel, where 
there is rather a want of inhabitants to supply them, and it might 
not be a bad scheme to get Buggese recruits from Celebes here- 
after for that establislement. ° 

We took a row up the river of this place about a couple of 
miles, most of wich way it runs westward nearly parallel to the 
sea. Great numbers of houses and inhabitants on its banks and 
prows of all sizes, most of the large ones paduakans+ with the 
tripod mast. The Buggesses are Mahometans. There are very few 
beasts of prey ; and a traveller has nothing to apprehend but from 
the inhabitants. The distance over land from hence to Macassar is 
about 40 Dutch or 160 geographical miles, but sometimes difficult 
to travel, as well from the very high land between as its being 
intersected by deep swamps and ravines, which in the rainy season 
are impassable. We returned on board in a burning hot sun, and 
by night had every thing off (?) we expected. The Buggesses are a 
better looking people than the Malays in general and Macassar 
is famed for pretty women and good horses. A few of the latter 
we saw here, the highest price of which was 25 dollars. Women, 
who are equally saleable (being considered as slaves), from 35 to 
500 and even 1000, according to their beauty and accomplishments. 

February 8% We weighed anchor early this morning with a 
light breeze and sailed thro’ the Straits of Salayer..... 

11, 1... 

We entered the bay of Bouro at 6 o'clock. .... 


The Admiral sent on shore to see the Dutch resident here, to 
endeavor to get a pilot for Amboina and also to cultivate a 
friendly connexion if possible with the natives. On approaching 
the shore, we found the surf so high, that the boat could 
not land near the town, and were therefore obliged to row a 


1 Boegies, Boegineezen. 

3 Sepoys, sipahi: een inlandsch soldaat in Engelschen dienst (Hobson-Jobson, 
p. 612 ff.). 

8 Hierbij de volgende potloodaanteekening : 

„This circumstance might be tried as an experiment, should another 
opportunity occur.” 

$ Padoewakang (vgl. Encyclopaedie van Nederlandech-Indië, III, bldz. 484). | 


27 4 DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 


considerable distance Eastward, where a reef of rocks affords 
some shelter. The wildness of the place and want of cultiva- 
tion was very conspicuous from the moment of landing, for all 
was swamp aud wilderness, even to the Residents door; and even 
in the streets the grass was grown so high and wild, that it had 
very little the appearance of a town. The Resident was soon made 
acquainted with the views and intention of the expedition, as far 
as was necessary or proper, and prevailed on to assemble the 
chiefs of the natives to communicate with them in the same 
manner. The head-rajah Cayely soon attended with a number of 
his people, before whom the proclamation in Malays was read and 
explained, and he was assured in every possible way of the friendly 
disposition of the English to the natives of these islands, of which 
he seemed convinced. We endeavored to get pilots to Amboina ; 
but tho’ he seemed willing to procure them, the people of the 
village, on the appearance of the ships, were so terrified, that 
they fled into the woods; and as it would have detained us too 
long to wait their being sent for, he was dismissed with a small 
‘present, after recommending the cultivation of a friendly connection 
with the English, which he promised to observe, and also to 
communicate and recommend the subject of our interview to the 
other chiefs of the island, 13 in number, who are all subordinate 
to the Dutch. The Residents house here is tolerably good and 
stands outside the fort, which is a wretched stone building, 
without a ditch; the building inside a heap of ruins and the 
gun-carriages quite rotten and useless. His garrison consists of 
about 86 soldiers, not above 14 of whom are Kuropeans, tho’ all 
dressed and armed alike. While we were in conversation, persons 
were imployed to sound the men of the garrison, and one man 
was found who offered to pilot us to Amboina, and who as been 
there and about it these 9 years. Him we brought off, tho’ the 
Resident did not consent but from apprehensions of force being 
exerted. The country of Bouro has the wildest appearance possible, 
very mountainous and covered with wood. The bay is very large, 
the entrance 6 miles across and 12 or 15 deep, being by no 
means a safe or eligible place for ships to call at in this monsoon. 
Found great difficulty in rowing 10 miles to windward across the 
bay, to where the Suffolk had about this time anchored. We learned 
from the Dutch pilot, that the Resident had sent off an express to 
Amboina on our first appearance. The Swift joined us this day. 


DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 275 


13, Some of the transports being short of water, the Admiral 
resolved upon staying to get a supply, and dispatched the Swift 
to cruise off Manipa, to cutt off the communication with Amboina. 

14%, Our watering was attented with great difficulty and delay 
and detained us here all day. The Resident sent us a present of 
bullocks and 38 deer with some fruit. Four natives of Amboina 
came off to us to day, with offers of their service, to procure us 
supplies of provisions and workmen from the country and establish a 
connection and intercourse with the natives, in case of opposition. We 
went on shore this day on the North-side of the bay, and found the 
cayapooty tree which jields an aromatic oil in great estimation, as well 
on account of its beneficial effects in strains and bruises as for its 
perfume, which the ladies of Amboina admire and make use of to 
anoint their hair. This tree grows pretty large with small long leaves 
of a remarkable fine smell when rubbed. The bark has the quality 
of being applicable to the purpose of calking instead of oakum, 
being very soft and pliant like the silky mulberry paper of China, and I 
am told answers very well; the natives use no other substance in 
calking their canoes and prows. The wood is very hard, of a red 
colour and seems fit for forniture or other household purpose. 
It derives its name, from caye, in the Malay language, a leg and 
pooty: white; because the bark of the stem of the tree is of that 
colour (sic |). 

15th, This morning got under weigh (?); it was with great difficulty 
the Suffolk and Centurion could get their anchor’s out of the 
ground, which was very tenacious. We brought too off Manipa , 
where the Swift laid at anchor. She had a panchallang ' as prize, 
with which she came out to us. The Orpheus and Swift were sent 
back to Manipa to bring off the garrison, who did not behave so 
well as was expected; we stood on about 8 at night and laid to 
untill daylight off the West-end of Amboina. 

16", Weighed this morning with a fine breeze and stood on 
for the entrance of the bay; we passed the Three-Brother-islands 
and the little fort of Lariki and saw several very neat towns on 
shore as we passed: the hills looked very wild and covered with 
woods, except some places that appeared to have been cleared. As 
we came off the entrance of the bay, our wind died away and the 
puffs, that at intervals came down the vallies, were rather against 


\ Péntjalang (zie Encyclopaedie, IV, bidz. 485). 


276 DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 


us. A brig appeared standing in for the bay, but as soon as she 
saw our colours, hauled off to avoid us, when the Swift was 
immediately sent in chase. About 4 in the afternoon we worked 
up to nearly opposite the fort Victoria, when captain Lambert of 
the Suffolk and myself, having received instructions from the 
Admiral, went off to shore. 

We met with no opposition in our approach but landed at once 
at the jettee-head and were very politely received by several of the 
Dutch officers, who conducted us to the fort to the Governors house. 
He seemed much agitated, being an old man, ' when we delivered to 
him the letters from his Serene Highness the Stadholder and the 
governor of Madras; and assembled his Council to read and con- 
sider the contents. We were delayed near 2 hours during this 
consultation, which we spent in conversing with the Dutch gentle- 
men, from whom we learned that the place was considered by 
themselves as untenable. The Governor soon after came out and 
informed us, that the Council with himself had agreed to deliver 
up the place, upon the same terms as were demanded by the Dutch 
governor of Malacca. These however being never agreed to, we 
considered as no rule of guidance in the affair and therefore 
refused to receive the letter, which would only have occasioned 
loss of time, but informed him that if he chose to surrender upon 
the same terms, as were granted at Malacca, they should be fort- 
with complied with. We soon discovered that they gave up every 
idea of resistance, and were therefore more positive in recommending 
them to adopt a course that would secure to each individual the 
enjoyment of his private property and the continuance of their 
present pay, and also such of their officers as might be thought 
necessary to be kept in employ; referring to the Admiral himself 
such further allowance in lieu of emoluments and the percentage 
on cloves, as he might deem proper for enabling the civil servants 
to support their rank, as we knew their pay to be inadequate 
thereto; which conditions being put into as simple a form as 
possible, they agreed to surrender the public property and fort 
with all it’s dependencies the next morning. These being the express 
terms and meaning of the capitulation agreed on, we came off 
about 11 o'clock, and acquainted the Admiral with the execution 
of our mission, with which he was extremely well pleased. 


1 Alexander Cornabe (vgl. Lauts, t.a.p., IV, bldz. 258, v.). 


DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 277 


17th, This being the anniversary of the English settlement at 
this place having been accused and afterwards tortured and 
executed 173 years ago, ! we landed with the Admirals ratification 
of the terms of the treaty of surrender; and quickly after 
2 companies of grenadiers marched into the fort, took pos- 
session of the gates, guards et® and hoisted the British flag 
instead of the Dutch. There is an inscription over one of the gates, 
the meaning of which is „Obtained by blood, and so to be defen- 
ded, which was soon understood by every body; but notwithstan- 
ding that, and the recollection of former cruelties exercised on 
our countrymen, now by the return of the date made fresh in 
every persons mind, there was not shewn the slightest tendency 
towards taking vengeance for that event. The Dutch called them- 
selves our friends and we treated them entirely as such. It took 
np nearly the whole of this day to arrange quarters for the troops 
and to collect the keys of all the public stores and offices. Major 
Vigors landed with the grenadiers and received the fort keys, 
and the whole of the troops shortly after were put ashore and 
occupied the barracks compleatly. 

The Swift returned to day with her prize, which proved to be 
a Dutch brig, the Splinter, from Macassar to Amboina and Banda, 
with a reinforcement of 102 European soldiers and 34 Malays on 
board. It was certainly a very fortunate capture, for had she got 
in safe, there is little doubt, but such an addition would have 
altered the temper of the garrison very much, many of whom 
already seemed desirous of risquing every thing by opposition; and 
had they arrived at Banda, would no doubt enable them to make 
an obstinate defence. For from a letter, which M" Cornabe, the Dutch 
governor here, gave the Admiral, from the governor and Council 
of Banda and which was left ready to be delivered to the com- 
mander of any expedition that might arrive, of which they had 
information on the 28% of December last, it is plain, the garrison 
there have made every preperation for resistance and in their letter 
avow it, at the same time dissuading him from any offers of pro- 


' De zoogenaamde ,Amboyna massacre.” Doet deze herinnering niet denken 
aan lord Roberts’ telegram aan koningin Victoria bij de overgave’ van 
generaal Cronjé, nl. dat deze plaats vond op Majoeba-dag? — Maar de 
schrijver hier vergist zich in den datum: den 23 Februari 1623 kwam de 
Engelsche samenzwering of zoogenaamde samenzwering pas uit (De Jonge, 
Opkomst, V, bldz. VI). 


278 DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 


tection, which they were determined to reject. It appears somewhat 
extraordinary , how early the news of our expedition reached Amboina 
and Banda, since they were so minutely informed of the Stad- 
holders letter so soon as the 234 of December; and from the cir- 
cumstance of the chief reference, in treating for articles of caputi- 
lation here, being made to the terms demanded by Mr. Couperus 
at Malacca, it is supposed to have been thro’ his communication 
in the earliest stage of the summons of that place, that they 
received their information. 

The confusion, that generally attends the first taking possession of 
a place, deprived us of every resource of bazar articles, for the 
inhabitants of the town all fled from their houses. There was 
therefore in spite of every precaution some plundering took place in 
the town, chiefly by the Dutch soldiers, who were sent out of the 
fort to make room for our own troops, which could not be avoided. 
In the fort too, as soon as it became dark, our soldiers, who got 
a quantity of arrack from the Dutch, began to plunder, and broke 
open the spice-stores’ Secretarys office and several other places, 
by which, had it not been almost immediately perceived and the 
plunderers detected, we should have suffered considerable loss. As it 
was, there was very little taken away, and the doors immediately 
secured and sealed up. 

18. This morning the Admiral landed in state, having rowed 
round the different ships of war, followed by the captains in their 
barges; the yards of the ships manned, mariners drawn out, with 
drums beating and guns firing et“ et°* et“, He was received in the 
jettee-head by the Dutch governor and Council, who accompanied 
him to the fort, where he received the compliments of the gentlemen 
of the different establishments civil and military. Most of the chief 
rajahs of the island too were presented as well as the captains of 
the Chinese, with all of whom the costum of the place made it 
necessary to shake hands. Most of the rajahs were dressed in full 
suits of black and wore swords. 

The delay of Dutch ceremonys is very great and the greatest 
part of the day was spent in it. The seals and stamps of the Dutch 
Company in all the different departments were delivered up in form ; 
and a proclamation was circulated by the Admirals order amongst 
the rajahs who attended, in order to encourage the inhabitants to 
return to their respective habitations and supply the bazar with 
provisions, for which payment should regularly be made. 


DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 279 


Having gone round the works of the fort with the Dutch eng- 
neer and received from him the plans relative thereto, was‘surprized 
to find the state of the place so weak and ill planned and comman- 
ded in such a way as not to be tenable against a regular approach. 
The situation is very beautifull and the town one of the neatest 
and cleanest we observed, indeed every part of this bay abounds 
with beauty; but as other advantages should likewise be considered, 
much better situations might be chosen. 

19%, Commenced our examination of the Company’s treasure, which 
took us up all the day and proved very fatiguing, as well from 
their voluminous accounts and diversity of coins, as from the 
want of good interpreters or translators. Sent circular letters to all 
the rajahs and chiefs of the different districts to call them in, 
to swear allegeance to the English government. A few of the 
inhabitants have returned to their houses snd again opened their 
shops, but they were so accustomed to the exclusive intercourse 
of the Dutch and the severity with which they execute their laws, 
particularly those forbidding all communication with other nations, 
that they could not immedeately conquer their fears. | 

20%. With much difficulty we completed the examinations of the 
treasury, in which we found to the amount of rix-dollars 55,294 
in various coins. The Swift sent the pantchallang William, loaded 
with cloves, from Saparoua. 

Had this day a long conference with the prince of Tidore, whom 
we found here treated with some respect, but in great want. He 
says, that his father was sultaun of that country and in friend- 
ship and alliance with the Dutch, who were however making con- 
stant encroachments on his power and independance, and some years 
ago attempted to deprive him of his country altogether, upon which 
he was obliged to fly and take refuge in the island of Ceram, 
carrying with him his eldest daughter and leaving the case of the 
kingdom to his brother, the present sultaun. There he remained 
. for about two years, when the Dutch government here, being 
informed of his retreat, invited him and his daughter to come 
here and under fair promisses induced them to put themselves 
under their protection. They were at first well received and sup- 
ported in a respectable manner for about a year, when the sul- 
taun was sent to Batavia by the orders of the Supreme Government 
there, whence he has not since been permitted to return; but is, 
as report goes, supported in a state, adequate to his rank. His 


280 DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 


daughter remained here unnoticed, and some time ago wrote to her 
brother, the Prince now here, that she was in great distress, 
requesting him to come for her and carry her home, which the 
Prince accordingly complying with arrived here about 5 months 
ago. The Governor and Council have constantly promised to send 
them home, but have notwithstanding suffered frequent opportunities 
to escape and still detain them, tho’ they are much distressed 
for the means of subsistance. The Prince is married and his wife 
lives at Tidore; he is in perfect friendship with his uncle, the — 
present sultaun, nor does he seem to have an idea of interfering 
in the Governement, which by the regular line of succession 
devolves to him on the death of his uncle. The Princes’ sister is 
also married but has parted from her husband, not being happy 
with him. ! 

Tidore produces spices of all kinds in abundance naturally, but 
from the vicinity of the Dutch at Ternate and the guard of 24 
soldiers placed about the person of the Sultaun the cultivation of 
the spice-trees is prevented as much as possible, and such as are 
found, rooted up and destroyed. This country also produces amber- 
grease, tortoise-shell and plenty of rice and sago. They want 
cloths of all sorts, opium, iron and cutlery, and if possible to 
procure them, arms and ammunition. The Prince wishes much to 
to return to his couutry, and if the English will restore him to 
it and relieve Tidore from the oppression of the Dutch, promisses 
to give them the exclusive monopoly of all the trade of this country 
and to acknowledge the sovereignty of the English. This princes 
grandfather and the father of Nockoe, with whom of late years, 
some of our trading-ships from Benghal have had a connection, 
were brothers. His name is Abdul Aleem, his sister Sophia. His 
father who was sent to Batavia bore the name of Melchedien. This 
is literally the story he tells of himself, which is however contra- 
dicted in many particalars by the Dutch and perhaps should be 
received with caution. 

We this day more minutely examined the state of the works of 
the fort, to see what might be indispensably necessary to its 
safety, which the small garrison we can afford to leave, when we 
proceed to Banda, obliges us to be particularly attentive to; the 


1 Men vergelijke naast dit verhaal bldz. 279, v. van deel VIII der Nieuwe 
volgreeks van deze Bijdragen (P. A. Leupe, De verdediging van Ternate onder 
den gouverneur Johan Godfried Budach, 1796— 1799). 


DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 281 


more so, as from several reports from the out-stations, latety made, 
a spirit of disorder seems to break out among the lower orders ; 
possibly however much exaggerated by the Dutch, thro’ whose 
information we received them. From the nature of the works them- 
selves, being slight and perfectly commanded from the adjoining 
heights to the eastward, it was not thought tenable against the 
regular attack of a European enemy, even with a trifling force, and 
it was therefore proposed, as a temporary repair alone could be of 
any use or answer the expense, to complete the platforms on the 
works, where it was most likely an attack might be made, and 
perfect the glacis and covert-way all round the land-side from sea 
to sea and plant a good strong palisading within it, also to deepen 
the ditch as much as it will bear, not being at present above two 
feet in some places; but from the radical defect in the scrap (?) and 
counterscarp, which have no foundations below the present depth 
of the ditch, it will only admit of being deepened in the middle 
in the manner of a cuvette(?). This improvement being proposed to 
the Admiral was approved of, and ordered to be immediaely executed. 

21%. The great fatigue and confusion arising from the want of 
knowing the Dutch and Malay languages or good translators and 
interpretors, distresses us very much, as it 1s with the utmost 
difficulty we can understand the accounts and returns we daily 
receive and are constantly liable to mistake and be imposed on. 
Major Vigors at the Admirals request gave in a statement of the 
force he thinks necessary for the defence of Amboina, and also 
those that he hopes may be adequate to the reduction of Banda, 
which, from the reports we have, our entire force is not more than 
may be necessary to accomplish. The number of our troops is 
really too trifling even to garrison these places after they are 
taken, and it is certainly owing to the false economy of the Dutch 
in not securing their possessions by proper fortifications that they 
lose them; for men they have and stores sufficient to resist the present 
force, if they had only bestowed some of their profits in erecting 
a secure fort, which undoubtedly the present never can be made. 

224, Administered the oath of fealty and allegiance to most 
of the rajahs, patties and orankaios, which are the three 
distinctions of chiefs among the natives of this island. The 
Chinese and principal Burghers too attended, that they might 
perfectly understand under whose authority and protection they now 


lived; as from the absolute necessity of continuing the Dutch 
7° Volgr. VI. 19 


282 DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 


gentlemen in the offices of residents at the outstations and 
in the administration of justice, particularly the fiscaal, it was 
a difficult matter to remove the idea of their being still under 
Dutch authority. The desertion of the natives among the Dutch 
troops adds much to the irregularity at present complained of 
thro’ the country and prevents the people in a great measure 
from coming in and supplying the bazars as usual. Received 
the different statements of the expense of the garrison, in- 
cluding the whole of their civil and military. Several inhabitants 
having been detected in disposing of cloves to the transports, a 
proclamation was issued forbidding such practice in future under 
pain of the same punishments as usually inflicted by the Dutch 
for such crimes, and orders were sent by the Admiral to the trans- 
ports forbidding it, as their ships should be searched and whatever 
should be found, seized, the whole of it being considered public 
property, and not to be sold upon any account; the civil juris- 
diction and police being ordered to be continued by the first pro- 
clamation, published immediality after taking possession. The 
Orpheus sailed on a course to day. . 
234, From the propensity to desertion among the native Dutch 
troops, many of whom carried off their arms with them and have 
added much to the disorder of the country, hourly represented 
by the Dutch gentlemen, the Admiral ordered such of them as 
were not recommended by the Dutch commandant to be depended 
on and for whom he became responsible, to be disarmed and 
disbanded. The necessity of encreasing our force and leaving some 
artillery for the defence of Amboina, during our absence at Banda, 
induced the Admiral to adopt into our service lieutenant Houss- 
man with 50 of his best men, who offered themselves as volun- 
teers. He is a German and commanded the artillery under the 
Dutch government here. Many applications from the Dutch officers 
upon the score of their monthly allowance of rice and other pro- 
visions for their men, but it appeared, that they already received 
this allowance for the present month and that the chief intoxi- 
cation of our soldiers immediately on our arrival was owing 
to their selling this allowance of arrack to them; their appli- 
cations therefore were justly rejected. Our troops being near 
two months in arrear and an issue of pay therefore necessary. 
The value of the Spanish dollar being four stivers less than at 
Malacca, the Admiral ordered the rate of exchange to be established 


DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 283 


at 154 Spanish dollar to 10 pagodas, but even this is a great 
disadvantage to the soldiers and Sepoys. Captain Muilh was appointed 
by the Admiral paymaster, and all abstracts were therefore ordered 
to be addressed to him. The intention of the Madras government 
was to dispense with any paymaster upon the present expedition, 
ordering that officers commanding corps and departments should (?) 
money in advance at Malacca, but as they did not choose to become 
responsible for large sums of money on a service so exposed to 
casualties, and as the distance of the service put all possibility of 
a communication with the paymaster of Malacca out of question, 
the Admiral saw the absolute necessity of the appointment. 

24th, This morning the Resistance sailed upon a cruise to Banda, 
to discover if possible the strenght and temper of the place. The 
cargo of the panchallang William was lodged in the spice-stores. 
Took an account of the stores and cloths in the Company’s shop 
or winkle, were those articles are sold „by auction, occasionally 
as the inhabitants want them. The residents of Hila and Larike 
arrived with returns of the troops and stores under their respective 
charges. Accounts from Saparoua and Haroekoe mention the safe 
arrival there of the Swift and brig and of their intention to embark 
from Saparoua the remaining spices there. 

26>, This morning attended the Admiral to the top of the har- 
bour; we landed at Baguala-pass and walked across to back-bay 
about one mile over; a small river runs nearly the whole of the 
way, which might with little labour or difficulty be perfected into 
a canal, communicating from one bay to the other, and be very 
usefull at the different seasons. The back-bay seems a very fine one, 
but there sre some sands in it which render it not quite safe for 
large ships. We examined the neck of land with a view of seeing, if it 
would answer for erecting a fort, which from its situation, as it appeared 
on the plan, promised to be the best on the island; but upon inspecting 
it we found it extremely low and swampy and commanded by 
the adjoining heights. There is however a convenient spot for a 
redoubt, which it requires, as there is always a post established 
here, and the Dutch were preparing to erect one, just as we arrived. 
On our return looking out for the best situation to build a fortress 
on, the hill east of the entrance of the harbour, which overlooks 
and commands it in the most perfect manner, presented itself as 
the finest and healthiest possible, and which it was therefore deter- 
mined to examine the first convenient opportunity. The Dutch 


284 DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 


gentlemen complained much of the disorder the country people 
were in, having thrown off all subordination whatever; their hatred 
to the Dutch and impatience of the yoke under which they have 
hitherto laboured having broke out in several instances. This was 
justly attributed to the conduct of the Dutch themselves, who upon 
several occasions told the people that they were fried (!) from their 
former obligations and in their own vexation inspired them with 
the notion, that all authority was at an end; not considering the 
confusion likely to result from such insinuations or that they them- 
selves might be the first sufferers. The desertion among the Dutch 
native troops, many of whom carried away their arms, added 
much to this disorder, and in the first instances of it was not 
guarded against with sufficient attention by the Dutch commandant, 
captain Ostrowski. Tho’ these complaints of the turbulent disposition 
of the natives daily gained ground, it seemed as if the Dutch took 
a pleasure in reporting them and exaggerating the circumstances 
as much as possible. Upon enquiring into the subject of the 
different outposts, the Dutch have for years supported, it was 
conceived that the greatest part of them were unnecessary, except 
merely at those places where spices are collected expressly for the 
Company; and therefore that they should be removed from Saway, ' 
Bouro and Manipa at least. It was also imagined that at Ternate, 
which is a very extended government, there is a vast expence 
incurred and the object nevertheless not attained, which is to 
prevent the growth of spices; but which being morally impossible 
to accomplish perfectly, it is probable, that by sending a regular 
annual supply of those articles, most in demand at Ternate and 
Tidore and the adjoining islands, not only a lucrative trade might 
be opened, but the purchase of their spices as completely secured 
to the English as by means of an established force kept there. 
However as the inhabitants of all these places are greatly addicted 
to piracy, it would be necessary to keep up a certain number of 
small armed vessels constantly cruising; as well to support the 
British claim to the exclusive trade and dominion over these coun- 
tries, as to preserve peace and good order in the intercouse 
between them. | 





1 Aan de Sawai-baai, Noordkust van Ceram. 

2 De Engelsche autoriteiten denken er niet aan, het in de Nederlandsche 
Oost-Indische Compagnie door haar zoo gesmade monopolie op te geven. 
Trouwens de man, die — niet het minst door Nederlanders — wordt be- 


DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. © 285 


All the chiefs of the different islands adjoining, from every 
information appear to be desirous to derive their authority from 
the English, if settled and established permanently here. The 
most powerfull amongst them is Noekoe, whom the Dutch have 
expelled from Ternate and Tidore for several years past. They call 
him a rebel, but certain it is, that were they not to interfere, 
the people seem universally disposed to obey him and he could 
soon regain his rights. The English ships, which have traded to 
the neighbouring islands for some time past, have found a powerfull 
and sincere friend in him.! He lives chiefly at Warou, ? on the 
N. E. coast of Ceram, and it has for some time been the intention 
of Mr Cornabe, the Dutch governor, if he found a fit opportunity 
of a reconciliation with him, without the indignity of making the 
first advance, to create him rajah of all the N. Coast of Ceram 
and to withdraw the post from Saway. Mr. Cornabe was nine years 
governor of Ternate before he came to Amboina. 

27th, The Admiral took into our service upon their present rate of 
pay and allowances the company of the Wirtemberg Corps here, comman- 
ded by captain Gaup, consisting of 101: men, very wel disciplined 
and behaved. This measure was very necessary , and fortunate that they 
seemed to accede to the terms offered them with great readiness. By 
this means and by disarming all the national troops, considerable 
expence will be saved, our force greatly augmented and the place, 
even with the small garrison we can afford to leave, be in a state 
of security, when we go to Banda. | 

The rajahs and orankaios of Hila attended, and having taken 
the oath of allegiance had their offices continued to them under 
the authority of the English government. 


schouwd als de groote principieele voorstander van eene vrijzinnige koloniale 
staatkunde, Raffles, heeft zich dit niet getoond ten aanzien bv. der Molukken. 
En zin de potlood-aanteekeningen bij ons handschrift van hem afkomstig, 
dan blijkt het, dat hij, toen hij ze maakte, dezelfde monopolie-denkbeelden 
huldigde als onze O. IL. C., al hulde hij ze in ietwat onschuldiger kleed. 

Trouwens, de instructie door hem den 5 Mei 1814 aan generaal Nightingall 
gegeven, terwijl deze gereed stond voor eene expeditie naar Celebes’ Zuid- 
Westhoek, spreekt duidelijk; nòg duidelijker een schrijven van zijn hand 
aan de bestuurder der Britsche Oost-Indische Compagnie van 12 April 1818 
(Zie M. L. Van Deventer, Het Nederlandsch gezag over Java en onderhoorigheden 
sedert 1811, I, 's Gravenhage, Nijhoff, 1891, bldz. XXXIX, 32). 

1 Vgl. deel VIII, Nieuwe Volgreeks, dezer Bijdragen, bldz. 266, v. 

2 Waroe. 


286 DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBOM IN 1796. 


29th. This day the Wirtemberg company took the oath of 
allegiance to his Brittannic Majesty; the ceremony was performed 
with becoming decorum and solemnity. The prisoners taken on 
board the Splinterberg, having expressed a wish to be taken into 
our service, such of them as were not Dutchmen born, or other- 
wise exceptionable were adopted in the different companies. Almost 
the whole of them were entertained, being nearly all Germans, 
Poles and Prusians. The Admiral reviewed the national troops 
today under captain Ostrowski. They were most of them half-cast, 
and unfit to be taken into our service, and as no dependance 
could be placed on them the Admiral ordered them to be discharged. 
Their frequent desertions have already contributed much to the 
confusion complained of in the country, having encouraged the 
inhabitants to quit their habitations, disclaim all authority and 
retire to the mountains, which are very difficult of access. The 
Orpheus returned from a cruise and the Swift brought in a consi- 
derable quantity of cloves from Saparoua. 

The resident of Hila having complained of the ill conduct of 
the corporal in command of the post Hitoelama within his province 
and the desertion of most of his men, both he and the orankaios 
of that province, now here, were ordered to repair to their respective 
posts and superintend carefully their particular duties. Several of 
the Dutch officers from an apprehension, that they were to be sent 
to Madras, desired permission to resign the service and be allowed 
to reside as Burghers and persisting in their request, tho’ reasonable 
assurances were made them, that it was not the intention, unless 
their conduct should render such a measure necessary , three of them 
were accordingly struck off the list. Some people of the niggory or 
district of Wacksieuw ' in the province of Larike, having been kept 
here as slaves for some years past on account of a principal woman 
of their family having been sentenced to death for smuggling 
cloves, upon learning that they themselves were innocent, the 
Admiral restored them to their families and homes. 

This day examined more particularly the top of the hill over 
the entrance of the harbour, which is in every respect the most 
eligible place on the island for a fortress, being in a very strong 
position, very healthy, as far as one may judge from the situation, 
well supplied with fresh water, and convenient for ships to ap- 


1 Wakasihoe. 


DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. - 287 


proach, with a perfect command over the entrance of the harbour, 
where ships may be in the greatest security and good anchorage. 

Marche 8% ', The Resistance having returned from Banda, with 
a refusal of any offers of protection or to admit the British forces 
upon any footing whatever, the Admiral issued orders to embark 
all the troops intended for that service to morrow morning. As 
neither the payment of the Dutch establishment nor the clove 
money could possibly take place immediately, proclamation were 
ordered to be made explaining the cause of delay and to assure 
all ranks of the Admirals intention, to issue it upon our return 
from Banda. | 

5th, We embarked and sailed with the squadron out of the bay. 
The winds were very light during our voyage and on the 7 in 
the evening we discovered the islands of Banda, particularly the 
Burning Mountain or Gonong Api. 

8h. This morning being within a few miles of Banda, the ships 
steering purposely in different directions to confuse the enemy 
with regard to our intention, we observed two guns fired from one 
of the batteries on the outside of the nearest island Gonong api; the first 
was shotted(?) and immediately after the 24 the Dutch colours were 
hauled down and a white flag displayed in its room; at the same 
a boat came off from shore with Dutch colours and a white flag. 
The wind and current being both against her coming up, the 
Admiral sent down to meet her, with instructions how to proceed 
in case of a wish on their part to give up the plan in a friendly 
way. Upon joining the boat however, the officer in it was only 
charged with a duplicate of the letter sent by the Resistance to 
Amboina. He was therefore brought on board, but the Admiral 
soon dismissed him with a short letter to the Governor, laying 
the responsibility for all consequences which might ensue at his 
doors, in case of opposition on his(?) part, and sent at the same 
time letters from the Prince of Orange and the governor of Madras 
exhorting him to accept the protection of the English. Approaching 
the land, the Orpheus and Harlingen were sent on to examine 
where the troops might safest land, convenient to the chief fort; and 





! Lauts, t.a.p., IV, bldz. 260, stelt dit alles in Februari en wijkt ook 
ten opzichte der bijzonderheden af van ons handschrift. De hoofdzaak: 
overgave zonder verdediging van eenige beteekenis, is echter juist door hem 
weérgegeven. Van de 300 stukken geschut spreekt ons handschrift daaren- 
tegen niet. 


288 DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 


passing within the small island of Craka', that covers the channel between 
Gonong Api and Banda-Neira, they were fired upon briskly by the bat- 
teries along shore, which seemed placed every where that might annoy 
an invading enemy. Two of the batteries were soon silenced and the 
gunners run off, having spiked the cannon. About 12 o’c*, being 
off the N.end of Banda Neira, the ships brought to the boats imme- 
diately manned and the grenadiers and marines landed, the rest 
of the troops following, a white flag was soon discovered, just 
hoisted on a circular redout within the harbour, to which we 
immediately rowed to enquire the meaning of it and being told 
by the officer commanding, that it was by order of the Gov", 
without knowing farther, we proceeded under the ‘same flag of truce 
to the landing plan opposite the town, where the Governor met 
us, who said, he had sent two commissioners on board to the 
Admiral with an offer of surrender on certain terms; on this we 
immediately rowed back to acquaint Major Vigors, the commandant 
of the troops there of, to prevent hostilities while the flags were 
passing, and immediately went on board to know what these terms 
were, but were surprised to find that no such propositions were 
made by the commissioners, but only a translation requested of the 
Admirals letter sent by the boat in the morning, as no person 
ashore understood English, and therefore conceived that they only 
meant to amuse us to gain time; however as the Dutch gentlemen 
seemed by their conduct to wish for farther communication, the 
Admiral authorized me to go ashore with them and according to 
the spirit of former instructions to conclude a treaty for the sur- 
render of the place. 

We landed about 5 o'c* and were received by the Governor in 
the guardroom of the redout I first called at. He seemed an active- 
minded zealous man, much irritated by passion at the moment, 
the reason of which I did not immediately understand, but discovered 
after some altercation, that his passion was owing to the terms he 
sent having been returned without perusal, and enquiring further, 
found out that the genlemen, by whom the sent them, never deli- 
vered them to the Admiral. Upon this an explanation took place 
and upon his inviting us to a more convenient place to settle the 
terms of capitulation, I accompanied him and after considerable 
time we at last agreed upon the capitulation, which simply guaranted 


1 Poeloe Kraka of Vrouweneiland. 


DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 289 


to all individuals within the settlement the enjoyment of their private 
effects, to the servants of the Company, civil and military, their 
pay and such officers to be continued as might be found necessary 
for the administration of justice and civil policy, and that such 
of the civil servants as wished to resign might be premitted to 
retire to Java or elsewhere, when a convenient oppertunity might 
offer and that the military should not be forced to enter the British 
service contrary to their inclinations. Upon these terms they agreed 
to deliver up the forts with all its dependancies, all accounts, 
stores and treasures, and the troops to deliver up their arms and 
colours next day. We agreed, that in general the same regulations 
of police, the same laws for the administration of justice and the 
same mode of managing the nutmeg-plantations as were hitherto 
in practice, should be continued as nearly as possible. This being 
not only agreeable to the general instructions of Government, but 
convenient in every respect to us to adopt, from the want of persons 
to fill those offices at present or superintend any charges we might 
otherwise wish to make. Upon finishing a copy of the treaty of sur- 
render in English and another in Dutch and having obtained the 
signatures of the Governor and Council to both, I at last took my 
leave and submitted the whole proceeding to the Admiral which he 
accordingly approved. ! 

9th, Karly this morning, went ashore with the ratification of the 
treaty. The grenadiers were immediately put in possession of fort 
Nassau and the castle of Belgica, the Dutch colours hauled down 
and the English hoisted in their room, which were saluted with 21 
guns. The Dutch garrison marched out by the glacis and grounded (?) 
their arms, drums and colours. The Admiral himself landed sometime 
after and received the congratulations of the gentlemen of te settle- 
ment and detatchment.~ On the occasion amidst all the joy and 
bustle of taking possession to day an unfortunate accident happened 
by the firelock of a Wirtemberg soldier going off accidently, which 
killed Lieut. Lamottu of that corps on the spot. The soldier himself 
was severely wounded and died in a short time. 

10, This morning attended the admiral to fort Hollandia on 
Banda Lantoir or Great Banda, also saw the redout of Kyk-in-de-pot 
or Look-out-redout on Gonong Api. The formers consists of 2 
forts, one near the waters-edge particularly called London (?) and the 


1 Vgl. hierbij de capitulatie, opgenomen bij Lauts, t.a. p., bldz. 390, v.v. 


290 DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 


other, on the hill above it, Hollandia; they are both very compli- 
cated little works, with scarce any strength or convenience, tho the 
upper fort appears one of the best situated about these islands for 
general defence, being on a high neck, that commands the entrance ; 
from the westward also a bay at the back of the island where 
there is now a separate post called Lackay, not above one mile 
from it, but the ground between is a beautifull grove of nutmeg 
trees. The situation of Kyk-in-de-pot is at the waters-edge on the 
S. side of Gonong api, and now fairly within the harbour. It is 
a circular work and once infiladed (?) the entrance most perfectly , but 
about 14 years ago by an eruption from Gonong Api, the lava 
flowed down in such quantity as to form a projecting point of consi- 
derable height between it and the entrance, which renders its 
present situation of no effect and has made the entrance extremely 
narrow, so that ships can only enter with a leading wind in 
this monsoon. We found confined at Hollandia a prince of Bantam !, 
said to be out of his senses, who has been kept there for several 
years past. He breakfasted with us and did not seem in the least 
deranged. . 

The different views of the whole bay and surrounding land are 
very curious and beautifull, the volcano of Gonong Api constituting 
the grand feature, which is an exact cone some what truncated at 
the crater, from whence continual smoke is seen to issue, but seldom 
more being covered with melted sulpher ashes, and not the least 
sign of vegetation on the sides above about one third of its height. 

A number of Sepoys from the coasts of Malabar and Coromandel, 
having been from time to time inveigled into the Dutch service, 
now gladly offered thimselves to us; accordingly 50 of the best of 
them were adopted, being much wanted on account of the number 
of outposts necessary to be occupied. 

This day surveyed the fort and hill of Belgica, which if made 
the proper use of, seemed to be the most convenient situation 
among these islands, to secure the possession of them against any 
European enemy whatever, but the present works are incapable of 
answering that purpose. Measured the height of Gonong Api 
geometrically with a base of 1440 feet, the altitude of the crater at 
the two extremes being 18°50 and 15°12, gives the exact height of 





1 Kan dit zijn pangerang radja Mangala, die in 1778, „als een staats- 
gevangene naar Banda verzonden” werd? (Vgl. De Jonge, Opkomst, XI, 
bldz. 354, v.) 


DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 291 


1940 feet, allowing 17 feet above the level of the sea for the base 
on which I stood. 

20. Employed for some days past informing plans and estimates 
of redouts, as ordered, for the better defence of these islands 
against the departure of the ships, upon which their chief security 
at present depends. Two pantchallangs or sloops were dispatched 
for the S. W. islands for stock et‘. They sailed under the command 
of Luit. Shaw of the Resistance. 

29th, The Armenia, transport, arrived from Amboina, with letters . 
and intelligence stating the disorder of that island in consequence 
of the Malays taking up arms, and professing their intention to 
cut off every Dutchman in country and to make a new contract 
with the English for their spices. They went to a great degree of 
violence and set fire to several houses in different parts of the 
island. Upon the arrival of this disagreeable information, the Admiral 
determined immediately to return to Amboina and endeavour by 
his presence and influence to satisfy the people and regulate the 
affairs of government there. 

80. Having given particular instructions to major Vigors for 
the government of the settlement and also left behind the Suffolk 
with capt”. Lambert for its greater security, the Adm’. changed 
his broad pendant into the Orpheus. We embarked about noon 
and got pretty well out, tho there was scarce any wind. This is 
the season for calms between the two monsoons. The Armenia was 
seven days coming from Amboina. The Swift and brig Amboina 
accompanied us. 

81%. Karly this morning met the Resistance on her way from 
Amboina to Banda, with capt? Macloads company on board, which 
the Admiral ordered from Amboina, before he was acquainted with 
the disturbances there and chiefly for the purpose of relieving the 
Wirtemberg company; but judging it better to leave those men for 
the present at Banda, he ordered the Resistance to join us and 
return to Amboina, having dispatched the Malay prow to major 
Vigors with intelligence thereof. 

April 34, Our winds were so faint these last four days, that we 
could scarce make the entrance of the bay this morning, and when 
about 5 miles off the Admiral, thinking it possible the Orpheus 
might not be able to get up on account of a strong westerly tide 
and no wind, we got into the barge and rowed up to town; upon 
on our arrival we found matters rather in a better state than 


292 DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 


expected, but yet far from being settled. Capt" Calmers’s company 
being nearly all employed on the Hitoe-side, are barely sufficient 
to keep in awe the violent temper of the unruly Musselmen there, 
from whose adresses and petitions it is evident nothing keeps them 
within any moderate bounds but the terror of our arms. It appears 
from every account that tho’ their aversion to the Dutch might be 
ever so great or just, and tho the delay in paying for the spices 
might have occasioned some apprehensions amongest them, their 
declared hatred to all Christians was one of the leading motives; ! 
and the hope of recovering from the present change of govern- 
ment the exclusive dominion of the peninsula of Hitoe, the memory 
of which they still celebrate in their songs and at their feasts, 
where they are sure to madden themselves with opium and bang ?, 
the chief cause of the present insurrection. 

The ancient family, which once possessed this country, still exists 
amongst the mountains and tho the title of rajah and mahorajah 
is evidently of Hindoo origin, it appears universally adopted by 
the Malays, tho Mahometans. Mahorajah, the rajah of Hitoelama, 
is now the representative of it, who being also the chief casizy ® 
or priest of the Mohometans, possesses great influence over all the 
people of that province. His ancestors were the persons, who first 
invited the Dutch to their assistance against the Portuguese and 
to whom the Dutch were obliged in the beginning to allow great 
privileges and authority, but they by degrees, conceiving it neces- 
sary to counterballance their power, supported the inferior chiefs 
or orankaios,* until at last they all be came perfectly distinct 
and independent of each other. Hence arises the division of the 
island into several districts, called niggeries. This Hitoe rajah, 
hoping now to recover the dominion so long lost to his family 
and taking advantage of the confusion generally attending the 
change of government, set himself up at the head of all the 
Mohomotans, already possessed with a spirit of revolt from the 


1 Eene merkwaardige verklaring, nu zij hier komt van Engelsche zijde. 

? Bang of hasjisj: een bedwelmend genotmiddel. 

8 Vgl. Hobson-Jobson, p. 130, sub voce ,Casis.” — Zie ook Van Hoévell, 
Ambon, bldz. 47. 

4 Orangkaja. — Vgl. over de wijzigingen door de O. I. C. in het inlandsch 
bestuur van Hitoe gebracht ongeveer het midden der 17% eeuw mijn Corpus 
Diplomaticum Neerlando-Indicum (deel LVII dezer ,Bijdragen”), bldz. 81, v., 
258, v., 263, v., 300, 423 en de dáár aangegeven literatuur. 


DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 293 


want of caution and prudence of the Dutch, who not only in their 
conversation inspired them with the idea that all authority and 
subordination were at an end, but by their dastardly conduct in all 
the outposts, which they were still necessarily left in charge of, 
gave them spirit and confidence in proportion to the apprehension 
and backwardness they shewed. The Hitoe rajah therefore opened 
a correspondence with all the chiefs on the coast of Ceram, in- 
viting them to join and throw off the yoke of the Kuropeans and 
recover their lost liberty and independance, summoned the oran- 
kaios of Bouro, Manipa and all the neighbouring islands, and 
even called in the aid of the Alfores or hill-people on the island of 
Ceram, who are a perfectly savage race, whose religion obliges them to 
acquire the honor of a certain mumber of heads before they can pretend 
to any post of power or command or even be permitted to marry ; and 
they were shortly to have assembled, had not our ships and troops lucky- 
ly arrived from Banda at the time they did. He appointed certain cap- 
tains or leaders under him in the different districts, who headed 
the people and led them away from their villages among the hills, 
where some parties had created fastnesses, in which they lay prepared 
for war and plunder and not only threatened to exterminate all 
those who refused to join them but actually murdered such of the 
Dutch about Hila and Hitoelama, as they could lay hands on, 
cut to pieces and killed the patties of Alang and Lilleboy and 
several others of less note. He nominated vrankaios, creatures of 
his own, to all the niggeries to act under his authority, declaring 
himself rajah of all Hitoe with the original power of that title, 
and thus become the chief cause of the insurrection, which 
however, had it not been for the want of discretion and steadiness 
amongst the Dutch, could never have extended to the length it did. 
The scandalous conduct of the Dutch garrison at Hila and of the 
resident of Saway with his men, leaving all the military stores 
at those places to the plunder of the insurgents, contributed not a 
little to encourage and strengthen them. 

5th, Disturbances at Haroekoe of a similar nature to those in the 
province of Hitoe about this time grew to an alarming pitch, the 
chief author of which was Tolongpatty. Cap'* Macloads company 
were therefore sent to garrison the islands of Haroekoe, Saparoua 
and Noessalaut. 

6'k. Several reports were this morning made of an attack being 
intended against the rajah of Soely, who is a Christian and 


294 : DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 


possessing the frontierpost towards Ceram and the Mohometan 
niggeries on the N. K. part of the islands, and who being always 
firmly attached to the Europeans, is particularly obnoxious to the 
people of Hitoe. A party of 30 men were therefore sent under an 
officer to join the Rajah and guard his district. The Pass Baguala 
was also strengthened and an armed boat stationed there. Soon 
after. the party joined the rajah, the Hitoe people began their 
attack, but were beat off with some loss on their side but none 
on ours. 

_ 7h, The Swift was this day ordered out to cruise on the N. K. 
of the island to clear that coast of the Hitoe and Ceramese prows 
and any other armed prows that might be seen. The Amboina brig 
was sent to Banda with letters to major Vigors. The post of 
Hitoelama, which covers the road of communication to Hila from 
Hoekoenaloe or the Three houses, was ordered to be occupied again, 
as it appears to be a place of consequence and thro which it is 
frequently necessary to send, besides being the chief residence of 
the Hitoe rajah, who is however at present amongst the hills. 

8th. A proclamation was this day issued, advertising the payment 
of the clove-money on the 12 to all the niggories dependant on 
the chief fort, with on exception against such individuals as 
should be proved to have taken an active part in the late destur- 
bances..... 

11, Every thing tolerably quiet for these some days past, but 
constant reports of the intended invasion of the Ceramese prows 
and the meeting of the Hitoe people in different places to plunder 
and force the other niggeries to join them, and many of the inha- 
bitants of Along, Lilleboy, Hitoe and Laha,' which are all situated 
on the Hitoe side of the bay, but immediately subordinate to the 
chief fort, were obliged to leave their habitations and join the 
insurgents. In consequence of which, tho every part of the country 
is covered with wood, the garrison felt some distress for firing, 
which there are no persons who made a trade to bring into the 
bazar, but is the duty by compact and long established custom of 
the above four niggeries to supply, but which under the present 
situation of affairs they were unable to perform. The patties of the 
two first niggeries were murdered by the Hitoe people and the 
orankaios of the other two were obliged to take refuge here to pre- 


1 Alang, Liliboi, Hatoe, Laha. 


DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 295 


vent the same fate. The absence therefore of their immediate 
chiefs contributed still to the continuance of the disorders in 
those places. Two parties were accordingly ordered down to Along 
and Laha with directions [to] protect them against the Hitoe people, 
to invite the inhabitants to their doussons or villages, to guard 
the orankaios of Hatoe and Laha, who returned with the parties 
of soldiers, to make the people of Along and Lilleboy point out 
proper persons to fill the vacant appointments of patty in each of 
these niggeries, to supply the regular gusta of firewood and 
finally to attend for the payment of their clove-money on the day 
appointed for that purpose. The Resistance and Swift were employed 
cruising round the island and between Ceram and Saparoua, to 
prevent any danger from asmed (?) prows, and every other measure 
adopted for the preservation of peace and good order, of which 
there were now hopes of a speedy reestablishment. 

New commissions under the British seal were issued to the 
different rajahs, patties and orankaios by the Admirals directions, 
which instead of the Dutch commissions they have hitherto acted 
under. Cash was taken out of the treasury to day to pay the Dutch 
troops and all others under the Government. 

In consequence of the proclamation for the payment of the clove- 
money, several niggeries this days brought in a quantity of cloves, 
which undoubtedly they hitherto reserved from a doubt of being 
paid, and perhaps with a view to smuggle off as they could. 

12th, Last night arrived the Malay prow from Banda with intel- 
ligence from major Vigors and captain Lambest of the trouble- 
some and improper conduct of the gout, M* Bouckoltz, whose 
restlessness of disposition and chagrin at his lost power prompted 
him to throw every impediment in the way of business there. 

13th, This morning The Orpheus was dispatched to Madras, with 
intelligence of our success and to procure a speedy reinforcemt and 
supply of provisions and naval stores, of which we are very much 
in want. Letters from Hila this morning state every thing in that 
province as perfectly quict, but the inhabitants are not yet come 
to their houses and usual occupations nor the Hitoe raja returned, 
untill which no certainty of peace can be depended on, tho our 
Sepoys and soldiers pass singly unmolested back and forward, their 
enmity and declared vengeance being solely against the Dutch. ! 


! Vgl. echter hiervóór, bldz. 292. 


296 DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 


Numberless estimates of losses sustined by the distruction of 
houses et° and plundering of the insurgents were this day given in, 
which from the exorbitant complexion they were deserve very little 
notice. Every days observations confirms the idea of this disturbanccs 
being in a great degree occasioned by the insinuations and intrigues 
of the Dutch themselves, ! many of whom wished to avail them- 
selves of the necessity of dividing our forces in the expedition to 
Banda and take advantage of any confusion that might issue. In 
the midst of the troubles, which they always represented in the 
highest colouring, they were particularly urgent with captain 
Gordon, the officer left in command at Amboina on going to Banda, 
to distribute arms amongest the burghers and former Dutch national 
troops, which he very judiciously refused them. The desertion of 
all the different garrisons at the out-posts, whether they happened 
thro design or carelessness of any consequences that might follow, 
or thro dastardliness at: the unusual spirit among the Malays, 
encouraged these disorders to such a pitch, that there is no know- 
ing where they might end, had we not succeeded against Banda 
and been again able to exert our force here. Reports too during 
our absence there were constantly circulated and gained considerable 
- credit, of the loss of the Suffolk, Orpheus and Resistance and that 
our troops were cut to pieces; and when the Centurion and two 
transports were coming up the bay, it was the universal report and 
belief among the Dutch that they were the remains of the expedition 

and that all the rest perished. 
15th. Five niggeries were paid for their cloves this day and 
more cloves were lodged in store which are supposed to be the 
last for this season. The accounts of each niggery are adjusted, 
when the whole of the spices is lodged in store, and then as soon 
as convenient they are paid for between February and May when 
the season is over and the whole supposed to be collected. 

16, The inhabitants of Along and Lillebay, which were the two 
niggeries in which the greatest disturbance raged, came in for the 
payment of their cloves. But as many of them were reported to 
have been concerned in the murder of their patties and somewhere 
observed to have cutt off their hair and put on the turband in 
conformity to the Mahometan custom as adherents of the Hitoe 
rajah, it was thought necessary to secure such of them as were 


1 Dit klopt niet met het vorige. 


DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. — 297 


said to have been principally concerned in that business; for this 
purpose a guard of Sepoys surrounded the whole of them and seven, 
against whom particular information was given, apprehended and 
sent to the fiscaal to be examined previous to their more formal 
trial, in hopes of discovering the persons who actually committed 
the murders. 

The orankaios of Haroekoe came in this day to make their peace 
and acknowledge allegiance to the British government and the Admiral 
received them in the way most likely to assure them of the protec- 
tion, justice and honor of the English. They were informed of the 
intended payment of the clove-money, for which immediate prepa- 
ration was made to send the amount necessary to that residency. 
Having received their new commissions they departed for their 
‘province very much pleased and with all the appearance in the 
world of good and faithfull subjects, which probably they will 
now prove, tho certainly there were many among them, who a few 
days before might have been led to the most extravagant crimes 
without consideration of the consequences. 

17'*, Sent of this morning on board the Splinter brig money for 
the payment of the cloves in the provinces of Haroekoe and Sapa- 
roua, with particular directions to the commanding officer to super- 
intend the payment and prevent stoppages, an acc‘ of debts pre- 
viously contracted with the Dutch residents, tho fair opportunity 
was given to them to get in their debts from the free will of the 
inhabitants who are generally indebted to their residents, by suffe- 
ring the accounts to pass thro their hands; but as the Admiral in 
the last proclamation had guaranteed the due payment of the clove 
money , he resolved that it should be made bona fide. 

The Amboina brig and Armenia, transport, arrived this day from 
Banda and bring accounts of every thing being in a perfect state 
of tranquillity and good order there. The Dutch soldiers to the 
number of seventy, that were embarked on board the Suffolk, came 
on board these two vessels; they are very fine well behaved 
fellows ' and are willing to enter the English service, provided 
they get the same pay as the English troops; but the Admiral 
not thinking himself justified in acceding to that demand, they are 
first to be sent to Madras before they can be adopted. The Amboina 
brought 30 baskets of mace and 130 of nutmegs. 


1 Een alleszins merkwaardige opmerking, omdat het oordeel over het 
gehalte van ’s Compagnie’s soldaten uit die dagen niet altijd gunstig Inidt. 
7° Volgr. VI. 20 


298 DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 


20. The two last days chiefly occupied in paying the different 
niggeries, dependant on the chief fort, for their cloves. The sums 
however which were due to those people, proved to have been 
engaged in the disorders of Alang, Lilleboy and Hitoe, was reserved 
in a separate fund and is to be applied to reimbourse those who 
have really suffered losses, for which a committee of half English 
and half Dutch is to be appointed to examine the estimates given — 
in. Particular orders were sent to Hila and the other outposts to 
use every possible means to apprehend the chief leaders of the 
insurgents, of whom a list of four was sent to capt? Chalmers. 
Notwithstanding constant information from all the outposts of the 
perfect state of tranquillity the whole country was in, for some 
days past, the Dutch gentlemen are continually making reports of 
meetings and intentions amongst the Malays to disturb the public - 
quiet. Their information may possibly be better than ours from 
their more intimate knowledge of the language and people, and as 
the inhabitants of the villages on the Hitoe-side are not vet 
relurned, their representations wear the greater appearance of 
probability. A person of confidence was therefore sent, well acquain- 
ted with the country, to examine and report particularly the 
real state of it in every respect and in the mean time such 
parties were detatched and cruisers sent out as were most likely 
to defeat the intentions of the Hitoe people, supposing the reports 
to be just. 

21°. The prince of Tydore’, having at last fitted out a small 
vessel, applied for permission to return to his own country, which 
the Admiral consented to, having first obliged him to give security 
not to go to any other place and to take his oath on the koran, not 
upon any account to enter into any connection or correspondence 
with the enemies of the English, but to live in friendship with 
them and always to receive their ships into his ports without 
molestation. 

A request was this day made in form by one of the bangsas ? or 
nobles of niggery Along to be appoined patty in the room of the 
deceased, and produced his tree of genealogy according to the 


1 Vgl. hiervóór. 

2 Dus een anak bangsa, iemand uit „de bangsa radja, of de familie der 
vroegere en tegenwoordige regenten” (Encyclopaedie, I, bldz. 26)? — Zie ook 
G. W. W. C. van Hoévell, Ambon en meer bepaaldelijk de Oeliasers (Dordrecht, 
Blussé en Van Braam, 1875), bldz. 46, v.; en vgl. bldz. 21, v. 


DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 299 


established forms. The genealogies of all the chief families in the 
different niggeries are registered in the Secretarys office, from 
whence au authenticated copy must be taken aud a request given 
in to the Governor upon a stamped paper, before any appointment 
can regularly take place. 

28°. Constant reports of alarms throughout the provinces, tho 
all letters from the outpost give very different intelligence; 
particular order were therefore sent to the officers upon detatched 
duty to make use of every endeavour and stratagem to seize the - 
ringleaders of the Hitoe faction, which is the more necessary to 
be expeditious in, as the rains, which are said to be very heavy © 
here, are soon expected to set in. Two soldiers from Hitoelama 
arrived to day with Tolonghatty, accompanied by about 100 of the 
Caylolo! people, one of the persons we were chiefly desirous of 
catch“. He landed at Hitoelama in a number of prows and 
orembays ?, evidently with an intention of joining the Hitoe rajah ; 
but finding the post of Hitoelama occupied and the Rajah abscon- 
ded, he put the best face on the matter and changed his purpose 
altogether and leaving his people at Hoekoenaloe *, where there 
were no boats to transport them across, came with a couple of 
attendants, and with the greatest composure and appedrance of 
innocence declared he only came to obtain the appointment of 
orankaio agreeably to the promise made him, and that the number 
of people he brought with him was only to shew that he had 
the unanimous voice of the niggery in his favor. As the day was 
nearly short, not being able to send immediately for the Caylolo 
people, it was judged best to treat him with seeming confidence, 
that we might the more effectually secure the whole of his 
party, and he accordingly remained under protection during 
the night. 

24th, The whole of the Caylolo people having come in to-day, as 
soon as they were assembled in the fort, a guard of Sepoys 
surrounded them and conducted them to the stadthouse, where 
they were put under charge of the fiscaal, who was ordered to 
examine particularly into the circumstances of their guilt. They 
seemed to acknowledge their guilt; many of them, just as they 
were going to prison, and prayed for merey. 


1 Kailolo op Haroekoe (Oma). 
2 Orémbai: Moluksch vaartuig (Encyclopaedie, IV, bldz. 483). 
8 Aan de kust van het schiereiland Hitoe. 


300 DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 


27th, Trifling alarms for some days past, after causing some 
little trouble in making detatchments, proved all to be groundless. 
The person sent into the country to examine into the state of the 
niggeries to the eastward returned and made a very favourable 
report of the state of those districts adjoining to Soely !, in 
consequence of which the party sent there some time since was no 
longer thought necessary and therefore withdrawn, having 
previously left one Sepoy at each of the niggeries Teal, Tengatenga , 
Tolehoe 2 and Way, which the orankaios of these places requested 
might be left as a sort of protection to them. They made every 
protestation of peace and allegeance to the English, and only 
requested that every thing past should forgotten. 

28th, The fiscaal having made his report of the prisoners from 
Caylolo, in which it appeared that four of them were principally 
guilty and the rest meerly led on by them. Tolongpatty therefore 
and his four associates were sentenced to work in irons upon the 
works, with some other criminals convicted of similar offences, and 
the rest at the intercession of the orankaio, who was lately reinstated, 
permitted to return to their habitations, their names being registered, 
least a second crime of the same nature, they were engaged in, 
should be in future proved against them, in which case they should 
be considered principally guilty. 

The price of rice being at present very dear in consequence of 
the scarcity of that article, the Admiral ordered that the Burghers 
should be supplied with a quantity, proportioned to their immediate 
wants, at a reasonable rate from the stores. 

29th, This day had the agreeable intelligence of the capture of the 
_ Hitoe rajah by captain Chalmers, who represented that the Hitoe 
people were very numerous and all armed and therefore dreaded 
that the party at Hitoelama might be cutt off, the place being in 
ruins. A reinforcement of an officer and 30 men were immediately 
sent off to strengthen captain Chalmers and enable him to escort 
the Hitoe rajah here. The Resistance too was ordered round to 
intercept every endeavour by sea to rescue him, which was said to 
be expected. | 

May 1*. Letter from Hila mention the arrival of the reinforcement 
and every thing safe and quiet. Captain Chalmers writes that 


1 Soeli, aan den Zuid-Oosthoek van het schiereiland Hitoe. 
2 Tial, Tenga Tenga, Toelahoe en Wai, ten Oosten en Noord-Oosten 
van Soeli. 


DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 30] 


Maharajah ' now accuses his chief captains, Oelapahal , Boccara and 
Adams, as the chief promotors of all the troubles and that his name 
was made use of without his authority and thinks that, if he is 
suffered to remain at Hila for some days, there are hopes of securing 
the persons of these men, who are by far the most notorious captains 
of the insurgents thro the wole country. Such is the treachery and 
infidelity of the Malay character, that those persons, whom the Hitoe 
rajah now accuses, are the very men to whom he would immediately 
fly, if he should chance to regain his liberty. 

The Admiral, considering the difficulty of ships coming from Madras 
at this season, resolved on sending to China for supplies of provision 
and stores, and being uncertain of the resources of our supercargoes 
there as to the means of procuring them, determined on sending 
the Surprise with a cargo spices under convoy of the Amboina, to 
be consigned by the commissaries for the navy and army to the 
chief supercargo, the net proceeds applied to the demands of the 
Admiral and any overplus to be vested in Companies bills in favor 
of the commissaries. The Surprise was accordingly ordered to be 
immediately filled up for the reception of the spices and otherwise 
to prepare for the voyage. 

4, Intelligence from the officer commanding at Larique ? men- 
tions the descent of Oelapahal with a considerable number of 
adherents at Niggery Lima * for the purpose of restoring the Hitoe 
rajah to his liberty and power and that a large fleet of prows were 
every moment expected to join him; that on Oelapahals arrival he 
had been met by the whole people of that and the adjoining nig- 
geries in the Hila province, who saluted him in a regular manner, 
and that he had sent letters to the orankaios in the province of 
Larique, threatening to extirpate them and their families unless they 
immediately collected their forces aud joined him, which however 
the orankaios refused to do, tho some of their people went over 
thro fear. No time was lost therefore in sending notice of this 
circumstances to captain Chalmers to put him upon his guard against 
the intended attack, directing him to embark the Rajah on the first 
ship that called at Hila, to prevent the possibility of this escape. 
The Admiral also sent an express to Saparoua to the Swift, imme- 


1 Dezelfde, die elders in het handschrift „the Hitoe rajah” wordt genoemd. 
2 Larike, aan de Westkust van Hitoe. 
3 Aan de Noord- Westkust van Hitoe. 


302 DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 


diately to cruise off Hila, and also dispatched a letter to captain 
Packenham of the Resistance to look out for this fleet of prows and 
otherwise to cooperate with captain Chalmers whenever necessary. 

May 5‘, The Surprize galley, having taken in the spices intended 
for China, sailed this day under convoy of the Amboina brig direct 
for Canton. They were instructed to proceed by the Balambangan 
passage. ! 

6". The Resistance entered the bay this evening with the Hitoe 
rajah and one of his partisans, the orankaio of Wackal,? who were 
both landed and committed as close prisoners to the care of the 
fiscaal; and as there is no doubt of their guilt, as soon as an oppor- 
tunity offers, they are to be banished from this country for ever. 

7th. The patty of Alang was this day invested with his office 
and received his commission, silver-headed stick * and a copy of 
the instructions always given upon these. Captain Taylor, major of 
brigade and quartermaster to our expedition, this day departed 
this life. 

8th. This morning came in the orankaios of the province of 
Larique, who made every profession of regularity and obediance. 
They were recommanded by the officer commanding at Larique as 
having behaved very well since his arrival there, and opposed Oela- 
pahal in the late attempt he made at Niggery Lima. The Admiral 
met them with his usual good nature and said every thing possible 
to conform them in their royalty and pacific disposition, promising 
at their tequest to pardon every thing that is past, provided they 
act conformably to their present professions, and also to issue the 
payment of their spices without farther delay, as the inhabitants 
have given proof of their duty in having resisted the threats of 
Oelapahal, who it is this day reported is dead, which is suspected 
not to be true; but that finding himself disappointed , has absconded 
and circulated this report to escape the pursuit, which he is aware 
there is now after him. 

The Admiral wishing me to proceed as soon as possible to Banda 
to settle certain regulations, which appear necessary for the better 
government of the island, and also to understand perfectly the 


1 Straat Balabak tusschen de eilanden Balambangan en Balabak ten 
Noorden van Borneo. 

3 Wakal, aan de Noordkust van Hitoe. 

$ Vgl. Van Hoévell, Ambon, bldz. 19. 


DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 303 


business of an ambassador said to have arrived there lately from 
prince Noekoe, ordered the Armenia in readiness to sail. 

9th, This day commenced the sale by auction of the merchandize- 
stores in the winkle ', from whence this country-people are 
supplied with different kinds of cloth suited to their wants. It is 
generally after the issuing of the clove-money, this sale is held, 
by which means a considerable part of the money again comes 
into the treasury. There is generally a time given for the payment 
of the goods sold, of which the Chinese are the most considerable 
purchasers. 

10%. The captain of the Chinese applied for and obtained a 
renewal of his appointment under the British authority, his cha- 
racter and conduct having been approved of. 

11. The niggery of Lillebooy having been for a long time past 
without a patty, the only person who appeared to have an unex- 
eptionable claim and who gave in a request in regular form 
with his genealogy properly authenticated from the Secretarys office , 
was this day appointed. There was a better family in the niggery 
acknowledged to have a prior claim, but having been under an 
interdict by an act of the Dutch government for some years past, 
on account of smuggling spices, the Admiral dit not chuse to 
counteract such an exception, least others might be tempted to 
commit the same crime, seeing that the same punishments were not 
likely to attend it. 

12%, Having received instructions from the Admiral for the affairs 
of Banda, embarked on board the Armenia; we sailed immediately 
and arrived at Hila on the 13". 

14, After surveying the fort and environs of Hila and forming a 
plan for its more perfect defence, agreeable to the orders of the 
Admiral, walked round the town with captain Chalmers and could 
not avoid lamenting sincerely the ruin and devastation committed 
by these people in having deserted and partly distroyed one of 
the handsomest towns in this part of the world. The casizies of 
this province have of late been very troublesome, ever since the 
confinement of the Hitoe rajah, who is chief casizy, and endea- 
voured to excite the people to fresh insurrection in his favor, and 
have proceeded so far as to depose some of the regents, who 
refused to adopt their measures, and appoint others in their room. 


' Het Nederlandsch woord: winkel. 


304 DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 


Captain Chalmers therefore found it necessary to take up four of 
the most active, and they are now in confinement. As there appeared 
from the representation of the orankaio of Hila, who was one 
of those deposed by these casizies, to be an absolute necessity 
for this measure, in order to restore the peace of the country, 
they were sent in custody to the Admiral by the first safe opportunity. 

15. Early this morning the Swift made her appearance from 
Saparoua. Luitenant Hayward, who landed from her, informed us, 
they had seen on their passage a large fleet of prows and corra- 
corras'! off the coast of Ceram, N. of Saparoua, who run ashore 
when the Swift chased them. They had heard several reports of 
the garrison of Hila being cut off and considered this fleet of 
prows as an armament to reestablish the Hitoe rajah and drive 
all the Europeans ? from Amboina. 

Having executed every thing at Hila, that the Admiral wished, 
and sent: plans for the improvement of the works which I conceived 
essential to the safety of the place, embarked on board the Ar- 
menia and made sail to the N. E. with very little wind. About 
5 o'clock in the afternoon we were surprized at seeing a large corra- 
corra come on board us, with several flags and streamers, and 
drums beating; at the same time observing under the shore up- 
wards of 70 others, sailing along. Little doubting but this was the 
fleet mentioned by lieutenant Hayward of the Swift, we got up 
our guns and made every preparation for defence; however as 
only one of them approached, we entertained no apprehensions. 
When they came alongside, the principal person in her immediately 
came on board and seemed to express great satisfaction at seeing 
us English; informing us that the fleet we saw, consisting of 99 
sail, was an equipment accompanying sultaun Ibrahim ul Muckeram, 
the nephew of sultaun Syfool Deen Shaw, commonly called Noekoe, % 
and bound upon an embassy to the English commander in chief 
at Amboina, having heard that the English had got possession of 
the Spice-islands, in order to form a friendship and alliance with 
them, to whom he has been attatched since his first knowledge of 
them. I received him with the respect due to the character he 


L Koera-koera: Moluksch vaartuig (Vgl. Encyclopaedie, IV, bldz. 482). 

3 Dit is geheel iets anders, dan dat het verzet op de Ambon-groep alleen 
tegen de Nederlanders gericht zou zijn, zooals hiervóór werd gezegd door 
den schrijver. 

8 Vgl. hiervóór. 


DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 305 


represented, but being extremely anxious to know the truth of this 
account, sent my chief Malay interpreter to accompany him to 
sultaun Ibrahim, to request an interview with him, to which he 
readily acquiesced, and as an assurance of their return, as soon as 
possible, left one of his company as an hostage. It grew late how- 
ever, and their prows having all come to an anchor close under 
the land, the current separated us too far from them and we saw 
no more of them during the night; left me in a state of great 
anxiety, as, should their design be hostile, they were possessed of 
a person who might easily be terrified into the information of our 
weakest side for attack and give them considerable advantage over 
us, particularly as the Hila province was still very unsettled and 
ready to join the first chief of their own sect, who might stand forth. 

16%, At daylight this morning we discovered two corracorras 
coming from the fleet towards us, and lay too untill they came 
up. About 8 o’clock sultaun Ibrahim and the chief persons of 
his expedition came on board. He seemed a very well-bred, handsome 
man, much superior in appearance to any Malays I had yet seen; 
and all those who had accompanied him of different features and 
manners from any of the inhabitants of Amboina or Banda. He 
informed us, he was come from Warowe' on the NO. coast of 
Ceram, where sultaun Syfoot Deen Shaw had been about 5 weeks 
ago, when he left it; that upon the information (from ?) captains Risdale 
and Stuart of two trading-ships from Bengal, that we were in 
possession of the Spice-islands, he came on an embassy from sul- 
taun Syfoot Deen Shaw, who is his uncle, to form a connection 
and friendJy intercourse with the English, and seemed much to 
rejoice at the fall of the Dutch, who he said dispossessed his 
uncle of the just sovereignty over Ternate, Tydore and all the 
Spice-islands, to which he asserted his claim to be indisputable in 
every light of justice. He also informed us that three Bengal ships 
had been at Maba, an island close to Gibby 2, whither sultaun 
Syfoot Deen Shaw was to have gone after his departure from 
Warowe. Having enquired, how he came to have the title of sultaun 
as well as his uncle, who is still living, he acknowledged that it - 
was only bestowed upon him to add dignity to his embassy; and 
that all the chief persons, who accompanied him, were rajahs and 


1 Waroe, aan de Noord-Oostkust van Ceram. 
3 Maba, Gebi, Oost-Halmaheira. 


306 DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 


governors of. very considerable provinces on Ceram, and most of 
the islands to the Northward of it, over all of whom sultaun 
Syfoot is acknowledged. Being satisfied of their disposition and 
designs, concerning which I was extremely anxious, in order to 
prevent alarm along the coast of Hila, which would add to the 
disturbances of that province, I wrote immediately three letters: 
one to captain Chalmers at Hila, to inform him what they were 
and to send instant notice of it to fort Victoria; another to any 
of the officers of His Majestys ships of war; and a third to the 
Admiral himself. At the same time instructed sultaun Ibrahim to 
seud the letters on before, as he had occasion in one of his smallest 
prows, that to Hila first, to prevent alarm at the approach of the 
fleet or hostilities from the ships on a misconception of their 
designs, as I knew that all the ships had orders immediately to 
destroy all armed prows wherever found on the coast of Amboina. 
I also cautioned him not to suffer his people to land at night, 
which he assured me he had himself particularly forbid, and also 
on his entrance into the bay of Amboina to anchor his corracorras 
in Portugese bay, a little on the right within the bay of Amboina, 
and proceed up to town with one or two, but no more, where 
upon delivering his letter and explaining his mission, he might 
depend upon a favorable reception; all which he promissed to 
attend to in the most punctual manner. The acquaintance of sultaun 
Ibrahim and his suite, with those captains who we know have 
traded with them for the last 2 or 3 years for dresses of Bengal 
manufacture, and their appearance and manners so different from 
the other Malays of the neighbouring islands, removed every doubt 
I had in my mind and gave me great pleasure. They breakfasted 
with us and seemed well accustomed to our fashions. 

The Sultaun with his suite took their leave about ten and we 
proceeded with a light but farm breeze on our voyage. 

17th, Being nearly becalmed and close to the coast of Ceram, 
sent a boat ashore for fowls and vegatables to Couloor,! nearly 
opposite to Post Hoorn on the Northside of Haroekoe, where 
they supplied us immediately at a very reasonable rate. 

24h, After beating against winds and a NWly current, that 
increases in strength as you approach Banda, and working along 
the coast of Ceram, a considerable distance to the Eastward of 


1 Koelor op Saparoea? 


DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 807 


Banda, which is the only way of effecting the passage at this 
time of the year, we were this evening just able to enter the 
harbour of Banda. Found the English part of the garrison and 
Sepoys in very good health, but the company of Wirtemberg 
quite the reverse, having already lost 8 men, with 40 down in 
fevers, besides both officers. The whole settlement however were 
wretchedly in want of every kind of provision but rice, of which 
there remains still of months store. Delivered the Admirals letters 
to major Vigors and captain Lambert, and sent those to the Dutch 
governor and other gentlemen. Major Vigors represented every 
thing in perfect security, but at the same time the situation of 
the garrison such, that he could not leave the command to any 
officer under him, particularly as the Suffolk is now ordered away ; 
he therefore, tho having it in his option to go to Amboina, 
resolved to devote his time to the present care of the settlement 
under all its disadvantages, untill regularly relieved from Madras, 
in doing which he has given strong proof of his zeal for the good 
of the service. Learned from major Vigors that the Wirtemberg 
corps has upon all oecasions manifested the strictest discipline and 
most orderly conduct possible, and that, notwithstanding their 
sickly situation, the scarcity and dearness of every kind of pro- 
vision, they never made the smallest complaints; had therefore 
particular pleasure in communicating the Admirals thanks to them 
to be published in orders, and also to empower the Major to make 
them the same allowance in lieu of salt-provisions as our own 
soldiers. 

25th, Agreeable to the Admirals instructions ordered all the nutmegs 
and mace in store on board the Suffolk as also the cash in the 
treasury, after reserving three monthe pay in advance for the Dutch 
and English belonging to the settlement. 

Had a conference to day with M* Steenberg, M* Spits, M™ Vander- 
slays and some more of the most respectable planters on the island , 
relative to the allowance of rice made to the park-slaves, also the 
justness of taking into the possession of the Company the property 
of the parks by the late Dutch government and the real advantage 
arising from it, of which measure there is good reason to doubt; 
also made particular enquiry into the most advantageous way both 
to the Company and planters of managing the slaves, ascertaining 
the property in them and the lands, and deriving (?) the most advantage 
with greatest ease to both. From which it was plainly discovered, 


308 DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 


that the act of Mr Boukholtz in assuming in the name of the 
Company the property of the lands and slaves was by no means 
considered as a just one, but which we acquiesced in as an arbitrary 
proceeding, against which no resistance was possible, nor could any 
appeal be made. From their account it appeared that some of the 
planters purchased their parks bona fide from the Company, and 
most of them time immemorial in quiet and undisputed possession 
of them; that the claims on the score of long arrears of debt for 
rice et‘ were never from the begining intended to have been 
enforced, being meant rather as a benevolence to the planters in 
consequence of several losses by hurricanes and other accidents and 
in consideration of the former very low rate at which they were 
under a necessity of delivering their spices, and without which they 
could not attend at all to the cultivation of them; it also appeared 
that the park-slaves were in general better fed and taken care of 
than any other, having the priviledge of cultivating all over the 
park, when they found it convenient, plantains', jams ?, sweet- 
potatoe, kanarynuts*, et® for their own use, and tho’ the Admiral 
empowered me, to make such addition to their allowance of rice as 
should appear necessary, they did not seem to stand in any need of it. 
A person, who came here some time ago from Maba and stiled 
himself an ambasador from sultaun Syfoot Deen Shaw, paid me a 
visit this morning, whom I discovered to be sent from that prince 
merely to see if the accounts of our being in possession of these 
islands was true; which as soon as he learned, he sent his prow 
back with the intelligence and remained himself; he is not a 
person of any rank, but since he sent off his vessel, several have 
‚come from the coast of Ceram, with supplies of sagoe and sagoe- 
bread, which is a very great relief to the inhabitants; and the 
sailors prefer it far to rice. Accounts however are brought that the 
island of Goram, near the S: E: end of Ceram, is become the 
seat of a nest of pirates, who have refused obedience to sultaun 
Syfoot Deen Shaw and. plunder every thing they can seize, and 
that a Chinese vessel from hence was taken a short time ago. 
27th, Having found every thing in Banda in a perfectly quiet 
state with regard to the internal policy of it, that the care and 


' ‚ Bananen (pisang). 
„Yam of yamswortel. De gekookt als aardappelen gegeten Dioscorea- 
knollen” (Encyclopaedie, IV , bldz. 789). Zie ook op ,Oebi” (t. a. p., III, bldz. 50). 
8 Vgl. Encyclopaedie, II, bldz. 190? 


DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 309 


cultivation of the place was attended to as much as could be 
expected, and that a very plentifull crop of nutmegs appeared on 
all the trees; seeing every apprehension of tumult entirely at an 
end and that major Vigors himself was determined to remain 
untill a relief should arrive; after leaving with him such memo- 
randums and instructions, as I received from the Admiral, and I 
knew were his wish to have executed relative to administration of 
justice, the mustering and proper care of the public slaves et™ 
and encouraging the cultivation of maize, chocolate-trees and 
vegetables of all sorts, I embarked on board the Suffolk and 
about 10: o'clock, as soon as a breeze sprung up, we weighed 


anchor, and sailed out of the harbour..... 
29th... 
This evening ..... we entered Amboina bay and got up to 


the fort about 8 o'clock. 

30. Every thing here remained in a tolerable tranquil state 
since the 12th, The sultaun Ibrahim, who arrived a few days after 
he parled us at sea, observed punctually the instructions given to 
him in his manner of approaching and sending his letter, and he 
was received by the Admiral with all the honor and respect due 
to his rank and the character he represented. The Dutch gentlemen 
were extremely anxious concerning this embassy and never failed 
to represent the ambassador as well as his uncle, sultaun Syfoot 
Deen Shaw, as impostors, tho’ it was evident they all dreaded his 
influence among the people of the country and were never easy 
when in his company. Sultaun [brahim earnestly wished to establish 
a friendship aud intimacy with the English, whom he seemed to 
have the utmost confidence in, and to regard in the sincerest 
manner. In one particular audience with the Admiral he informed 
him, that sultaun Syfoot Deen Shaw was the true sovereign of 
Tydore, Ternate and of all the Spice islands; and endeavoured 
by every possible argument to interest the Admiral in his behalf, 
to reinstate him in his rights, from which the Dutch have expelled 
him for upwards of 18 years, and set up a cypher of their own 
making in his room; who, tho’ of the proper family, is not justly 
entitled to the sovereignty, and to whom the Dutch are nevertheless 
obliged to pay a tribute for all the different islands that yield 
spice. He asserted in the most positive terms, that if he was 
supported by the English, the present ' king of Ternate and 


! Hier onder staat in het handschrift de volgende noot: „This distinction 


310 DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 


sultaun of Tydore would willingly acknowledge him as their lawfull 
sovereign, and promissed that if the Admiral would assist him to 
expell the Dutch from Ternate, he would ensure them the entire 
monopoly of all the spices and the exclusive privilege of trade 
throughout all the islands and countries belonging to him. In order 
to give a proof of his zeal in support of the English and of his 
influence over the people even in Amboina, he wished much that 
the Admiral would empower him to quell the disturbances that for 
some time past distracted the country; and assured him, he could 
inform him of all those niggeries that might be now depended on, 
as well as those that would never be at rest as long as the Dutch 
remained in the country or possessed the least influence in it, 
and that if he was confided in, he would answer for apprehending 
in three days every one of the disaffected leaders, and restoring 
the country to perfect peace. He disclaimed any acquaintance or 
connection with the Hitoe rajah or any of his party, whom he 
looked upon as natural tributaries, bound to obey his mandates, 
when issued to them, under the sanction of the English commander. 
However desireable it was to put an eud to the disturbances of the 
country and restore it to peace, the Admiral did not think proper 
to call in the aid of sultaun Ibrahim on the present occasion, uot 
knowing how far he might be with safety depended on, and at 
any rate unwilling to employ foreign assistance where the English 
arms were sufficient for the purpose. And as to re-instating him in 
the sovereignty he claimed, the Admiral assured him he had 
not authority to do it; that his orders only extended to take 
possession of these islands and places held by the Dutch 
untill the termination of the war, when alone it could be determined 
whether the English were to remain possessed of them or not, but 
that he could uot interfere in overturning the system observed by 
the Dutch to any greater length. However that, if he should have 
an opportunity of going against Ternate, that he should, if not 
attended with particular inconvenience or delay, acquaint sultaun 
Syfoot Deen Shaw with it. Sultaun [brahim did not seem to think 
the Admiral quite sincere in saying that he had uot authority to 
re-instate his uncle in the sovereingty of Tydore, but rather that 
he made this as a sort of excuse, observing that he could not help 


of title seems to insinuate the supremacy of Tydore.” Gelukkig voor deh 
schrijver, dat hij zegt: ,seems.”’ 


DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 311 


thinking him invested with unlimited powers. He also seemed to 
imagine that our taking Amboina and Banda was entirely owing to 
the intimacy between sultaun Syfoot Deen Shaw and the captains 
of the country-ships, who have had an intercourse whith him for 
some time past; and who, probably, to gain his support, were 
liberal in their promises on the part of the English, to second his 
views against the Dutch. To set him right in this particular, the 
Admiral endeavoured to explain the difference between the king 
of England and the East India Company, which was a distinction, 
that even with the assistance of a perfect knowledge of the language 
would be very difficult to make him understand. He was received 
and treated with every attention and respect on board the Centurion, 
which he compared to a niggery or district, and after a few days 
stay was dismissed in a friendly manner. The Resistance was however 
ordered to accompany his fleet, untill he had passed the Hitoe coast, 
which as it implied a sort of restriction against his touching there, 
appeared to hurt him a good deal. On his way round he gave an 
instance of his influence by apprehending the chief captain of the 
insurgents, Oelapahal, and delivered him up to the hands of captain 
Chalmers at Hila, which was certainly as convincing a proof of 
of his having no connection with the Hitoe party as could be given, 
tho’ the Dutch gentlemen never failed to assert, that he was the 
chief person concerned in it. In most of his interviews he spoke 
more in his own name than in that of his uncle, though he acknow- 
ledged that he derives his authority from him, nor did he even 
pretend to be the immediate successor to sultaun Syfoot Deen Shaw, 
as he wrote down in my pocketbook with his own hand in arabic 
characters the names of his uncle, whom he stiled sultaun of 
Tydoria and a nephew older than himself called rajah moodah, 
which is always the title of the heir apparent of the empire. 
Himself he styled Ibrahim Ulmuckoram of Ternate, which he says 
is his proper right of inheritance. It was not easy to understand, 
whether his claim to the empire of Ternate was independant of 
Tydore, or whether he was to have it as a portion of the empire 
claimed by his uncle, after his death, the rest going to rajah 
moodah, his elder brother; neither could I learn among the inhabi- 
tants themselves, which of the empires of Ternate or Tydore was 
considered the greatest, or whether they were the same, and 
even the Dutch contradicted each other and gave different accounts, 
either really ignorant or perhaps not wishing to communicate any 


312 DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 


information on the subject. Should the English become permanently 
possessed of these islands, it would probably contribute much to 
the peace of the neighbouring islands, to form a connection with 
a family, whose influence is certainly acknowledged by the majority 
of the inhabitants, even under the disadvantage of being expelled 
as rebels and impostors by the power of the Dutch arms, for 
upwards of 18: years. At any rate it appears to be an object 
well worth inquiring into, and as far as could be observed, they 
are the just lineal heirs of the empire of Tydore (which they always 
pronounce Tydoria), as the regular succession amongst the Malays 
is said to run in the female line. ! 

The Dutch are the inveterate enemies of this branch of the royal 
family of Tydore and never fail to say every thing to their pro- 
judice, but if, as is reported, the present king of Ternate is ready 
to acknowledge the sovereignty of sultaun Syfoot Deen Shaw, 
provided the Dutch do not interfere, it amounts to some proof of 
the justice of his claim. 

Captain Chalmers, having secured two more of the most notorious 
rebels, one of whom but a very short time ago murdered the 
orankaio of Hila, they were ordered to be executed in chains, 
along with Oelapahal, of whose guilt and atrocious villainy there 
is sufficient proof. 

June 2%. The Admiral, now finding every probability of a conti- 
nuance of peace and tranquillity, resolved upon despatching me to 
„Madras by way of Malacca and Penang, and ordered the Centurion 
and Mary to get in readiness to proceed as far as the latter place, 
where, if supplies had not already been sent from thence, the Mary 
was to be loaded immediately and to return with the Centurion to 
Amboina. I lost no time therefore in adjusting the accounts with the 
treasury and the public funds of Amboina for the cash taken out 
for the payment of the garrisons and the stores issued on account 
of the government of Madras, upon whom the Admiral granted 
bills to re-imburse the commissaries for managing the public pro- 
perty. | 

7h, Having delivered over charge of the stamps and seals of 
Government to the Admiral, I this day embarked on board the 


1 Vgl. over de troonsopvolging in het sultanaat Ternate Tiele—Heeres, 
Bouwstoffen voor de geschiedenis der Nederlanders in den Maleischen Archtpel , II 
(s-Gravenhage, Nijhoff, 1890), bldz. 121. 


DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 313 


Centurion, and we sailed with the Mary out of the bay. We had 
on board the Dutch soldiers from Banda and the Hitoe rajah, 
with the four refractory casisies from Hila; the former to be entered 
into the English service at Madras, and the latter to be eternally 
banished from Amboina. We returned exactly by the same course 
we went, having called at Boelacumba, where, being only one ship 
of war, we found a very sufficient supply and treated them just 
as before; and arrived at Malacca the morning of the 2° July and 
were surprized to find, we brought them the first intelligence of our 
successes to the eastward. Just about the same time however, news 
came from Penang that the Victorious had spoke the Orpheus very 
much distressed in the Bay of Bengal, having lost her bowsprit, 
and learned from her the great want of provisions in Amboina 
and Banda, and that every preparation was making at Penang to 
send off two transports with stores of all sorts, which were expected 
to sail from Penang this day. On this account, captain Orborne 
of the Centurion, fearing least he should pass those ships on the 
way, resolved to wait their arrival here, and then to embark what- 
ever supply of troops could be spared from Malacca and return 
without delay to Amboina. After waiting untill the 15t* and hea- 
ring no news of the vessels expected from Penang, we sailed from 
Malacca and the 16 fell in with the Prince of Wales, store-ship, 
bound to China, and Gloucester, transport, with stores and provisions 
bound for Amboina. As the Centurion was uot in a condition to 
return immediately, the Gloucester was suffered to proceed on her 
destination. 

18, Fell in with the Fly, cruizer, from Madras, who informed 
us of the reinforcement and supply preparing at Madras for 
Amboina. 

19th, Arrived at Pulo Penang where we found the Victorious; 
having staid a few days to refit, the Dutch soldiers were put on 
board the Mary, and every thing being ready, I embarked on the 
28th and we sailed for Madras. The Victorious accompanied us as 
far as Acheen-head, where she had instructions to cruize for some 
time. We parted from her on the 5% of August and after exper- 
iencirg rather rough weather, in which we lost our foretopmast, 
on the 19* anchored in Madras roads. ! 


1 Hieronder staat met potlood: „1796. August 19th,” 


1e Volgr. VI. 21 


314 DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 


SOME ACCOUNT of the islands of Amboma and Banda 
at the time they were taken by us, with suggestions towards 
their better management in case of our keeping permanent 
possession of them. 


vee. Fort Victoria is an irregular hexagon with a ditch and covert 
way on the land side, and a horn-work towards the sea and might 
be capable of some defence if the situation was good; but it is 
unfortunably quite commanded by two ranges of heights within 
from 700 yards to 1100 and 1200 yards distance. ‘t Is somewhat 
surprizing that when the value of this island was known, the 
first settler should fix upon so disadvantageous a situation for 
their chief fort and town as the present, where there is very 
insecure anchorage for the ships and the fort perfectly commanded, 
in so much, that no moderate expence or exertion could render it 
tenable against the regular approach of an European enemy; 
whereas, by going up about two miles higher on the same side of 
the bay, there is one of the finest situations possible for a fortress, 
which effectually commands the entrance of the harbour and the 
shore on the opposite side; affords every convenience to be wished 
for, both for a town and fort; a noble healthy elevation ; on one 
side inaccessible from the land and, without comparison, the 
finest situation on the island. The town of. Amboina is very neat 
and clean; the streets at right angles, and houses very tolerably 
built, but none of them above a single story high on account of 
the freequency of eartquakes. There is an esplanade of about 250 
yards from the covert way to the town, which is terminated by a 
very handsome range of houses with a double row of nutmeg-trees 
in front, where the principal gentry live. In the fort, besides the 
public store houses for spices, civil and military stores and merchan- 
dize, and quarters for the garrison, the Governor's house is erected in a 
very spatious good situation, also a house for the Second in Council 
and another for the Civil Secretary. The rest of the gentlemen of the 
settlement live in the town. There are two very good churches in. 
the town; one for the Europeans, where the minister officiates in 
the Dutch language, and another for the Malays, where he reads 
prayers and preaches in their language, and this he generally does 
alternately. The stadthouse, where the Court of judicature meets and 
where there are places of confinement annexed, fronts the esplanade, 
and is the only building of two stories high in all Amboina; from 
a balcony in the upper-story all public edicts and proclamations 


DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 315 


are read to the people, and in front of it is a large platform rai- 
sed, with places to erect a gallows, for fixing the rack, to inflict 
the torture and other public executions. There is a very good 
building situated in a very little way E. of the fort, called the 
equipage-wharf, where the Master attendant lives and those} be- 
longing to the marine-establishment under his office; also where 
all the naval stores are kept. Immediately adjoining and close 
to the foot of the glacis at the East angle of the fort are the 
sheds and workhouses in the engineer and artillery departments. 
There is also a very commodious hospital here, where above a 
hundred men may be well accommodated, situated at the skirts 
of the town, towards the N. E., besides another, which is smaller, 
in the fort. At the S. extremity-of the town, next the sea, stands 
the Burghers waght, a kind of guard house with a battery in front, 
where the Burghers, who are formed into a militia without pay, 
for the preservation of the police, mount guard every night. These 
are all the public buildings in the town. 

The communication into the country by roads has been wonder- 
fully neglected, there being no possibility of driving a carriage of 
any sort half a mile from the town in any direction. On horse- 
back it is possible to go farther, the adjoining country being clear 
of wood and very beautiful to the eye, but every where intersected 
with deep ravines, which from their abruptness look as if they were 
occasioned by earthquakes, tho’ no such circumstance is recorded 
even by tradition. ' 

The water of Amboina town is very tolerable, which the inhabi- 
tants draw from wells, tho’ there are two small rivers, one N. and 
the other S. of the fort, but these are not considered wholesome, 
particularly in the rainy season. The water for shipping is generally 
procured on the N. side of the harbour, where it is conveyed 
directly into boats from a cataract over the rocks within a very 
short distance of the shore, in a constant stream, and is reckoned 
some of the finest in the world. 

For the better management of this government and the more 
convenient collection of the cloves it is divided into residencies, 
all subordinate to the chief fort, of which those, that yield cloves, 
are called provinces of Amboina, and those which do not, and are 
at greater distances, its dependancies; under the chief fort and the 
immediate care of government are 7: great and 24: small districts, 


' Sic! 


316 DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 


most of them situated on, and occupying the whole of the Leytimor 
peninsula, the natural boundary of which is the Baguala pass. N : 
of the pass there are three niggeries or districts: viz' Way, Soély 
and Baguala; and within the bay on the Hitoe peninsula 5 other 
niggeries are included in the above number. Under the province 
of Hila are reckoned the 10: niggeries extending along the N: W: 
coast of Hitoe, from Lien' to Niggery Lima, both included, 
and reach as far inland as the mountains will allow them, being 
for the most part impassable, except by a difficult road leading 
from Hitoelama to Hoekoe-Naloe ? at the entrance of the harbour. 
The province of Tariki contains the four niggeries on the S.W. part 
of the island, viz‘: Oering, Assaloeloe, Lariki and Waccassieuw. 3 
The islands of Saparoua, containing 13 niggeries, and Noessalaut, 
divided into 7 niggeries, form one province under the resident of 
Saparoua and yield a great deal of cloves. This residency is reckoned 
the next appointment in value to the governor. The island of 
Haroekoe, containing 12 niggeries with three on that part of the 
Hitoe peninsula next adjoining to it, viz‘ Toloehoe, Tengatenga, 
and Tial, forms also one province, under the superintendance of the 
resident. All the above places afford abundance of cloves, which 
are absolutely prohibited in every other, whatever. Subordinate to 
the three residencies of Saparoua, Haroekoe and Hila is reckoned 
the whole South-coast of Ceram, divided into 37: niggeries; 24 
of which from that part of the coast N: of Saparoua to the S: E: 
extremity is under the jurisdiction of the resident of that province; 
seven on that part of the coast contigious to Haroekoe under that 
resident, and six subordinate to the resident of Hila. The other 
dependancies of the government of Amboina are Bouro, divided 
into 13 niggeries, under a resident who has also charge of Amblaw, 
containing 7 niggeries; Manipa, containing 8 niggeries, under care 
of a serjeants party, who has also authority over Bonoe, * containing 
2 niggeries; and on the N: coast of Ceram Saway, divided into 
6 niggeries under the resident of that place, who is generally a 
subaltern commanding about 40 men. 

All these districts or niggeries go by the general term of regen- 
cies and are placed under the authority of certain chiefs, called 





t Liang aan de Noordkust van Hitoe. 
3 Hoekoenaloe. 

8 Wakasihoe. 

4 Bonoa of Boano. 


DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 317 


in general regents, but particularly distinguished by the appella- 
tion of rajahs, patties and orankaios. The three chief rajahs of 
Noessanive, Keelang and Zoya! are allowed to inherit the regencies 
in their own families and gre the immediate descendants of the 
principal Portuguese families, first settled in this island. ? All the 
others are appointed by Government, which in this respect is 
obliged to conform to old custom and the prejudices of the people, 
who have a high respect for family-connections. For this reason 
the principal families in all the niggeries, particularly those in the 
clove-provinces, keep a regular genealogy of their families, which 
is registered in the Secretary’s office, and whenever a vacancy 
happens in the regency, this bangsas or men of registered families, 
who wish to succeed, take out an authenticated copy of their pe- 
digree from the Secretarys office, and with a written request on a 
stamp of a certain value from half to two rix dollars, setting forth 
pretentions to the succession, give it in first to the Governor, for 
his approval, who, if he pleases, lays it before his council; the 
elders of the niggery are then consulted relative to the ability of 
the candidate, and if he be agreeable to the people; and upon this 
proof, his commission is regularly made out on a stamped paper 
of from half a rix dollar to ten mx dollars value, according to 
the consequence of the niggery, and signed and sealed by the 
Governor and Secretary. They then receive a code of instructions 
for their guidance, which is hereafter annexed. They are also 
invested with a silver- or gold-headed stick, with the Companys 
chop or seal, as a mark of distinction and authority. * The first 
three rajahs * inherit other privileges, such as being allowed to 
wear swords, to have large umbrellas and awnings over their 
corra-corras or large boats for war-expeditions; they are also 
rested to by the guards of the fort when they pass and always sit 
down in presence of the governor. 

Besides the regents in each niggery, the elders are invested 
with certain magisterial authority over the people, according to 
their rank, and are divided into the three degrees of capullasous 5 








1 Noesaniwe, Kilang, Soja, alle op Lei-Timor. 

3 Die radja’s van Noesaniwe, enz. stammen niet af van Portugeezen, maar 
hunne voorzaten hebben de Portugeesche namen aangenomen tegelijk met het 
Christendom (Vgl. F. Valentijn, II, Beschrijving van Amboina , a, bldz. 118, v.v.). 

$ Vgl. Van Hoévell, Ambon, bldz. 19, v. 

4 Noesaniwe, Kilang, Soja (Zie Valentijn, Amboina, a, bldz. 118, v.v.). 

5 Kapala soa (Vgl. Van Hoévell, Ambon, bldz. 28). 


318 DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 


or alderman, elders of the 2¢ and of the 34 vote or class, who 
are consulted by the regents and called in to determine the 
disputes of the niggery. These also receive a certain proportion 
of percentage on the cloves produced in their niggeries, and from 
their numbers the ,marigniesy ! or overseers of the /quartoes» ? 
or labourers are taken; likewise the vdaty keepers” * or super- 
intendants of those particular grounds in which the cloves are 
cultivated ; which appointments, small as they are, can only be made 
by the Governor or residents of the provinces. 

All the regents of the provinces of Amboina, however distinguished, 
are considered vassals of the Company, who are lords of the soil, 
except of some particular lands, that belong to Burghers and private 
persons, who may dispose of and alienate them at pleasure, under 
the absolute restriction against cultivating clovetrees thereon. 't Is 
observed however, that tho’ the Company assert the right of the 
soil, they acknowledge, they cannot deprive the inhabitants of the 
different niggeries of any part of their lands without giving them 
an adequate compensation, and particularly if there are any clove- 
trees thereon, which are held to be the regular property and 
inheritance of the planter and his family. 

In all the different niggeries where cloves are cultivated, there 
are certain lands apportioned to the inhabitants, called daty-lands, 
whereon the clove-trees are planted, which are absolutely prohibited 
in all other places whatever; a register is kept of these daties, 
and the trees thereon numbered once a year and their qualities 
particularly noted, whether young, half grown, or bearing fruit. 
The entire produce of which the people are bound to deliver into 
the Companys stores, under pain of death, + at the rate of rix- 
dollars 56 for the bhaar of £ 550. However these daty-lands are 
not distinct portions separately applied to the growth of the clove 





1 Marinjo’s (Port. meirinho = gerechtgbode, gerechtsdienaar). Vgl. over 
deze beambten op de Ambon-eilanden Van Hoévell, t.a.p., bldz. 28, 24, 25, 
enz.; Van Hoévell, Vocabularium van vreemde woorden, voorkomende in het 
Ambonsch— Maleisch (Dordrecht, Blussé en Van Braam, 1876), bldz. 21. 

3 Kwartoe: „de onderhoorigen, over wier diensten een Regent kosteloos 
beschikken kan” (Van Hoévell, Vocabularium, bldz. 17). Die diensten zelf 
heeten kwartoe-diensten (Van Hoévell, Ambon, bldz. 26). — Val. E. W. A. 
Ludeking, Schets van de residentie Amboina, ‘s-Gravenhage, Nijhoff, 1868, 
bldz. 122, v. 

3 Dati, eigenlijk = belasting, schatting (Van Hoévell, Vocabularium, bldz. 
10). Zie over het dati-stelsel Van Hoévell, Ambon, bldz. 175, v.v. 

4 Vgl. hiervóór, noot 2 op bl. 260. 


DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 319 


trees, and nothing else; on the contrary, any where within the 
daty-limits in each niggery, that the clove trees chance to flourish, 
and are well sheltered by the adjoining trees, they are directly noted 
in the register; so they are never seen in regular plantations or 
groves, but here and there scattered thro’ different parts of the 
niggery; great care is however taken to keep the ground about 
them quite clear of weeds and dirt, and that they are well 
sheltered, which is necessary to the safety of the fruit; and at any 
time they chance to observe young trees shoot ppon other parts of 
the niggery out of the daty-limits, they immediately transplant 
them; or if their number of trees is already sufficient, and more 
forbid to be cultivated, they are distroyed at once..... 

Each person brings in the quantity he gathers, which is received 
at the scale and weighed, when the name of the person, wether 
man, woman or child, is registered, with the quantity delivered 
noted down. The whole weight is not always allowed, unless 
the cloves are perfectly well dried, for if there is the smallest 
dampness observed or oil easily expressed between the fingers, the 
allowance for the wastage in consequence is quite arbitrary and set 
down accordingly, but in general pretty near the truth of what they 
afterwards really lose by drying. 

But tho’ the nominal rate, at which the cloves are to be delivered, 
be as above stated, viz' 56 rd* for the bhaar of 550 €, nearly 4 s. 
8 pence per £ ', the actual sum paid to the inhabitant, who gathers 
them, falls very short of it, from the number of deductions they 
suffer in the valuation of payment thereof. The principal drawback 
is an allowance of 20 per cent on the weight of the cloves for the 
benefit of the Governor and other servants of the Company, as a 
means of better subsistance; that is for every 100 £, which they are 
to receive payment for, they deliver in 120 #. The next deduction 
is the hassel-gelt, 2? which is 5 rd* from every bhaar, reserved for 
the Regent and the chief elders of the niggery. The third deduction 
is under the denomination of -pitjes-gelty ? or betel-money for the 
Rajah, or Orankajo; this is one stiver from every rixdollar paid to 





1 Hierbij staat de potleod-aanteekening : 

„If the bahar of 5501b be 56 Rxdr, it is nearly 101b for 1 Rxd., which at par (?) 
or 4 s(?) Sterling is less than 5% pr. lb. as near as can be 4,85 p. lb., the 
rixdollar is(?) at par(?) — At the Cape I have known the exchange 83} poent 
adv‘(?) or 1334} in Rd. for 100 in bills, which reduces its value to 3(?). — 
The Dutch 92lb is equal to 1001b English. 

3 Vgl. over deze belastingen Van Hoévell, Ambon, bldz. 25, v. 


320 DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 


each person; and besides this, every fraction ofa stiver or the odd duyts to 
a stiver remains on the table and becomes the perquisite of the accountants. 
The whole of the cloves are punctually delivered into the Com- 
panys store at the before mentioned rate, and the price of the 
20 percent overplus weight has been established and authorized from 
Batavia as an allowed perquisite on the avarage produce of £ 600.000 
of cloves annually and divided agreeably to the following proportions. 
Twenty percent on 600.000 £ of cloves is 120.000 £, which at 
56 rd* per bhaar is equal to rd*12.218.81; this was formerly divided 
into 100 parts, but since the arrival of the Wirtemberg company ! 
it has been divided into 102 parts, in order to let that company 


have a share of the common benefit. ? Of these 

shares rd* = stiv" 
The Governor receives . . . . . . . 40 equalto 4791 21 
The second, M" Smissaert . . . . . . 18. . . 1557 104 


The command‘ of the troops 4. 479 7 
Resident of Saparoua . 7. 830 244 
Resident of Hila 7. 830 24 
The fiscaal 6. 718 344 
Resident of Haroekoe . 3. 859 17! 
Resident of Larique 8. 859 174 
Military accountant 8. 859 174 
Secretary to Government. 8. 859 174 
Cap" of the Wirtemberg comps - 2. 239 27 
Uppersurgeon 1. 119 873 
Master attendant . 1. 119 373 
Book-keeper and acctt of merchandize 1. 119 874 
Resident of Bouro. . 1. 119 373 
Book-keeper and Milit” account! 1. 119 873 
Secretary of Justice . 1. 119 3873 
Bookkeeper and secret” of the Court of land 

Justice. . re 119 3734 
Lt Comm of Artillery 1 119 8 


Divided among seven lieut* and € énsigns 
of the troops. . 2. . . 239 27 
D° among three sub® of the Wirtemberg company 1. . . 119 874 


Shares. . . 102rd*. 12.218 8} 


1 Het Wurtembergsche regiment werd bij capitulatie van 1 October 1786 
in dienst der Oost-Indische Compagnie genomen en kwam in December 
1787 tot September 1788 aan de Kaap de Goede Hoop. Op bevel der 
autoriteiten in het moederland werden zij in 1790 naar Batavia gezonden 
(Heeres in de Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap, 
gevestigd te Utrecht, XV, bldz. 197, 203, 206, v., 209). 

3 Eene soortgelijke, ietwat verschillende, opgave vindt men bv. bij Ary 
Huysers, Beknopte beschrijving der Oostindische etablissementen (Utrecht, van 
Paddenburg, 1789), bldz. 320, v.; Tweede druk (Amsteldam, Roos, Vermandel, 
MDCCXCII), bldz. 321. 


DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 321 


The hassel-gelt is divided into ten parts, one of which is stopped 
from all the niggeries for the orankaio of Mardika,! a village of 
freemen ? bound in certain services, who have no ground to culti- 
vate cloves. This orankaio is called the gratudy of Mardika. 
6 thenths go to the rajah or orankaio of the niggery, and remai- 
ning three to the elders and divided among themselves. 

Tho’ the average quantity of cloves allowed for is 600.000 &, 
it varies considerably; the following is the account of the daties 
aud entire produce of all the provinces under the government of 
Amboina for 1794/5. 


Total 
Fruitbear- halfgrown young number 
Daties ing trees d° trees of trees. 


Under Amboina . . 682 25.018 11.702 2.890 39.610 
Saparoua. . . . . 827 25.875 1.595 653 28.112 
Noessalaut . . . . 9881 10.583 2.586 3.872 16.841 
Haroekoe . . . . 816 20.322 3.004 1.725 25.051 
Hila. . . . . . 507 15.822 1.178 915 17.410 
Larique . . . . . 213 8.817 2.161 1.694 12.672 

8.421 105.927 22.020 11.749 189.6963 

The produce of all these trees amounted to 
Bh’ £ 

At Amboina. . . . . . bhaars 108 22 total € 56.672 
Sapoura and Noessalaut. . . . . 988 450. . # 518.600 
Haroekoe. . . . … … … … … «© 179 144. . „ 98.594 
Mila. . . wwe ees 10 $25. . » 5.825 
Larique . . ... - . … 27 506. . » 15.356 


Bhaars. . . 1.234 847. . @ 690.047 


The population of Amboina, both provinces and dependancies, is 
very exactly ascertained, as it is likewise at Banda and perhaps 
in all the other Dutch settlements. In every niggery there are 
certain persons, who in the month of August make regular lustrums * 
of the natives of all descriptions, which are sent in to the Secretarys 
office and formed into a general return, which is sent to Batavia. 
This is called a „Ziel bescriving’’ 5°, of which the following is an 
abstract for the last four years. 


1 De z.g. Kampong Mardika lag in de buurt van het Kasteel Victoria 
(Vgl. mijn Corpus Diplomaticum, I, bldz. 179; Van Hoévell, Ambon, bldz. 34, v.v). 

3 Orang mardaheka of mardika. 

3 Deze en volgende optelsommen kloppen niet alle. 

$ Men moet hierbij niet denken aan Sjarige periodes, maar in het algemeen 
aan een census. 

8 Ziels-beschrij ving. 








LUSTRUM ror 1792. Europeans. | Mesties. || Natives t & 
MW. ohm wol Mow. 





| 
On the whole island of Amboina. . 108 | 1 | 7 | 94 |141 (207 | 3295 | 3087 | | 
Saparoua, includg. the const of Ceram dep'| 17 | — | — | 17 | 9 \44 | 1181 | 2079 | : 
Noessalaut, includg. the lepers on Molanat| 10 | — | — || 20 10) 990 | 801 


— || 210 | 120 
37 | 1689 | 1604 | | 


7 
Loehoe and the niggeries on Ceram(Hila)?) — | — | — | — | — 

7 
4) 18) 299 | 279 
EK 


Haroekoe with the coast of Ceram depend' 
Bouro . nwd ele d 
















































































Amblaw — | 02) 91 
Manipa 7 764 | 751 | 
Bonoa . —| 45 | 811 | 
185 [328 | 9589 | 9073 u 
LUSTRUM ron 1798. 7 Mesties. || Natives t & 
En M. w. CIM w. Cl MW. 
Amboina. . cee eee. tov | 1] 1 [100 154 [308 | s422 
Saparoun and adjoining coast of Ceram .| 20 | — | — || 30 | 35 | 80 || 1362 
Noessalaut and Molana .… .. .. | 6|—|—|10| 11 | 28 || 688 
Loehoe and adjoining-niggeries | | | || —|—|—||—|—|—| 186 
Haroekoe and adjoining coast of Ceram || 13 |—|—||13| 9] 21|| 625 
Bouro . . ig) —}|—|)10| 4] 21] 295 
“Amblaw 22222212) = }—}-]}—] =] ue 
Manipa … 22 2 lll @}—|—] 7] 4) 8} a9 
Boa. in eee || 34 
hes | 1 | 1 [ies [208 \ase || 7449 
Europeans, || Mesties. || Natives # am 











Amboina. . 
Sapoura and adjoining coast of Ceram 
Noessalaut_ and Molana Sh 
Loehoe and niggeries adjoining ‘ 
Haroekoe and adjoining ‘coast of Ceram 
Bouro . A i 
Amblaw - 
Manipa 
Bonoa . 



































LUSTRUM ror 1795. Europeans. | Mesties. || Natives $ an 
i I | 

Amboina. . . ches | — | — {hee leas laar | 8265 | soa 
Sapoura and adjoining coast of Ceram …|17 | — | — 52 | 3925 | 4811 
Noessalaut and Molana sati STZ = — || 845 | 751 
Loehoe and niggeries adjoining … |. | 7|—|— 7) 147 | 181 
Haroekoe and adjoining coast of Ceram |) 17) — | — 45 || 1635 | 1471 
Bouro 8) — | — 10 | 263 | 276 
Amblaw —|-|- —| wa] 87 
Manipa Bj | 386 | 372 
Bonoa . | = — || 296 | 274 








ij 
11 


Toran 





These numbers appearing to finotioate | | | 
in some instances very ungcoountably, , 183 | — | — |177 (257 462 | 8856 | 9212 [1 
the average is noted . 
































































































































Het eilandje Molana, ten Zuid-Westen van Saparoea (Vgl. over het leprozengest 

aldaar Van Hoövell, Ambon, bldz. 6, noot! en Ludeking, Amboina, bldz. 158, v.v.). 
47s dit niet eene vergissing? 

4 Men, Women, Childern. Het trekt de aandacht, dat er in 1792 en 1798 slechts 








Alfores or Macassar |Slaves of all 
Heathens. slaves, _ |othercountrys, 


MW. CIM Ww. Oi M WC IM w. CM w. co jp lead 


Mardykers. | Chinese. 





56 | 45 | 86 | 62 | 88 (237) — — — (211 /196,125/ 856 965437 16759 
= ke 102) 187) 74 7250 











| 

| 

| 
(rite 





8 3 4) 812 
66| 59,36] 2657 
= aed | = 9 8} — 1264 




















“| Macassar. [Slaves of alt | 


Mardykers. | Chinese. | Alfores, slaven \bthercounteya| TOPE 
w. aim. wol wm wc Ia wc rors lkrn 




















1228/1327/775 41025 








| 

56 | 64 | 14455 | 82 )252/ — | — | — |299/801| 81 | 885) 908 51 | 17321 
— iele — | = | = | 2) —| —] 134) 155) 76 7695 
== |= — | — | — |= ||| 66) 6228 2983 
—|—|—|—|—|—| 184] 140] 188 — | —|—|| 14} 20 12 ‘960 
=}—|—f—] =] el == |=] =] =) zo| as 5864 
—|—|—|—] — | — | 1026 | 1007 | 1996 | — | — | — | 17} 46) 52 8178 

= ic |e | = = 2 2 8 384 

5 = = — || 2| 56) 22 1714 
miel ISS =S |= ef a a WS 967 
55 | 64 144) 55 | s2 252) 1200 | 1147 | 2129 301 |301| 81 





Macassar. || Slaves of all 








Mardykers. | Chinese, | | slaves, "| other places. Toran 
w. CIM W.C M. Cc iM. W. CM. W.C. BOUL® 

[ Tl | = 

| 240 221 | 193) 888) 977/636 17412 








TT tel ll@ |B 
MrHltlilg 
LELLI 
ERE RNNK: 
Litters 

| 

i 


NENDE: 
3 
El 
ES 
g 
8 











— || 55 40 | — | — 84) 87 77 7609 
— | 1188 2078 | — | — 16, 37) 57 5608 ~ 
=} = —i|-|- —|—|— 488 
=] = — || 29) 49) 22 1267 
-|j- -—|-|- 8 a] — 1200 








ls 
= 
g 
& 
ë 





240 1485 , 1356 193 | 42 12821399919 | 43807 








if 
| chi Macassar. |/ Slaves of all} Toran. 
Mardykers. |_ Chinese, | Alfores. , slaves. other places.) 
| nae ES | a Me cal | 
56 279) 796 843461 | 17344 





266, 231119 | 17505 





Jeb 











40 92 Er — (880 408 | 281 
=| 18, 160) 16: =} —|| 23} 2018 1082 
=|, 45] 80, B — | — | 154) 108) 80) 7474 
—_f |= -—j— — 1 _ | 82 834 16 1012 
=/=]=j-,-'-| - = —|—|—| 291 
=| fH |S | st cash 1211 
mse] ef ee bee fe TB a ae 
f 1 
279 288, 190, 197 [880 40s 281 /1343 1948749 | 49727 


5 
- 
5 
FA 
8 
8 
lg 





























i > i 
zal 1022 - 958 | 1602 | 266 | 274 1201248/1358/785 || 45252 
i | 


52 | 51 106 


u 
& 
x 
& 




































































































































































in 1794 slechts drie, in 1795 geen enkele vrouw van zuiver Europeoschen bloede zich op 
de Ambon-eilanden bevond. 7 
$ Mahometans and Christians? 





324 DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 


Of the above number, besides the Wirtemberg company, which 
is not taken into the account at all, the number of protestant 
Christians amounts to about 17.813; the rest are Mahometans, except 
the few Chinese and the Alfores, who are heathens. 

The Christian niggeries are all those immediately under the chief 
fort, ' except two insignificant ones, Rodenberg ? and Laha; all on 
Saparoua and Noessalaut, except about 40 or 50 families of Maho- 
metans, who have from time to time been permitted, very impru- 
dently, to settle in the niggery of Sirrisorry on Saparoua, where 
they have occasioned a great deal of trouble; half the niggeries 
on Haroekoe are likewise of the Christian faith, two niggeries on 
Manipa, two on Bonoa and two at Loehoe. ° | 

In most of these niggeries or districts are schools established for 
the instructions of the inhabitants, and in the Christian niggeries 
protestant ministers are appointed to preach the Gospel and pro- 
pagate the Christian faith. The expence attending these institutions 
is very trifling and the benefit considerable, as it is found by 
experience that the Christian niggeries are much more civilized and 
amenable to the laws than those of the Mahometan religion. In 
some few the inhabitants are mixed, but prohibited under severe 
fines and penalties from intermarrying. 

The manners of the Dutch gentry here seem much superior to 
what is to be observed in Banda, and it is said ever to have been 
the case, this setllement being estimated not only as the genteelest 
but the most profitable after Batavia. Banda on the contrary is 
considered as a sort of banishment to persons unworthy of any 
other appointment, the Governor alone enjoying the least hope of 
realizing a fortune. Most of the Dutch gentlemen are married to 
native women of perhaps the tenth generation from Kurope blood, 
and seem never to have a wish to quit the ‘places they are in, to 
return to Europe; perhaps from the reflection, that their wives, 
who are little more than the chief female slaves of their families, 
are unfit to be introduced into society there. The ladies are fond 
of dress and wear a number of jewels, but they pride themselves 
particularly in the dress of their favorite slaves, who attend them 
in company, where they carry their mistresses betel-boxes, which 


1 Kasteel Victoria. 
3 „Maar een quart myl van ’t Kasteel” (Valentijn, Ambon, bldz. 114). 
8 Op Klein-Ceram (Hoeamoeal). 


DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. _ 825 


are always an article of great fashion and expence, and sit on the 
floor, at their mistress’s feet, unless otherwise employed or ordered. 
They are fond of dancing, if it can be called so, where, to the 
liveliest tunes, they consider it quite improper to go beyond a 
solemn walk to the figure and time. Their minutes ' are always 
danced with more life and spirit than their country-dances. They 
are likewise fond of music, and most of the families have some 
of their slaves taught to play different instruments. 

Of the manners and disposition of the native inhabitants in 
general, little can be said in their recommendation and the fierce 
savage wildness of their looks is a tolerably just type of their tem- 
pers and habits, which differ little from all the other Malays throughout 
these seas. In a climate, where nature so amply provides the means of 
subsistance with scarce any exertion of the inhabitants, it is natural 
to find them lazy in the extreme, tho at the same time possessed of 
sufficient strength and activity for any pursuits. They are however 
treacherous, cruel and unsteady; by no means brave from principle, 
tho’ sometimes capable of actions that appear in the highest degree 
so. Fierce and implacable in thier anger, they are easily hurried on 
by thier chiefs or leaders to the commission of the most extravagant 
crimes, particularly when, under the influence of bang or opium, 
without consideration or reflection. Wild and inconsistent, they are 
‚at on moment led on to the greatest crimes and the next become 
inoffensive subjects. Insensible at the time of the enormity of their 
guilt and indifferent to the consequences, they are incapable of one 
of the most amiable sensations of the human breast, repentance of 
past vice and remorse for crimes committed. Violent and artful 
they are never to be depended on, but always to be guarded against 
with a watchfull eye. Death they mind not, and even sometimes 
brave, public executions therefore have little effect on these people, 
unless attended with Dutch tortures; they are however strongly 
affected by a since of shame; and banishment from their country 
and families is one of the most mortifying and exemplary 
punishments, that can be inflicted. These considerations have made 
the Dutch constantly prefer banishment and condemning criminals 
to public work in irons to capital punishment, and it is by a just 
estimation of their inconstant tempers and characters that they can 
best be governed. On this account it has been considered, as one 


1 Minuets == menuetten ? \ 


326 DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 


motive more effectual, to sentence the Hitoe rajah and three casizies, 
his adherents, to perpetual banishment, than to execute them 
in the common way. The former mode is not only considered the 
more dreadful punishment, where they are suffered to live in the 
mortifying reflection of being eternally cut off from their families 
and homes, but in addition, while there remains a doubt of his 
existence, no other branch of his family will stand up as a repre- 
sentative of it; which would not be the case, if he were publicly 
executed, as some of his numerous kindred or children would in- 
stantly supply his place. 

The dress of the inhabitants of all these islands is the same: the 
men wear a kind of loose shirt or frock of blue or black cotton 
cloth, made in India, with loose drawers to the knee; the women 
the same kind of frock, and a cloth folded round their waist that 
reaches tho their ankles. The better sort wear a kind of cloth made 
at Macassar very strong, and in general of a tartan ! patterie. The 
general dress of the Christian regents is a black coat of broad cloth, 
black satin waistcoat and breeches, and either black worsted or cotton 
stockings, and always hats. The Mahometans wear also Europe fa- 
shioned coats of as great a variety as the oldest shop in Monmouth- 
street could produce, and perhaps many of them came from thence ; 
but they never weur hats, which in every Mahometan country are, 
considered as a reproach in part of dress. They wear turbands of 
black cloth about their heads in a very unbecoming fashion, and 
sometimes meerly a handkerchief tied in a single knot. It seems 
to have been a study of the Dutch to establish certain sumptuary 
distinctions among the inhabitants, 2 perhaps for the purpose of 
exacting donations for indulgences with regard to them, at least 
they answer that end at present. No person but one of the three 
chief rajahs is allowed by inheritance the priviledge of wearing a 
gold-headed cane, a sword, a great umbrella; or can have the 
honor of a rest from the fort-gate guard, when he passes; and 
when any other person thro’ pride or variety aspires to the same 
honors, which many of them do, they are obliged to pay handsomely 


1 Tartan = Schotsche geruite wollen stof? 

3 Het is bekend, dat in den tijd der O.I.C. dergelijke „sumptuary distinc- 
tions” niet alléén voor inlanders, maar ook voor het Europeesche element 
onder de bevolking waren voorgeschreven (Vgl. o. a. mijn artikel Oost-Indische 
Dames en Heeren uit den tijd der Compagnie in Tijdschrift voor Nederlandsch- 
Indië, 1902, bldz. 58, v.v). 


DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 327 


for them. The priviledge of wearing a green velvet coat was confi- 
nid to the prince of Tydore. Distinctions of dress and other indul- 
genes they appear to treat with particular respect, which always 
excites the general emulation to obtain them, and no doubt, were 
these priveledges only bestowed upon merits, a velvet coat, a gold- 
headed cane or a large umbrella would have as good an effect in 
inspiring virtuous exertions, as a title or star; but it unfortunately 
happens that as the indulgences are attended with a perquisite to 
the Governor, the distribution is chiefly made for the purpose of 
obtaining it. 

Tho’ the soil and climate of this island is capable of affording 
every thing necessary for the support and even luxury of the in- 
habitants, whether it arises from their natural indolence and aver- 
sion to labour, or any other cause, but there is not a sufficient 
quantity of food, particularly meat, for the maintenance of the 
garrison and inhabitants. There are neither cattle bred among them 
nor rice or any other grain cultivated, nor is there a manufacture 
of any other sort established; but for all their rice and other 
articles of food, except sago and fish, and all their wearing apparel, 
they are entirely dependant on Java, on which account the annual 
ship carries out a great quantity of all these articles, which are 
sold to considerable advantage. 

Sago is the chief food of all the inhabitants, the consumption 
of rice being trifling in comparison with it; and under the re- 
sident of Hila! on the coast of Ceram there are several doussons 
of sago-trees, which are very exactly numbered and sold every 
year, to the advantage of the Company. For this purpose, there is 
a serjeants party kept at Loehoe and another small post at Lockay ? 
under him. This serjeant takes a regular account of the number 
and state of the trees every year, and gives orders in writing to - 
any persons who apply and pay the money for any number of 
trees, they choose to cut; they can not however go indiscriminately 
to any part they like, but to the particularly dousson, whose trees 
are at the time open for sale: not more than two doussons being 
open at the same time. The following is the last return sent in of 
the state of those doussons..... 8 


1 Is dit niet een vergissing? Vgl. noot 2 op bldz. 322. 

3 Loki op Klein-Ceram. 

s Ik vind niet noodig, deze lijst op te nemen. Er waren in het geheel 
13.042 van deze sago-boomen, nl. 2965 van de 1** soort (één rijksdaalder), 


328 DE VEROVERING VAN’ BANDA EN AMBON IN 1796. 


One good sago-tree, which is bought for 1 rd*, when cut down 
and the pith taken out and prepared, yields about 60 measures, 
of rather better than 2 gull™(?) each of very fine sago-flour, which 
will subsist, with the aid of a little fish, a family of 10 persons 
for an entire month. This flour they will either bake into bread, 
which the sailors preferred to rice, or boil into a jelly, but they 
do not understand the art of granulating it at Amboina or the 
adjoining islands. Fish is their next article of subsistance, which 
is in general not so good to a European palate as that to be met 
with in most other countries, being very strong and rank, but 
being plenty, is universally made use of among the natives. The 
water being of a great depth and remarkably transparent, the only — 
time for fishing, with certain success, is at night, by the light of 
torches, when the fish are attracted to the surface, and then easily 
caught; it is the same at Banda and among all these islands. 
There is no such thing to be got here as ghee, ' but to the poor 
cocoanut-oil supplies the place of it, and the rich make use of the 
canary-oil, in the same way, which when fresh made is as sweet 
as the finest Florence oil. 

In consequence of this dependent state of the island, the residents 
of the provinces and the officers commanding all the outposts 
carry on a very lucrative commerce with the people under their 
authority ; particularly the residents of Saparoua, Hila and 
Haroekoe. They get from the Company's annual supply such 
articles as are most in demand among the natives, particularly the 
cloths, which they sell them, at whatever price they think proper 
to ask; and also occasionally supply them with small loans of 
money ; for all this, as the payment of the spices comes thro’ their 
hands, they are sure to re-emburse themselves. This at different 
times must fall very heavy on the natives, and from an order of 
government, prohibiting the residents from stopping, on account 
of debts due to them, more than two thirds of the amount of 
their spice-money, it may be fairly presumed, that it has freequently 
been exceeded, and perhaps the whole amount of it engrossed in 
this way. These supplies are nevertheless very necessary to the 
wants and convenience of the inhabitants, for all foreign commerce 


649 van de 2% (36 stuivers), 472 van de 3% soort (24 stuivers) en 8875 
jonge boomen. 
! Ghee, een soort boter (Vgl. Hobson-Jobson, p. 282, f.). 


DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 320 


being forbid, without them they must one half of them starve 
and all go naked. But were these supplies under proper manage- 
ment and regulation, they might not only become a great comfort 
to the inhabitants, but a source of profit to the Company, by 
simply establishing factories at the different residencies and posts 
for the sale of such goods as are in general estimation there, for 
which a regular profit of 50 percent might always be depended on, 
which the inhabitants would gladly pay, provided a positive 
restriction was put on further exaction, by publishing at each 
place the fixed price of each article. | 

This trade, as it now stands, is carried on by the resident of 
Saparoua not only to the inhabitants of the two islands under his 
charge, but along a great extent of coast on the South-side of 
Ceram, as likewise by the residents of Haroekoe and Hila, from 
whence their chief returns are in sago and money. 

Among the productions of the island indigo of the finest colour 
possible is produced, it is said, in small quantities, but has been 
discountenanced, it is said, from an apprehension of its interfering 
with that produced in the West Indies; but I rather imagine 
from a wish to prevent the people growing rich by any manufac- 
ture, which might render them independent. 

Sugar grows here extremely well and very cheap, but no field 
has hitherto opened to encourage the manufacture of it. Coffee is 
found here in great perfection and, if sufficiently attended to, 
might equal the best from Mocha. Upon the beautiful heights in 
the neighbourhood of Amboina town, wheat could be cultivated to 
great advantage, both the soil and climate being extremely well 
adapted to it. Maize already grows in great perfection, and the 
dry or mountain-rice is known here, but little attented to. The 
bread-fruit-tree is quite common, but only made: use of by the 
lowest order of the people. The chocolate-cocoa-tree grows very well, 
but the cultivation neglected. There is a great variety of fruit.... 

Nutmeg-trees have been for many years absolutety forbid in 
Amboina, as much as cloves are now in all other places, but Am- 
boina; but about 11 years ago, finding the produce of Banda 
very inadequate to the quantity wanted, and perhaps from a hope 
of establishing the entire cultivation at Amboina (which if effected 
would render the establishment of Banda unnecessary, and is by no 
means a speculative undertaking, but would answer extremely 


well and might be effected entirely in 15 or 20: years at the 
7 Volgr. VI. 22 


330 DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 


utmost), they not only permitted but encouraged them at a price 
much above that paid at Banda, giving a premium of 1: rd* for 
every hundred, with the mace on. For this reason the chief inhabi- 
tants of the Leytimor side agreed to cultivate at first 10.000 trees, but 
notwithstanding this, there are not above half that number now in 
the island. Of vegetables there might be the greatest variety and the 
finest quality: excellent roots of all sorts thrive astonishingly ; the 
different kinds of yams and sweet potatoes excelling in a great 
degree, and latterly the circulation of more money than usual among 
the people considerably encreased the quantity brought to market. 

Of wild animals the variety is not great, the chief being deer 
and wild hogs, none of a dangerous nature; but when it is consi- 
dered, that owing to a want of attention and care there are no 
sheep in the island, beyond a few for curiosity, no cattle for 
tilling the ground, nor cows enough to furnish milk and butter 
for even the gentry of the town, the indolence of the Dutch 
appears greater and more extraordinary than that of the Malays.... 

Tt is said by many that the mountains of this island contain 
gold-mines; whether they do or not, there are none worked. 

The government of Amboina is managed by a governor and Council, 
and four others, whose salaries are very small, but they have many 
perquisites, of which the principal is that already stated of 20 percent 
on the weight of the cloves. The administration of justitie is carried 
on in matters of small concern by the fiscaal, who cannot extend 
his punishment beyond confinement and whipping and some small 
fines, tho’ there is generally conceived such a terror of his executive 
power, that those, who are summoned before him, are glad to go 
to the full extent of their means', to moderate his severity and 
procure their enlargement. In the different niggeries the regents 
with the assistance of their elders of the first and second class are em- 
powered to settle small disputes amongst the inhabitants; from 
their decision an appeal lies to the Landcouncil, which is a court 
composed of 6 of the principal persons of the settlement and 14 
regents who sit with them. But in affairs of great importance and 
criminal causes, the Council of justice alone are competent to determine; 
at this the second in Council presides and there [are] seven members 
altogether, besides the secretary. Their proceedings seem to load ex- 


'Ik laat natuurlijk deze en dergelijke beweringen voor rekening van den 
schrijver van het stuk. 


DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 331 


pence on the persons who come before them, like all other courts 
of law, tho’ they have no lawyers. But the secretary of justice 
answers the same end; supplying forms of all kinds for both pro- 
secution and defence and stamps, the prices of which are proporti- 
oned to the nature of the proceeding and magnitude of the cause. 
The fines of citations and all other fines are said to be divided 
between the court and charitable purposes; but in the accounts of 
the orphan-society and church-fund, there is no mention made of 
any sum received from the Court of justice, ! so that, if they are 
charitable, they have the additional merit of bestowing their bounty 
in the most private manner. The prices of all stamps are paid 
into the treasury, but the client is obliged to pay in addition a 
fee to the Secretary, which is generally greater than the stamp itself. 
In cases of condemnation no sentence can be put in force without 
the sanction of the Governor, who can always counteract their decrees 
on the side of mercy. 

As well forms of law as all other forms whatever and even 
passes to go from one district to another with any article of trade 
are subject to taxation by stamps and seals. The prices of these are 
always carried to the Company's credit and lodged in the treasury, 
such as for the stamps and seals of commissions to the regents and 
other appointments; but the extra fees in the Secretarys and other 
offices are always the better half! of the sum paid. 

The taxes and revenues of this government in the time of the 
Dutch were but few and some of them not very commendable; the 
annual amount as let in September 1795 is as follows. 


rd: 
The priviledge of selling arrack per ann. . . . . . . 5,590 
Import- and export-duties . . . . . . . . . © « 5,530 
Gaming-tax. . . . 2. 2... 2 ew we ee he 1,196 
Bazar do ..... . 2. « ee we ee 1,710 
Capitation-tax on the Chinese. . . . . . . . . . 512 
For slaughtering pork . . . . . . 1... 250 
Tavern duty 26 





Total . . . 14,814 
Of these perhaps the only taxes of real benifit are the taxes on 
arrack and gaming. 


1 Ik laat natuurlijk deze en dergelijke beweringen voor rekening van den 
schrijver van het stuk. 


332 DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 


There is no rent levied from the soil, beyond the monopoly of 
its most valuable produce at a very low price, but the inhabitants 
are bound in a variety of duties to government, the chief of which 
is attending the Governor in his annual circuit round the provinces 
and their dependancies. This circuit, called the hongy-expedition, is 
performed by the Governor attended by a detatchment of troops and 
such of the gentlemen -of the settlement as he wishes. He is attended 
by a great number of orembays, furnished and manned by the different 
regents of those niggeries, bound to attend him according to the regula- 
tions and instructions given to them at their appointment, and now 
confirmed by the custom and practice of many successive generations. 
The Governor issues the hongy-placard in the beginning of October 
and on the 18" he embarks, attended by all those of the niggeries 
under the chief fort and proceeds first to Hila, where he is joined 
by all those of that residency and Larique. He then goes on round 
all the provinces and outposts, encreasing his train untill his return. 
The object of this expedition is to impress strongly on the minds 
of the people the power and magnificence of the Dutch nation, 
to enforce the decree of cutting down all the clove-trees that might 
shoot up in any other places but the daties, to receive complaints 
and redress grievances. This expedition was formerly made in large 
corracorras, but as there were attended by a very heavy expence, 
they were about 21 years ago reduced to orembays, which are 
much lighter and more easily managed. But even these are a 
dreadfull tax on the people, and after all it is but a meer parade 
and is of scarce any real utility. From it however the Governor 
draws a considerable perquisite, for it is a regular established fee, 
that such of the regents, as wish to be excused, pay him rds 100 
for the exemption, and for this the residents at the outstations 
become immediately responsible on the part of such of the regents 
under their jurisdiction, as wish to be excused from attending. In 
the following code of instructions are set forth the particular du- 
ties, which the inhabitants are bound to fulfill as well with regard 
to the hongy-expedition, as all other services whatsoever. 


Translation of the instructions to regulate the conduct of 
all rajahs, patties and orankaios throughout the provinces 
and dependancies of Amboina. 


Article 1%. It is incumbent on all rajahs, patties and orankaios 
under the high authority of government, to rule their subjects 


DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 833 


with lenity and humanity, abstaining from all exactions and cruelty. 
They must admonish and animate them to the performance of their 
duty, check all irregularity of conduct and take care to acquaint 
the Governor with every circumstance of importance, that may 
require his decision or that of the Land-council. 

Article 2d. Those of the regents, who profess Christianity, shall 
take care that the exercise of the Christian religion be strictly ob- 
served and diligently propagated. They themselves and their families, 
the orang tuas and elders of the 24 and 3 class must for this pur- 
pose shew good example, by frequenting public worship, keeping 
their youth at school and preventing every kind of superstition 
and idolatry. They are likewise obliged to prevent all hatefull dis- 
putes between their people and those who profess other religions 
different from their own; and for this purpose at places where 
Christians and Mahometans live tugether, each of them shall exercise 
his own worship without disturbing the other. | 

Article 34. The Mahometan people are particularly enjoined, not 
to molest the Christians, and the casizies or priests, moreover, 
shall cautiously avoid teaching Mahometan precepts to Christians, 
or building mosques in places inhabited by Christians, on the cus- 
tomary penalties. ! 

4th, No Mahometan is permitted to marry a Christian woman, 
nor can a Christian take a Mahometan. woman to wife. The same 
prohibition extends even to concubinage. 

5th, The regents are ordered not to exact any other duty from 
their people beyond what they are authorized by custom to do; in 
consequence of which each of the three principal rajahs shall 
dispose of 5 quartoes or servants, more or less from each niggery 
in proportion to its population, and if (P) the quartoes are relieved 
monthly. Those regents, who have more than one niggery under 
their authority, may from each take quartoes, but by no means to 
exceed the regulated proportion without the express permission of 
Governor or Council. 

6, To each of the three principal rajahs moroever shall be allowed 
two tyfadores or toddymen, one tanassy or fisherman, and two 
people to carry dammers or torches to attend them to evening- 
prayers. 


1 Hierbij is de volgende noot in het handschrift geplaatst : 
The usual punishment for this offence is a fine and whipping with the 
gabba-gabba or green branch of the sagoe-tree, which is very severe. 


334 DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 


7'", Every regent is obliged to see that their quartoes are exact 
in the performance of their several duties, and carefull to prevent 
the least neglect whatever. For this purpose, two or more families 
of their quartoes shall not live together in one house, so as to pass 
for one family, but each quartoe must live with his wife and 
children in his own separate dwellinghouse and each daty must 
perform the duties laid upon it under pain of severe punishment. 

8th. To prevent the niggeries being deserted by the quartoes in 
order to free themselves from the performance of their respective 
duties, the regents must be careful that none of their people quit 
their niggeries and pass over the other districts or take service 
with Europeans as morits' or slaves, before they are qualified to 
do so by a writ of permission from the Governor at the chief fort 
or the residents at the provinces to which they belong. 

9th, No houses shall for the same reasons be tolerated in the 
woods, but at the time of gathering the cloves, when small sheds 
may be erected for the accommodation of the collectors, which are 
to be demolished immediately when that business is finished; larger 
houses, which are found beyond the bounds of the niggeries, must be 
burned down; and those rajahs, patties and orankaios, who shall 
neglect to give due information thereof, shall be deprived of their 
office and banished out of the province for life. 

10. The usual duties imposed on the different niggeries consist from 
time immemorial in repairing the redoubts and doing every thing 
else that concerns the public good ; as, in bringing and keeping in 
readiness the rowing orembays, which are required one from each 
niggery ; in constant attention to the spices; and in supplying 
persons to transport the residents to and from their stations, when 
necessary business requires their attendance. They must also attend 
upon and execute the orders of the commissioners who inspect the 
cloves ; procure gabbagabba and attap (or thatch), to cover the ships 
and other vessels that are sent hither to take in cloves. They are 
also obliged to procure materials for the daily works, at the taxe 
of 1: stiver and 1: pound of rice to each man per day. 

11, The inhabitants of Manipa are obliged to contract (February 
17% 1622)? to build and repair the redoubts and to procure lime, 


1 „Morits rather signifies covenanted apprentices, or conditional slaves 
for a limited term”. 

* Dit contract van 15 (niet: 17) Februari 1622 is opgenomen in mijn 
Corpus Diplomaticum, I, bldz. 175, v. v. ' 


DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 335 


bricks, timber and workmen, without any allowance whatever being 
made to them for it. 

12th, The niggeries of this main fort, to the number of 8, must 
furnish in their turn, two at a time, sixty quartoes monthly 
between them: viz' Keelang and Hema; Zoya and Lutoehalat; ' 
Hatoe and Halang; ? Noessanive and Murdika. * They must more- 
over send 5 extra quartoes each, when at any time required for 
ships loading and unloading, from the niggeries of Alang, Lilleboy, 
the Pass, * Soely, Way * and Great Hoetoemoery. 

13, At the different posts and out-settlements the number of 
quartoes to be furnished is stated in the following proportion, viz': 


Baguala pass. . . . 10 Post Hoorn. . . . 4 
Namakoly post . . . 8 Larique . . . . . 18 


Hoetoemoery . . . . 4 Labay. . . . .. 2 
Hila. . . … . ..1M1 Tapisbay. . . . . 2 
Loehoe. . . . . . 10 Post of the Ceries. . 2 
Hitoelama . . . . . 10 Bouro. . . . . . 10 
Niggory Lama . . . 2 Amblauw. . . . . 4 
Saparoua . . . . … 17 Manipa . . .. . 10 
Noessalaut. . . . . 6 Saway. . .. . . 4 
Portoo. . . .. . 10 Keelang . . |... 48 
Haroekoe ... . . . 18 


14%, The niggeries adjoining this main fort, viz' Hatoe, Lille- 
boy, Alang, Waccassieuw, Larique and Oery,? must, on the 
arrival of a ship from Batavia, have in readiness good strong 
orembays, manned with 25 or 80 rowers, and at the first signal 
of a gun from Alang giving notice, that such ships are in sight, 
immediately attend the serjeant, who superintends the Companys 


1 Latoehalat. 

3 Alang. 

8 Mardika. 

* Paso (van Bagoeala). 

5 Soeli, Wai. 

6 Deze plaatsnamen zijn voor een deel voldoende bekend en komen op de 
meeste kaarten voor. De post Namakali ligt bij Alang (Valentijn, Amboina, 
a., bldz. 115); Hoetoemoeri ligt op Lei-Timor (t.a.p., bldz. 117); Niggory 
Lama moet misschien zijn Lima; Post Hoorn lag op Haroekoe; Labai, op 
Boeroe???, Tapisbaai, bij Larika? (vgl. Valentijns kaart van De Landvoogdy 
van Amboina); „Post of the Ceries’’? 

7 Oering. 


336 DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 


slaves, and go in company to tow them in and save them from 
danger. 
15". The following native regents adjoining this main fort, vizt: 


Noessanive. . . . Latoehalat 

Keelang . .. . Ema . . 2. we 
Zoya. . . . . . Gnatahoedy of Mardika 
Great Hative. . . Great Hoetoemoery, and 
Halong. . . . . Zoely . 


must, according to their promise formerly made, continue to 
procure the firewood necessary for the bricks and tyle-kilns, at 
usual price of thirteen rixdollars the steeple of six fathoms long, 
one fathom broad and ten feet high, which money is to be divided 
amongst those, who cut the wood and delivered the same, without 
the least deduction by the regents. 

16, The regents of Alang, Way, Toelehoe, Tengatenga and 
Tial, who at the before mentioned period had agreed to furnish 
nanny piles ' for the construction and repair of the peer head, 
are still to be kept to that duty. 

17%, At any time the Company may want lime for the use of 
the fortifications or buildings, the regents on the first demand 
must without delay or neglect provide and send the same to the 
main fort, vizt from each daty of their districts three measures 
at the old price of 6 d™ pt last. 

18, Those of Bouro and other places, where timber may be had, 
are bound to furnish it the following rates, viz: | 


One Amboina beam . . . . . . . rd. 1.— 


D° of covassa wood . . .......—.6 
An oar . eee eB 
Nanny pili. . >. 2. . . wh COQ 
Hand-spike. . . . . . . . . 1 8 
Pole . 2. 2. 1 we ee 
Lassy-wood for stocks of guns. . . . . . 1.28 
Iron-wood one foot diameter . . . . . . 1.24 
Anchorstock. . . . . een 


Swalop or large beam of lassy . . . . . 1.24 


1 „A remarkable strong and durable timber and wel adapted to this 
purpose.” 


DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 337 


19'", Large timbers are to be paid for in proportion; they must be 
brought in, whether from a small or great distance, amongst the woods. 

20%. As the governors of Amboina yearly perform the hongy- 
voyage or expedition with a fleet of corracorras, so the same must 
assemble from every niggery, and the rajahs, patties and orankaios 
must attend in person at the main fort on the 18 of October, 
without making any excuse whatsoever, except in case of sickness, 
when they must send some other person in their stead, after having 
made the Governor acquainted therewith. 

In the year 1781, Septt. 28, an order was issued at Batavia to 
lessen the expence of the hongy-expedition to the natives, which before 
this time was performed in corracorras, which were large boats, requiring 
80 or 90 men and very liable to accidents in gales of wind. The 21" 
article therefore was at that time altered and now stands as follows. 

21%. Notwithstanding the High Regency of India had judged the 
yearly hongy-expedition to be too expensive and heavy for the 
greater part of the so much depopulated districts of Amboina to 
bear, and notwithstanding the General and Council have considered 
the corracorras to be unfit for the purpose in bad weather, whereby 
many of them have foundered, nevertheless it is ordered by the 
said High Regency, that these be kept on foot and maintained by 
Manipa and Bonoa. | 

Bonoa: the admiral corracorras of 4 nadjoes ' (or banks of oars), 
manned by at least 60 massanaijoes * or rowers, exclusive of 
the natoes (helmsmen or quartermasters). 

Under fort Victoria: 

Gnatahoedie: the fore-sailor or cap laut. 3 

Hoetoemorry , as a reserve and to be prepared with fishing 

Alang utensils to supply the Governors table with 
and Lilleboy fish. 

All these four corrracorras must be of three nadjoes and man- 
ned by 50 rowers besides the natoes. 

In future instead of the remaining corracorras for the hongy- 
expedition, there must be kept in readiness and entertained good 
strong orembays with sails and rudders to have the lenght of 
50 or 55 feet and from 12 to 18 breadth, vizt: 

Under the main fort: 





1 Ngadjoe. 
* Vgl. Van Hoévell, Ambonsch-Maleisch, bldz. 21, sub voce: masnait. 
® Kapitein laoet: zeekapitein, admiraal, vlootvoogd. 


338 DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 


Noessanive and its subordinates . . . . . . One orembay 
Kelang and. . . . d° . . . … =. +. +. . One d° 
Zoya . . .... dd... . . . . . One d° 
Great Hative . . . d® ...... +. «. One d° 
Ema . . de. . . . w]e One d° 
Latoehalat . . . . d° . . . . . … «… … One de 
Baguala . . . 2... 1. ee we _« One d° 
Soely . 2. 2. 6 2 2 ee ee ee ew ee One de 


Way … eee ee ee eee SIX d° 
Under the residency of Hila . . . . . . +. . One d° 
Piroe and Tanoenoe! .... . . =. +. +. +. One d° 
The residency of Saparoua. . . . .. =. … … Ten de 
On Noessalaut. . . . ee ee. … … Four de 
The outward-coast of Ceram ee eee « Nine d° 
The establishment of Haroekoe . . . Four de - 


Komony, Cuy- ) are long since excnsed ; instead of this they yearly 
lolo, Catauw,s must give two fishing-nets for the use of the 
Pilauw? . .) Governor and hongy. 

The inner-coast of Ceram . . . . . . % +. Three orembays 
The residency of Larique. . . . . . . . . Four d° 
Bouro. . . rr Two d° 
The island of Amblauw eee ee Two d° 
Manipa ........ +... =.=. . Three d° 
Zaway. . . 5. . . Two d° 


"All which hongy-orembays 1 must tbe properly provided with sails 
and rudders and manned with not less than 30 rowers, besides 
the natoe, without any allowance, except to the black chiefs of 
the vessels who are present, each of whom is to receive lbs 80 of 
rice, 12 cans of arrack and lbs 12 of salt-beef or pork. The Ma- 
hometan chiefs to receive 1} rixd™ in place of the latter article, 
according to the usual custom. 

224. Kach corracorra of 4 nadjoes must be 90 feet long and 
9 astas or cubits broad (134 feet); those of 3 nadjoes must 
be 84 feet long and of the same breadth as the former, on pain 
of confiscation of the same, if found under the said dementions, 
besides the fine of 50 rd*; and every rower shall be fined one rix- 
dollar. 


1! Piroe en Tanoenoe, op West-Ceram. 
? Kailolo, Kabaoe, Pilao op het eiland Haroekoe. Komony is mij onbekend. 


DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 339 


234. The chief of the Ambinese must conduct themselves accor- 
ding to the hongy-placard, which the people are always made 
acquainted with, before the departure of the fleet, in the Malay 
language. 

24th, The rajahs, patties and orankaios under the main fort, who 
want to build new corracarros, must previously advertise the Governor 
thereof, and also‘those of the. subordinate stations their residents, 
under the penalty of rd® 25, to be paid from their private property, 
for such neglect. 

25th, Those who dwell at Hoekoenaloe, or the Three houses, being 
for a long while exempted from the hongy-voyage, on condition that 
they should transport the Companys servants from that place to 
Hitaliuma and convey light goods and letters back and forward 
by land, are still bound diligently to perform that duty. 

26th. The respective regents must be ready and keep their orem- 
bays ready for a cruise, whenever they may be ordered either by 
the Governor alone or with the Council. Each of these orembays 
must be manned with at least 30 massanays besides the 
natoes; all must be provided with good victuals, sail and 
rudder, after the old way, and at the expence of the several 
districts. But when on a cruise an orembay should perish either 
by tempest or other accident, the same shall be made good by the 
payment of rd*. 50 to the owners, according to the gracious con- 
cession of the High Regency, explained by letter 15'* December 1777. 

(The next article was altered from the old instructions by an 
act of government, 28" September 1781). 

27th, Particular notice of every thing that may be resolved on 
by the residents of the different provinces, the rajahs, patties and 
orankaios must be taken in writing and sent to the Governor for 
his information. 

28th, The respective chiefs of the subordinate stations, being 
qualified to hear and determine all small disputes, that may arise 
about limits, doussons, or lands, about pulling down sagoe trees, 
plundering fruit, and such like matters, they must do the same in 
presence of the regents and two or three impartial people of the 
district at which the dispute happened, reserving to the defendant 
the freedom of appeal from the sentence passed to the Land-council 
here. But these decisions may not be extended to causes, which 
appear at all criminal or any that may exceed rd* 50, which must 
be brought before the Bench of justice and decided there. 


340 DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 


29th. At the said assemblies no person shall be promoted to be 
a second or third vote or be a capalla soa or alderman without 
a special licence from the Governor, to whom must he presented 
the most considerable and able persons to fill the vacancy ; without 
which the person so appointed shall be liable to immediate removal. 

30. The regents of the inner-coast of Ceram, belonging to the 
residency of Saparoua, are not permitted to hold -assemblies for the 
above purposes without being duly qualified bij the Governor and 
Council, who may send commissaries to assist at those meetings, if 
necessary for the quiet of the natives on the coast of Ceram, under 
pain of suffering the same punishment, usually inflicted for such 
offences. | 

31%. Whenever the rajahs, patties and orankaios wish to write 
to the High Regency of Batavia, they must send their letters under 
an open cover to the Governor, under pain of being punished as 
the nature of te cirumstances shall require. 

824. Those among the bangsas or people of rank, who from birth 
or relationschip shall aspire to the succession of a regency, whether 
rajah, patty or orankaios, vacated by death or otherwise, must 
produce a claim to such distinction before the Council of govern- 
ment and prefer their request, having previously shown it to the 
Governor alone, after which the nearest related and the ablest 
shall be nominated to succeed. 

834. The following regulations must be accurately observed by 
the regents concerning the culture of cloves. 

A. They shall principally take care that the cloves may not be 
sprinkled with salt water or dried over a smoaky fire on any 
pretext whatever. 

B. That each daty if possible shall be kept to the number of 
140 : trees, according to the established order. 

C. That at any time the Company shall choose to have the trees 
augmented or diminished from the above number, they shall be 
immediately complied with upon order. 

D. That the cloves being ripe shall be forthwith gathered ere 
they become polongs. ! 





1 Polongs or mother-cloves are the fruit in its full growth, which is then 
fit for seed. Since the above orders were first issued, the Dutch Company 
have encouraged the cultivation of nutmegs in Amboina and have agreed 
with the principal regents to cultivate 10,000: trees and give a reward of 
1 rixdollar for every hundred nutmegs produced with the mace on. 


DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 841 


K. That every nutmeg-tree wherever discovered be torn down and 
the stumps cut across, to distroy the growth of these aromatic trees. 

F. That the clove-trees shall be kept from all wild and dirty 
plants which may surround them, in order first to hinder the trees 
from being too much choaked by them and next to prevent those 
wild plants taking fire and thereby consuming the clove-trees, 
as was experienced some time ago at Alang, Lilleboy and Haloe, 
where a considerable quantity of spice-trees were lost by that 
accident. 

G. To guard against the like accident as much as possible, every 
one is recommended to order in his own niggery, that no body 
at night go round with cumming (torches) or throw them away 
imprudently in the forests, or set fire to the long grass. Any per- 
son so offending shall be punished properly. 

H. When cloves are to be embarked, there must be lamps kept 
burning in the transport-vessels, as long as the delivery thereof 
continues. 

J. The natives of the isle of Noessalaut shall not be permitted 
to transport cloves to Saparoua to be weighed there, but under 
the superintendance and inspection of the regents of the niggery, 
where they have been gathered, and under a pass from the officer 
commanding the redoubt Beverwick (on the island of Noessalaut.) 

K. Nobody during the time the cloves are gathering shall pass 
from one district to another upon any pretence whatever. 

L. From the weight of the cloves must, in consequence of the 
established order, be deducted 20 percent, without any contra- 
diction. 

M. The barrot- or hassel-money shall continue to be:paid and 
divided in the old established way in favor of the regents, the 
head of the Mardykes and the elders or capalla soas of the 
niggeries. 

34'", The datties must always be kept at the stated number, 
and at the death of a daty-keeper the Land-council or resident, 
where he happens to die, must be informed thereof, that at the 
first opportunity the vacancy may be instantly filled. 

35%, It having been hitherto usual that during the gathering 
season the regents have employed their subjects two days a 
week to gather their own cloves, the same custom shall still be 
continued. 

36", The island chiefs are every where obliged to repair and 


342 DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 


build up a new the churches and school-houses, as may be found 
necessary in their niggeries, at the expence of their common cash, 
and never at that of the Company. 

37th. They are likewise obliged to provide houses for themselves 
at the expence of the niggeries and to keep them in a good con- 
dition; but intending to renew them, the Governor must be acquain- 
ted therewith and applied to for permission, also the residents in 
like manner at the out-settlements. . 

88th, The regents are moreover bound by their duty to watch © 
and guard against all trade or alienation of spices in order that 
they may not be transported to other places, neither the young trees 
or plants; no trafficking of them for other things wil be tolerated, 
on penalty of death and confiscation of the goods of the person 
guilty of such an offence. 

39, Perpetual banishment, confiscation of goods and incapacity 
of their children or kindred to succeed to any regency, will be the 
punishment of those rajahs, patties and orankaios, who shall admit 
vessels, whether belonging to the natives of Ceram, to Burghers, 
Mardykes, Chinese or to any foreigners whatsoever, into their 
inhams, ' bays, creeks or rivers, without laying an embargo on 
them or bringing them up to the next establishment or post, when not 
provided with a pass from the Governor or chiefs of the provinces. 

40th. Whenever it shall happen that foreigners, English, French, 
Portuguese or Spaniards, shall come and present themselves with 
their ships under these dominions and cast anchor near any district 
of the regents, it shall be the task of these, according to the oath 
of fidelity sworn to the Company, to refuse admittance to those 
strangers and to interdict every supply to, and all commerce or corres- 
pondence with them, not even permitting them on any pretence to land. 

41%, In consequence of wich the regents are most positivily 
warned not to pass to or from the foreign ships and not to drive 
any trade with them nor permit their subjects to do so. 

424, But if those foreigners should by force try a landing and 
be repulsed, he that may have most distinguished himself thereby , 
shall be recompensed for his fidelity; when on the other hand, he, 
who may have shown any complaisance on what reason so ever, 
shall be openly treated as a faithless subject to the Company, and 


' Het Nederlandsche woord: inhammen. In een noot staat „villages naer 
the sea”. 


DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 343 


be punished; chiefly those, who may have sold spices even in the 
smallest quantity or who may have shown places where plants may 
be got. 

484, The regents in general are further bound to hinder with all 
their power and take care, that none of their subjects for the sake 
of debts do pawn his body or take money to serve his creditor, 
as is prohibited by placard June 28 1770. 

44%, They must in the same manner observe and cause to be 
observed the placard of August 31% 1770, prohibiting the engaging 
or alienating of daty, doussons and plantations called fatanamangs. 

45th, The rajahs, patties and orankaios must likewise be attentive 
that according to the orders from the general and council of Bata- 
via, their subjects do not travel to Batavia or elsewhere out of the 
neighbourhood of their provinces, tho’ they may make use of the 
freedom, formerly granted them of visiting their friends in the neigh- 
bouring districts or the establishments belonging to government to 
transact business, such as buying sagoe, bread, tobacco et, for a time 
limited by the regents, except at the period the cloves are gathering, 
when navigation to the inner-coast of Ceram alone remains free 
for buying sagoe, and that only on condition that several vessels 
go together under one regeuts, and under due pass from the Gover- 
nor or their respective residents. 

46th, No regent or private person is allowed to chase or shoot | 
deer, either in Amboina or the provinces, without first having 
obtained permission so to do, either from the Governor or from the 
resident of the province. 

47", The regents are likewise bound to report, pursue and appre- 
hend . all deserters, vagabonds and fugitive slaves, who may con- 
ceal themselves within their districts. 

48, The regents of the respective niggeries, upon the discovery 
of persons troubled with the leprosy or any other contagious 
disorders, must give immediate information of the same, and by 
no means suffer such wretched persons to remain concealed within 
their districts. 

49th, The respective regents must cautiously avoid making im- 
proper requests, and the principal rajahs, of Noessanive, Keelang 
and Zova, must likewise avoid debauching one another subjects, on 
pain of being considered as disturbers of the public peace and 
being deposed from their regencies. 

50, All regents are hereby most seriously ordered and recom- 


344 DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 


mended to observe punctually the foregoing orders and instructions, 
and cause them to be observed by the people under their commands, 
without any connivance or evasion whatever; but to conduct them- 
selves like obedient and faithfull subjects to the Company, as they 
are bound upon oath to obey all such orders as are issued in their 
name and by their authority without contradiction or delay. 
Actum at Amboina in the castle of New 
Victoria, January 11% 1771, 
(signed) A. vaN DER Voort. 


From a view of the foregoing code of regulations and instructions, 
issued 25 years ago, in which not only reference is had to acts 
and agreements entered into 150 years before, but many of them 
actually continued from that date; from the constant discourage- 
ment of cultivation, manufacture and improvement of any sort, that 
might enable the people to supply their own wants, by which they 
were kept down in a state of wretched poverty and dependance, 
even for the necessaries of life, which have progressively encreased 
in their value without a proportionate compensation made either 
for their labour or the produce of the soil; from a consideration of 
a great decrease of wealth and population universally allowed and 
which may be plainly observed to ‘have happened of late years, the 
necessary consequence of such discouraging circumstances; and 
lastly, from a reflection on the common justice, due to a large 
body of people who are willing to become peaceable and faithfull 
subjects, it appears to be the plain suggestion of humanity as well 
as good policy, in order to promote the proper management and 
internal prosperity of this settlement, to remit considerably from 
the severity of the duties and services, in which the people of 
Amboina have been hithertho bound, and from which their natural 
impatience took advantage of the first change of affairs upon the 
arrival of the English, to break forth in sudden and active endea- 
vours to free themselves. ! 

The * following propositions therefore are stated with a view 
towards alleviating the oppressions, under which the natives live 
and, without abandoning the sole right of their spices upon the 
principle of a decided monopoly, ? to afford them such indulgences 


1 Wat niet klopt met wat het journaal hiervóór vertelt. 
2 Waar blijven de vrijzinnige denkbeelden der Engelschen op dit punt? 


DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 345 


as may content their minds and make them willingly submit to a 
government, that will amply provide for their wants in the most 
reasonable manner, hold out every encouragement to promote industry 
and arts among them, protect them from the plunder and invasion 
of pirates and establish the general improvements, most likely 
to contribute to the internal police and happiness of these provinces. 

To a people, not only acknowledged to be free, but who havea 
very high idea of liberty, few things are considered more oppressive 
than being obliged to give their labour and the produce of their 
industry at rates unreasonably low. It is therefore evident, that one 
of the first steps towards establishing content in their minds and 
thereby laying the foundation of a peaceable government, would 
be to free them from all exacted labour at the old stipulated rates, 
which, tho’ confirmed by the custom of many years, is nevertheless 
borne in complaint and only submitted to from the apprehension 
of force. A liberal hire therefore, bearing a due proportion to the 
prices of provisions and other necessaries of life, should be in all 
cases allowed. But least overturning old established customs might 
hurry a people, liable to be led into extravagancies, into the op- 
posite extreme (an absolute refusal of all labour whatever), the in- 
dulgence of a just hire should be compounded with the precise and 
indispensable obligation to furnish proportionate numbers of work- 
men from the different districts, according to their population, 
whenever the necessity of government might require it. 

From the same reasons the price of the spices should be increased, 
so as to re-imburse the cultivator for his trouble and make the care 
of the trees and the produce thereof an object of willing attention, 
and not, as it is at present, of exacted duty. At the same time the 
obligation to deliver in the whole of the produce ', and the absolute 
prohibition against smuggling should be continued in full force. 
For this purpose it is imagined, that by raising the price from 
what it is at present, while subject to the deduction of 20 procent, ? 
something below 4 pence, to 6 pence per pound, without that deduction, 
would be sufficient. The barrot- or hassil-money, in favor of the 
rajahs anil elders, might however be continued, being necessary to 


1 Waar bleven de vrijzinnige denkbeelden der Engelschen op dit punt? 

3 Hier staat in het handschrift met potlood aangeteekend: 

„Vide page, 147. As the bahar of 550 lbs, subject to 20 pCt. allowance and 
deliverable in Dutch w', is equal to 748 lb. English, it is below 3¢} the Ib. 
English that the natives deliver their cloves to the C°” e 

7 Volgr. VI. 23 


346 DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 


their support, an acknowledgement of their authority and in all 
cases considered as a willing act of the people themselves. 

The mountains and woods, which are impenetrable to a regular 
force, hold out a constant and secure retreat to disorderly and ill 
affected people; it appears therefore to be a measure mosi likely to 
strengthen the hands of government and facilitate the execution of 
the laws, to open easy communications by good roads thro’ all 
parts of the country, at the same time marking out the true limits 
and boundaries of each district, a measure most unaccountably neglected 
by the Dutch, and therefore now the more laborious and expensive. 
However the direction once traced, each district should be bound 
to complete its own roads and at the same time might be allowed 
a certain sum in proportion to the trouble attending it, which a 
trial might soon reconcile and an agreement be made beforehand. 

The dependent state of these islands at present renders. it an 
object of great importance to give every encouragement to cultiva- 
tion; for this purpose it might be necessary at first to give rewards 
for the growth of mountain-rice and wheat, which the advantage of cul- 
tivating would in a short time become so apparent to the people 
themselves, so as to make a continuance of such rewards unnecessary. 
Small premiums for the best samples of indigo and coffee et“ and 
the greatest quantities produced, with a certain price established for 
the purchase of it, would soon introduce the general culture of it, 
where the climate and soil are particularly favorable, where it is 
now produced, tho’ discouraged and, tho’ of the finest quality , con- 
sidered as but of trifling value. 

But one of the first steps towards general cultivation being the 
introduction of cattle, of which there is at present almost a total 
want on the island, in order to facilitate labour, as well as to pro- 
vide a store of provisions at all times, it is absolutely necessary to 
import from the most convenient places a good supply of bullocks, 
in the first instance, and cattle of all kinds for domestic purposes; 
but particularly to establish a breed of cows upon the island. This 
might soon be effected by giving to the rajahs of the different 
districts a certain number of males and females of each species, horses, 
sheep and cows, according to the extent of land, not encroaching 
on the breed for 3 or 4 years, and at the and of that time to be 
furnished to Gov‘ for use when required at fixed prices; the rajahs 
and, people of the different doussons to have not only the advantage 
of their labour in the mean time, but the real property in them; 


DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 347 


and should the expence of this scheme be judged too heavy to admit 
of giving the cattle, they might be considered as a debt without 
interest, untill their multiplication rendered the payment in kind 
easy, or by the produce of their labour, if employed in cultivation. 

Untill the improvement of cultivation shall enable the inhabi- 
tants to furnish themselves with sufficient grain for their own con- 
sumption, it is absolutely necessary to supply them with rice and 
other provisions, and at all times they stand in need of cloths 
of different kinds and various articles of manufacture. 

Of rice therefore particularly and other provisions, likewise 
of piece goods and other articles of merchandize, a supply annually 
sent according to the wants of the people should be continued as 
in the Dutch government, ! and would, if judiciously? laid in, be 
attended with no expence to the Company, as a reasonable profit 
might be expected from the sale, more perhaps than equal to the 
freight aud other charges attending it. Besides vessels, employed 
in this way, might carry back such quantities of spices as would 
be sufficient for the consumption of India, to be disposed of there 
on account of the Company in the manner best adopted to the 
wants of the people by public auction in small lots. 

Upon these general principles it appears evident, that a new code 
of regulations might be entered with the inhabitants of the provinces 
of Amboina, which would be perfectly satisfactory to them and 
establish a well regulated government to the advantage of both 
parties. Several other minute circumstances not enumerated here 
would be very uecessary also to attend to in forming the perma- 
nent plan of this government, particularly introducing from the 
free schools of India a number of youths, well versed in English, 
to acquire as speedily as possible a regular knowlege of the Malay 
language, to serve as faithfull interpretors with the natives and 
supercede the necessity of Dutch aid or interference entirely, and 
become a groundwork for continuing schools of English and Ma- 
lays, after the present Dutch plan. 

With respect to the military force necessary to keep these islands 
in a state of good order and general security, the following is sug- 
gested as sufficient, viz': 


1 Waar bleven de vrijzinnige denkbeelden der Engelschen op dit punt? 
3 De nu volgende bladzijden zijn blijkbaar door een andere hand geschreven 
dan de voorafgaande. 


348 DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 


One commandant of the troops. 
companies of European infantry. 
d° native infantry. 
d° artillery. 
fort adjutant. 
Inspector of stores. 
engineer (unless a new fort should be built, then 1 capt? 
and 2 lieutenants). 
1 paymaster and commissary of grain and provisions. 
1 serjeant major. 
1 quartermaster serjeant. 
4 supernumerary serjeants. 
1 company of pioneers. 

Previous to considering the general relationship of the Spice- 
islands with respect to the adjoining states, it is necessary to give 
some account of the Banda-islands, which though at present a 
separate and distinct government, should perhaps with more pro- 
priety be placed under the authority of Amboina; for exclusive 
of its being of inferior consequence in respect to its resources, 
great inconvenience has frequently arisen from compacts of trade 
having been entered into from thence and connections formed with 
several of the districts and provinces, at war with the governments 
of Amboina and Ternate at the same time..... 

The feature of this government is different from Amboina. The 
_ whole society consists here of the Companys servants, some Burghers 
or freemen and slaves. The object of their attention being solely 
the care and cultivation of nutmegs, the affairs of government cannot 
be supposed very complicated; nevertheless it is at present a distinct 
gov‘, consisting of a governor, Council of three and secretary, with 
a regular Court of justice, furnished with all the forms of stamps, 
seals and fines; but the governor is so much above the check or 
control] of any other persons, that his will may be justly considered 
the only law of the settlement. 

The Company are here absolute proprietors of the soil and the 
slaves who cultivate it; as the culture of nutmegs is the only object 
they have in view, those islands, that produce them, are divided 
into a number of plantations or parks, as they are called, and 
given in charge to certain Burghers or freemen, generally descendants 
of Dutch, who are settled here. There is a number of slaves be- 
longing to the Company allotted to each park, whom the parkkeepera 


o> Co 


pad ped ped me 


DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 349 


employ in the cultivation and attendance on the nutmeg trees..... 

er The mace is delivered into store every month and the nutmegs 
every three months. They are both ‘paid for on delivery, the mace 
74 stivers per pound and the nutmegs at 2} stivers. From this 
price however a deduction is made of 17 percent from the weight of 
the spices; viz' 10 percent in favour of the Company, as an acknow- . 
legment of their right to the soil, and 7 in favour of the Companys 
servants, in the same manner as the 20 percent on the cloves is 
divided at Amboina. The 7 percent is an old custom, but the addi- 
tional 10 percent has lately been past on, having commenced with 
the present governors authority. The quantity of nutmegs and mace, 
produced for several years past, has been very small, and the want 
of attention to the cultivation very evident; since the arrival of 
mr. Boekholtz the produce was so much increased, that the half 
years collection, which was found in store, amounted to nutmegs 
81,618 pounds and mace 23,385 pounds; which being only the first 
half years crop, which appears to be extremely abundant on the 
trees, may be just supposed to yield at least an equal quantity; 
and in all future years with proper management the quantity may 
be with confidence reckoned upon at the average stated in the 
estimate subjoined to the general considerations concerning these 
islands, which is founded upon the most moderate computations of 
the best informed persons on the subject..... 

There are persons, called boscwagters, whose business it is to 
superintend the parks. to see that the planters employ the slaves, 
not for their own private purposes; but in attendance on the nutmeg- 
trees, to take care that the mace and nutmegs are properly cared 
and to note the quantity, that none be smuggled off. They have cer- 
tain walks allotted to them, and are to make constant reports to the 
Governor of the state of the different parks and the quantity like- 
wise yielded by them. There are besides these directors of the parks, 
who are in fact the Governor and chief persons of the settlement, 
who visit all the parks every month to see that the trees are pro- 
perly attended to and planted at proper distances; that the bosc- 
wagters are active and carefull; that the slaves are diligently kept 
at work; and that the drying-houses and stores are kept in good 
repair. Their regular visits are monthly and their reports transmitted 
to the governor of Batavia. 

From nearly the whole of the soil of these islands being devoted 
to the culture of nutmegs, there is not sufficient left to afford the 


350 DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 


good necessary for the inhabitants. The government of Batavia 
therefore sends out annually, as to Amboina, a considerable store 
of rice and other things for their supply. Of this rice, in order to 
encourage the planters, they are furnished with the quantity ueces- 
sary for their park-slaves at the low rate of 25 rixdollars per last 
of £3000 weight; but that for their private slaves they pay 30 
rixdollars for. All the other inhabitants, who have slave, are under 
the necessity of drawing from the Companys stores the rice they 
want for their food; and their names being registered with their 
number of slaves noted, they are allowed 30 # of rice per month 
for each person at the latter price of 30 rd* per last, for which 
they all pay ready money. However as the Company is at consi- 
derable loss in furnishing this supply, the price of this rice is 
intended to be increased gradually at the rate of 5 rè“. per last 
annually, untill it gets up to 50 r*. per last, when it is supposed 
the Company will no longer suffer any loss. 

All these regulations concerning the cultivation of the trees and 
the price paid for the produce have been introduced by the pre- 
sent Dutch governor, who arrived here about 15 months before 
the English gained possession. Before he came, most of the plan- 
ters of the different parks were in great distress, having been char- 
ged with very heavy debts incurred on account of aids at different 
times in rice and money, and being made accountable for the price 
of the slaves furnished for their parks. Besides which, from the 
very heavy loss they sustained in the dreadfull hurricane of 1778 
most of their private fortunes and plantations were entirely ruined. 
They were also bound to deliver their nutmegs at 3 of a stiver 
or 8 farthings per Ìb., and the mace at somewhat more. Under 
the pressure of this distress many of them, conceiving their right 
to the soil indisputable, of which their families had been from 
time immemorial possessed, proceeded to the sale thereof, which 
however was in some instances opposed by the government. In this 
state of things, from the destruction of the trees and neglect of 
cultivation for want of due encouragement, the distress of the 
planters and their right in the soil disputed, the confusion in con- 
sequence reduced for several years past the quantity of spices from 





1 Vgl. hierbij de „Consideratiën over den staat der speceryperken” achter 
het Belangrijk Verslag over den staat van Banda..... door..... Reinier de 
Klerk, uitgegeven door C. A. M. van Vliet (’s-Gravenhage, Van Stockum, 
1894), bldz. 94, v. v. 


DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 351 


£ 600.000 weight, which it was before the hurricane, to less in 
some years than £ 50.000. It was judged prudent therefore by the 
regency of Batavia to adopt the plan proposed by mr. Boeckholtz, 
- who was appointed governor and anthorized in the first instance to 
assert the absolute right in the soil; and accordingly the edict, 
which determined that right, was issued on the first of last February ; 
the old arrear of debt, due from several of the renters to the Com- 
pany and which most of them were unable to pay, was entirely 
remitted; such slaves as were grown too old, to be of use in the plantations, 
were sold of and several others purchased in their room and distributed 
amongst the parks which most required them. The price of the spices too 
was at that time raised from the old low rate to what it now is, and 
the planters were to have their drying-houses and stores built for 
them, which they were afterwards to keep in repair and the slaves 
found them, but they were afterwards to feed and clothe them. 
These alterations were suppossed to afford ample encouragement 
to the planters and enable them to attend the trees better and 
thereby encrease the quantity of the produce. But however specious 
they may seem, upon a close examination of the subject it is 
evident, there is more despotism that justice in the new system 
introduced, and many of the planters, who felt themselves in some 
degree independant, were willing to give up their parks altogether 
and go off, but the difficulty of removing their effects without consent 
of government and the arguments of others, not equally independant, 
prevailed on them to yield at least to a trial and submit to a 
total alienation of their property, which however they do not allow 
to be consistent with justice. The debt, said to be remitted as an 
act of indulgence and bounty, should not be considered quite in 
that light; the chief part of it was incurred on account of rice and 
other provisions supplied to themselves and their slaves, without 
which they must have perished and the settlement have been 
altogether annihilated. For this debt certainly the planters never 
expected to be made accountable, having at the time of receiving 
it considered it as a donation, upon which their existence depended. 
And for their other debts on account of loans in money, though 
there were some individuals, who from idleness and inattention were 
in low circumstances and unable to discharge them, without alienating 
their parks, the great part of the planters would much rather have 
continued in possession of their parks and paid the just demands 
upon them, than under colour of a remission of their debts, be 


eo 


352 DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 


deprived of what, from long and undisputed possession, they might 
be justified in considering as their actual right. Besides upon enquiry 
it appears that several of the planters had actually purchased their 
lands from the Company and paid, some of them the whole, others 
part of the money ; and therefore to reassume these lands at pleasure 
seems rather a harsh measure. But the manner of accounting with 
such of the planters, as had pail money for their lands, is particularly 
unjust, Government not restoring back the money received, but © 
accounting in the rice necessary for their slaves, not at the rate 
supplied to others who pay cash, but in this way they were obliged 
to take it at 50 ré* instead of 25, which is actually cutting off one 
half of a debt that is unquestionable. 

There are altogether in the four islands, which yield nutmegs, 57 
plantations or parks with 1708 slaves, but there is no regularity 
either in the division of the land into parks or the distribution of 
the slaves to them; and it would be one of the most necessary 
steps to the improvement of the place, if an exact survey of the 
islands was made (wich is now very much wanted), the proportion 
between the parks better regulated and the divisions and boundaries 
better ascerlained and now particularly defined. The above mentioned 
number of slaves is by no means sufficient to pay that due atten- 
tion to the trees which they require, and from the best information 
it appears necessary to procure at least 700 or 800 more, to do 
justice to the plantations. 

Besides the above number of slaves allotted to the parks, there 
are 367 more belonging to ‘the quarter, built for them, who are 
divided amongst the different posts, to attend the barracks and 
hospitals, to carry water etc. and are in readiness to be employed 
upon all public works. These slaves of the quarter are all under . 
the immediate inspection of a serjeant, who sends them to their 
respective duties and draws provisions and cloths for them from the 
Companys stores. But it is evident from the wretched appearance 
of those slaves and enquiry justifies the suspicion, that it has been 
a custom amongst the governors and other servants in authority 
to exchange from time to time their own private slaves, that were 
grown unfit for labour, for the best and youngest amongst those of 
the Company. ' Therefore in future it might be a good means of 
preventing the repetition of this fraud, to distinguish the public 


1 Dit blijve voor rekening van den schrijver van het handschrift. 


DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 353 


slaves, when bought, by some bodily mark such as tattooing their 
arms or breasts in a particular manner. This mode of marking is 
not attented with any cruelty and is frequently done by themselves 
for amusement. There were also a number of convicts kept under 
the care of the serjeant of the slave-quarter, who upon the arrival of 
the English were immediately liberated by the troops, before any 
regular enquiry could be made concerning their crimes or the jus- 
tice of keeping them jn irons. They had been sent here at different 
times from Batavia and all the other settlements, as the common 
receptacle for persons of that description. They were kept at constant 
labour and most of them in irons. The want of free inhabitants to 
labour and attend the different trades, makes it necessary to keep 
up the number of public slaves here, through from the expence of 
their maintainance, compared with the very little work they perform, 
they may be considered the most expensive people that could be 
employed. When works of any magnitude are carried on, it is 
necessary to hire at a very dear rate the few artisans, who are 
willing to work and the private slaves of individuals, whose labour 
their masters turn to great advantage at particular times. 
Exclusive of the provisions sent out in‘ the annual ship from 
Batavia, the governor-general there sends out to Amboina a large 
supply of piece goods, cuttery, iron and other articles of merchandize, 
which are sold by auction either quarterly or at such times as the 
Governor knows, the inhabitants can best afford to pay for them, 
upon all which there is a profit regularly charged of 50 percent. 
All these goods and even more than the Company supplies, imported 
by individuals, are bought up by the planters or Burghers and 
some Chinese merchants, who are settled here, either for their own 
or their slaves use or in order to export it to the islands of Aroa, 
New-Guinea, Ceram and the S. W.-Islands, to all which places there 
is a considerable traffic carried on; and in return they get from 
Ceram sagoe, bread and flour and sometimes salted deer. From the 
Aroose islands? they get slaves, pearls, birdsnests, tortoise-shell , 
béche de mer and birds, chiefly birds of paradise. These islands, 
situated HE. S. E. of Banda, are many in number, very low and sur- 
rounded with dangerous rocks and shoals, furnishing no provisions 
but fish. The inhabitants as well as those of New-Guinea are reckoned 


1 De nu volgende bladzijden zijn met eene andere hand geschreven dan 
de voorafgaande. 
2 Aroe-eilanden. 


354 DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 


extremely treacherous and savage. The intercourse nevertheless with 
them is frequent, as the trade is very profitable. One Burgher 
alone here, mr. Steemberg, has seven brigs in this trade. For the 
purpose of guarding the trade, there is a party of 40 men under 
the Resident; but the year before last the garrison was cut off; 
however it was shortly after reinstated by the above gent", who 
was wel known to the inhabitants and put an end to hostilities 
with his own slaves, who are very numerous. 

The S. W. Islands consist of 7, the chief of which is Kissur, where 
the Resident lives; his garrison consists of 50 men, a few of whom 
are detached to the adjoining islands. The only advantage drawn 
from these islands is some sandalwood, salted deer and a few slaves 
and the intercourse with it but once a year, when a small vessel 
is sent about the end of March and returns with the next monsoon 
in May. The natives of these islands are also represented as very 
ferocious and savage. They seem to be a medium between the 
Caffres of Africa and Papoos or natives of New Guinea, their hair 
being neither so short and woolley as the first nor so long and 
bushy as the last and their features bear a resemblance to both. 

In the last account of the population of Banda and the S. W.- 
Islands, which are dependant on this government, the numbers of 
all descriptions stood as follow. The Auroa '-islands, tho’ also reck- 
oned dependant, are not taken any account of. 

In the islands of Banda, consisting of the 10 first enumerated, are: 


Europeans, men, women and children. . . . . .. . 2119 
Mesties or half cast. . . . 2. 1 2 eee ee 624 
Black Christians... . .. . . . © « «. « « « 888 
Chineese . . . . . 2. ee eee ee 98 
Moors ...... . 2 6 «© © © «© © «© « 186 
Heathen freemen. . ..... . +. 2 « «© e se 41 
‘Maussar 2 slaves. . . . . 1 ee ee ee ew we RB 
Slaves of all other descriptions . . . . . ... . . 486) 


Total Banda-islands . . . 57638 
In the S. W.-Islands there are: | 


Men, women, children, nat. Christians . . . . . . . 2822 
Heathens, freemen. . . eee 85944 
Total S. W.-Islands . . . 38266 





1 Aroe-eilanden. 
2 Macassar ? 


DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 355 


From this it appears, that the extent of nominal dominion among 
the latter islands is very considerable, but what advantage is derived 
from thence is not so evident. Christianity seems to have extended, 
but without the good effect observed at Amboina of softening their 
manners and civilizing them; and unless possessing and garrisouing 
these islands by the Dutch arises from jealousy of other European 
powers establishing themselves in any situation, that might serve 
even as an avenue of communication with their chief object of 
profit, the Spice-islands, the dispersing their troops and extending 
their possessions to such inconvenient. distances and at the same 
time so unprofitable, cannot well be accounted for. 

However as it does not seem agreable to the disposition of the 
English, to form settlements and extend garrisons from such a motive 
and that no other good reason for keeping these islands can be given 
at present, any farther reflection concerning them shall be left out 
in the following suggestious for the management of the Banda 
islands, which are founded upon the opinions of the best informed 
persons upon the spot. 

The circumstance of Banda having hitherto a distinct govern- 
ment has at different times produced very inconvenient effects. The 
distance of Banda makes it difficult to detect and punish those 
faults, that are said to have existed for several years past in the 
administration of that goverment, where the governors, left without 
check or controul, their Council possessing only a nominal participation 
of power, neglecting the cultivation of the nutmegs and attending only 
to the advantages to be derived from trade with the neighbouring islands, 
smuggling of spices grew to a great pitch and there are even some 
instances, when the merchants of Banda supplied some of the natives of 
the neighbouring islands with arms and military stores, who were at. 
the same time making war with the government of Amboina; besides 
the society of their government being so very small, the extremely 
rich produce of the islands committed to the care of so few, points 
it out as a necessary precaution, to put the whole of this settlement 
under the care and authority of the government of Amboina, which 
being so near can at all times take cognizance of every occurrence; 
regulate their intercourse with the adjoining countries; receive at 
convenient opportunities the spices and keep them in store; supply 
their wants upon all occasions or draw resources, when required ; 
receive regular returns of the state and produce of the plantations 
and punish immediately every infringement of the established regu- 


356 DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 


lations or neglect in the person placed in the management of the 
place. It might therefore be best, that the deputy or lieutenant- 
governor of Banda should be subject to the authority of the gover- 
nor of Amboina, to which appointment he might be in immediate 
succession in case of accident. By this means union and consistence 
would direct the affairs of both places. Responsibility under an 
immediate check and the hope of promotion to greater dignity and 
emolument would most probably put an entire stop to the pecu- 
lation, that by all accounts has for several years been pra- 
lised here before the arrival of the present Dutch governor, 
m*™. Boeckholtz. 

But tho’ the zeal and disinterestedness of mr. Broeckholtz is 
allowed, the justness of his measures with regard to the Burghers, 
who have parks, is not without good reason disputed. The indis- 
criminate seizing on all property in the soil, contrary in almost every 
instance to immemorial usage and in some to absolute stipulations, 
appears tyranical and unjust; and perhaps it wo‘. be the best way, 
to form a committee to examine into the justice of this matter 
and to distinguish between those, who have really a right to the 
soil and others, whose debts amount to the value of that right; 
and should it be found, that such cause existed, to adjust them to 
the satisfaction of the people, to restore the property, where it 
should appear to be truly vested and suffer it to be alienable, which 
would always be a means of exciting industry and improvement ; 
and where it appeared, that the right in the soil vested in the 
Company, a distinction in the price of the spices or a certain rent 
might be established on that account. But since it does not seem 
of much consequence, who is the proprietor of the soil, when the 
whole of its produce is monopolized at a certain rate therefore, as 
the want of population to cultivate the plantations to the utmost 
is the greatest check at present to improvement, encouraging the 
planters to multiply their slaves, to realise and transfer their pro- 
perty, appears the most probable way of improving the cultivation 
and encreasing the produce. 

The Company are at present obliged to supply this settlement 
with rice and other provisions at a rate, by which they are at a 
considerable loss. They are also liable, according to the present 
system, to a vague undefined charge on the score of buildings and . 
repairs for houses, stores etc., all which in the general scale of 
expence is to be charged to the spices produced in the islands. Now 


DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 357 


as simplifying matters of this nature is always an advantage, whereby 
contingent charges may be entirely dispensed with, it might not 
only be a material saving to the Company, but be far more agreable 
to the planters, to increase the price of the spices and make them 
responsible for all expences of buildings and also furnish themselves 
with rice at a fair price, suppose at once 50 rd. per last, which 
however the government must at any rate supply, but in this way 
not lose by so doing. Upon investigating this subject with the most 
impartial and best informed persons at Banda, it appeared evident, 
that this mode would be most agreable fo the people and likely 
to produce most beneficial effects to the state; and with regard to 
the addition, necessary in this case to the present rate of the spices, 
the price of 74 pence for the nutmegs and 15 pence for the mace 
per pound would satisfy the planters and perhaps be not more 
expensive than the present mode. | 

But as it might sometimes happen, that, where. provisions were 
somewhat dearer, there might be found some of the planters, who 
would curtail the allowance of their slaves, strict regulations should 
be instituted to prevent this and see justice done the slaves. One often 
of themselves might be appointed marigny ' or overseer of the others 
with a power to represent all just grievances to the directors in their 
visits to the different parks. Smuggling of quantities of spices has 
grown to a great pitch and the longer it is permitted, the more 
difficult it will be to correct it; severe rules should be put in force 
against those, who purchase them and the sale of them should be 
punished 2 with forfeiture of all property in the settlement, whether 
of parks, slaves or other goods. Neglect too in the cultivation 
and attendance of the spice-trees should be punished by fines 
in the produce at the judgment of the directors and paid into the 
public stores. 

Considering Amboina as the chief government, as well the dep’. 
or lieu'. gov’. as the second in command of troops should be stationed 
here and alle returns and reports transmitted as convenient oppor- 
tunities offered. 

The complement to the number of troops alreddy stated as neces- 
sary for the defence of Amboina in the whole military establishment, 
estimated towards the conclusion of the general observations on the 


1 Marinjo. 
2 Dus ook hier vast te houden aan het monopolie. 


358 DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 


value of these islands, is what I conceive wo be proper for the 
immediate defence of the Banda-islands. _ 

Encouragement should be given to clearing and cultivating with 
corn and breeding cattle on the adjoining islands, particularly Pulo 
Rond!, where property might be vested in those, who settled under a 
restriction against the planting of nutmegs; every endeavour should 
likewise be made to transfer the cultivation of nutmegs to Amboina 
and beginning with Pulo Ay, as the number of trees in Amboina 
increased, diminish the number here and perhaps in time the whole 
produce of this valuable spice might be transferred te Amboina ? 
and then turning these islands .to the cultivation of grain and 
breeding of cattle, not only furnish a supply for both places but 
lessen considerable the expense to the state, by rendering only one 
establishment necessary either for the government or the defence of 
the Spice-islands. 

Whatever may be the decision respecting these islands, whether 
it may be judged consistent with the interest of G* Britain, to keep 
permanent possession of them or to restore them back to the Dutch 3, 
it is only necessary in the present instance to build upon the former 
supposition and suggest those circumstances most likely to render 
them in the highest degree advantageous to the state, * and at the 
same time promote the happiness of the people and to take into 
consideration the dependance and relationship, they bear toward the 
neighbouring states. 

The government of Ternate and Tidore with the numerous islands 
dependant thereon, including all those between it and New-Guinea, 
are those nearest connected and indeed Amboina and Banda both 
are not only said to have been subject to that empire, but the 
Dutch now pay for them a sum of money annually to the king of 
Ternate, > who is in all other respects their tributary. The only object 
the Dutch have in view by this government is to prevent the growth 
of spices, and notwithstanding the quantity of golddust procured 
in some of outposts, the loss sustained in support of this establish- 


1 Poeloe Roen. 

3 Dat is dus nog heel wat anders, dan wat de Oost-Indische Compagnie 
deed, toen zij de nageloultuur tot de Ambon-eilanden, de notencultuur tot 
de Bandagroep beperkte. 

8 Vgl. hierachter het Naschrift. 

4 „State” hier niet in tegenstelling tot de Engelsche Oost-Indische Compagnie. 

5 Sic! 


DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 359 


ment amounts to near 30,000! per ann., besides the number of lives 
sacrificed in the different garrisons. On this account therefore it may 
be presumed, that it wo’ be not only necessary to dispossess the 
Dutch of those islands but to restore them free to the native princes; 
in doing which, the obligation conferred on them would readily 
induce them to enter into such terms, as would secure to the Eng- 
lish the whole advantages of their trade without expence. 

With regard to the claim of sultaun Syfut Deen Shah to the 
sovereignty, it is generally asserted that there is justice on his side 
and that, where the influence of the Dutch was removed, the voice ot 
the people themselves would determine in his favor; and he himself 
by his ambassador proposed to submit to the decision of an as- 
sembly of the chiefs of the neighbouring islands called in, under 
the authority of the English, to pronounce upon his claim and ulti- 
mately to abide by such limits, as they should lay down for the 
extent of his authority. 

The government of Macassar, though not of any consequence to 
Amboina and Banda, relative to any competition in the cultivation 
of spices, Is yet of great consequence with respect to the supplies, 
that might at all times be had from thence and also as it is so 
much in the way of China-ships, both outward and homeward bound. 
It is already well known, that the chief rajahs on Celebes have 
lately shown great dislike and have made some opposition to the 
Dutch ', who have always made a point of encouraging dissention 
among them; and therefore, to free them from their present yoke, 
would be the most likely way of binding them to the interests of 
the English and besides opening a vast field for general trade with 
our ships in preference to all others, would furnish a certain and 
ample supply both of grain and stock to Amboina and Banda. 

Of the trade, for some years past carried on with the islands to 
the N. KE. of Ceram and the attempts made to form a settlement 
‘by the ships from Bengal, however defensible such a measure might 
be, when the Dutch had possession of the Spice-islands, the evil 
consequences in the event of the English keeping them are very 
evident. The trafficking of arms and military stores among a 
people very little civilized and who are sufficiently prompted 
by the possession of their arms to unprovoked hostilities against 


1 De Engelschen zouden spoedig na de inbezitneming door hen van 
Makassar en onderhoorigheden hetzelfde ondervinden! 


360 DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 


their neighbours is at all times dishonorable and unworthy of 
a great nation to permit; but when it also appears, that the 
returns for these arms and military stores are expected to be made 
in spices, which can only be procured by means totally subversive of the 
laws and institutions of a government regularly established belonging 
to the same nation, should be prohibited under the severest penal- 
ties. In the course of the insurrection at Amboina there were taken 
from the natives in more than one instance muskets with the 
English EK. I. Company’s mark, which, being carried by the ships 
from Bengal to Warouw on the N. E. coast of Ceram, found their 
way from thence and were smuggled for cloves at Haroekoe and 
the coast of Hitoe, according to the confession of the people in 
whose hands they were found.' It appears from hence that, though 
perhaps both cloves and nutmegs might grow among those islands, 
if cultivated, at present those spices are only to be procured through 
the medium of smuggling, and therefore any quantity purchased 
this way must be by the temptation of advanced prices at the best, 
and in that point of view a disadvantage to the state in general. 

To obviate these ill consequences in future, it appears necessary 
to forbid the intercourse altogether and to permit no trade 
whatsoever in English ships to Ternate or any of the islands subor- 
dinate to that empire to the Hastward, except under the express 
licence and authority of the government of Amboina, ? where alone 
the emporium of all the spices should be formed and whence the 
wants of all the islands to the NÌ and East’ might be amply be 
supplied in a very advantageous manner, both to the English and 
the natives, and thus by a just mode of dealing on one side and 
confining the prices of merchandize to moderation, would make it 
their interest to oppose every effort of foreigners to establish any 
connection with them to our disadvantage. 

It may be argued as more generally advantageous to the English, 
to throw open the trade altogether and suffer private adventurers to’ 
carry merchandize and provisions there and be at liberty to purchase 
the spices on the spot; but it is only on the principle of an abso- 
lute monopoly of the spices, that it could ever be an object to 
form settlements in so detached a situation and there is little 
doubt, but this monopoly under proper regulations would not 





1 Een van elders bekend feit dus hier onomwonden erkend door Engelschen zelf! 
2 Hoe ‘gelijkt dit alles op de door de Engelschen zoo zeer veroordeelde 


handelspolitiek onzer O. I. C.! 


DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 361 


only be extremely productive to the state, but also more bene- 
ficial to the people themselves, than if they were left without controul, 
as their violent tempers and the competition, that would immediately 
take place among the different islands, would inevitably lead them 
into endless wars and anarchy, to which they are already too much 
addicted. Upon this principle therefore it appears essentially necessary 
to prohibit all intercourse, except in cases of extremity, with any 
other ships but those sent under the authority of the Company ; 
and all these should be immediately considered under the absolute 
controul and direction of the government of these islands, with a 
power to inflict such fines and punishments for any attempts towards 
smuggling, as should be at first stipulated and never omitted in 
apy agreement with ships, chartered for these islands; at the same 
time individuals on board such ships should not labor under too severe 
a prohibition, but have their own particular wants always liberally 
supplied by indents on the spice-stores at a very moderate valuation 
for such quantities only as could not come under the idea of trading. 
The propensity to piracy among all the Malay islands has already 
been remarked, but it is nowhere more dangerous than among the 
islands round the Moluccas viz. the Papoos or natives of New- 
Guinea, the people of Magindano and Sooloo and those of Borneo. 
It is therefore necessary to the safety and preservation of the Spice- 
islands to establish a certain number of cruisers effectually to check 
all attempts of that nature, particularly of the Papoos, who frequently 
come in large prows, rowed by 80 or 100 men, plunder the coun- 
tries they find improtected and carry off the inhabitants for slaves. 
The Dutch always kept a marine force for this purpose of sevcral 
sloops, called pantjallangs, of about 16 guns each, but they were of © 
a very rude construction and incapable of pursuing the prows to 
windward; one frigate, to appear occasionally in these seas, and five 
armed schooners or brigs of from 80 to 100 tons, carrying 12 or 14 
guns, and a few swivels, with about 30 men each, 10 of whom 
should be Europeans, calculated for swift sailing and occasionally to 
be able to row, would be the proper force to establish and if judi- 
ciously employed under the government of Amboina, would certainly 
be sufficient to put an entire stop in a little time to all piracy. 
They would also prevent any attempt to smuggle or carry on any 
clandestine trade in arms etc. and answer the purpose of collecting 
the spices from Banda and the islands immediately dependant on 
Amboiua and lodging the whole in store there to be ready for 
trausporting either to Europe or India, as should be ordered. 
Considering the ease, with which the islands of Celebes, Ternate and 
Tedorne etc. could be wrested from the hands of the Dutch, as before 
7° Volgr. VL 24 


362 DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 


stated, a small extension of this marine force would open such a 
field for the most advantageous trade with all those islands in 
perfect safety, as cannot well be calculated. The whole of the gold- 
dust, now collected by the Dutch, would soon be got in exchange 
for our manufactures of Europe and India, and the entire extensive 
and lucrative trade, now carried on in Chinese pinks to all these 
islands, would undoubtedly fall into the hands of the English, whose 
superior skill in navigation and boldness of enterprise would give 
them the most decided advantages over the Chinese, provided they 
were enabled to carry it on without danger; ' and thus an 1m- 
mense trade under a partial and comparatively trifling restriction 
and the supply of several millions of people would entirely fall into 
our hands. Considering Amboina from its situation and natural 
resources the fittest place to establish as the capital of the Spice- 
islands, the seat of government of the whole, and the sole empo- 
rium of spice and all the trade to the Eastward of it, its strength 
and ability to resist a foreign attack should be made one of the 
first objects of attention. Tho’ the present state of the fortifications 
may be perfectly sufficient to support the government against every 
effort of the natives, they are quite incapable of resisting an Euro- 
pean enemy, coming regularly before it; if it ever therefore should 
be resolved to retain the future possession of this establishment, 
au entire new fort should be built at Amboiua. 

The neglect of this has now made it an easy prey to the first 
attack and should the English continue under the same infatuation 
in this respect as the Dutch, their possession must be acknow- 
ledged extremely insecure. It will therefore well become the wisdom 
of a great nation, to attend to this consideration and the liberality 
of the East India Company, under whose charter and dominion it is 
conceived these islands must necessarily come, cannot be better bestowed 
than devoting to their permanent security a portion of their first profits. 

The redoubts and batteries lately ordered at Banda and now 
nearly executed are fully sufficient to ensure its safety with the 
force proposed for garrisoning that settlement, according to the 
system already proposed for its management..... 

It is said, that the Dutch destroyed all the produce of these is- 
lands, beyond the quantity already stated, with a view to set their 
own price upon those articles, certain of a consumption to that 
extent annually. But this seems to have been not only the extreme 
of selfish illiberality, but very mistaken policy ; since it is evident, 
the more general the use of any article becomes, the greater the 
demand for it, until custom in the end makes that necessary , which 





1 Hierbij staat de potlood-kantteekenening: „Very just.” 


DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 363 


was before only used as a matter of luxury; that, though the sale 
of greater quantities, might perhaps lower the prices, the additional 
consumption would more than equal the profit; and that in the 
course of a few years the use of spices would probably. extend in 
proportion as that of tea or sugar; the quantity necessary to the 
general supply call for every effort of encouragement and exceed the 
profit, computed as above, upon the scale of immediate certainty, 
in a fivefold degree. And upon the whole considering the advan- 
tages likely to be derived from the trade of these islands in other 
valuable articles, they may be estimated without distant speculation to 
bring in a clear annual revenue to the state of half a million sterling. ' 


NASCHRIFT, 
bij bldz. 254, noot 2 


Mijne lezing, den 29 October 1901 gehouden in eene Algemeene 
Vergadering van het Infdisch Genootschap ?, getiteld: De overgang 
der Kaap-Kolonie van Nederlands in Kngelands bezit, besloot ik met 
eenige stellingen, waarin wafen neêrgelegd de conclusies, waartoe 
ik toen meende te moeten komen, o.a. aangaande de bekende aan- 
schrijvingen van Willem V, gedagteekend 7 Februari 1795, waarin 
deze Oranjevorst den gouverneurs of hoofden van bestuur onder 
andere benamingen, welke gezag uitoefenden in Nederlands ver- 
schillende koloniën en bezittingen in Oost en West, aanschreef, 
Engelsche troepen en schepen dáár toe te laten als die van eene 
bevriende mogendheid. [k maakte natuurlijk een voorbehoud: ik 
bleef aannemen „de mogelijkheid, dat voortgezet onderzoek van mij 
of van anderen mijne opinie (zou doen) wijzigen.» 

Zoowel door anderen als door mij zelf zs het onderzoek voortgezet. 
Op de resultaten van eigen nadere studie wees ik reeds in N°, 26 
van De Nederlandsche Spectator van 19057; en ik kon toen vast- 
stellen, dat ik „geen woord (behoefde) terug te nemen” van wat ik 
vroeger had meenen te mogen concludeeren, dat zelfs „mijn geloof 
aan (de) volkompu juistheid (der conclusies, waartoe ik in “1901 
was gekomen, door mijn nader onderzoek) ten zeerste versterkt was. 
Eenigen tijd later (in 1906) verscheen + het tweede deel van de 
door Dr. H. T. Colenbrander uitgegeven (redenkstukken der Algemeene 


' Hieronder staat in het handschrift de volgende potlood-aanteekening: 
„To which may be added the advantage to the country in a national point 

of view by the increased consumption of British .... on Indian manufactures 
to the exclusion of Dutch and French manufactures now in use.” 

? Bldz. 109—142 der Verslagen over dat jaar. 

8 Overgenomen o.a. in De Zuid-Afrikaansche Post van 20 Juli 1905, bladz. 279; 
De Volksstem van 19 Augustus 1905, enz. — Op verzoek der „Boeken- Commissie” 

van het Algemeen Nederlandsch Verbond zal ik binnenkort uitgeven een 
beknopte geschiedkundige verhandeling, waarin ik in populatr-wetenschap- 
pelijken vorm den overgang der Kaapkolonie aan Engeland behandel. 

4's Gravenhage, Martinus Nijhoff. 


364 DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 


geschiedenis van Nederland van 1795 tot 1840. Ook daarin nu wordt 
over de proclamatie van Kew gehandeld. Het spreekt wel vanzelf, 
dat ik met groote belangstelling het werk ter hand nam en eveneens, 
dat ik met groote voldoening bij de lezing er van zag, dat de zeer 
weinige nog onbekende documenten, door Dr. Colenbrander over 
deze zaak gepubliceerd ', slechts zoovele nieuwe bewijzen waren voor 
mijne meening en dat wat hij zelf daaromtrent zegt op bldz. LXXXV, v. 
hetzelfde is als wat ik reeds in 190] en 1905 schreef, nur met ein 
Bischen andren Worten. Slechts op een enkel punt wensch ik even 
terug te komen, zij het thans zeer terloops. ? Volkomen terecht zegt 
Colenbrauder, dat Willem V, toen hij de aanschrijving uit Kew 
schreef, daarmede „bleef in de lijn der stadhouderlijke politiek van 
1788: die der alliantie en garantier. Reeds wees ik daarop in mijne 
lezing van 1901. * Toen had ik nog niet mijn onderzoek uitgestrekt 
tot het Koninklijk Huisarchief, anders zoude ik dieper zijn ingegaan 
op wat ik toen slechts even aanstipte, * nl. op hetgeen in 1798 plaats 
heeft gegrepen. Het verwonderde mij eenigszins, dat Dr Colenbrander, 
die het H. A. wel raadpleegde, dit niet heeft besproken. Als hij 
daarin had aangetroffen en gelezen > den (onuitgegeven) brief van den 
gezaghebber van de Kaap, den secunde J. I. Rhenius, van 30 Juli 
1798, aan Willem V, dan zoude hij hebben gezien, dat tengevolge van de 
aanschrijving van de Bewindhebbers der O. I. C. van 30 Maart 1793, 
in overleg met de Staten-Generaal en Willem V uitgevaardigd, 
Rhenius alles in orde had gebracht, om de Engelsche schepen van het 
noodige te voorzien en „voor inquartiering” van de „verwagt wordende 
Hulp troupen” van St. Helena en Engeland. Ook andere maatregelen 
in die dagen genomen, waarop ik thans niet inga, wijzen er op, 
dat de lijn der stadhouderlijke politiek van 1788 tot Februari 1795 
loopt over het jaar 1798, het oorlogsjaar. 

Het tweede punt, dat ik hier wil bespreken, is dit. Colenbrander 
schrijft: „Over dien brief van Kew is veel gebazeld.. Zonder twijfel, 
er is veel over geschreven, van den beginne af, toen Voorda en 
Valckenaer contra, Tollius pro optraden. ® Maar is dit te verwon- 


1 No 675 (blz. 820); verder de ,juiste” datum (2 Februari: het was bekend, 
dat het renversaal van Februari dagteekende en wel van vóór 7 Februari) en 
de ,onderteekening” (men wist natuurlijk dat die van Grenville was); en 
het brokje brief aan Van Nagell in de noot op bldz. 821. Jammer, dat Dr. 
Colenbrander niet volledig is in het aangeven der werken, waarin documenten 
over deze aangelegenheid reeds zijn gepubliceerd of waarin daarover is ge- 
sproken. Deze onvolledigheid wekt den indruk, dat Dr. Colenbrander’s onderzoek 
werkelijk nieuw licht van beteekenis over deze materie werpt, wat niet het geval is. 

3 Ik blijf hier natuurlijk bij de aanschrijving uit Kew, die in Lennon's ,, Journal” 
herhaaldelijk wordt genoemd. Wat Dr. Colenbrander elders (b.v. in De Belgische 
omwenteling, ‘s-Gravenhage, Nijhoff, 1905) zegt over den afstand der Kaapkolonie, 
enz. roer ik later nog wel aan. Alleen wil ik er thans reeds op wijzen, dat wat hij daar 
op bidz. 100 zegt: „Holland heeft dus de Kaap niet aan Engeland verkocht, om de 
goede reden dat het die niet had”, onjuist gedacht, althans onjuist uitgedrukt, is. 

3 Bldz. 112, 118 v. — Ook deed dit A. J. van der Meulen in zijne Studies 
over het Ministerie van Van de Spiegel (Leiden, Kooyker, 1905), bldz. 98 v.v. 

4 Bldz. 120. 

6 Ik zag hem niet in de Gedenkstukken. Heb ik hem over 't hoofd gezien, 
dan hier een peccavi ! 

6 Vgl. mijne lezing I. G., blz. 117; Colenbrander, t. a. p., bldz. 820. 


_ DE VEROVERING VAN BANDA EN AMBON IN 1796. 365 


deren en mag het woord ~bazeleny hiervoor worden gebruikt? De 
heer Colenbrander tracht zich in te denken — zooals ik reeds vroeger 
deed — in de zienswijze der Stadhouderlijke partij en zóó Willem V's 
houding te verklaren en te verdedigen, althans te verontschuldigen. 
Volkomen terecht. Maar — er was nu eenmaal óók een andere Staatspartij 
en ook deze had hare opinie en woordvoerders. En 't is, dunkt mij, 
zoo natuurlijk mogelijk, dat deze ‘s Prinsen houding scherp ver- 
oordeelde, ja! verafschuwde: zij toch ging lijnrecht in tegen wat 
in haar schatting ‘s Lands belang vorderde. En ook deze meening 
had recht om gehoord te worden, ook door hen, die, zooals Dr, C. 
en ik, haar niet deelen. Dat Willem V zelf wel iets voelde in 
die richting, bewijst m.i. de aan Dr. Colenbrander blijkbaar niet bekende, 
althans niet door hem uitgegeven,', brief van Willem V aan zijne 
gemalin, gedagteekend uit Londen den 29 Januuri 1801, ? waarin 
hij bezwaren oppert tegen het denkbeeld, zich naar Nassau te be- 
geven. O.a. wijst hij op het gevaar, dat hij vandaar zoude 
worden gebracht naar Nederland, ~pour rendre compte de son ad- 
ministration et particulièrement des ordres donnés à Kew ...., enz. 
Vergis ik mij, of ligt hierin een erkenning, dat over die vordresy 
ook anders mocht worden gedacht dan er over gedacht werd door 
Willem V en diens omgeving? 

Een derde vraagteeken. De heer C. schrijft: 3 „Het is kortzichtig, 
hierbij aan eenige machiavelistische bedoeling van Engeland te 
denkenr. Accoord! Maar....... tòch! Zou de Engelsche regeering 
niet ook deze bijgedachte kunnen hebben gehad: + ads ik de Neder- 
landsche koloniën en bezittingen onder bewaring krijg op groud van 
Willem V's brieven uit Kew, dan krijg ik ze gemakkelijker 
in bezit dan door wapengeweld; en als dan de Oude Constitutie 
niet wordt hersteld en het renversaal niet kan worden in- 
geroepen ........ » Men leze bv. Lennon's „Journaals hiervóór op 
bldz 253, 261, 262, 264 (men lette op: # Which is not unlikely”), 
272, vooral ook 358, bldz. 359, enz., enz. *t Is waar, Lennon is 
nief. de Engelsche regeering, maar hij was ook niet de eerste de 
beste en buitendien, zijn journaal en zijne beschouwingen zijn ge- 
richt tot de directeuren der Britsche Oost-Indische Compagnie, die, 
in geval onze bezittingen door Engeland zouden worden behouden, 
haar rol daarin hoopte te spelen. 

Ten slotte de opmerking, dat de opgave door Dt. Colenbrander 
gedaan 5 van de koloniën en bezittingen, die voor ons behouden 
bleven in den oorlog tegen Engeland van 1795—1802, zeer on- 
volledig is. Behouden bleven niet alleen Batavia, maar geheel Java 
en Madoera. En wat de Buitenbezittingen betreft (ik laat hier min 
of meer nominale rechten van Nederland op bv. de Westkust van 
Borneo, enz. rusten), wij behielden ook de Lampongs, onze posten 
in Palembang, op Soembawa, op de Timorgroep. In den oorlog na 
1803 ging óók niet verloren ons kantoor te Canton. 
nn J. E. H. 


1 Vgl. noot 5 op bldz. 364. 3 M.S. Huisarchief. 8 Bldz. LXXXV. 
$ Vgl. mijne lezing op bldz. 121. 6 Bldz. 821, noot 1. 





REGISTER. ! 


Abdul Aleem, bldz. 279—280. Ceram (Klein-), zie Hoeamoeul. 

Adams, bldz. 301. Ceries (Post of the), bldz. 335. 

Ai (Poeloe), bldz. 358. Chalmers (Kapitein), bldz. 292, 295, 

Alang, bldz. 298, 291, 295, 296, 298, 300, 301, 302, 303, 304, 306, 311, 312. 
302, 335, 336, 337, 841. ‚ Chay(7 -goode, blz. O72. 

Alfoeren, bidz. 293, 323, 324. China, bldz. 256, 258, 264, 268, 275, 

Amblaoe, bldz. 316, 322, 335, 338. 301, °302, 313, 359. 


Ambon, bldz. 249, 250, 258, 273, 274, | Chineezen . bldz. 255, 256, 257, 259, 
275, 277, 278, 281, 282, 291, 296, 262, 263, 265, 278, 281, 303, 308, 
304, 305, 306, 307, 309, 310, 311, 3823, 324, 331, 342, 353, 354, 362. 
312, 318, 314—348, 349, 350, 353,, Christenen, bldz. 292, 293, 317, 322, 
355, 356, 357. 358, 359, 360, 361, 362. 323, 324, 326, 333, 355. 


Amerikanen, bldz. 261. Chuliars, bldz. 255, 262. 
Aroe-eilanden, bldz. 353, 854. Chunam (Hobson-Jobson, p. 168), bldz. 256. 
Assaloeloe, bldz. 316. Cochin, bldz. 266. 

Atjeh-hoofd, bldz. 313. Cochin-China, bldz. 264. 

Bagoeala, bldz. 283, 291, 316, 335, 338. Cornabé (A.), bldz. 276, 277, 285. 
Balabak (Straat), bldz. 302. Couperus (A), bldz. 957, 259, 265, 
Balambangan (Eiland), bldz. 302. 266, 267, 278. 


Banda, bldz. 249, 250, 277, 278, 280, | Covassa-hout (Goevassa-), bldz. 336 (Encycl., 
281, 282, 283, 285, 287, 290, 291, 293,| IT, bldz. 59). 
294, 295, 296, 297, 302, 303, 305, 306, | Dammer (damar), bldz. 333. 
307, 308, 311, 313, 314, 821, 324, 32k,' Dati en dati-stelsel, blz. 318, 319, 321, 


329, 330, 345—359, 361, 362. | 334. 340, 341. 
Banda (Groot-), bldz. 289. _ Doerion (Straat), bldz. ‚ 268. 
Banda Neira, bldz. 250, 285. _Doesoen, bldz. 327 maud. ï bladz. 467). 
Bang, bldz. 292. ‚ Drie Gebroeders (De), bìdz. 275. 
Bangsa, bldz. 298, 317, 340. ' Duitschers , bldz. 282, 286. 
Banka, bldz. 266, 267, 268, 269. Eerste punt (Sumatra), bldz. 269. 
Bantam (Prins van), bldz. 290. | Elmore (Kapitein), bldz. 266. 


Batavia, bldz. 258, 260, 261, 262, 265.' Ema. bldz. 335, 336, 338. 
267, 269, 279, 320, 321, 324, 385. | Engeland, Engelsch en Engelschen, - 


337, 340, 343, 350, 351, 353, 365. bidz. 250, 251, 254, 256, 268, 264, 
Bèche-de-mer (tripang), bldz. 353. 269, 272, 273, 274, 277, 279, 280, 
Belgica (Kasteel), bldz. 289, 290. 284, 285, 286, 287, 288, 289, 291, 
Bengaleezen , bldz. 255 292, 295, 297, 298, 300, 303, 304, 
Bengalen, bldz. 257, 264, 230, 305,: 305, 307, 309, 310, SIL, 312, 313, 

306, 359, 360. … 319, 342, 344, 345, 350, 353, 355, 
Benkoelen , bldz. 256. | 358, 359, 360, 362, 363, 364, 365. 
Beverwijk (Redoute), bldz. 341. | Europa, Europeanen en Europeesch, 
Boccara, bldz. 301. | bidz. 255, 259, 262, 271, 274, 277, 
Boeckholtz (Gouverneur Van), bldz. 281, 290, 293, 294, 304, 314, 322, 

295, 308, 349, 351, 356. 323, 324, 326, 328, 334, 348, 354, 
Boegineezen, bldz. 273. ' $55, 361, 362. 

Boekit Tjina, bldz. 259, 263. Fatanamangs , zie Tatanamangs. 
Boeloekoemba, bldz. 270, 313. Franschen, bldz. 254, 258, 266, 267, 
Boeroe, bldz. 273—274, 281, 293,316. 269, 342, 363. 

320, 322, 335, 336, 338. Gabba-gabba, bldz.334 (Encyel.,I, bldz.532). 

Bombay, bldz. 268. Gaup (Kapitein), bldz. 285. 

Boni, bldz. 272. Gebi, bldz. 305. 

Bonoa, bldz. 316, 322, 324, 337. Ghee, bldz. 328. 

Bonthain (Bantäeng), bldz. 270, 271. Gnatahoedi of Gratudy van Mardtka, 
Borneo, bldz. 302, 361 , 365. bldz. 321, 336, 337. 

Brown (Majoor), bldz. 255, 257, 258. Goenoeng Api, bldz. 287, 285, 289, 290. 
Budach (J. G.), bldz. 280. Goram, bldz. 303. . 
Canton, bldz. 302, 365. Gordon (Kapitein), bldz. 296. 

Casizy, bldz. 292. Gowa, bldz. 272. 


Celebes, bldz. 270, 272, 273, 285, 359, 362. Grenville, blz. 364. 
Ceram, bldz. 279, 281, 285, 293, 291, Gusta (?), bldz. 295. 
295, 304, 305, 306, 308, 316, 322, Halmaheira, bldz. 305. 
327, 329, 338, 340, 342, 343, 353, Halong, bldz. 386. 
359, 360. Haroekoe, bldz. 253, 293, 297, 299, 


1 Ik heb meestal de wcorden in het Nederlandsch opgenomen, niet in het Engelsch. 
De persoons- en plaatsnamen zijn met gewone letter, andere woorden cursief gedrukt. 


306, 316, 320, 321, 

329, 335, 335, 360. 
Hasil-geld, bldz. 319, 321, 341, 345. 
Hative (Groot), bldz. 336, 338. 
Hatoe, bldz. 295, 335, 341. 
Hayward (Luitenant), bldz. 304. 
Heidenen, blz. 323, 324, 354. 
Helena (St.), bldz. 364. 


322, 324, 32s, 


Hila, bldz. 283, 285, 286, 294, 295, 
298, 300, 301, 302, 303, 304, 505. 
306, 311, 312, 313, 316, 320, 321, 
822, 327, 328, 329, 332, 335, 338. 

Hindoes, bldz. 262, 292. | 

Hitoe, bldz. 292, 293, 294, 295, 296, ; 
298, 299, 300, 301, 302, 303, 304, 
310, 311, 313, 316, 325, 360. 

Hitoelama, bldz. 286, 292, 293, 294, 
299, 300, 316, 335, 339. 

Hoeamoeal, bldz. 524. 

Hoekoenaloe, bldz. 294, 299, 316, 339. 


Hoetoemoeri (Groot-), bldz. 335, 386, 337. 
Holland, zie Nederland. 
Hollandia (Fort), bldz. 289, 
Hongi-tocht , bldz. 332. 
Hoorn (Kaap), bldz. 268. 
Hoorn (Post), bldz. 306, 335. 
Houssman ‘Luitenant), bldz. 282. 
Ibrahim ul Mnekeram (Sultan), bldz. 
804, 305, 306, 309, 310. 
Indië, bldz. 256 ‚261, 262, 326, 347, 362, 363. 
Japan, bldz. 260. 
Java, bldz. 260, 289, 327, 365. » 
Jeraja (Poeloe), bidz. 256. 

Kaap de Goede Hoop, bldz. 270, 319, 320, 
363, 364. 
Kabaoe, bldz. 
Kaffers, bldz. 

Kailalo, bldz. 299, 300, SN. 
Kajeli (Radja van), bldz. 274. 
Kapala soa, bldz. 317, 341. 
Kapitein laoet, bldz. 337. 
Karimon-eilanden, bldz. 267, 268. 


290. 


djs. 
34. 


Kedah, bldz. 257. 
Kew, bldz. 254, 364, 365. 
Kilang, bldz. 317, 335, 336, 338, 343. 


Kisser, bldz. 354. 

Kitches (kitjt), bldz. 269 «Encycl., 
bldz. 487). 

Klerk (Reinier de), bldz. 350. 

Koelor, bldz. 306. 

Koera-koera, bldz. 304, 317, 

Komony, bldz. 33s. 


Iv, 


337, 33%. 


Koromandel, bldz. 255, 272. 273, 290. 
Kraka (Poeloe), bldz. IKB. 


Kwartoe, zie Quarto. 

Kijk-in-de-Pot (Redoute), bldz. 289, 290. 
Labai, bldz. 335. 
Laha, bldz. 294, 


295, 324. 


Lambert (Kupitein), bldz. 276, 291, 
295, 307. 
Lamottu (Luitenant), bldz. 289. 


Lampongs, bldz. 365. 

Larike, bldz. 205, 283, 286, 301, 
316, 320, 321, 332, 335, 338. 

Lassy-hout, bldz. 336 | (Encycl., IT, bldz. 59). 


302, 


Latoehalat, bldz. 835. 336, 338. 
Lennon W. Cr, bldz. 250, 251, 253, 
254, 364, 365. 


_Lilibooi, bldz. 293, 294, 295, 


_Manipa, bldz. 275, 284 


_Mardika (Kampong). 
; Mardika of Mardaheka (Orang), bldz. 


Ley-Timor, bldz. 316, 317, 330. 

Liang, bidz. 316 

296, 298, 
303, 335, 337, 341. 

Lima Negeri) , bidz. 301, 302, 316, 335. 

Loehoe, bldz. 322, 324, 327, 335. 

Loki, bldz. 290, 327. 

Londen, bldz. 365. 

Lontoor, zie Banda (Groot). 

Lucipara, bldz. 269. 

Maba, bldz. 305, 30s. 

Macao, bldz. 258 

Macload (Kapitein), bldz. 291, 293. 

Madoera, bldz. 365. 


Madras, bldz. 250, 254. 265, 266, 269, 
276, 283, 286, 287, 295. 297, 301, 
307, 312, 313. 


Maharadja, bldz. 292. 

Makassar, bldz. 261, 
326, 359. 

Makassaren, bldz. 323, 354. 


272, 213, 277, 


Malabaar, bldz. 255, 290. 
Malaka, bldz. 255. 257--266, 267. 269, 
269, 276, 278, 282, 283, 312, 313. 


or: = 


wid), 
262 

274) 
296. 
325, 


Maleiers en Maleisch, bldz. 
257, 558, 259. 260, 261, 
264, 266, 269, 271, 273, 
277, 278, 291, 292, “95, 
301. 305, 306, 312, 314, 
339, 347, 361. 

_Maleisch Schiereiland, 

Mandhar, bldz. 272. 

Mangala (Pangerang radja), 

Manila, bidz. 268. 


256, 
‚ 263, 
275, 
298, 
380, 
bldz. 


262, 264. 


bldz. 290. 
‚ 293, 316, 322, 
$24. 334, 335, 337, 388. 

bldz. 321, 835. 


321, 323, 341, 312. 

Marinjo, bldz. 318, 357. 

Massanarjoe (Masnatt), bladz. 337. 

Melchedien, bldz. 280. 

Mestiezen, bldz. 322, 354. 

Mindanao, bldz. 361. 

Moerid, bldz. 334. 

Mohammedunen, bldz. 262, 273, 292, 
294, 296, 322, B24, 326, 333, 338, 354. 

Mokka. bidz. 329. 

Molana, bldz. 322. 

Molukken, bldz. 253, 254, 285, 361. 

Monapin (Heuvel), bldz. 269. 

Mooren, bldz. 354. 

Muilh (Kapitein), 283. 

Muntok, bldz. 269. 

Namakali, bldz. 335. 

Nagell (Van), bldz. 364. 

Nanny-hout, bldz. 336 (Eneycl , 
55, 59). 

Nassau, bldz. 365. 

Nassau (Fort), bldz. 259. 

Natoe , bldz. 337. 

Nederburgh, bldz. 261. 

Nederland, Nederlanders en Neder- 
landsch, bldz. 254, 258, 260, 261, 263, 
264, 265, 266, 267. 269, 270, 271, O72, 
273, 274, 276,277, 278, 279, UNO, 281, 
282, JNB, US, 28D, USG, 28% 288, 290, 
291, 292, 293, 295, 296, 297, 29S, 303, 


Il, bldz. 


IETS OVER DE TEBNATAANSCH-HALMAHERASCHE TAALGROEP. 871 


Over het Lòda is gehandeld door M. J. v. Baarda in zijn opstel 
whet Lòdasch in vergelijking met het Galélasch dialect» „ gevolgd 
door #Lòdasche teksten en Verhaleny (Bijdragen tot de taal-, land- 
en volkenkunde van Nederlandsch-Indié, zevende volgreeks, deel 
II). Over het Ibu, Waioli en Tabaru vinden we iets in „Vier 
weken onder de Tabaru en Waioli» door J. Fortgens (Mededeelingen 
vanwege het Nederlandsch Zending-genootschap, 49° deel, 1° stuk). 
Omtrent het Isam, Tòloliku, Madole, Kau, Tugutil, heb 
ik mijzelf voor eenige jaren inlichtingen verschaft, van het Tobélo 
ben ik natuurlijk, als Zendeling der Tobòloreezen, op de hoogte, 
voor het Galéla zie men: M. J. v. Baarda, „Woordenlijst der 
Galélareesche taalr, uitgegeven door het Koninklijk Instituut voor 
taal-, land- en volkenkunde van Nederlandsch-Indië, eveneens: 
v. Dijken en v. Baarda, „Galèlareesche Verhalen en Overleveringen» 
(Bijdragen tot de taal-, land- en volkenkunde van Nederlandsch- 
Indië, zesde volgreeks, deel I). Voor het Ternataansch is de 
eenige, hoewel niet mild vloeiende bron: F. S. A. de Clerq, 
„Bijdragen tot de kennis der Residentie Ternater. Van het Tidoreesch 
is mij niets anders bekend dan de #Woordenlijstr voorkomende in: 
Robide v. d. Aa, „Reizen naar Nederlandsch Nieuw-Guinear. Heél 
betrouwbaar ziet die er nu juist niet uit. De Clerq geeft eene ver- 
betering van eenige door hem als foutief opgemerkte woorden, maar 
ook deze verbeteringen maken de lijst niet betrouwbaar. Het is 
natuurlijk, dat men niet in de Molukken verkeeren kau, zonder 
wel eens Tidoreesch te hooren spreken, want Tidoreesche smeden 
bv. zwerven overal, maar wat men zoo hier en daar opvangt is 
ook niet hetrouwbaar, aangezieu het in den regel gesproken wordt 
door zwervers, die hun moedertaal met allerlei vreemde bestand- 
deelen vermengen. 

Voor zoover ik weet, is heel Noord-Halmahéra taalkundig bekend, 
uitgezonderd het district Tòlofuo op de Noord-Westkust tusschen 
Ibu en Lolodda gelegen. Fortgens spreekt daarvan niet, evenmin 
v. Baarda. Het zou dus kunnen zijn, dat daar nog een dialect 
gesproken wordt, dat ons tot heden onbekend is gebleven, maar 
waarschijnlijk acht ik dit niet. Volgens de overlevering toch, zijn 
de daar wonende lieden, kolonisten of vluchtelingen van de Oost- 
kust, van het oude Tòlo, vandaar den naam Tdlo-fuo #Tòlo 
ma buor kind, voortbrengsel van Tòlo. (Vergelijk Galélareesch 
fuo ~baren”). Wordt daar dus nog een andere taal gesproken, dan 
zal dit toch wel een Tobéloreesch dialect zijn, misschien Tobélo D 


372 IETS OVER DE TERNATAANSCH-HALMAHERASCHE TAALGROEP. 


omdat ook de bewoners van Dodinga herkomstig heeten uit het 
oude Tòlo. 

Van de genoemde dialecten heeft-het Ibu, volgens Fortgens, al 
de minste uitbreiding. Wij zouden zeggen, uit wat door F. mede- 
gedeeld wordt, dat het der verdwijning nabij is, verdrongen door 
Tabaru, Waioli en Ternataansch. De sprekers schijnen ook niet 
tot een bepaalden stam meer te behooren, tenzij dan tot een stam, 
die reeds lang zijn zelfstandigheid verloren heeft en nog steeds 
voortgaat zich in de Tabaru en Wàioli op te lossen. 

De andere talen hebben nog zoo spoedig geen nood van ver- 
dwijnen. Wel is ook het taalgebied van het Isam, Tòloliku, 
Kau, Tugutil, niet groot, maar het wordt door bepaalde stam- 
men gesproken en die verdwijnen zoo spoedig niet. 

Wat het Ternataansch betreft, de op Ternate wonende Ternatanen 
zijn ook niet vele, maar men bedenke, dat die taal ook gebruikt 
wordt door de Ternataansche kolonisten op Halmahèra, die nogal 
talrijk zijn. De Westkust van het Noorder-schiereiland is er mede 
bezaaid. Het is tevens de officieele taal, door de Hoofden gebruikt, 
in het geheele Ternataansche gebied. En dan is het de propaganda- 
taal der Mohamedanen, ook de taal der handelaren en zij dient 
gewoonlijk als verkeerstaal, waar lieden van verschillenden stam 
elkaar ontmoeten. Het gebied van het Ternataansch is dus nogal 
uitgebreid, al was dit ook niet op het kaartje aan te duiden. 

Het Tidoreesch heeft niet veel uitbreiding buiten het eiland 
Tidore. Wel is op Tidoreesch-Halmahéra, het Tidoreesch ook de 
officieele taal, maar, wijl aldaar de Hoofden allen kinderen des 
lands zijn en niet als op Ternataausch gebied, van den stam van 
den Oppervorst, en ook omdat bijna de geheele bevolking den 
Islam heeft aangenomen en daarbij de eigen talen heeft behouden, 
waar verder de ‘Tidoreesche kolonisten, als komende in aanraking 
met een Moslimsche bevolking, niet die reden hadden zich van de 
bevolking af te zonderen, die men op Ternataansch gebied had, en 
eindelijk, wijl op Tidoreesch Halmahèra talen gesproken worden, 
met het Tidoreesch niet taalkundig verwant, zoo is het geen wonder, 
dat het Tidoreesch buiten Tidore niet veel gehoord wordt. De 
bewoners van het eilandje Mare, die ik ontmoet heb, bedienden 
zich er ook van. Van den Tabaru-stam zwerven ook lieden in de 
bosschen van Zuid-Halmahèra en ze zullen natuurlijk hun taal daar 
behouden. Dit zijn echter niet meer dan zwervers en van uitbreiding 
van het taalgebied door hen, kan natuurlijk geen sprake zijn. De 


IETS OVER DE TERNATAANSCH-HALMAHÈRASCHE TAALGROEP. 373 


Tabaru uit het landschap Ibu zijn met die uit de districten 
Djaildlo en Sidangoli van denzelfden stam. Toch schijnt het van 
elkaar afwonen reeds eenig verschil in de taal veroorzaakt te 
hebben, volgens Fortgens, door de wissel- of - vervangwoorden 
ontstaan. Natuurlijk zal dat verschil steeds grooter worden. 

Het Tobdloreesch is onderscheiden in: Tobèlo, Tobòlo- 
Boéng en Tobélo Dodinga. Ofschoon al de Tobèlos ééne taal 
spreken, is toch ook bij hen, door het van elkander verwijderd 
wonen, het gebruik van vervangwoorden, en vooral doordien de 
Kausche en Dodingasche Tobélos meer met andere stammen 
in aanraking kwamen, eenig verschil ontstaan, zij het ook niet 
anders dan dialectisch. 

Het Isam heeft al heel weinig uitbreiding en het Tòloliku nog 
minder. Ik zou dan ook op beiden niet veel acht geslagen hebben, 
ware het niet dat Z. Hooggeleerde, Prof. Kern, mijne aandacht er op 
gevestigd had. Ik meende nl. van al deze talen in het Galéla de 
meest oorspronkelijke te moeten zien, omdat die de grammaticale 
vormen het best heeft bewaard. Daar nu 6n het Tobélo én het 
Lòda, evenals het Tabaru, de meeste woorden één of meer 
lettergrepen langer hebben dan het Galéla, zocht ik naar den regel, 
waarlangs die verlenging plaats heeft. Echter vruchteloos en dus 
wendde ik mij tot Prof. Kern om hulp. Z. Hooggel. was zoo 
vriendelijk mij wel te willen helpen. Hij zeide mij, dat tusschen 
het Galéla met zijn korte woorden en open eindlettergrepen, en 
de andere talen met hun langere woorden en eveneens opene eind- 
lettergrepen, nog een taal moest zijn met gesloten eindlettergrepen, 
aangezien hier gedacht moest worden aan eene neiging om met 
open eindlettergrepen te spreken, zoowel bij de taal met korte, als 
bij die met langere woorden. De één had daartoe de slot-medeklinker 
weggeworpen, de andere klinkers toegevoegd. Nu viel dadelijk mijn - 
aandacht op [sam en Tòloliku, aangezien in beide talen een 
aantal woorden met gesloten eindlettergrepen voorkomen. Ik had ze 
juist daarom als bastaarden en minderwaardigen niet der beschouwing 
waardig gekeurd (aangezien ik meende dat deze talen beslist open 
eindlettergrepen moesten hebben), maar nu bleek mij, hoe verkeerd 
ik in dezen gehandeld had, aangezien nu bepaaldelijk, naar het mij 
voorkomt, deze talen de oudste en meest oorspronkelijke der Hal- 
mahèra-talen moeten geacht worden. De „#[sam# gewoonlijk Pag u 
genoemd, gelden als zeer dom en achterlijk, men vermengt zich 
niet gauw met hen; ze wijken ook in zeden en gewoonten nogal 


374 IETS OVER DE TERNATAANSCH-HALMAHERASCHE 'TAALGROEP. 


af van de omwouende stammen. Daardoor zijn ze wat geisoleerd 
geraakt en aan dat isolement is zeker hun taal-oorspronkelijkheid 
wel te danken. 

Met den 7'dloliku-stam ben ik zeer weinig bekend en ik weet 
dus niet of die in hetzelfde geval verkeert als de Isam-stam, 
maar ik zou het wel denken, aangezien het een klein stammetje 
is, verscholen in het binnenland, waar men haast nooit iets van hoort. 

Het Tugutil moet ook beschouwd worden als eene variant van 
het Zobéelo. De Tugutil-stam is niet groot meer, zoo hij ooit groot 
is geweest. Het zijn binnenlanders die zich slechts met moeite 
tusschen hun veel krachtiger buren, de Tobélos en Madoles hand- 
haven. Men treft ze ook aan in de bosschen op het Noord-Oostelijk 
schiereiland, waar ze hier en daar, een eindweegsch van de kust, 
eenige dorpjes en gehuchtjes hebben. Hun taal onderscheidt zich 
van het Tobèloreesch hoofdzakelijk door de uiterst gerekte, slepende 
uitspraak. Tot die uitspraak draagt zeker bij hun flegma, dat 
bewonderenswaardig is, en het heel veel voorkomen in hun taal 
van de s. Overal waar Tobélo 4 heeft, heeft Tugutil s. De over- 
levering zegt dat de Tugutils, Tobéloreezen zijn, die, toen de 
hoofdstam zich uit het binnenland aan de kust vestigde, na korten 
tijd, door gemakzucht gedreven, terugkeerden naar het binnenland , 
naar hun sagobosschen. Hun taal is voor het minst met die over- 
levering niet in strijd. Hun # zal wel oorspronkelijker zijn dan de 
Tobéloreesche 4, maar hun taal heeft, geïsoleerd van de hoofdtaal, 
het proces dat de s tot A maakte, uiet meegemaakt. Het mag 
eenige verbazing wekken dat in de hierachter gevoegde Woordenlijst 
geen Tugutil-woorden zijn opgenomen, daar ik toch wel in de 
gelegenheid geweest ben mij die te verschaffen, wijl ik heel veel 
met dien stam in aanraking geweest ben. Voor mijn doel, een 
kijkje te geven op de Halmahèra-talen in hun onderling verband, 
was dat ook heel wenschelijk geweest, maar ik heb, van Tugutils 
noolt andere woorden dan Tobéloreesche, met vervauging van de A 
door s hoorende, dat overbodig geacht. Nu spijt mij deze opper- 
vlakkigheid. 

Ook nam ik geen woorden op der Kau-taal; niet omdat die 
zich in uitspraak niet genoeg van de anderen onderscheiden zou, 
maar omdat ik meen dat dit geen eigenlijke taal is, die als voor- 
beeld van taalvorming gelden kan. Hoe toch is het hiermede 
gesteld? Kau, het district, was van oudsher, zeker reeds eenige 
eeuwen lang, de verbanningsplaats van Ternate. De lieden, daarheen 


IETS OVER DE TERNATAANSCH-HALMAHERASCHE TAALGROEP. 375 


verbannen, spraken Ternataansch. Langzamerhand is uit hen eene 
kolonie ontstaan. Ook niet verbannenen zullen zich daar wel bij- 
gevoegd hebben en men heeft zich met de omwonende bevolking 
vermengd. Die omwonende bevolking sprak: Isam, Tòloliku, 
Madole en Tobèlo, en doordien al deze talen met Ternataansch 
door elkaar gemengd zijn, heeft men een wonderlijk allegaartje ge- 
kregen, een mengelmoes van woorden, waarin het Tobèloreesch 
tamelijk sterk domineert, maar dat hoofdzakelijk op Ternataansche 
wijze uitgesproken en uitgedrukt wordt. Men moet het nu wel 
degelijk kennen om het te kunnen verstaan, maar het is toch in 
mijn oog geen oorspronkelijke taal. 

Ik zal nu eerst het Woordenlijstje doen volgen. De volgorde is, 
dat het Isam en Tdloliku voorop komen, omdat ik die twee als 
de meest oorspronkelijke meen te ‘moeten beschouwen en dan 
Galéla, Lòda, Tobélo, Madole, Tabaru, Wàioli, Ibu 
Ternate en Tidore. 

Ik geef van elk wat ik heb kunnen vinden, natuurlijk met uit- 
zondering van Galéla en Tobélo, maar tot eene vergelijkende 
studie tusschen die twee, is dit artikel niet bestemd. 


Nederlandsch. | Isam. 


376 IETS OVER DE TERNATAANSCH-HALMAHERASCHE TAALGROEP. 








| Tololiku. ‘  Galéla. ~ | Lòda. = = Tobélo. 

to ae COT 
1 hoofd saéki ! ‚ saëki _sàhe ! saéki | haëke 
9 neus | ngunung __ngunungu =. ngunu _ngunungu =| ngunungu 
3 haar(hoofd)| béléti + utu-béléti — hutu _utu | utu 
4 eten djom | djom ddo ‚ ddjomo | dÂomo 
5 sterven . sÒneng _ sòneng sdne sonénge ‚ honénge 
6 vor ® ' ngauku ' ngauku ngau __ngauku | ngauku 
7 twee * | modidi | lomodidi sindto | sindto | hindto 
8 drie ‚ woange , lomoange saànge ‚ djange | hange 
9 vier ‚ loata | loat iha _ djoata | lata 
10 vijf ‚_ motòa | motda motòha motoa ‚ motoa 
11 tien | mogio | mogiòk: mogiowo mogiòko . ngimol 
12 twintig | monalok | monala monohalo = monaloko ==, monaoko 
13 voet _ jou | jou dòhu ‚djöu | Adu 
14 lichaam lois ® ' Jdis rohe ròëse ' ròëhe 
15 kind ngòak | ngòak ngòpa ngòaka _ ngdhaka :° 


t De uitgangen 7 en e zijn wisselend. Het is soms moeilijk uit te maken, of 


men een 2 dan wel een e hoort, aangezien de # overgaande is in een e. Men 
zie hiervoor bv. het Galelareesch. In de vroeger uitgegeven werken staat daar 
op veel plaatsen een 7, als sidng?z, tupäàngi, waar de Heer v. Baarda: nu 
schrijft: säànge, tupäànge. Men zal vroeger wel niet foutief gehoord hebben, 
maar het proces der overgang zal zich in den loop der jaren voltrokken hebben. 
Dit geheel afwijkende woord, zeker door woordverwisseling ontstaan, weet ik 
niet te verklaren. 

Robide v. der Aa geeft hier op ngun, maar ik ben zoo vrij geweest de eind-s 
er bij te voegen. Het Tidoreesch heeft toch geen gesloten uitgangen voor zoo- 
ver mij bekend 1s. 

Dit is hier te beschouwen als eene afwijking door het gebruik van vervang- 
woordeu ontstaan. Zoo hebben Tob. B en D tadauru. Béléti beteekent haar- 
wrong en ho ma tadauru beteekent: het haar opmaken, dus: tadauru= 
haartooi. Van het Ibu: duliwa, weet ik de herkomst niet, maar het zal ook 
wel een wisselwoord zijn. 


5 Het is natuurlijk mogelijk dat dit woord een & in de eerste lettergreep heeft, 


evenals dit voorkomt op N° 14, eu men zou dan moeten aannemen dat W aioli 
de neiging heeft, de ò door een ¢ te vervangen, maar met de weinige ge- 
gevens is dit niet vast te stellen. Daar Fortgens echter zijn artikel niet zelf 
gecorrigeerd heeft, komt het mij voor dat wij hier met drukfouten te doen 
hebben en een 6 de plaats der 6 vervangen moet. 

Analoog aan andere woorden zou [sam-Taloliku hier ngauk moeten hebben, 
en niet ngauku, en ik ben er ook niet geheel verzekerd van dat zij dit 
niet hebben; bij het onderzoek toch, dat ik naar die talen instelde, heb ik 


IETS OVER DE TERNATAANSCH-HALMAHERASCHE TAALGROEP. 377 


Madole. Tabaru. Waioli. Ibu. __ Ternate. «Tidore. 





hai saéke sa'e _ sae dopòlo ? | dofòlo 
ngunu ugununu ngunungu nununu ngunu ' ngunu 3 
utu utu utu duliwa hutu ' hutu 
odomo Òdomo Òromo dlomo oko Ojo 
honénge songéne séngéne 5 sonéne sone sone 
ngau’u ngauku ngau'u nau , ngau __ngawu ? 
modidi modidi romodidi , lomodidi' |: romdidi ma lòfo 
saduge saànge roange _ lane | raange | range 
soata soata rata ’ loata | raha | raha 
motòa | motòa ‚_romotòa lomotdala | romtòha romtoha 
ngimoi | mogiòko _njàgimoi njagimol njàgimol __njàgimol 
monao’'o | monaoko _ njdgi romdidi njagi-lomodidi! njàgi romdidi njàgi ma lòfo 
döu | dou rou - lou hohu johu 
roéhe ròëse lése 5 lòëse badan badan 
ngoa | ngdaka _ ngd’a’a noa ngòfa ngòfa 


niet in de eerste plaats hierop gelet; aangezien ik toen meende dat alle 
Halmahèra-talen alleen woorden met open uitgang kenden, heb ik wellicht die 
uitgang wel eens gemeend te hooren, ook waar duidelijk een geslotene uit- 
gesproken werd. 

7 Robide v. d. Aa geeft hier ook op ngaan, maar dat is zeker foutief. 

8 Het is merkwaardig dat Gal., Lòd. en Tob. hier een ander woord hebben. Of 
het als een vervangwoord te beschouwen is? Het causative voorvoegsel si, hi 
zou het doen denken, maar ik weet het tot heden toch niet te verklaren, òf 
het zou moeten komen van den stam dto, ddto, = indringen, in tweeën deelen. 
Mogelijk is het, maar ik geef het slechts als een veronderstelling. De andere 
woorden geven wellicht de tweeheid aan door de verdubbeling van den 
wortel di. Het voorgeplaatste lòmo, mo, ro, ròm, komt heel veel voor de 
telwoorden in deze groep voor. Lòmo zal wel het oorspronkelijke zijn, want 
het beteekent : verzamelen, bij elkaar brengen, bij elkaar komen. Het Tidoreesch 
ma-lòfo is een wisselwoord: Het beteekent Ternataansch ook: beiden, elk, 
omtrent. De overgang is dus niet moeilijk. De telwoorden van deze groep zijn 
zoo eigenaardig, dat het zich zeker zeer loonen zal, te trachten die alle te 
verzamelen en er dan een aparte beschouwing over te schrijven. 

9 Men zie omtrent de 61 hier, waar de andere talen òë hebben, het reeds onder 

l opgemerkte, omtrent z en e als uitgangsletters. Hetzelfde geldt ook hier. 

Oorspronkelijk zal het wel overal òi geweest zijn. Bij de Tobélos is het verschil 

tusschen beiden nog zoo gering, dat men het dikwerf alleen opmerkt, wanneer 

men de woorden door inianders laat opschrijven. 

Tobèlo B heeft hier ngd/aka, Tob. D zelfs een enkele maal ngdsaka, en ook 

het Tugutil heeft de laatste uitspraak. 


1¢ 


378 IETS OVER DE 'TERNATAANSCH-HALMAHERASCHE TAALGROEP. 


Lòda. 


ae en ee a 


Ds 
Isam. __Tòloliku. 


Tobélo. 


Nederlandsch. | 

| | | | | 
ee en een | el 
16 hond kaso | kaso | kaso kaso kaho. 
17 water | akél _ ake | Ake àkëre Akére 
18 prauw «jt _òti deru '3 deru | ngotiri 
19 visch naudko nauk - nauo nadko ' naudko 
20 huis . wola _ wòla | tahu '4 _wòla | tau '4 
21 hout | gota ___ gòta gota | gota | gota 
22 jongeling "| ugale-ngale | ngale-ngale | gòhiduru | goduru _goduru 
28 zitten __gògële _ kébok !6 _ tamié gogére gògëruku 


11 


12 
13 


Omtrent deze afwijkingen van het zeer algemeen voorkomende àso wat 
Dr. N. Adriani zoo welwillend mij de volgende inlichtingen te geven: 

„Het Waioli en Ibu kauna zhondr is hetzelfde woord als het Gorontalcesch 
vapula. Het Gor. verliest nl. de & en maakt de » tot /. De volledige vorn 
nvan het woord is kapuna. In de taal van Tawaili (aan de Oostkust de: 
„Paloe-baai, tegenover Donggala) beteekent het woord vkrokodily, in he 
„Beutenansch en Siaoesch vhond. In al deze drie talen is de vorm 
ykapuna. Uit het Goront. zal dus kanna wel niet stammen, eerder uit he 
„Benten. of Siaoesch, want het Tawailisch is natuurlijk geheel uitgesloten 
„Maar ge ziet, dat het in talen voorkomt, die ver uit elkaar liggen. Bente 
mansch en Siaoesch zijn nauw verwant, maar hoe komt het Tawailisch er aan. 
ven dan in die afwijkende beteekenis van rkrokodilr? Was dit de oorspronkelijke 
„beteekenis, dan zou ik kapuna willen afleiden van pu (pue, pua, émpna, 
vémpunja, punja) vheer, eigenaary; kapu: vheerschapy, kapuna: „zijt 
„heerschap, zijn Hoogheidr, dus een titel om het gevreesde monster te eeren. 
“Maar Gor., Benten., Siaoe, Waioli en Ibu, hebben allen vhond» en de 
„krokodil is het huisdier (rde hond») der watergeesten. Men kan dus eerde 
„overgang van beteekenis van „honds in zkrokodilr, dan van ~krokodils 
vin „honds aannemen. Maar is de boven aangegeven afleiding juist, dat 
nmoet vkrokodilv de oorspronkelijke beteekenis zijn, want dat de vhond» ver 
neerd wordt, weet ik van nergens, integendeel, ik heb de inlanders hu: 
„honden altijd met heel weinig respect zien behandelen.» 

Dit is natuurlijk een vervangwoord, vergel. Javaansch banju vwaterv. 

Het komt mij voor, dat deze woorden als vervangwoorden te beschouwen zijn. 
afgeleid van téru vzitteny, „datgene waarin men op het water zity dus. Aller 
toch hebben het woord vdti, dtil, òtirr. Het zou kunnen zijn dat dit hetzelfde 
is als tòtir vop de armen dragen”, zooals men een kind op beide armen voo 
het lichaam draagt, ngo zou afkorting kunnen zijn van ngöot, ngòlot „zeer 
(zie N° 94), en men komt dan tot: rdatgene waarin men op zee gedragen wordts 
Deze woorden zijn natuurlijk als vervangwoorden te beschouwen. Het Gal. heef 
nog pòla vrijstschuury, maar het Tob. heeft het woord heelemaal niet. Hel 
Tob. B en D gebruikt fàla, maar het Tugutil heeft tau. Waarom fàla ver 
laten werd, is niet meer te zeggen. Vanwaar tàhu, tau? Men heeft daha 
dau, ~benedeny en dus zou kunnen ~tahu, taur rdatgene waar men beneden, 


IETS OVER DE TERNATAANSCH-HALMAHERASCHE ''AALGROEP. 379 


Madole. Tabaru. Waiolli. Ibu. _ Ternate. Tidore. 
| | | 

OO ee nn 
aho | kaso ‚ kauna 1! kauna kaso | kaso 

; aéle _ akére _bànjo!? banjo ake Ake 
ngootili | ngdotin oti notili _ oti oti 

| nau’o ~ naoko nja’o nauo | njau njau 
woa ‚_woa _ wòla wòla | fala fola 
gota _gòta  àte _ gòtala hàte _hàte 

… ngale-ngale dugüuru _ tubaie »  tubaie _ngongare __ngongare 

‚_gògëléu gogére _ téru gogéle tego 


onder is”, maar van dergelijke vorming zijn mij geen andere voorbeelden 
bekend. Het Gal. heeft echter o uku pa tahu, het Tob. o uku ha tau vhet 
vuur opbouwen, aanmakeny, en dus zou beter kunnen: tahu, tau, rde plaats 
waar men het vuur aanmaakt,, ergo vhet huis”, want wel heeft men zu 
aparte keukens, maar men behoeft maar eens bij de boschbewoners op bezoek 
te gaan, om te zien dat dit niet altijd zoo geweest is. 

De woorden ngale-ngale, (Isam, Tolol, Madole) en ngongare. (Tern. 
Tidore) kunnen natuurlijk dezelfde zijn , beide reduplicaties van ngale-ngare, of 
van ale-are. Ook Tob. B. heeft „ngale-ngaler. Het zou kunnen komen van 
ale vringy, dus de ringendrager” (jongelingen zijn daar in den regel nogal 
mee versierd) beteekenen, maar ook wel van ngale vreden, oorzaaky, dus 
„die reden geven kan, zich verantwoorden kan, mondig is, geen kind meer Isr. 
Gal., Lod. en Tob. hebben go ~-frisch, jong, groen , versch», düuru rna, 
achter, achteraan, daarnar, dus rde leeftijd volgende op de kindschheidr. 
Tab. dugiiuru zal ook wel dat beteekenen. Maar Waioli en [bu wijken geheel 
af. Omtrent het woord „tubaier was Dr. N. Adriani zoo vriendelijk mij het 
volgende te schrijven : 

„Het bestanddeel tú kan het honorifieke tu zijn, dat voorkomt in Bare'e 
„tukaba woudere broer of zusters. Tontenboansch- Sangir tuarì „jongere 
„broer of zusters, Bare'e tua ma rmanur. „Baier kan het bestanddeel wane 
vaijn uit Makassaansch worowane „maur, Sang.: mahuane vid.» Bente- 
mansch mohanei vid.v alle drie meervoudsvormen. Men moet zich dan als 
„grondvorm bane of wane denken, dit zal wel identifiek zijn met Jav., Bar. 
„wani, Mal. bérani, Minah. waranei rdappers. Dus: wanei, wane, 
“bane, balo (Bar. ~vriendy), baie, met het beleefde tu, tubaie, zooveel 
vals: „geëerde dapperen. 

Met dit woord weet ik geen raad. Het past weinig in de rij. Het is echter 
mogelijk, dat het, het eigenlijke woord zitten is, aangezien de andere woorden © 
dit alleen als afgeleide beteekenis hebben. Gdgéle-gdgére beteekent „verblijven, 
woneny en men voegt er het achtervoegsel uku, ku, u „benedenwaarts aan 
toe, om er zitten van te maken. Gal. tamié, komt van tami /zetteny en 
wordt gevormd met het achtervoegsel 16 vomhoogy, omdat men zich op de 
banken zet; het Gal. kent ook: gògeku vzich neerzetteny. Waioli téru is 
gelijk aan Tob. B en D, die dit ook hebben, ook het Tabaru kent dit, want 


380 IETS OVER DE TERNA'TAANSOCH-HALMAHERASCHE TAALGROEP. 


eee ee ee ee ee eee aa 





Nederlandsch.; _ Isam. Tololiku. | Galéle. | Lòda. | Tobèlo 
co 

24 veel lépe 17 | lèpe dala ngoe woe 

25 zwart kokòtu | kokdtu taro | taromo daromo 

26 maagd ‚ mosodles mosòlis djodjaru'® « djodjaru mohdléhe 
27 pinang | mòkulu | mòkul déna 2° ‚_mòkuru mòkuru 
28 instappen palen | pale | pane | waréne haréne 2! 
29 groot ; lamok | lamok | lamo lamoko amoko 

30 kapmes 25 | dia | dia tiiito tipu dia 

31 mes 23 dia ma ji dia ma itji diha | dia gakana 

82 huid | kai | kai | kahi | Kai | kai 

83 lui | busulu | buséngi | buséngi tuhuduku | tébétéru 25 
84 werken _ ménalan _ monalan | manara manarama | manarama 
85 vrouw ngéwéka | ngéwéka ' ngopédéka ngowédjéka | ngoheka 2§ 
36 echtgenoote | wékat _ wekat | pédéka wédjéka ' hekata 2° 
87 man | naulu __nauro | janau | nauru _ nauru 

38 echtgenoot | lòkat lòkat ròka ròkata | rokata 

39 krokodil gosòmàng gosòma | gosoma | gosÒmànga + gohdmanga 


17 


18 


ik vond vdédéruy „banks, vdat waar men op zitr dus. Ook dit ~téru” heeft 
echter de beteekenis vzetten, leggen, neerkomen”. Ternat. tego, beteekent 
Tobel. ~het zitten van een vogel op een tak» een bepaald soort zitten dus. 
Hee! onmogelijk vind ik het dus niet, dat tegenover al deze afgeleide he- 
teekenisseu, het Tòloliku vkébdk~, vzitteny beteekent in eerste instantie. 
Vergelijk Mal. limpah vovervloedigy. 

Men heeft Gal. en Tob. (misschien ook in de andere talen) tofu zhoops ino 
bòro, o gòhi ma tòfu: veierenhoopy door de boschkip opgeworpen. Dit zal 
wel hetzelfde zijn. De veelheid der eieren der boschkip heeft dan tot de 
beteekenis „veels gebracht. 

Het komt mij voor, dat dit niet het oorspronkelijke woord is. Het woord wordt 
ook in het Ambonsche gebruikt, maar wellicht door invloed van Ternate. In 
Gal. en Tob. heeft men djaru als beleefile naam, waarmede kinderen hunner 
Moeder jougste zuster aanspreken, en ook wel in het algemeen vrouwen die 
ouder zijn dan zijzelve. Hieruit zou het woord ontstaan kunnen zijn „djodjarur 
„degene die altijd als djaru aangesproken of benoemd wordtr, of: de redu- 
plicatie der eerste lettergreep eeu verkleinwoord vormende, en dus een lief- 
kozingsnaam: djaru-djodjaru „vrouw, vrouwtjer. Aangezien in het Gal. het 
woord hòle bilnaad, de poort tusschen de beenen” beteekent, zou dit reeds 
de verdwijning van het woord in zijn beteekenis »maagdy genoegzaam 
verklaren. 

déna-héna is in andere talen ~jonge pinangr. Toch is het niet onmogelijk dat 
dit het rechte woord is voor den boom, daar mòkul, mòkur zoowel het 
pinangkauwen aanduidt, als pinang boom en vrucht daarvan. 


eee ee ee ee 6 ee eS ee OC —— eee 


| | 
Madole. | Tabaru. | Waioli. Ibu. | Ternate. Tidore. 
lee 

lépe gudai répe ‚ lèpe dòfu '§ | 

taromo taromo kokòtu’u kokòtu | 

hòlëéhe | djodjaru mosòlëse _mosòlëse djodjaru | 

éna’a mòkuru mòudu ‚ mò'ulu héna | 

baléne paréne paléne ' paléne fane | 

amo'o amoko lamo’o | kéla °? lamo | 

dia wase wasére ' , aséle peda 

waàda | dari | tjitji 

‘ai kai | ahi ahi 

tudu’u tüuduku | busuru | buseng 

diai 2° | manarama — bénjétoro 7? golaha 2 

ngéwe’a i ngéweka | wéré’a *® ‚_ngofeka | fofoja 

we'ata | wekata wéré’a 30 foheka | 

nauru | | __nonau _nonau 

d’ata | | ràka | 

gohòmànga gosòmànga _sàmana *! sàma | 

21 Het Tob. B en D heeft -farénev. 

22 Volgens Dr. N.. Adriani zou dit woord hetzelfde kunnen zijn als Gorontaleesch 
ea of eja: „Heer, Vrouwer. Dit woord kan staan voor kea, daar het Goront. 
de & wegwerpt, en keja kan gelijk zijn aan kèla, daar het Goront. de / 
wegwerpt, en de 7 uit de Z ontstaan kan zijn. 

23 Het verschil in namen dezer gereedschappen zal wel ontstaan zijn, doordien 
elk het overnam met den naam, van verschillende volken. 

24 Klein kapmes. 

25 Tob. B en D hebben düuru rde laatste zijn, achteraankomenr. 

26 Deze woorden beteekenen „doen, maken”, en komen natuurlijk ook in de 
andere talen voor. Of manara in het Madole en Ternate bepaaldelijk niet 
gebruikt wordt, weet ik niet. 

27 Dit woord zou kunnen komen van tèto, tètöro ~fijn hakken, fijn kappenv. 

28 Tob. B en D hebben hier ngofeka. 

29 Tob. B en D hebben hier fekata. 

30 Aangezien deze twee begrippen in geen der talen door ‘tzelfde woord weer- 
gegeven worden, zou ik hier haast aan een fout denken. 

41 Dit woord en het Tern. sàma zullen wel vervangwoorden zijn. Het Tobél. 


IETS OVER DE TERNATAANSCH-HALMAHERASCHE TAALGROEP. 381 











heeft zhàmanar, uitlegger van de prauw. De vormovereenkomst tusschen 
krokodil en prauwuitlegger is nogal groot, en het is geen wonder, dat men 
zoo'n gevreesd monster liever niet riep, door het bij zijn eigenlijken naam 
te noemen. 


382 IETS OVER DE TERNATAANSCH-HALMAHERASCHE TAALGROEP. 


Galéla. 








Nederlandsch.' Isam. ' Tòloliku. Lòda. | Tobélo. 
| 

Co ee TT TT En 
40 weigeren | dluk | dluk ‚ hòlu | hòluku | dluku 
41 ingaan nòsàm | wosam | wosa | wosama | wohama 
42 naam | lomang | ronga ' romanga | romanga 
43 huwen | aka | yak 22 _ moddka _ modjòka ; moddka 
44 wonden nabo | nabu dabo _ djabo ! Aabo 
45 zeggen témo _tèmo _ témo _ témo i ato +3 
46 verspreiden , balis | gisal biau | biauru | barihi *4 
47 slaapbank , dangil | dangil _dàngi dangiri | dangiri 
48 binden | piliku | piliku _ piliku _ pilikuru ~ Aikutu 
49 weten | nako __nàko ' nako nako ‚ nako 37 
50 wit | . | are ' arése _aröhe 
51 traan | ‚ kòngo kòngo | kòngö 
52 dorp 39 | SOA _soano SOA _ soana ‚ hoana 
53 spijze ino - Inomo i Inomo 
54 voorbij | pasa pasala | paha 
55 breken | polòte ‚ polòtëke | podtéke 
56 halen êje | dèhe _djè dè 
57 staart | __pego #3 | bikini _ bikini 


32 Hier zijn eigenlijk twee woorden: ijak, ijaka, Gal. ija, Tob. idaka, 
Tern. kai, dat meer het huwelijk als geslachtsgemeenschap aanduidt, en 
moddka, dat »schoondochtery beteekent, beleefder is en de zaak meer in het 
familie-verband beschouwt. . 


23 In het Tob. beteekent témo: ~spreken, geluid geveny, maar niet vzeggens. 
Of dit ook zoo is in het Watoli en Ternataansch, weet ik niet. Ook heeft het 
Tob. nog ade-ade wvertellen, redevoereny, dat dus correspondeert met 
Waioli adjéle, Tern. wadje. 


34 Het Tob. vbarihiv wordt niet veel in dezen zin gebruikt, men gebruikt 
vperinganay. Ik heb het echter gegeven om des woords wille. 


35 Ik ben niet zeker of dit woord ook rslaapbanks„ beduidt, wel »banky. Daar 
echter oorspronkelijk het gebruik van ~slaapbank en ~bank~ hetzelfde was en 
men in Gal. en Tob. voor ~banky „bàkor gebruikt, een verbastering van het 
Hollandsche ~bank~, zal Waioli ook wel vslaapbanky en „banks door ’t zelfde 
woord aangeduid worden. Natuurlijk komen dédéru en dego-dego van 
tèru en tego vzitteny, vergel. N° 23. 


36 Dit is zeker een vervangwoord. Gal. heeft busu, Tobél. buhuku riets wat 
men neerlegt behoorlijk tegen elkaar doen inloopen, zoodat het goed om of 
bij elkaar pasty, dus „één geheel vormt~. Deze gedachte zal wel tot het ver- 
vangwoord voor „bindenz gebracht hebben. 


IETS OVER DE TERNATAANSCH-HALMAHERASOHE TAALGROEP. 3838 








: — 
Ternate. Tidore. 











Madole. Tabaru. Waioli. Ibu. 
| 
òlu'u dluku | odu’u hòdu 
ohama wòsama wòsa 
rònga lomanga | nolama ronga 
modò’a modòka moloara kai 
dabo dabo njaboto njabo 
témo témo adjéle | wadje 
barisi piàkoro | pia’olo fiaro 
dangiri dédéru 35 dégo-dégo 
hikitu pusuku ** pinji’u | | podiku 
nà'o nako | Waro | | waro 
arése | budana *8 _  budo budo 
kòngoro Òngoro | Òngo 
soano soana | $08 soa 
inomo ' 6to’o #9 | ngogu 41 
pasaka | pasala palisi 
| pöòtëke | paporo *? poldte | 
ése _ oro oro 
bikini | di’imi biki bit 





37 Het Tob. B en D heeft nog wàhu voor ‘tzelfde begrip, het Gal. heeft wàsu, 
met een beetje gewijzigde beteekenis. Dit zal dus wel ’t zelfde zijn als „walo, 
waror. Het woord nàko kan dan in die talen verloren gegaan of vervangen 
zijn, aangezien wàhu, wàsu, waro, walo, niet volkomen ’t zelfde be- 
teekenen als nàko. 


38 Tk denk dat are ‘t oorspronkelijk woord voor „wits is en budo meer /blank» 
beduidt. Men zegt het ook Gal., Tob., voor ~blanky van een mensch. 


39 Het woord beteekent ~stamdorp”, niet #vestigingsplaats”. Daarvoor heeft men 
Gal. dòku, Tob. béréra, Tern. gàmu etc. 


+0 Dit is een vervangwoord: kétoko, in andere talen »sago, sagobroodjer, een 
soort spijze dus. 


41 Dit woord zou kunnen komen van Gal. ogu wsnijden» en dan beteekenen 
whet gesnedene, het mondklaar gemaakte, het toebereider. 


+2 Dit is weer een vervangwoord, in het Tobél. beteekenend : kneuzen, brijzelen, 
afbreken van bladeren, etc. 


43 Pego is natuurlijk een vervangwoord, misschien ontstaan uit peko, Gal. ver 
iets omheen slaan, de beenen over elkaar of om een boom, dus, datgene wat 
het dier om zijn lichaam slaat, of wat de buidelrat om den boomtak slaatr ; 
geen dier toch gebruikt zijn lange staart zoo als de buidelrat, om die om 
een tak te slaan. 


384 IETS OVER. DE TERNATAANSCH-HALMAHERASCHE TAALGROEP. 


7 TE TT 7 TOT OE! . . rn Ca EE ro oS La = 








Nederlandsch. Isam. ‘Tloliku. — Galéla. | Lida. : Tobdélo. 
a | Ld 

58 sarong | balon hs balon baro E barono ngòëre *+ 
59 arenpalm | daluk _ daluk | lébéno +5 daluku hepata *5 
60 zoet ' mutit __mutit | muti mutiti mutiti 

61 drek 10k | loko | iho ihoko idko 

62 komen sapom +6 | sapoug ‚_bola suwutu | boa 

63 koopen : tibok ' tibd | idja +? | tugala*® |< idja 

64 verkoopen _ ukunu | ukun ' slidja 5° | wukunu ' hukunu 5! 
65 tuin ' Ièdi 52 _lèdi dòro | dòro rédi 

66 rijst bila 53 ' bila tamo ‚j bira pine 

67 tong _àkili | àkil lade 54 | akiri 

68 vleesch — lakime lakim lake | lakéme | Akémi 

69 ster nhgangama | ngangama ngoma - ngoma murumu * 


44 Ngòëre is een vervangwoord, gevormd van woére viets uithangen, iets t 


de 
= 


drogen hangen, en vandaar ngòëre, „dat wat men uit- of omhangtr 
Het woord balon, baro, beteekent waarschijnlijk de boomsoort, waarvan mei 
de boombast-bekleeding maakte, evenals men nu nog bij de Tobéloreezen di 
kleeding eenvoudig naar den boom benoemt, waarvan men die krijgt. D 
Tobèloreezen zouden dan vindingrijker geweest zijn dan de anderen, aaugezie: 
zij aan het nieuwe ook een nieuwen naam gaven. Het Waioli kài-là’a, kar 
zijn vkain-làhar ~goede kain, waarmede men dan het katoenen kleed aan. 
duidt, in tegenstelling van dat van boombast. Zoo zegt men ook op Papoes 
„goed zeilr tegen een katoenen of linnen zeil, in tegenoverstelling van eer 
gevlochten zeil, zooals men die ook nog gebruikt. Goed heeft dan de 
beteekenis kostbaars. 

Dit zijn bepaaldelijk woorden die den boom aanduiden; daluk-dalu duidt 
het sap aan, de palmwijn; ook het Gal., Tobèl., Tern. heeft daarvoor. rdalu 
daluku, dalu. Men gebruikt ook nog hetzelfde woord om /dronken aar 
te duiden, dus denk ik, dat die naam wel oorspronkelijk het „saps aangeduic 
zal hebben en vandaar op den door het drinken ontstanen toestand en op der 
boom overging. De boom zal wel in elke taal een eigen naam gehad hebben 
maar die zal door dien van het sap verdrongen zijn. Het Tern. seho word 
ook in de Minahassa gebruikt, naar ik meen. 

Ik denk dat dit het oudste woord is. De Tugutils hebben ook sàpòngo, de 
Tobèl. kennen ook nog: hàpongo, Gal. heeft sàpo, rdoordringen, diepet 
indringen dan de oppervlakter, 't geen dus ook eenigszins op deze lijn ligt, 
Zou het mogelijk zijn dat boa ontstaan is uit poàk, poa, overstroomen, 
storten, overvloeien? Of wel uit poak-poaka, schreeuwen, en duiden op 
het geschreeuw dat wellicht aangeheven is bij het aankomen, het terugkomen 
van krijgstochten, toen men eenmaal aan zee woonde? Het is maar eene ver- 
onderstelling van mij. Met het Lod. suwutu weet ik geen raad. 


+7 Deze woorden beteekenen zoowel koopprijs als kooper en men vraagt zich dus 


IETS OVER DE TERNATAANSCH-HALMAHERASCHE TAALGROEP. 385 





Madole. | Tabaru. _  Waioh. | Ibu. _ Ternate. Tidore. 

| | | 

bà'uno | barono | kaila’a | , | baro | 

dalu’u ‚_ daluku | djadu’u | _seho *5 | 

mutili | mutiti | | | 

10’0 | iko | | iho 

boa | boa | 

gò’o #9 | idja | | | idja 

u'unu | | | fuku | 

dumule | bairi | | gura | 

pine | bira | | | bira | bira 

hiàhiri ‚ Asi-Asini | | aki 

4’Emi _àkëme | | | 


ngangama. | ngòma | ; ngoma 
af, of niet tibok, tib6, verloren gegaan is. Het er mee correspondeerende 
woord in het Tobél. tiboko, beteekent »zwemmen, , dus heeft er niets meer van. 

+8 Vergelijk Mal. tukar. 

+9 Het Tob. heeft een veel gebruikt vervangwoord „gòkor, dat het hoofdwoord 
bijna verdrongen heeft. In het Madòle schijnt dit reeds heelemaal het geval 
te zijn. 

50 Het Gal. is hier armer dan de anderen, aangezien het een causative vorm van 
mdjav, „koopenr, gebruikt. 

51 Tob. B. en D. heeft fukunu. | 

52 Zoowel lédi, rédi, als dumule en bairi, komen van woorden die be- 
teekenen : wieden, schoonmaken, gelijk afhakken ; dòro is: „wat stil is, wat 
vlak is, een straat in zee, een doorgang tusschen de klippen. Ook kan zijn, 
dat gedacht is aan de open plek tusschen de koraalrotsen, die zulk een dòro 
in zee vormt en de open plek in het bosch die de ddro-vtuiny in het bosch 
vormt. Het Tern. gura beteekent: een plek, die zich van het andere onder- 
scheidt: een alleen staand groepje boomen, een eiland in zee, een open plek 
in het bosch en vandaar dus ztuinz. 

53 Bila, bira, zal wel het oorspronkelijke woord zijn. De anderen toch hebben 
een bijbeteekenis, het Gal. tamo, beteekent Tob. reen soort potten waarin 
men de rijst kookt bij feestelijke gelegenheden. Tob., Mad. pine, is gelijk- 
luidend met Tern. fine rzaadr, vergel. Mal. bénih, en ziet dus op het zaad, 
de korrel. Tob. B. en D. heeft ook „birar. Het is geen wonder dat men rijst, 
die zoo licht schrikt, niet met den eigen naam benoemde. 

54 Dit lade is hetzelfde als lade rlikkenr, Tob. a eme en dus daarvan afgeleid. 
Mad. hiàhiri, Tabar. Ààsi-àsiri komt van Gal. dasi, Toh. Aàhiri „slikken 
en is dus daarvan afgeleid, zoodat wel àkil als het oorspronkelijke woord be- 
schouwd kan worden. 

55 Van dit woord ken ik de afleiding niet. Het is kennelijk een vervangwoord en 
zal wel een of andere ster of sterrenbeeld aangeduid hebben. 

17° Volgr. VI. 26 


386 IETS OVER DE TERNATAANSCH-HALMAHERASCHE TAALGROEP. 








Nederlandsch. | Isam __Tdloliku. | _ Galéla. | Lòda. 
nn nn 
70 kikvorsch | padék ; pédéke 
71 slecht 5° tila __dida ‚_torou torou 
72 zoeken 5? salik sali | sari nònu 
73 moeder °§ òla ‚_eila | awa ina 
74 vader eja | eija | bàba ama 
75 broek tjalana | tjelana | tjalana | 
76 braken nguneng | nguneng | ngunu 
17 steken topak | tòpok | tòpo tdpoko 
78 steen mamalin | mamaling tèto 6 sëleo 
79 droog dudung dudung dudu dudungu 
80 bloem sajal sajal léru 6? dòpo 6% 
81 regen bésak °° basa miiura | 
82 hand giam giam gia giama 


56 Hier zijn kennelijk twee grondwoorden, ira-ila en toröu, die ik niet 
tot één weet te brengen, ira komt nog voor in het Gal. als wstijf, ver- 
stijfd» van eenig lichaamsdeel, dus wel met dezelfde beteekenis zoowat. 
Het zou dus kunnen zijn, dat dit het oorspronkelijk woord is en toröu 
een vervangwoord. Men heeft nog ròhu-ròfu, iets snel doen, haastig 
doen. afroffelen, knoeien, vandaar zou kunnen tordhu, zhet afge 
knoeide, het slordig gemaakte, het slechter, tordhu-tordfu kon worden 
toröu, door afslijting. Dit is echter niet meer dan een veronderstelling. 

57 Tabar., Ibu, heeft ook sariki. Voor dit salik, sari, vergel. Mal. tjari, 
daar deze talen de neiging hebben een tj met een s-klank uit te spreken. 
Lod. nònu kan hetzelfde woord zijn als Tobel. nònu ween weg inslaans 
en gedacht kan dan zijn aan het aarzelende, zoekende, bij het inslaan 
van een weg in het bosch. Of misschien Tob. lingiri en Tob., Tern. 
tike. ‘tzelfde woord zou kunnen zijn? 

58 Het Madol., Tabar. èsa ~moeder” beteekent Gal. ~wijfjesvarken, zeug? 
en Madol. dea rvaderr, is Tobel. Aea vvaders broeder. 

59 Merkwaardig is dat Tob. hier haluéra (vergel. Mal. saluar) heeft. Ver 
klaard wordt het echter doordet tjalana Tob. zou worden tjäans, 
het woord dat het telwoord rduizendrs aanduidt. Het Tob. B. en D. 
heeft ook werkelijk voor broek tjäana, maar voor duizend ribuha, 
vergel. Mal. ribus. 

60 Dit zal wel een vervangwoord zijn, want het woord beteekent in het 
Tob. leem, een overgang tusschen zand en steen, zooals men dat veel 
vindt in rivierbeddingen. Daar nu de grond om het meer van Galédls 
daar grootendeels uit bestaat, is het geen wonder, dat men de tèto, het 
n\eem» waarop men woonde, als grond ging beschouwen en door rtétor 
een harder substantie aanduidde, dus vsteenr. Het Gal. heeft echter voor: 
rivier séléra, een woord dat geen der anderen hebben. Allen gebruiken 


IETS OVER DE TERNA'TAANSCH-HALMAHERASCHE TAALGROEP. 387 





lo. | Madole | Tabaru | Ternate. Tidore. 
| | | 
bke : popadé’e popadéke | 
tika’u | dorou ‚ira 
kali’ tike tike 
| sn 638 aja 
dea bàba 
a 5? sa’ana tja‘ana tjalana 
ge wunénge ngunana 
tdpo’o : tdpo tòfo 
) seleo mare mare 
gu dudungo dtu 6! ringa 
ina ®+ | pa'e 65 saja saja 
béha | | bòsa bòha 
giam | | gis gia 


er, groot water” en dergelijke. Nu kan echter séléra wel hetzelfde 
rd zijn als »séleo-helewo. Steenen vindt men in het binnenland, 
il in het district Galéla, alleen in de rivierbeddingen. Zou men dus 
indplaats der steenen, de rivier, den naam gegeven hebben van de 
en, de hélewo, omdat men voor steenen reeds een naam had nl. 
P Het oorspronkelijke woord voor steen zal wel malin-mare zijn, 
ezien men nog tot heden alle samenstellingen met steen, daarmede 
it, en ook alle steennamen daarmede noemt. 

zal wel een vervangwoord zijn. Het begrip is „droog, uitgedroogd», 
s van grond of rivieren; télaga gura i otu, zhet meer Gura 
lroog liggen”. Zou dus dit dtu niet ’t zelfde zijn als hÒòtu ~slapen”? 
Junkt, de overgang van begrippen is niet groot. Ook Maleisch zegt 
van iets dat droog geworden, verstijfd is, hard geworden klapperolie b.v, 
Id vet, shet slaaptr. 

kan een vervangwoord zijn, aangezien het ook beteekent: een pluim 
rersiering van het haar. 

rschijnlijk van steken (zie N° 77), datgene wat men in het haar steekt». 
icht oorspronkelijk een soort bloem. 

an zijn pake, »gebruik, dat wat men gebruikt om het haar te versieren. 
woord komt meer als zoodanig voor. Echter ook wel #versiersels, 
21. pake, versiersel, in 't Mal. der Molukken gebruikelijk en ook Bare’e. 
et eigenlijke woord zal dus wel sajal, saja zijn. 

zal wel het oorspronkelijke woord zijn. Het komt ook Gal. en Tob. 
voor in pésa, péhaka rnat». Het Gel. müura, zou outstaan kunnen 
uit mura, zacht, vriendelijky, en dus: de vriendelijke, zachte, 
en beteekenen. Tob. awana, vergelijk Mal. awan »wolky. Dat men 
regen, die men op reis wellicht vreesde, met een vervangwoord 
ide, is heel natuurlijk. 











388 IETS OVER DE TERNATAANSCH-HALMAHERASCHE TAALGROEP. 
Nederlandsch. Isam. | Tolohku. Galéla. Lòda 

83 ei *7 | gosi | gòsi bòro tounu 6$ 

84 broeden *7 | pòlòn | poldng motu 

85 oog | lako lako lako lako 

86 mond | ulo 7 _ ulu uru uru 

87 hals | ngdmas7! | ngòmas tdlo 

88 buik __pòkëlo __pòkel pòko pokoro 

89 rug | poret 7 + poréti dudu dudunu 

90 licht ) | kinital _ kinital kinita ginitära 

91 schijnen si wal | siwal __slwa | 

92 slang | ngia : ngia ngihia tomo 75 

93 schildpad | fen 77 _ fen ori orl 

94 zee | gasi 78 | ngdlot ngòloto | ngdloto 

67 


68 
69 


Het komt mij voor dat deze twee begrippen door twee woorden uitgedrukt 
worden, ni. gòsi, gohi rein en pdlon, boro, fdro sbroedenz. 
Dat de naam voor het ~broedeny overgenomen wordt voor „wat uitge- 
broed wordt”, is zeker niets vreemds, en Gal. bòro rein, is dan ook zeker 
een vervangwoord, evenals „mòtur broeden, dat eenvoudig beteekent 
„op den buik liggeny, en dus de houding van het broedende dier aan- 
geeft. Het Gal. kent nu gòsi, als vervangwoord, men heeft toch zeker 
het woord, om een of andere reden vroeger weggelaten, want alle talen 
hebben nog voor eierleggen: gòsi, gòhi, veiereny dus. Het Gal. heeft 
echter daarvoor puo baren”. Misschien was het woord scheldwoord ge- 
worden voor vtestesy zooals dat meer voorkomt. Het Tob. mòduku 
beteekent vlangdurig, onafgebroken”, en geeft dus een eigenschap van 
het broeden aan. Het woord boro komt Tob. voor als: koop, bloemknop. 
Het Tabar. gowoanga beteekent ~sagovorm”, en dus zal hier wel de 
broedwarmte, en de warmte van den sagovorm bij het sagobakken, de 
leidende gedachte geweest zijn. 

Dit woord weet ik uiet te verklaren. 

Robide v. d. Aa geeft hier op läan als nevenwoord. Hij zal dit echter 
wel verkeerd gehoord hebben en ik twijfel zelfs of làho, ook niet lako 
moet ziju. 

Het is niet onmogelijk dat Tern. Tidor. mada, mòda het oorspronke- 
lijke woord is, en dat ulu, uru, ‘t zelfde woord is als Mal. ud- 
jung „wortels udju, ~snuity, het vooruitstekende. 

Dit woord komt van wdma vademhaleny, en is ook in het Tobel. 
ngòmaha vademhalingswerktuig, strottenhoofd”. Of dus het woord 
vhals” in deze talen weg is, weet ik niet, maar men heeft dit woord 
gegeven als vertaling van het Tobeloreesche tòmara vhals». 

Het Tob. kent pòköro in scheldwoorden, en als ronderbuik» meer nog 
als rliesstreek„. Tob. B en D hebben pòköro ~buiky. Hoe men aan 


IETS OVER DE TERNATAANSCH-HALMAI[LEBASCHE TAALGROEP, 389 








Tobèlo. Madole. | Tabaru. | Toms Ternate. e | Tidore Tidore. 
| 
| | 
| gohi __gòhi | ba boro gohi 
,; moduku gowoanga | foro 
| ako la’o | làko lako 6 5 
| uru aulu mada moda 
tomara _ngòmaha | | tjama sako 
mamata 72 | pò'o ; oru 73 oru 
poréte | dudunu | dudu dulu 
kinatara ' kinatara “ nita sita 
hiwara | hiwara | 
dodiha / gia ngohia ega 76 
héne | fène | orl | ori 
ngöòto | ngddto | _ngòlo ‚_ngòlo 


mamata komt begrijp ik niet. In het Gal. beteekent mamata „borst, 
borststreeky , waarvoor de Tobelorees gebruikt o ale ma ngunungu, 
woordelijk »neus van den ring”, een zeer gezocht woord dus, waarbij 
men zich de borstkas schijnt te denken als een neus, staande op den 
ondersten ribbenring. Aanleiding tot deze kluchtige verwisseling was 
wellicht het reeds genoemde gebruik van pòköro als scheldwoord. 

73 In het Bare’é is rorur bodem, een beteekenis die wellicht met deze 

|  verwant kan zijn. 

7# Het is zeker vreemd, een woord dat zoo sterk lijkt op Mal. pérut 
mbuik~, hier voor rug”, achter, gebruikt te zien. Of nu dit oorspronkelijk 
is, dan wel dudun, dulu, weet ik niet. Het Tob. heeft nog:o dudu 
ma hiri /niereny (feitelijk dus rugpijn). Duru, dat hetzelfde kan zijn 
als dulu, dudu, wordt ook gebruikt voor vachtereind van een prauw”, 
evenzoo turu, voor „volgen, achterna komen”. Vergelijk ook Mal. „sturutr. 

75 Dit vervangwoord beteekent Gal., Tob. tegen iets zich opwerken, tegen 
stroom inzwemmen of roeieny, waarbij dus een heen en weer gaande, 
wriemelende beweging gemaakt wordt, zooals de slang maakt bij het 
kruipen. 

76 Dit woord kan ontstaan zijn door omzetting: ngia, gia, 1ga, ega. 

77 Dat dit woord eenlettergrepig is, zou op de gedachte brengen dat het 

een vreemd woord moet zijn, maar het wordt gerekt uitgesproken, haast 

als fòën, zoodat het wel tweelettergrepig zijn kan. Echter is het een veel 
verbreid woord, want Robide v. d. Aa geeft op: Misool fin, Tuburuasa 
| feni, kapauer peni, Onin féni, vergelijk ook Maleisch penjoe. 

ls Dit woord beteekent in de andere talen: zout, zeewater, zee dicht langs 
het strand, en het is dus mogelijk dat de Tsam , die geen groote zee- 
vaarders waren, het woord voor „zeer vergaten. Men vergelijke voor dit 
gàsi, Bare’é tasi, Sangir. sàsi, Minahassa-talen täàsik. Maleisch 
tasik „zeer. ‘ 


390 


Nederlandsch, | Isam. 


95 vrucht 95 vracht | sowok | sowck | sto. | sowoko 
96 vuur | 
97 koorts 

98 slapen 

99 opstaan 

100 deur 

101 vorst 

102 dronken 
103 kom 

104 waterbamboe 
105 rook 

106 rooken (be) 
107 af breken 
108 hoesten 

109 urineeren 
110 afgaan 

111 gezwollen zijn 
112 weg 

118 vreezen 

114 vergeten 
115 inhoud 





79 Het Tob. D heeft sòfoko. 





sowok 
uku 
gògam 
nisu 8 
momik 
ugolan- 
kolan 
étol 62 
sa wok 
loloang 
jowo 
wiiuk $+ 
tolak 
tikit 
Osis 

60k 
obds 
tapak 66 


— modong 


daidlang 


. diàka 





sowok 
uku 
gogam 
tjolok 
momik - 
ngòlang 
kolan 
étol 

sau wok 
kiloan 
jowong 
wüuk 


tikit 
Osis 


| 60k 


obds 
ngékom 
mòdong 
daidlang 
deaka 


neer wail 
~ ‘Ploliku, _Nederlandsehy | leem | Tola j Gee | Dôde Galöla. 


IETS OVER DE TERNATAANSOH-HALMAHERASCHE 'TAALGROEP. 





sdpo 
uku 
goga 
kidlu 
momi 
ngora 
kolano 
dalu 
udo-udo §3 
kiloha 
dòpo 
ddpo 
tola 
tiiki 
hosi 
hòho 
dobo 
ngèko 
modo 


wosa 


raba 


sowoko 
uku 
gogoma 
kioloko 
momiki 
ngorana 
kolano 
daluku 
udomo 
kilo&na 
djowo 
djowo 
tola 
tikiti 
sisi 


hòko 


_ngèkomo 
mòdongo 


_ wòdjànga 


60 Misschien dat dit woord hetzelfde is als 1d u, in de andere talen rliggen, 


liggen gaans. 


81 Tob. B en D hebben kòána. 


62 Dit woord komt in geen der andere talen voor. Al de andere benoemen 
„palmwijns en de uitwerking daarvan, met hetzelfde woord, (zie N° 59). 
Zou dus dit woord bij de anderen verloren gegaan zijn? 


ed 


Het Gal. heeft in afwijking der anderen voor drinken udo (zie N° 136), 


voor „koms udo-udo is dus daar niet onregelmatig. Het Tob. kent 


naast udo-udomo ook haWeko vdrinknap, komv. 


Dit zal 


wel de 


oudste vorm zijn, en udo-udomo later overgenomen voor „komr toen 
men die leerde kennen. In het Gal. 
~verpakkjngy, o sone ma sasawo vomhulsel voor een dooder. Dit 
is wellicht oorzaak, dat men sawo daar niet gebruikt voor „komr. Het 


Tob. heeft ook wel dit woord: hauo vinpakken~, 


is sawo vinpakkeny, sasawo 


maar dit wijkt af 


van hawéko. Het Gal. zou echter van sawok niet anders kunnen 
maken dan sawo, wat gelijkluidend zou worden met sawo rinpakkens. 


| Madole. 
| | | | 
hohoko ?® =, howo’o | sdfo | s0fo 
uku uu | | uku uku 
gogama | gogama | | gaga göòga 
kiòku ' nisu’u | | kòtu | dtu 
| momiki momi'1 | momi | 
| ngdrana ngò’ano ‚_ngara | 
koano 8! ’oäno | _ kolano | 
‚_daluku _ dalu’u | | | | 
| udo-udomo | sawo’o | safo | 
kiloana | loana | | kamu | 
nòfo | dowo | | 
Adfo | ndfo | | fufu 

| toaka toa | | tdla 

| tikiti ti’ iti | kokéhe 8 

_Adhihi lòhihi dei 

_ Adko 1d’o 

: Aoboho doboho hòbu 

ngèkomo ngé’omo | ngdko 
mòdongo mòdongo kòlofino®? 
wohanga amòngo lupa 68 | 

_ dòta dodoa dàha | 

84 Weer een woord waarvan men zich afvraagt of het in de andere talen 
verloren gegaan is. Men zou de slotuitgang uk af kunnen leiden van 
uku /vuurs, maar uku blijft uku, (zie N° 96). We hebben hier dus 
een woord dat de anderen niet meer kennen en zich dus behelpen met 
„rooks in afleiding. Ook in de Minahassa-talen is wuwuk rberookenr. 

85 Me dunkt, dit is niet anders dan het klanknabootsende kéhé, met de 
herhaling aanduidende reduplicatie van de eerste lettergreep. 

8e Dit is eigenlijk een ander woord. Het komt ook voor Gal., Tob. tapaki, 
en beduidt reen aangelegde, gebaande weg”, terwijl »ngékom slechts 
ween pad” beduidt. 

87 Dit woord weet ik niet te verklaren. Het past niet bij de anderen die 
het ook geen van alle hebben. Wel komt voor Gal. koloko, Tob. 
köòko, ~krom, gebogen, zich oprollen, van insecten„, koloko-ino, 
kolofino, zou dus kunnen duiden op een gebogen, angstige houding, 
maar dit is slechts een gissing van mij. 

68 


« 


IETS OVER DE TERNATAANSCH-HALMAHERASCHE TAALGROEP. 


Tobèlo. 





Tabaru. 


Ternate. | Tidore. 





Niet onmogelijk dat Tern. hier lupa (vergel. Mal. lupa) nam, om niet, 
evenals Gal. voor twee begrippen, vingaany en v/vergeten”, precies het- 
zelfde woord te hebben, zie N° 41. 


391 


392 


IETS OVER DE TERNA'TAANSCH-HALMAHERASCHE 'TAALGROEP. 








Nederlandsch. 





Tdloliku. 





| | Galéla. 
— | | 
116 duiken tumunu tumun tumunu 
117 tellen aoim | dlom | éto 89 
118 leeren dòtok | ddtok | dòto 
119 hooren isen isen | ise 
120 schreeuwen poak | poa . ore °* 
121 geven °? kula kula hike 
122 broeder ilang ilang | hira 
123 zuster bila bilang  bira 
124 oudere liak liàk | ria 
125 jongere dodòt nongòlu …_dòdo °4 
126 opzetten tekòs tekòs | sigòko 95 
127 verboden °° boson __ _bòsong | bobdso 
128 versch | glau | giau | kiau 
129 droog | dodòleng _ mòtjom °? tolòle 
180 vliegen slo slo SÒSO 
181 schub unàf | unaf | dungi °§ 
182 duizendpoot ail ail hai 
133 schepper ! °° salim | salim sari 
134 zeil sidet | sidet side 
185 roer lilim | hilim kamudi 191 


89 Niet onmogelijk dat dit hetzelfde woord is als féto, héto, hòtòngo, 


91 


92 


fètòngo „noemen, zeggen, opzeggen”. Vergelijk ook voor het woord (Mal). 
hitong rtellens. Dat »zeggeny en vtellen” met hetzelfde woord benoemd 
wordt is niets wonders, vergel. Mal. bilang, dat ook die twee be- 
teekenissen heeft. Bij tellen wordt dan eenvoudig gedacht aan wat men 
al tellende doet: de cijfers vopzeggeny. Van het Tern. njonjòhi weet 
ik de beteekenis niet. De eerste lettergreep is geredupliceerd, en de be- 
teekenis zal dus zijn: het geregeld herhalen van iets. Of misschien de, 
zelfs voor Galélareezen en Tobéloreezen gruwelijk lastige uitspraak van 
aoim, 610m, oorzaak was dat het woord in onbruik raakte ? 

Het Gal. schijnt hier een woord te missen voor dit begrip „hard 
schreeuwen”. Dit ore is waarschijnlijk alleen maar een schreeuwklank , 
vergel. Javaansch ore zhoerar ! Het Tob. kent ook wel oréhe, maar 
alleen als ~hard huilen, huilerig schreeuweny, niet voor ~hard roepen. 
Nu ik dit woord bekijk, ben ik niet zeker of men wij niet verkeerd 
begrepen heeft, en eenvoudig gezegd heeft no ali: rgij huiltr, 
(zie N° 158). 

Hoe kula en ike tot elkaar te brengen zouden zijn, begrijp ik 
waarlijk niet. [k denk dat we hier eenvoudig twee woorden voor dit 


begrip hebben. 


IETS OVER DE TERNATAANSCH-HALMAHEBASCHE TAALGROEP. 393 











Madole. 


Ternate. 


Lòda. | Tobèlo. 











_ _ | Oe 
DE 
tumunu | tumunu tumunu tum 
étongo __ètongo dòiimi njonjohi 
dòtoko __dòtoko ddto’o dòto 
iséne ihéne _ ihéne ise 
poaka __poaka no ali 9! * | torara 
ike | ike ula haka 
iranga _ hiranga | ilanga hira 
biranga | biranga °3 bilànga fira 
ririaka riaka lia’a njira 
nougoru …__dòdoto dòdoto | nongoru 
higdko oodéu sigòko 
bdhono bòhono bòhono fòso 
giau girau kiau 
tololénge döòlënge __döòlënge | tolòle 
SÒro | hoho | hdho | sdro 
dungiri '  uuaha °° _ unaha dung! 
aili all aill hai 
sarim _  harimi halimi sari 
sidéte  hidéte hidéte side 
__ririmi lilim ngongudi 
93 Tob. B en D hebben hier: firànga. 
94 Ook Gal. heeft nongòru, zelfs is het algemeen gebruikelijk, terwijl ik 
geloof dat dòdot, juist niet zoo heel veel gebruikt wordt. 
95 


Gal., Tob., Tern. hebben hiervoor een causative vorm van Oko vovereind 


* staan, staan”, dus: „doen staan. Ik zou echter zeggen dat Is., Tolol., 


Mad., hier bepaald een ander woord hebben, waarvoor ik in de andere 
talen geen equivalent vinden kan. Het schijnt, dat hier dus weer een 
woord verloren gegaan is. 

#Verboden» in den zin van vheilig, ongeoorloofd». 

Dit woord maakt hier al een heel wonderlijk figuur. Misschien is het 
met de andere woorden overeen te brengen, maar ik weet uiet hoe. 
Dungi, dungiri is een klein zoetwaterbaarsje, dat er nogal sterk 
geschubt uitziet, en de verwisseling zal wel hierdoor ontstaan zijn. Ook 
het Tob. heeft het woord dungiri, en gebruikt het haast evenveel als 
unaha. 

Tob. B en D hebben unafa. 

„Schepper” = roeriem, ~pengajoengy~. 

Het Gal. heeft het woord »riri» wel, v. Baarda geeft op siriri 
(causatief dus) rvoorgaan, een voorbeeld gevenr. Gedachtelijk is dit dus 
met „sturen, roery wel verwant. Kamudi houdt zeker verband met 


394 IETS OVER DE TERNATAANSCH-HALMAHERASCHE TAALGROEP, | 




















Nederlandsch. | Isam. | Tòloliku. | Galéla 
186 drinken | dkére - Okili | udo 102 
187 doen 19% | diai diai | àka 
188 hand - __ingiri ingiri ingi 
139 scherp 1°5 ' ddto ' mangon | ddto 
140ffkaap '°5 | doi | | doi | dòto 
141 wang '"6 _ gotoaka _ gotoak ngingiti 
142 aanwijzen _ simàtok | simato _ simane !°? 
143 rechts | gunila _ gunilaka a girina 
144 lang | kulut | kulut _ kuru 
145 kort _ tipdko | tjipdko | timisi 109 
146 hoeveel __mulo , moluo __moruo 
147 lenden golòna __golòna goròna 
148 lever gatil 111 gate | gate 


het woord udi vachter, achterplecht van de prauw”, Gal., Tern. Ver- 
gelijk Mal. kamudi, volgens Klinkert, (Mal. Woordenb.) komende 
van Jav. udi vachtery. Ook het Tern. ngongudi is van dat udi 
gevormd, maar nog meer rechtstreeksch, of beter grammatisch, de 
kamudi. 

102 Waarom Gal., Lod. hier van het algemeen gebruikelijke woord afweken 
is moeilijk te zeggen. In Gal. is dke nog als vervangwoord in gebruik. 
Ook is geen afleiding van udo te vinden, tenzij dan dat het gewoon 
beteekene : veen mondje maken, een snuit zetten”, zooals men doen 
moet om te drinken. Wanneer men het woord uitspreekt, zet men 
onwillekeurig de lippen wat vooruit, dus is het mogelijk dat hierin de 
beteekenis ~drinkeny zit. 

103 Het Mad. heeft ook rauërer. , 

104 Het komt mij voor dat tusschen deze woorden voor „doen, makenw, 
en de naam voor het hoofdgereedschap „mes, kapmes”, verband bestaat. 
Voor vkapmes” hebben Isam, Tobol., Tob., Mad. dia (zie N° 80). 
Dit zou dan natuurlijk van diai afgeleid moeten zijn, want men zal 
toch wel eerst wat gemaakt hebben en toen wat uitgevonden om het 
beter of vlugger te doen. Het Gal., Lod., Tern., die andere woorden 
hebben voor vdoeny, hebben die ook voor „kapmesr : taito, tipu, 
peda. Echter heeft het Tobeloreesch voor „mess gakana, zeker ver- 
band houdende met aka, akana. Het Gal. heeft ook wel diàhi, 
diài, tiài, in den zin van vheel goed doen, netjes doen, etc.r. 

105 Dat tusschen deze twee begrippen een rechtstreeksch verband bestaat is 
duidelijk, het scherpe van een mes, wapen, en het scherp uitstekende 
van de kaapjes op Halmahéra, is gedachtelijk natuurlijk verwant, 
temeer, omdat men ook de snede, de spits van iets, met hetzelfde 
woord benoemt. Men zie nog N° 118 vleereny, dat ook luidt »ddtok, 


IETS OVER DE TERNATAANSCH-HALMAHERASCHE ‘TAALGROEP. 395 


7 


| 





Lòda. Tobèlo. Ternate. 
| | 
udomo dkére dkéle ' 95 oki 
àkana diai diai | golaha 
ingiri | ingiri iling ‚_ Ingi 
dòto | doto dòto __màngo 
ddto __dòto ddto _dèhe 
__gotoaka gotoa gotòla 
himàtoko himaiti sibai 
giniraka _ niraka güida | gonjira 
kurutu | kurutu gauru __gila 108 
totiawo | polulu 11" tipd’o pòdo 
morudno morudno muluo ‚ Tau 
goròna goròna goròna _ gonora 
gàte gate gate | gate 


dòto. Ook dit is, 


is dan rindringens, 


dunkt mij, hiermede verwant, en het grondbegrip 
het scherpe in hout, de kaap in zee, het verstand 


107 


in ‘t nog niet gewetene. Echter komt het me voor, dat wel, door ge- 
lijkheid van gedachte, de woorden overgegaan zijn, maar toch oor- 
spronkelijk gescheiden waren: màngòn, mango vscherpy, dòto, doi 
vkaap”. Hoe het Tern. komt aan déhe, begrijp ik niet, of het moest 
zijn dat het een vervangwoord is. Het beteekent Gal., Tob., etc. 
„halen, bereikeny, en kan dus ook zijn: de punt die men op zee tracht 
te halen of te bereiken, ergo „de kaap”. Hiervoor is aan te voeren, 
dat Tern. voor déhe vhaleny, heeft dro, (zie N° 56). 

Het woord beteekent ook ~kaak”, eveneens „witte papagaaiy (aan 
welks bek de wang zoo sterk te voorschijn treedt, eveneens de kaak). 
Voor het laatste heeft ook Gal. gotòla. Gal. ngingiti, zal 
dunkt me, komen van ingi, vtand~, en zijn vdatgene wat de tanden 
bedekt». 

Waarom Gal. hier een ander woord heeft, evenals Tern. en Mad. 
begrijp ik niet. Het woord mato komt heelemaal niet voor. Mano, 
bai, beteekent ook -vrijeny, maar hoe deze twee begrippen elkaar 
zouden dekken, begrijp ik niet, of het moest zijn, dat bij ~vrijeny 
gedacht wordt aan het vtooneny van liefde. 

Dit woord beteekent in de andere talen „recht uit, recht door» en is 
dus door deze beteekenis wel begripsverwant met de andere woorden. 
Dit woord beteekent Tob. ronder, onderaan. 

Dit beteekent in andere talen vrondy, en is dus een vervangwoord. 
Tob. B en D hebben tipòköro. Dit zal in het Tob. wel verlaten 
zijn, omdat het zooveel gelijkt op tili-pòkoro ~bloote onderbuikr, 
een veel gehoord scheldwoord. (Zie ook N° 88). 

Vergelijk Mal. hati. 


396 


iid 


IETS OVER DE ‘TERNATAANSCH-HALMAHERASCHE TAALGROEP. 





a ee ee —— me a se Oe . TT. nnen eenn enmet — = 











Nederlandsch. | Isam. | Tololiku. | Galela. 
. es 

medicijn söulu sou a sou 
verzoeken galoko galok gòlo 
vragen sano sano sano 

2 ziek-zijn sisili | sisili siri 
tot aan adon | adono | ado 
bloed | aulu ‚_auen | au 
beenderen kòbong | kòbong __kòbo 
wegloopen.  Jeal-leal ' leleal ‚ lòda 
omvallen | Juba | Juba | ruba 
weenen ‚ali | ali ‚ari 
langzaam __memèneos meméneos - méhe-méhe 
moeten !'6 ‚ sinòfu -  kiani | bilasu 
niet anders kun-, singòfu __singòfu | malainkan 
nen dan !16 | | 
kanarienoot | nial | njial nia 
kokosnoot ' igono igon | igo 


Waarom Tob. hier een geheel ander woord heeft, begrijp ik niet. Het 
Tob. B en D gebruikt gewoonlijk gahoko, t zelfde woord dus als 
voor ~verzoekeny, ook een vervangwoord, een bewijs dat men daar 
ook sano uitgeworpen heeft. Waarom men het verliet, weet ik niet. 
Het woord hanongo beteekent ~kleinzoony, maar dit is in het Gal. 
ook het geval, en daarom is het dus niet verlaten, dunkt me. Ik ken 
ook geen verwant woord voor lèha, dat op het spoor zou brengen, 
hoe men er toe kwam, dit woord als vervangwoord te nemen. Het is 
kennelijk hetzelfde woord als Tern. làhi ~verzoekeny, maar dat maakt 
de zaak niet veel duidelijker, want daar schijnen voor beide begrippen 
ook wel vervangwoorden gebruikt te worden. 


3 In het Gal. is gòla roorsprong, aanleiding». Tob. goa en gogòla 


kan dus zijn „voortdurende oorzaak der kwaal of ziekten, en zoodoende 
tot: vervangwoord geworden. 


v. Baarda meent dat de bewoners van Loldda dezen vorm zouden 
hebben gekozen voor „wegloopenr, en niet loda als de Galélareezen, 
omdat dit woord een minder aangename beteekenis heeft. Ik kan die 
meening niet deelen; djòdjara is heel regelmatig. alleen Gal. heeft 
loda, ook niet onregelmatig, maar ik betwijfel nu toch of de naam 
Loldda voor het district, en Lòda, zooals de bewoners zich, en 
hun land noemen, wel iets met „wegloopens uit te staan heeft. De 
Tob. vertalen trouwens Lòda met ddara, niet hetzelfde als oara 
vwegloopeny. Verhalen daaromtrent kan men gerust op rekening van 























IETS OVER DE 'TERNATAANSCH-HALMAHERASCHE 'TAALGROEP. 397 

Lòda Tobélo. Madole. | Ternate. 
souru höuru höulu sou 
goloko gàhoko gàho ahi 
sano Jeha ''? sano ginado 
sini hiri sau U gogòla 114 
adono adono adono ado 
auld auénu auénu awo 
kòbongo kòbongo | dbongo dbo 
djodjara 1/4 oara | loa laba 
ruba ruba luba ruba 
arl arl ali ari 
mèhe bole-bole ''5 menédho méhe-méhe 
bolasu kiani “ani misteer 

halingòhu ! 17 hingòfu malainkan 

njiara niara mia _njia 
igono igono __igouo igo 


117 


stammen-naijver schrijven, dunkt me. Was het een scheldnaam, dan 
zouden ze zeker zichzelf daar niet mede benoemen. 


Dit woord beteekent Tob. ook: rzacht van substantie, zwak van 
lichaam, enz.”, en verder ~pisang”, of: in de eerste plaats rpisang», 
want de zachtheid der rijpe pisang zal wel het woord hebben doen 
overgaan voor rzachtr, en vandaar op langzaam” is een kleine 
schrede. 


Beide woorden drukken een „moeten” uit, maar het tweede nog iets 
sterker dan het eerste. Het is zooals malainkan op Ambon gebruikt 
wordt: valleen slechts moet het zov, het kan niet anders dan zoo, het 
kan niet, dat het niet gebeurt”. In een bijzonder geval dus het sterkste 
moeten, de sterkste noodzakelijkheid uitdrukkend. Met het eerste vormt 
men meer in het algemeen rde gebiedende wijsr. 

Of Isam sindfu en singòfu niet hetzelfde is, weet ik niet zeker, 
maar denk het wel. [k zal wel cen van tweeén verkeerd opgeschreven 
hebben. Gal., Lod., wijken sterk af, bilàsu, bolàsu is toch zeker 
een ander woord dan kiani; malàinkan komt Tob. ook wel voor, maar 
niet heel veel. Voor het eerste begrip kent Tob. nog een tweede woord 
nmarais, ook in ‘t Gal. bekend. 

Voor Tern. misteer, vergel. Jav. mésti, pésti, verbasterd Mal. 
moesti en misschien het in ‘t Ambonsche gebruikelijke mester, 
verbasterd Holl. meester. 


Dit is de langere vorm, maar ook wordt gebruikt: hingòhu. 


IETS OVER DE TERNATAANSCH-HALMAHERASCHE ‘TAALGROEP. 





Nederlandsch. 








| |‘ Telolika. Galèla 
| 

164 waaierpalm wokal | wokal woka 
165 sago . _ tok | tok peda 
166 sagokloppen | walo ' walo halo 
167 bosch | bdngan | bòngan pònga 
168 slaaf _ falalom _ doan '?? gilalo 
169 wind !25 gagal | gagal paro 
170 warm sasäu | sasiak sàhu 
171 dakspar litdlak 124 | litdlak tora 
172 sagobladsteel kòbal 125 | kòbal uto 
173 suikerriet ugàk ugàk uga 
174 olie | golòl | gogol gosòso 
175 plank 1wang iwang 127 ifa 
176 touw !2° gumin gumin gumi 


118 Tk denk haast dat het woord een vergissing is, en moet zijn halimi 
vroeispaany (zie N° 188) en dus een vervangwoord , gegrond op den 
vorm der bladeren. 

119 Tob. B en D hebben ook kétoko. Het is wel merkwaardig, dat men 
voor zulk een hoofdvoedsel afwijkeude namen heeft. Het woord peda 
schijnt anders wel als naam voor ~sago» verbreid te zijn. Men denke 
aan het, ook in ‘t Ambonsche algemeen gebruikelijke, popeda 
„sagopap”. 

120 Het Tob. B en D heeft féléta. Overigens is dit een afwijkend woord, 
dat echter wellicht verband houdt met Gal. léta vsplijtenr, en dus 
heenwijst op het vsplijteur van den sagostam, dat ‚het ~kloppen” voor- 
afgaat. Voor vsplijtenr heeft Tob. nu niet meer „lètar maar een ver- 
vangwoord wellicht: béléka, ‘t geen deze afleiding staveu zou. 

121 Tob. B en D hebben fòngana. 

122 Het is merkwaardig, dat deze woorden dezelfde zijn, als Gal. doa, 
Tob. do&na vscheldens. Is dus vscheldenr geweest: viemaud reen 
slaafr noemeny, als de hoogste beleediging die men hem wist aan te 
doen, òf heeft men juist een slaaf aldus benoemd, omdat men vrijelijk 
tegen hem schelden kon ? 

123 Weinig overeenstemming omtrent zulk een gewichtig natuurverschijnsel. 
Hetzelfde zien we omtrent vregen” (zie N° 81). Te verwonderen is het 
natuurlijk niet, dat men zeevarend geworden, voor zulk een gewichtige 
zaak vervangwoorden ging zoeken. Het Lod. wuwulu komt van wuwa 
„blazen”. Tob. hidaloko is een causatief van taloko, misschien 
nuitwaaiens. Wellicht gàgàl het oudste, maar paro-kore? Met kore 
benoemt men in alle talen de twee hoofdwinden, Noorden en Zuiden- 
wind. 


IETS OVER DE TERNATAANSCH-HALMAHERASCHE TAALGROEP. 


Tobélo. 





. | Ternate 

ee ee __ 
wéka | wéka | haliwi 118 wéka 
kétoko peda! '® | "dtolo huda 
wélota | héléta 12° | alo halo 
wòngana hòngana '?! bòngana __bànga 
gilalongo | gilaongo | doana 12? | falalom 
wuwulu hidaloko | tado’o kore 
sàu hauku sau'u sahu 
toraka litòraka tòra totara 
utdngo | utdngo utdngo | gaba 
ugaka __ugaka uga | uga 
gòdjoro __gòhaka ' 24 | göòro gordho 
1wànga | aoto '28 | aoto ifa 
gumini guminl gumini gumi 


124 


L 27? 
R28 


Het voorvoegsel 1i schijnt iets wederkeerigs aan het woord te geven. 
Ik ken er niet veel voorbeelden van: litéraka van toraka »drageny 
„dat wat van de eene balk op de andere balk draagt» en ook litauru 
vuitstrekken”, dat, »wat van het eene eind tot het andere zich uit- 
strekt». 


5 In het Gal. en Tob. komt ook dit woord voor kòba, kòbara, echter 


niet als ~sagobladsteely maar als rarenpalmbladsteelr. Mogelijk, dat die 
vroeger den dienst deed, die nu de ~sagobladsteely doet, eu dat men, 
nieuw, beter materieel leerende kennen, dit eeu nieuwe naam gaf. Ver- 
gelijk ook Mal. gàba-gàba. 

Dit woord beteekent eenvoudig: ~het gare, het gekookter, afgeleid van 
Ohaka rgaarr en ziet dus op het bereiden, het koken der klapperolie. 
Het woord voor voliev schijnt hier dus weg te zijn. Het klinkt nogal 
komisch nu b.v.b. voor petroleum, te hooren: 0 tonaka ma gòhaka, 
letterlijk vhet gare uit den grond-. 

Tolol. kent ook aot. 

Het Tob. kent ook nog ihanga als vopzetplankeny in de prauw, die 
op de kiel gezet worden. Het woord aoto komt voor: aoto Tern. 
Gal. awo matroos”, o ngòtiri ma aoto vopvarende van de 
prauw”. Oorspronkelijk zullen er dus wel twee woorden geweest zijn: 
iwang, ifa, overlaugsche planken der prauw,en aot, aoto »dwarsche 
dito’s:. Bij de meesten heeft zich iwang het burgerrecht veroverd, 
bij Tob. Mad., ik meen ook bij Tabar. is aoto het algemeene woord 
geworden. Het klinkt nu wel komisch de opvarende de „planken der 
prauw” te hooren noemen, maar oorspronkelijk zal het wel geweest zijn: 
„degenen die op de dwarsplanken zaten, om te roeien”. 

Dit woord touw, beteekent ook »boschtouw, liaany in de meeste talen. 
Het Tob. heeft voor „gedraaid touwr nog ligihi, Isam ligis. 


400 


Nederlandsch. Isam. 


177 
178 


179 


180 
181 
182 
183 
184 
185 
186 
187 
188 
189 
190 
191 
192 
193 
194 
195 
196 
197 


130 


IETS OVER DE TERNATAANSCH-HALMAHERASCHE TAALGROEP. 


Tololiku. 








| Galéla 

| 
opbeuren golak tidée 130 tide 
alang-alang gras kusum kusum ngüusum 
aansteken tüuk tüuk tupu 
rijstblok luseng 19? lusing lusu 
rijstplukken utuk utu utu 
wortel ngutuk ngutuku ngutu 
bijl 133 damakono damakon basu 
groot (omvangrijk) | pako 134 lalàgom lago 
blind pildk pilòk pilo 
staak bélos bélos bélo 
eiland nüis 135 niiis gura ma ngòp 
lang (van duur) kilang kilan téka 
afgeloopen bolot boloto bolo 
bevelen sulok | sulo 
breed ngoata _ ngoat | ngòha 
zuur kidpik tjaka 178 kiòpi 
palmwijn tappen peòto | peòt | tiha 14° 
zooeven kano | kano | kangano 
graven pait | pajaki puai 
groente uga uge gagàhu 
rijp omuk omuk omu_ 


Ik vermoed dat deze woorden vervangwoorden zijn, afgeleid van ide- 
ije vomhoogy. 

Tob. B en D hebben tufuku. 

Vergelijk Mal. lesoeng. Het Tern. woord dodutu komt van tutu 
wstampeny, „dat, waar men in stampt. 

Het verschil tusschen deze woorden is nogal sterk. Daar hier een 
ingevoerd voorwerp benoemd wordt, is dit niet vreemd, daar elk dat 
wellicht noemde naar de taal van hen van wie men het kreeg. 

pako is ook in ‘t Gal. en Tob. bekend, maar alleen in de beteekenis 
van „grof, dik» in tegenstelling van fijn, nooit voor groot, om- 
vangrijk». 


5 Misschien hetzelfde als Javaansch noesa rveilandr. Het district Galèla 


heeft geen eilanden, en had er dus ook geen naam voor. Het gebruikt 
dus het Tern. gura ma ngòpa vkind van den tuiny. Dit zal wel 
beteekenen „klein tuintjer, om de kleinere eilandjes hier en daar om 
Ternate heen, aan te duiden. Het oorspronkelijk woord voor weiland» 
was wellicht gura (zie N° 65), maar met dien naam zal men wel de 
grootere eilanden zTernate, Todore, Batjan, benoemd hebben, eu 





IETS OVER DE TERNATAANSCH-HALMAHERASCHE TAALGROEP. 





Madole. 


Ternate. 


401 


Lòda. Tobèlo. | 
OO ed | _ 
tède goraka go'a’a téde 
ngusumu  ngiiuhumu ngüuhum | kusu-kusu 
tupuku | tuhuke '3! tu'u tabu 
‘| luhungu luhungu _ dodutu 
utuku utuku utu'u atu 
ngutuku ngutuku ngutu’u utu 
bàdjiku bahuku pàtu tamàko 
lagomo | agomo lalàgomo gaku 
piloko piloko piloko pilo 
bèloho béloho béloho '  bélo 
nühu nuhu gura ma ngòfa 
tékana dékana dé’a’a 136 roro 
bòloto bòto diwango 137 marua 
huloko __sudo 
ngoata  woata ngoata | 
dpiki | gidhiki 139 dpi’ 
pedto | hedto pedto tifar 
kangano | kangono ‘a'ano 
waiti haiti ' 4! paiti 
gauku gauku '+? uge 
omuku omuku omu’u 


‘Oe 


langzamerhand het eigen land niet meer als veiland” benoemende, zal 
wel alleen de naam eilandjes, voor de kleintjes overgebleven zijn. 
Misschien saamgetrokken uit den verledeu tijd „dèkanòkar. Het Tern. 
ròro is kennelijk een geheel ander woord. 
Hier begrijp ik niets van, evenmin van "t volgende woord. 
Natuurlijk een vervangwoord, tjuka razijnx in het Tobel., ook in 
het Mal. Het Tob. kent het ook in de beteekenis »zuur~ als wissel woord. 
Het Tob. B en D hebben „giòfikir. 
Het Gal. heeft wel bewo zheel dun een laagje van de bloemstengel 
afsnijden”, zooals men dit geregeld moet doen, om het vloeien niet te 
doen ophouden. Kennelijk is dat hetzelfde woord als peot-peoto. In 
het Tob. beteekent tiha „vallen van kleine voorwerpen, droppels b.v.b.7, 
dus zal het hier Gal., Tern. wel een vervangwoord zijn, waarbij het 
druppelen van de palmwijn in het vat, als naam voor de heele be- 
werking in gebruik is gekomen. 
Het Tob. B en D hebben faiti. 
Tob. B en D hebben ook uge. Eu uge, èn gaàhu, gauku zijn 
soorten van groenten, die het algemeen begrip weergeven. 

7° Volgr. VI. 27 











402 IETS OVER DE TERNATAANSCH-HALMAHERASCHE TAALGROEP. 
Nederlandsch. Isam Tòloliku. 

198 gaar gòlak gòlak 
199 touwdraaien foriki 143 | wowàkol 
200 rijstplanten tuduk | tuduk 
201 boomvellen teàng | teang 
202 behakken pakol | pakol 
203 splijten tewael | tàga 145 
204 afvallen | òtak | tiwa 147 
205 hard | togowin togowin 
206 zacht | meneos memenios 
207 morgen | kailoa 5! déwela 152 
208 borstpijn | tagàl tagàl 
209 snijden | luit lui 
210 ademhalen | womasa womas 
211 slikken | asi] ; asi 

'43 Dit woord beteekent in alle talen -~verdraaieny, en is dus natuurlijk 


147 


hier een wisselwoord. 

Het woord tuduk, tuduku, tudu beduidt »steken met een. lang 
voorwerp, en duidt het steken der gaatjes aan, dat noodzakelijk is voor 
het rijstplanten. Het Lod. is het eenige, dat een ander, mij overigens 
onbekend woord heeft, voor deze handeling. Wel heeft Lod. ook 
tuduku, maar alleen in de beteekenis vsteken„, terwijl het voor 
vrijstplantenrs niet gebruikt wordt. 

Men vraagt zich af of dit geen wisselwoord is, evenals Madole paga. 
Het is waarschijnlijk hetzelfde woord als N° 208 tàgal-tàga ~borst- 
pijn”. Madole heeft ook daarvoor een afwijkend woord. Het met 
vborstpijn” vertaalde woord beteekent bepaaldelijk „pleuritische pijn, 
steken in de borstr, dus ligt de overgang van gedachte van „splijten 
in de borstr, tat „werkelijk splijten, nogal voor de hand. | 
Ook dit zal wel een wisselwoord zijn. Volgens N° 166 heeft Tob. 
voor vsagokloppeny een wisselwoord gevormd van lòta vsplijteny, en 
het is dus niet onwaarschijnlijk dat lèta daarom voor wvsplijtens zelf 
niet meer dienen kon. Dit bélaka kan komen van béléka rbalk, 
schouders, en dan zijn „dat wat gespleten was”, maar meer waar- 
schijnlijk van bélélaka »mager”, vanwaar de overgang op iets wat 
gespleten wordt, en dus „dunr wordt, niet ver is. 

Dit woord beduidt vafvallen, vallen van een klein voorwerp, een 
druppel b.v.b., een vruchtr; òtak beteekent rhet vallen van iets 
groots, een mensch, een tak” en dergelijke ; ti wa komt ook in andere 
talen voor. Tob. tiha, Tob. B tifa, Gal. tiha rpalmwijn, tappenz, 
vergelijk ook Mal. tiba plotseling voor den dag komenr, en Jav. 
tiba „vallen. 


IETS OVER DE TERNATAANSCH-HALMAHERASCHE TAALGROEP. 408 


Madole. 











Galéla. | Lòda. | Tobélo. 

Be oo! ee ee 
dea __ _Òdjaka dhaka goha’a 
wako — wako wako wà'o 
tudu __tuàka '44 | tuduku tudu'u 
toda todjanga | to/anga todanga 
pako pakono __pàkoro | pa’aro 
léta léta bélaka '46 paga 
dota tuére ' +8 dtaka dta’a 
togöi __gogöini togow ini gòpini 
müudu __mumudjutu bole-bole * 49 mamai 15° 
daginitaasa!s* © alimdka 154 iarëhe dëwèla 
taga tiga taga | tugama 
lui 155 _ Tuiti luiti 
wòma \__ngÒmasa | womaha dmaha 
dasi lola | Aahiri | anil 


+8 Dit woord is waarschijnlijk hetzelfde als Tob. tuhére, Tob. B. tufére 


de 





mets langs in twee deelen deelen, een plank of balk doorzagen, etc.” 
Daarvan komt echter voor: ma duduhére veen gevallen beslissing, 
een eindoordeel», (denk Holl. den staf brekeur), en daar zou het van 
afgeleid kunnen zijn. | 

Men zie hierover N° 159. 

Tob. komt voor: mai -/verwelkt, slap geworden” van bloem of blad, 
en dat zal dus wel hetzelfde woord zijn als dit. 

Dit woord begrijp ik niet. Het woord beteekent: „den volgenden dag» 
uiet „shet begin van den dag”. Waarschijnlijk staat het in verband met 
loa, lòha, da vgoed”, b.v.b ka-i-loa zhet is maar goed”. De 
overgang van „goeds op vlicht is niet groot. Dit is echter slechts 
een gissing. 

Dit kan wel komen van wéliuga, hélinga, félinga ropendoenr. 
Dit beteekent: vals het weer licht is, het toekomstige licht zijns, 
evenals Tob. dat ook wel gezegd wordt: iaréhe aha vals het weer 
wit, licht, wordt. 

Dit zal wel komen van halimi vroeien”, evenals Tob. B. heeft 
ngòrumino /”’smorgens vroeg, zonsopgang” van hòru zroeieur, dus, 
als de zon rondgeroeid is, of, boven de kim geroeid is. Dat een hemel- 
lichaam roeiende voorgesteld wordt, als een vaartuig, is niets vreemds, 
men vergelijke slechts: ~Tontemboansche teksten” door Schwartz. 
nAanteekeningen” N° 106, bladz. 109. De maan is daar het hemelsche 
vaartuig geweest. 

Het woord beteekent Gal. alleen »vioolstrijken», niet »snijden”, maar 
de idee is toch dezelfde. 


404 IETS OVER DE TERNATAANSCH-HALMAHERASCHE TAALGROEP. 
Nederlandsch. Isam. Tololiku. 
Le | | ee 
212 hartspier | puo | puo 
213 leven |  wango '  wAngo 
214 nagel — gitiwili  gitiwi 
215 breken '  — tobik '  tobik 
216 vlieg | giiul güul 
217 uitspansel | hwàng diwang 
218 staan tekds 19° tekds 
219 mager | pélélak pédédak 
220 overmorgen | modidika 
221 pan bosòk bòsok 
222 roepen alok | 
228 kruipen tale | tale 
224 vegen 16! palis \___sësèsal 
225 schenken t°? | dabas ___dabäas 
226 stelen | tòlik tolik 
227 planten datom datom 
228 heet 194 | siis sawko 
229 waringin '65 | basaläan basalan 
280 uithangen, drogen woil woill 
156 


Dit is een vervangwoord, dat in de andere talen alleen beduidt : de 
niet verder opengaande punt van de bloemkolf der bananen. Wellicht 
liet men het woord puo, huo, fuo, varen, omdat Gal. buo, puo 
„barens beduidt. ° 

Weer een vervangwoord, dat in andere talen beteekent: „groeien, op 
iets groeien, op iets woekeren, versch, groen zijn”. Het Gal. heeft nog 
nwàngor als: vopwellen, doorzijpeleny, van water, dus met dezelfde 
gedachte als rlevens. | 
Tob. B heeft gitifiri. 

Tob. B. heeft gufuru. 

Merkwaardig, dat Isam en Tolol. hier een heel ander woord hebben, 
men zie ook N° 125 vopzetteny, waar hetzelfde ‘t geval is. Het ligt 
dus voor de hand dat tekos een vervangwoord zijn zal. Toch ben ik 
daar niet zoo zeker van. Hetzelfde Oko wat staan» beduidt, beteekent 
ook in alle talen ~zeewaartsy. Nu zegt men nu nog voor rliggen 
gaan” idu-isa rliggen, landwaartsy. Zou het nu ook kunnen zijn, 
dat het oorspronkelijk was: vstaan zeewaartsy tekÒs-òko, liggen 
landwaartsy idu-isa, maar dat tekds-dko afgesleten is, zoodat de 
eene partij alleen het hoofdwoord tekòs behouden heeft, en de anderea 
alleen het achtervoegsel-richtingaanduider zok or ? 


IETS OVER DE ‘TERNA'‘TAANSCH-HALMAHERASCHE ‘TAALGRUEP. 405 


Galeéla. Tobélo. 


| Lòda. | Madole. 
kusi-kusi ' $6 | fuo | huo puo 
oho 157 | adngo waugo wango 
gitipi git wirt | gitihiri 15% gitihin 
tapi | dewi | tobiki tobii 
giiupu | guwuru '  guhuru 15° güulu 
dipa | «iwama dihanga diwanga 
oko | òko | oko 00 
paléla | pélélaka | palélaka paléla’a 
médiri | medirimi | médirihi modidio aha 
boso bòsoko | bòhoko sèpe 
Aso __àsoko |_Àhoko 
tase | tddje | tàhe tàhe 
sésn sèsara. | heéhara barihi 
gusc guse gulie dalihi 
tdsi | tohiki | thi 
dato | datomo | tudu’u 183 
lodi hihi ) duh 
warigi baharama -  baharama 
wohe woére woile 


to 


3 


Beide woorden palis, sisal, zijn ook in andere talen bekend, maar 
met verschillende beteekenis. Men heeft Tob. parihi vafvegen met een 
stoffer”, héhéra „vegen met een bezem~. 


Ik weet deze beide woorden niet te verklaren. v. Baarda geeft op: 
grondwoord: use, maar dat maakt de zaak niet duidelijker. Voor 
dabas, vergelijk Bare'e tawa vinschenkeny. Echter dabas en use 
zijn twee woorden dunkt me, en zelfs weet ik ze geen van tweöen te 
rijmen met Mad. daliki. Voor dat vergelijk Mal. salin, dat in de 
Molukken ook de beteekenis ~inschenken” heeft. 


Mad. heeft hier het woord tudüu, ~steken” vandaar -rijstplanten, 
ook voor vplanteny overgenomen (zie N° 200). 


Het woord wil zeggen vheet in ‘t gevoel, brandend, zooals Spaansche 
peper”; Tolol. heeft een vorm van »warm~, maar Gal. heeft een ander 
woord. Het „waarom” is nog niet bekend. 


Volgens sommigen zou men onderscheiden tusschen waringin de aan 


zee groeiende soort, en baharama, die in ‘t bosch voorkomt~. Ik 
geloof dit echter niet; warigi is ook Tob. als vervangwoord in gebruik. 
Vergelijk Mal. béringin. 


406 


IETS OVER DE TERNATAANSCH-HALMAHERASCHE TAALGROEP. 


Nederlandsch. 





Isam. Tdloliku. 

231 stroom in zee. baus 166 baus 
232 eb goas 187 goas 
233 vloed ae] 165 aéle 
234 voetwond batok .  batok 
235 doorschijnend dòdon |  dddon 
236 hopen nganon berharap 
237 sagovorm golang 170 golang 
288 wringen teol teo 
239 naaien 173 dingi dint 
240 wasschen wokal wokal 
241 beven 176 silosak silosak 
242 regenboog nga wàtol ngawatol 
243 baden lik | - oluk 
244 waterscheppen siduo 177 s10u0 
245 achterkleinkind dòtum dòtum 
246 grootvader | édet éde 
247 tabak rooken suju suju 
248 muis kala we kalawe 
249 springen tébul 17° tébul 
250 lekker sàki 180 saki 

166 


{67 
{68 
169 


SS 





Vergelijk Mal. arus /stroom». 
Deze woorden beteekenen Tob., Gal. ook: 
Vergelijk Mal. air. 


„droogloopen , uitdrogen”. 


Bedoeld zijn: wonden die aan de voetzool voorkomen, gewoonlijk als 
nawonden van de „frambosiar of »Ambonsche pokken». ’t Gebruikte 
batok-batoko beteekent ook: voetangely, dus wellicht: een wond 
zooals die ontstaat, door in een voetangel te trappen, of anders, — want 
de wonden waren wellicht eerder, dan de voetangels — wapenen om 
zulke wonden te maken. Gal. heeft jajo, een woord dat Tern., Tob. 
nmoederr beteekent, en denkt daarbij wellicht aan de eerste- of 
moederwond, der »frambosiay. Dat men het »moederwoordy daarvoor 
aan een andere taal ontleende, — Gal. heeft awa »moeder”, — is 
niet bevreemdend, dunkt me. 

Vergelijk Mal. goréng vbakken, roostereny. In de golang wordt ook 
de sago gebakken, geroosterd. 

Dit komt van Gal. gunangi vsagobakkeny, dat alleen in het Gal. 
voorkomt. Onmogelijk vind ik het niet, dat het toch hetzelfde woord 
is, als wat de anderen hebben. 

Tob. B en D hebben gofoànga. 


IETS OVER DE TERNATAANSCH-HALMAHERASCHE TAALGROEP. 407 











| Galéla. | Tobélo. | Madole. 
7 Lt ee ee 
bau bauhu baus 
va | goaha oaha 
hade aëre aéli 
jajo 169 batoko batoko 
dodo dòdono | dodédono 
ngongano uganono | nganono 
gogunàngi 17! | gohoanga 17? | gowoanga 
teo teo teo 
uri ritt? | uliti 
poka hòka 176 | pòka 
tirine hahara | hahara 
ngawati ngawatéro ngawatéro 
dsi | Òhiki | ohi’1 
si ii hidnoke | siòno” 
dòtu dòtumu |  ddtumu 
éte | ète | dde 
suju dudu !78 | dudu 
lupu | karàhe | pordgi 
umo | ngumo | tébulu 
mongi | hèmöro hémo-hémo. 


_475 Hier zijn twee ideëen: dingi komt van tingi /strakv dus is gedacht 
aan het ~strak trekkeny van den draad; uri-uriti is /rijgen”, en 
. daarbij wordt dus gedacht aan het doorhalen van den draad door het goed. 
174 Tob. B heeft ook dingi. 
125 Tob. B heeft fòk a. | 
176 Hier zijn weer kennelijk meer dan één woord. Ik weet echter géén te 
verklaren. 
7 Dit zijn alle causatieve vormen. Het Gal. komt van ui pvloeiens. De 
anderen misschien van Ono, dnoko reen soort kom» waarmede men 
schepte of scheppen kon. 
178 Tob. B heeft ook huju. Of dit dudu ‘t zelfde is als dudu-dudungu 
„droog, drogen” is niet onmogelijk. 
79 Tob. en Gal. schijnen hier weer een woord te missen, want umo is 
„vallen, werpenr en afgeleid: „sspringenv. 
Het woord sàki beteekent ook ~vet~, ook in Tern. Zou men dus vet» 
lekker gevonden hebben, en vandaar den naam als dien van ‘iets 
lekkers, voor vlekkery gebruikt hebben. Ditzelfde zou ook met Gal., 
Tob. plaats kunnen hebben, hoewel mij nog geen „lekkere zaken» bekend 
zijn, onder de namen voor rlekkerr in gebruik. 





SLOT-BESCHOU WING. 


Wij zien uit dit lijstje eerst eenige algemeene neigingen, als van 
het Madole om de & uit te werpen. Geen enkele maal komt die 
voor. Hij is vervangen door een hamza. Wàioli en Ibu deelen 
die neiging, hoewel niet zoo absoluut. Men zie N° 14 Waioli, 
Ibu, Za'una, N° 25 Waioli Kokotu'u, N° 29 Ibu #èla, 
N° 58 Wàioli kailàa. Het Ibu vervangt de ng regelmatig door 
nm. Het Isam en Tòloliku hebben de meeste gesloten woorden, 
de anderen, met uitzondering van Ternate en Tidore, waar deze 
beslist Maleische woorden overgenomen hebben, absoluut niet. Het 
Gal., Tern. en Tidor. komen tot open woorden door den eind- 
medeklinker weg te laten, de anderen door er een klinker aan toe 
te voegen, natuurlijk behoudens de uitzonderingen. Of oorspronkelijk 
alle woorden gesloten geweest zijn, weet ik natuurlijk niet, ik zou 
het echter niet denken. | 

Klankverwisseling is heel veelvuldig. Hierbij zullen wel dezelfde 
wetten gevolgd zijn als bij andere taalgroepen. De overgang van 
s in A is heel veelvuldig. Het Tobeloreesch gebruikt heelemaal geen 
s meer, maar heeft die voorgoed door A vervangen. Men vindt, 
het lijstje volgende, deze overgangen : 7, d, 4, 4, d‚r,l, A, b.v.b. 
N° 11: jou, dòhu, djou, Jou, dou, rou, lou, Aohu, 
Ne 4: djdm, d3do, Òdjomo, domo, ddomo, dromo, 
Òlomo, oho; verder w, p, 4, f,b.v.b. N° 13: ngowà, ngòpa, 
ngòhaka, ngòfaka, N° 35: ngéwéka, ngòpëdéka, ngo- 
heka, ngofeka. 

De / en r wisselen gestadig af. Het komt mij voor dat / het 
oudste moet wezen, want in het Tobéloreesch, waar nu de r 
domineert, leert de moeder haar kind spreken met / en later pas 
neemt het de r over. Zij zegt b.v.b. vóór Okéle, inplaats van 
Okére, Aàhili inplaats van Aàhiri. Op school geeft dit zelfs 
moeite, daar de kinderen lezende, nog dikwerf 7 en r door elkaar 
mengen. Verder komt het mij voor dat heel veel verscheidenheid 
ontstaan is door klankverspringing en omzetting der lettergrepen. 
Dit alles kan ik echter slechts vluchtig aanduiden, omdat ik niet 
genoegzaam bekend ben met wat reeds vastgesteld is omtrent de 
wetten van dit alles voor andere taalgroepen. Ik laat dit dus gaarne 


IETS OVER DE TERNATAANSCH-HALMAHERASCHE TAALGROEP. 409 


aan bevoegde beoordeelaars en ervaren opmerkers over. Ik hoop 
alleen, dat, wat ik gaf, aanleiding kan zijn voor de taalgeleerde 
wereld om deze taalgroep haar aandacht te schenken ; ik geloof dat 
zij die overwaard is. 

Ik merk nog op dat, hoewel geschreven heel veel overeen- 
komst is tusschen deze talen, gesproken heel veel verschil bestaat. 
In de eerste plaats draagt daartoe bij het verschillend leggen van 
den klemtoon. Het Galéla b.v.b. verandert den klemtoon nooit door 
toevoeging van achtervoegsels, het Tobélo brengt den klemtoon 
juist op het achtervoegsel over; het Madole spreekt de exponenten 
v, ma, etc. uit, alsof deze een integrerend deel van het woord 
zijn en geeft die den klemtoon, enz. Op het gehoor is tusschen 
deze talen heel wat verschil, zoodat men elkaar over en weer niet 
verstaat. In de uitspraak is ook de een veel moeilijker dan de 
andere. Het Tobèloreesch spreekt heel moeilijk en hoewel het door 
vele niet-Tobeloreezen verstaan wordt, wordt het toch door lieden 
van andere stammen gesproken, eenvoudig omdat men bang is, het 
niet goed uit te spreken. Daarentegen spreekt de Tobelorees heel 
gemakkelijk andere dialecten, natuurlijk omdat zijn eigen hoogst 
moeielijke tongval, hem bij het spreken van andere talen nooit op 
bezwaren doet stuiten. 

Hoe lang deze talen reeds gescheiden zijn? Hoogst moeilijk uit 
te maken. Dat echter het ‘van elkaar af wonen, geholpen door de 
gewoonte om vervang- of wisselwoorden te gebruiken, spoedig ver- 
schil doet ontstaan „ blijkt b.v.b. uit het Tobeloreesch zooals dat nu 
gesproken wordt door de Tobeloreezen uit het district Tobèlo, die 
uit het district Kau en die uit het district Dodinga. Die drie 
groepen zijn zeker nog niet meer dan 150 jaar van elkaar gescheiden 
geweest, hebben daarenboven als stamverwanten geregeld verkeer 
met elkaar geoefend, huwelijken over en weer zijn geen zeldzaam- 
heid en toch wordt het verschil reeds aanmerkelijk. Men denke aan 
de Tugutil’s, toch zeker ook nog niet langer dan 150 jaar van de 
Tobélo’s afwonend, eu wel wat sterker gescheiden, omdat een 
huwelijk met hen door de Tobélo’s n u als een mesäillance beschouwd 
wordt, maar wier taal nu ook al sterk afwijkt, al is nu ook alles 
nog als één taal te beschouwen. 

Dat de talen, op het overige deel van Halmahèra gesproken, 
niet meer tot deze groep behooren, is buiten twijfel. Wij zijn er 
niet zoo goed mede bekend tot heden als met die van de besproken 
groep, maar weten toch dat daar nog gesproken worden: het Buli, 


410 IETS OVER DE TERNATAANSCH-HALMAHERASCHE TAALGROEP. 


Maba, Bitjoli, Patani, Sawai, Weda en Gane. Het is 
zelfs mogelijk dat er nog meer zijn, maar wij weten dat nu nog 
niet. Aangezien echter de zending begonnen is, ook in dat gedeelte 
te arbeiden, mogen wij spoedig gegevens daaromtrent verwachten. 
Dit echter is wel zeker, dat al die talen geen overeenkomst 
hebben met deze groep, maar wel met de Papoesche. Niet alleen 
dat de woorden geheel andere zijn, maar ze missen ook volkomen 
de eigenaardige vorming van het werkwoord met behulp van het 
tweede gedeelte van het persoonlijk voornaamwoord, dat de Ternat. 
Halmahera-groep onderscheidt. Om het verschil in woorden te be- 
wijzen, laat ik hier nog volgen een lijstje van woorden der 
Buli-taal, zooals die indertijd door een Ambonsche goeroe voor mij 
opgeschreven zijn, met achtervoeging van het oorspronkelijke woord 
uit de besproken taalgroep, en het verschil zal dan terstond in het 
oog springen. Ik kan natuurlijk niet voor de juistheid van die 
woorden instaan, maar het is toch voor het doel genoeg ze aldus 
te geven. Wie dan de moeite nemen wil, deze Buli-woorden te 
vergelijken met de correspondeerende Nufoorsche uit het 
Nufoorsch-Hollandsch Woordenboek van den Heer v. Hasselt, zal 
mij ook hierin gelijk geven, dat we hier te doen hebben met een 
lid van den Papoeschen taalstam. ! 


1 Wat in den laatsten tijd, door de onderzoekingen van den Heer G. Maan, 
bekend geworden is omtrent de taal der Sawaiers, bevestigd dit vermoeden 
volkomen. 


— 


243 


IETS OVER DE TERNATAANSCH-HALMAHEBASCHE TAALGROEP. 411 








Hollandsch. 


hoofd 
neus 
haar 
eten 
sterven 
kind 
hond 
water 
prau w 
visch 
huis 
pinang 
vrouw 
man 
naam 
binden 
tuin 
tong 
hand 
steen 
el 

oog 
mond 
buik 
vuur 
slapen 
deur 
opstaan 
weg 
ingaan 
hooren 
geven 
drinken 
lang 
tand 
kanarienvot 
sago 
kelapa 
olie 
breed 
leven 
stelen 


baden 





bobokor 
guguor 
uta 

sell 
mat 
wawal 
fun 
waja 
pélang 
yan 
ebai 
paliu 
mafin 
man 
tdnjo 
pitang 
bet 
fableor 
kakamor 
pat 
tolo 
araro 
mor 
njaor 
jaf 


_ tamtoal 


ba wa 
paling 
lalim 
sum 
melongna 
pol 

dom 
emlanga 
smor 
sben 
pup! 
waga 
egat 

sal 

tup 

lois 
sisop 


| 


saëk 
ngunuug 


ngéwéka 
naur 
lomang 
piliku 
lédi 
akil 
giam 
maling 
gosi 
lako 
ulu 
pokel 
uku 
tjolok 
ngoran 
momik 
ngekom 
wosam 
Isen 
ike 
dkel 
kulut 
ingil 
njial 
etok 
igon 
golol 
ngoat 
wango 
tosik 
osik 


De voor de woorden geplaatste cijfers, correspondeeren met die in 
de voorafgaande woordenlijst. 


Haarlem, November 1907. 


A. Huerrne: 


BIJDRAGE TOT DE KENNIS DER VEREERING 
VAN WISNU OP JAVA 


DOOR 


Dr. H. H. JUYNBOLL. 


Men weet thans van de godsdienstvormen, die vóór den Islam 
op Java geheerscht hebben, genoeg om te kunnen vaststellen, dat 
het Wisnuisme naast het Ciwaisme en het Noordelijke Buddhisme 
of Mahäyänisme daar slechts een zeer bescheiden rol gespeeld heeft. 

Dit blijkt o.a. uit het betrekkelijk geringe aantal Wispu-beelden, 
die het Bataviasche en Leidsche Museum bezitten, als men dit 
vergelijkt met de groote menigte Buddha-, Bodhisatwa- en 
Ciwa-beelden, om van de Durgä- en Ganega-voorstellingen — 
niet eens te spreken. De vele Wisnu-beelden, die Leemans in 
zijne Beschrijving der Indische oudheden van het Rijks-Museum van 
Oudheden vermeldt, zijn bij nader onderzoek gebleken, voor het 
meerendeel Ciwa- of Buddha- resp. Bodhisatwa-beelden te zijn. 

In de Oudjavaansche letterkunde treft men nog veel minder 
sporen van Wisgu-dienst dan van Mahäyänisme aan. Zelfs het 
Mahabharata, dat oorspronkelijk sterk Wisnuitisch getint was 
en waarin Krsna, een van Wisnu's awatära's naast de 
Paindawa’s een hoofdrol vervult, is in het Oudjavaansch geheel 
Ciwaïtisch bewerkt. In het begin van het Agramawäsaparwa 
b.v. wordt Ciwa in een zeer corrupte äryästrophe aangeroepen 
en in het begin van het Adiparwa treedt Ciwa als schepper op, 
terwijl in den Sanskrt-tekst Purusa-Brahma als zoodanig ge- 
noemd wordt. 

Toch vindt men in de onuitgegeven Oudjavaansche literatuur 
eenige tooverspreuken, die wijzen op vereering van Wisnu 
o.a. in zijn awatära als Narasingha en van zijn wähana 
Garuda. Daar deze mantra's alleen in handschrift bestaan, 
schijnt het mij van belang toe, deze meer algemeen bekend te 
maken, ook in verband met de Narasingha- en Garuda-beelden. 
Beginnen wij met de mantra's ter eere van Narasingha. Een 


BIJDRAGR TOT DE KENNIS DER VEREERING VAN WISQU OP JAVA. 413 


hiervan ontleenen wij aan cod. 5320 leg. Warn. (uit de Lombok- 
collectie), een émbat-ëmbatan van 7 folia. Dit palmblad- 
handschrift begint met Ciwaitische spreuken, die men moet uitspreken 
bij de reinigingen met water (akékémuh en adyus, d.1. het 
spoelen van den mond en het baden), om de zonden te doen ver- 
dwijnen, zooals de Oudjavaansche schrijver zich uitdrukt: sâsing 
dosa hilang donya (het verdwijnen van alle zonden is het doel 
ervan). Daarna volgt (op regel 4 van fol. 1 b) een mantra, die 
Narasinghadhyäna heet en waarin elk van zijne attributen 
afzonderlijk aangeroepen wordt, zoodat aan het slot staat: Katu- 
duhan ira sang hyang astra iki (dit is de aanwijzing der 
goddelijke wapens). Met het oog op de belangrijkheid voor de 
iconographie geven wij hier dezen mantra in zijn geheel in 
transcriptie weer : 

Om Narasinghäya sarwacatruwinäcäya pat. Narasingha- 
dhyana sahästra nira. 

Um hrum khadgecwaräya sarwagatruwinäcäya pat; pür, ma, 
um hrum cangkhapäùcajanväya sarwagatruwinäcäya, pat, 
gneng muka, ma, um hrum cakrasudarcanaya sarwagatruwi- 
nägäya pat, da, muka, ma, um hrum gad aya sarwagatruwinäcäya 
pat, neng muka, um hrum capaya sarwagatruwinägäya pat, pa, 
muka ma, um hrum, caräya sarwagatruwinäcäya pat, ba, muka, 
ma, um hrum tangkäya sarwagatruwinäcäya pat, u, muka ma, 
um hrum ardhacandräya sarwagatruwinäcäya pat, u, muka, 
ma, sma, katuduhan ira sang hyang astra iki. 

Hieruit ziet men, dat achtereenvolgens aan Narasingha en al 
zijne attributen hulde bewezen wordt. Achter ieder volgt het epi- 
theton: sarwagatruwinäcäya (aan den verdelger van alle vijanden). 
Als zijne attributen worden genoemd: het zwaard (khadga), de 
schelphoorn (Gangkha) Päùcajanya, de discus Sudarcana, de 
knots (gadä '), de boog (cäpa), de pijl (cara), de beitel 
(tangka) en de halve maan (ardhacandra). De tusschengevoegde 
woorden zijn gedeeltelijk uitroepen, heilige syllaben (um hrum), 
gedeeltelijk aanwijzingen van de richting, waarheen men zich moet 
wenden bij het opzeggen van den mantra. 

De volgende wordt verdeeld in den tikspa mantra, waarbij 
men zich Narasingha in zijne vreeswekkende gedaante voorstelt 
en den somyamantra (Skr. saumvyvamautra), waarbij hij in 


' De naam van deze (Kaumodaki), die men hier zou verwachten, komt 
in den mantra niet voor. 


414 BIJDRAGE TOT DE KENNIS DER VEREERING VAN WISQU OP JAVA. 


zijne weldadige hoedanigheid gedacht werd. Deze mantra's luiden 
als volgt : 

Om Narasinghäya namah. 

Ugra wispumahäwiryam jwalantam sarwatomukham. 

Nrsinghabhisanam mrtyumrtyun namämy aham. 

Tiksnamantra iti. 

Om hrum grimän Nrsinghagaranam garapo pramadhye cri- 
mate Nrsinghäya namah. Somyamantra. 

Iti bajra Narasingha kahilangan ing catru don ira 
mwang cariraraksaka. 

De vertaling der laatste Oudjav. woorden luidt: Dit is de 
wajra van Narasingha, die de verdelging der vijanden en 
eigen bescherming (of bescherming van het lichaam) ten doel heeft». 

Ten slotte nog: Om Narasinghäya namah. 

Taptahatakakecagra jwalatprabhakalocanah , 

bajradhikanakhasparca dibyasingha namo’stu te. 

Iti Narasinghäyudha, ripusanghära don ira, uccä- 
rapäkna ri tatkäla ning yuddhakrama, haywa luptan. 

Het Oudjavaansche slot beteekent: ~Dit is de Narasingha- 
yudha, welks doel het is de vijanden te verdelgen. Men moet dit 
uitspreken tijdens den strijd en men moet het niet verzuimen”. 

De naam van den geheelen mantra is dus Narasinghäyudha. 

Een anderen Wisnuitischen mantra vindt men in cod. 5825 (leg. 
Warn.). Deze heet Wisnustawa (lof van Wismu) en begint 
als volgt : 

Om om namo Wisnu trimukhanam, trinayana, caturbhujam, 
krsnawarna sphatikandah, sarwabhisapanilanam, cakrahasta mahä- 
tiksna, ätmaraksa hamprusthänah, amrtaijiwano dewa, sarwa- 
catruwinaganam. Pat, swâhâ ! 

De Oudjavaansche vertaling (?) luidt: Hidép bhatara Wisnu ri 
tiktanta, matrinayana, caturbhuja, pinakästra cakra, sahabhüsana. 

Zooals men ziet geeft dit slechts een gedeelte van de verknoeide 
Sanskrtwoorden weer, want de O. J. woorden beteekenen : „Weet, 
dat god Wispu in uw lever is, hij heeft drie oogen en vier 
armen, de cakra strekt hem tot wapen, hij is versierd». 

Eigenaardig is in dezen mantra, dat Wisnu hier met drie 
hoofden voorgesteld wordt, dus als Trimurti. Met vier armen 
wordt hij gewoonlijk ook in de steenen en bronzen Oudjavaansche 
beelden afgebeeld en de cakra is in die beelden een zijner vier 
gewone attributen. De samenstelling hamprusthänah is hybri- 


BIJDRAGE TOT DE KENNIS DER VEREERING VAN WIsnu OP JAVA. 415 


disch, daar zij uit het O.-Jav. ham pért (vgl. Mal. hampédu 
enz.) = „gal, levery en het Skr. woord sthana (plaats) bestaat. 
Daarentegen zou de O.-Jav. vertaling ri tiktanta ' (letterlijk : in 
uwe bitterheid) zonder het woord ham prusthanah onduidelijk zijn. 

De voorstelling, dat goden in de verschillende lichaamsdeelen 
zetelen, komt bijna in al deze tooverspreuken voor. Na de invoering 
van den Isläm zijn de Indische godennamen eenvoudig vervangen 
door die der Moslimsche profeten, van Adam tot Mohammad. 

Het slot van dezen mantra is van minder belang, daar Wisnu 
er niet meer in genoemd wordt. Het begint met: „Ah siti pralina 
moktah, siddha lépas, mijil saking tan hana” euz. 

Het begin van cod. 5382 (leg. Warn.) wordt gevormd door een 
mantra, die ook Wisnustawa heet, evenals cod. 5325, doch 
daarvan afwijkt. Deze luidt aldus: 

Om namo’stu Purusottamäya, paramaripu, parapuraharaga, 
paräkramäya ...... 

Mahäbaläya ca, jägraswapna, supta, turya caturbhujäya, 
Narayana, Narasinghawämanäya, Narajanärdhanäya, 
Janagadäyudhi Dänawäntaka, Ripumadana Päùcajanya, Sudar- 
canayudhaya, daityadänawa, yaksa, raksasa, picäcabhütagapa..… 
gandharwa madhuragita, surawidyädhara, rsiprabhrti.... 

Puruso’nantasamudracrayi, khagawarawarendracri priyo, dhanapriyo, 
Waigrawanänggako'sman, raksa tasman, gopayantu swaha ! 

Hierbij zijn de al te corrupte plaatsen weggelaten. Men ziet, 
hoe Wisnu hierin aangeroepen wordt, o.a. als vierarmig, ook in 
zijn Narasingha- en wämanäwatära, waarbij drie van zijne 
bekende attributen genoemd worden : de knots (gada), de cangkha 
Paicajanya en de cakra Sudarcana. Hij wordt de opperheer 
van allerlei booze en goede geesten genoemd (daitya, dänawa, 
yaksa, räksasa, picäca, gandharwa, widyädhara enz.) 
Ook Garuda, de voortreffelijkste der vogels (khagawara), wordt 
niet vergeten en Wignu wordt als belichaming van Waicra wana 
(Kuwera) beschouwd. De bescherming van al deze wezens wordt 
in dezen mantra aangeroepen. 

Uit de Oudjavaansche woorden aan het slot blijkt het doel, 
waarmede deze tooverspreuk uitgesproken wordt: ~Atmaraksa don 
ira, apan sira mahäwicesar of: rEigen bescherming is het doel 
ervan, want hij is zeer uitstekend. 


1Tikta is een synoniem van pahit. Vandaar de naam Wilwatikta 
voor Majapahit. 


416 BIJDRAGE TOT DE KENNIS DFR VEREERING VAN WISQU OP JAVA. 


Op dezen Wisnuïtischen Wisnustawa volgt in hetzelfde hand- 
schrift een zuiver Ciwaitische mantra, die Trilokyawijaya 
heet, doch dien wij hier niet verder bespreken. 

Een vierde Wisnuïtische mantra is de Wisnupaùjaram, 
die voorkomt in cod. 5819 en 5381 leg. Warn. Deze begint met : 

Om cri Wisnupanjaram diwyam, abhedyam dustäwaragam , 
ugratejo mahäwiryam, sarwacatruwinacanam. 

Tripuran dahyamänantu, brahmanam igwarangkrtam. 

In dezen mautra worden de verschillende namen en incarnaties 
van Wisnu als beschermers van de lichaamsdeelen voorgesteld, b.v. : 

Pado raksantu Gowindo, janggabhyan ca Triwikramah, 


Urwantang Kegawo rakset, prsthe raksantu Wamanah...... 
Bahu dwo Wasudewag ca, Narasingha hrdisthitah, kanthe 
raksantu Waräahah, Krspac ca mukhamandalam..... - 
Netre Naäräyano rakset, lalate Garudadhwajah, kapale 
Wainateyag ca, Kegawo cirahsamstitah...... 


Ook als in de windstreken te zetelen worden zij voorgesteld, b.v.: 
Pirwecyam Pundarikaksa, ägneye Cridharas tatha, 
Purusottamo wärugyäm, wäyawyäm Pitawäsasah. 
Gadadharac ca kowiryäm, aigänyäm Caugkham adhisthet. 
Patalang Ktirma raksantu, äkägag ca Sudarcanah...... 

Wisnupanjaram Wisno'ham, wicaraémi mahitale, rajadware pate 
gore, sanggrame ripusangkate...... 

Dakinibhititapretesu bhayo nästi kadäcana, aputre labhate putrah, 
dhanahino dhanam labhet, mucyate sarwarogesu, Wisnulokam sa 
gacchati. 

Uit de laatste woorden blijkt het doel van den mantra: hij 
beschermt tegen allerlei booze geesten (dakini’s, bhiita’s en 
preta’s) en tegen de vijanden in den strijd, geeft kinderen aan 
kinderloozen en geld aan armen, verlost van alle ziekten en wie 
dezen mantra reciteert, gaat naar Wisnu’s hemel. 

Aan het slot staat: »I[ti sang hyang Wisnupanjaram, 
mahabhara, haywa palépaléh”; d.i: „Zoo luidt de Wisgu- 
paiijaram. Deze is zeer belangrijk en men moet hem niet gering- 
schatten”. 

Behalve deze vier mantra's, bestaat er nog een vijfde, die 
bepaaldelijk aan Wisnu in zijn awatära als Narasingha 
gewijd is. Deze heet in cod. 5317 leg. Warn. prayoga sang 
hyang Narasingha en daarin wordt o.a. zijne overwinning op 
Hiranvakacipu bezongen. Dezelfde mantra komt voor in cod. 


BIJDRAGE TOT DE KENNIS DER VEREERING VAN WISQU OP JAVA. 417 


5818 en 5819 leg. Warn., doch heet daar (in cod. 5819) Astaka 
Narasingha. Daar echter deze tooverspreuken uitsluitend uit 
verknoeide Sanskrtverzen bestaan, zullen wij die verder niet be- 
spreken, te meer omdat de bovengenoemde reeds voldoende aan- 
geven, hoe dergelijke spreuken er uitzien. 

Van meer belang is de Garudeyamantra, waarvan verscheidene 
hss. bestaan, o. a. cod. 8890 leg. Warn. (uit het legaat Van der 
Tuuk) en cod. 5155, 5251, 5806 en 5822 leg. Warn. (uit de 
Lombok-collectie). Het begin hiervan gelijkt veel op de dharani’s, 
die Foucher in het tweede deel zijner Etude sur l'icono- 
graphie bouddhique (1905) uitgegeven heeft, voor zoover ook 
hier nauwkeurig wordt aangeduid, hoe de god, dien men wil aan- 
roepen, er uitziet. Voor de iconographie kunnen dergelijke mede- 
deelingen groote waarde hebben. Uit de Sanskrtverzen, die op den 
Oudjavaanschen tekst volgen, blijkt dat het begin van dezen tekst 
verloren is gegaan. 

De Garudevamantra' luidt als volgt : 

Nihan tingkah sang hyang Garudeya. Hidép carira nira kuning 
warna ning suku nira, makahingan ing tir, putih warna ning 
pupu nira, makahingan ing nabhi, mirah warna ning dada nira, 
makahingan ing gulti, hiréng warna ning muka, makahingan ing 
cirah mwang patuk, trinayana, caturbhuja sira, bajrâstra. Mangka 
ta hidépa nira. 

De vertaling dezer Oudjavaansche woorden is: ~Als volgt is de 
Sang hyang Garudeya. Weet (of: stel u voor) zijn lichaam, 
geel is de kleur zijner voeten, tot de knieën, wit de kleur zijner 
dijen tot zijn navel, rood de kleur van zijn borst tot zijn keel, 
zwart de kleur van zijn gelaat tot zijn hoofd en zijn snavel. Hij 
heeft drie oogen, vier armen en den wajra als wapen. Zoo moet 
men hem zich voorstellen». 

Daarop volgen deze Sanskrtverzen : 

Mahaäbhairawarüpaù ca sudängstra raktalocanah , 

mahanaso mahagriwo bävuwegasamäcritah (1). 

Jndnah kaficanawarnac ga ? näbhig caiwacalakrtih, 

kanthag caiwarkasannibhah ürdhwäbhinnaä % janäkrtih (2). 


' De geschiedenis van Garuda was op Java bekend. Zij komt voor in het 
Oudjav. Adiparwa (p. 36—45 mijner editie). 
2 Misschien te lezen: Jfieyah afijanawarnacca (?) Conjectuur van 
Prof. Speyer. 
3 Lees: murdhabhinnaf(?), volgens Prof. Speyer. 
7 Volgr. VI. 28 


418 BIJDRAGE TOT DE KENNIS DER VEREERING VAN WISQU OP JAVA. 


Mahapitain bhawed warnam jänwantam pädamülakam, 
mahäcwetam bhawed wargam näbhvantam ürumülakam (3). 
Maharaktam bhawed warnam hrdmilantalukantakam , 

mahäkrspam bhawed warnam wadanadicirantakam (4). 

Zooals meu ziet, zijn vers 1 en 2 niet in het Oudjavaansch 
vertaald, terwijl daarentegen de laatste regels van den Oudjav. tekst 
(van trinayana caturbhuja af) in het Sanskrt ontbreken. 

Ten slotte volgen nog deze Oudjavaansche woorden : 

Tlas pwa kahidépau ira, dëlö kang pinangan kinasangcayan. O m 
äksipäya namah, ma, wigäpaha. Télas kahidépa tamrta iking 
pinangan tëmahauya. Nihan mantra: Om, am. Khagaräjäya 
namas swähä. Télas pwa, andélakén ing padma hrdava, wijäkgara 
nira. Nihan kasimpénan ira sang hyang Garudeya. Om, hksam, 
om, uicwasa kuta nira. Japa nira muwah, lwéh kunang mantra 
muwah: Om kuku ni kukuni wisahari, wisahariharan, 
yam, lam, mam, bham, wisadaham swaha. Mantra pangi- 
lang sarwa lwéh wisa huwus kapangau. Om, yam, bayutatwa, 
hiréng. Om lam, tejatatwa kumng. Om hksam namah om 
him, namah. Délé wiga, ma, om, iskara cabda bhatári mangha- 
nakén, iskara bhatära manghëlakën. Iti sang hvang Garudeya 
samäptam. Rahasya sira, kayatnäkna de sang sadhaka. 

Uit dit slot blijkt, dat men dezen mantra moest opzeggen vóór 
het eten, ten einde beveiligd te zijn tegen vergiftiging. Waarschijn- 
lijk gold Garuda als vijand der slangen tevens als beschermer 
tegen hun vergif. Vandaar de woorden wisäpaha, wisahari, 
wisadaha enz. in de tooverspreuk. 

De laatste woorden beteekenen : „Hiermede is de Sang hyang 
Garudeva voltooid, Het is een geheime spreuk, die de geloovige 
met zorg moet bewaren”. 


Na de behandeling der teksten gaan wij over tot de Oudjavaansche 
beelden, ten einde te zien, in hoe verre deze aan de in de teksten 
genoemde vereischten voldoen, wat de attributen van Wisnu en 
de kleuren enz. van Garuda aangaat. Voor het laatste kunnen wij 
alleen de moderne Balineesche beelden vergelijken. 

Wat de attributen in de vier handen der steenen: Wisnu- 
beelden betreft, deze bestaan uit den cakra Sudarcana, den 
cangkha Pancajanya, den lotus en de gada. De laatste komt 
zelden bij de steenen beelden voor (bij die van ’s Rijks Ethnogr. 
Museum slechts eenmaal), doch wel bij de bronzen beelden. Alleen het 


BIJDRAGE TOT DE KENNIS DER VEREERING VAN WISDU OP JAVA. 419 


steenen beeld, dat Leemans in zijne Beschrijving der Ind. oudheden 
van het Rijks-Museum van Oudheden (n° 6) Wisnu noent, ! 
heeft in de achterste rechterhand het boveneinde van een afgebroken 
knots. Naast den god staan twee vrouwen, die Leemans Laksmi 
en Satiavana noemt. De laatste naam is eene verbastering van 
Satvabhaäma (in het inventarisstuk staat: Satiavama). Als dit 
juist is, moet de andere vrouw Rukmini en het hoofdbeeld 
Krsna voorstellen. 

Bij de bronzen Wisnu-beelden wordt deze god gewoonlijk met 
Garuda voor op het voetstuk voorgesteld. Garuda heeft daarbij 
de gedaante van een gevleugelden man inet vogelsnavel. 

Behalve deze gewone Wisnu-beelden (ten getale van vijf, 
waarvan drie met Garuda) bezit ’s Rijks Ethnogr. Museum sedert 
November 1907 ook nog drie awatära’s van Wisnu, die daar 
tot nu toe ontbraken, nl. den Matsyäwatära, waarbij Wisnn 
met menschenlichaam, dat in een vischstaart uitloopt, voorgesteld 
wordt, evenals op plaat 5, fig. 2 van Coleman’s Mythology 
of the Hindus; den Waraähaäawatära, waarbij hij als een man 
met een everzwijnkop, met den cangkha, lotus, gada en cakra 
als attributen, op Hirayyaksna’s buik staat, evenals plaat 7, 
fig. 1 van Coleman’s boven aangehaald werk en als het steenen 
beeld n° 2la in Batavia (Not. Bat. Gen. XXX, bijlage XIX). Ten 
slotte de Narasinghäwatära, die met het oog op den boven 
medegedeelden mantra voor ons het meeste belang heeft. 

Dit laatste beeld (Serie 1630/81) is eene voorstelling van een 
zittenden vierarmigen man met leeuwenkop, die bezig is met zijne 
nagels de borst en buik van Hiranyakagipu, die op zijn schoot 
ligt, te verscheuren. Ook het Bataviaasch Genootschap bezit van 
dezen vierden awatära van Wisnu een bronzen en twee steenen 
beelden, resp. n° 49la, 21 en 2la (Not. Bat. Gen. XXVIII, pag. 
LXVIIL en XXXI, bijlage XVIII). In deze Javaansche beelden nu, 
zoowel als in eene Indisch, afgebeeld bij Coleman, |. c. plaat 8, 
figuur 1, wordt Narasingha geheel ongewapend voorgesteld. Op 
eene andere plaats echter, nl. in de Milloué’s Petit guide 
illustré au musée Guimet (Paris, 1894, pag. 17) wordt 
Narasingha zesarmig afgebeeld, o.a. met den cangkha als 
attribuut, Aan eene dergelijke voorstelling , doch met meer attributen, 
moet de mantra Narasinghävudha beantwoorden. Er bestaat 


''Thans is dit beeld geïnventariseerd als Serie 1403/1859. 


420 BIJDRAGE TOT DE KENNIS DER VEREERING VAN WISNU OP JAVA. 


hier dus tusschen de teksten en de beelden zeer weinig overeen- 
stemming. 

Evenzoo is het gesteld met de Garuda- voorstellingen, vergeleken 
met den mantra Garudeya. Van het voorkomen der oude Ja- 
vaansche Garuda-beelden kan men door de raadpleging der platen 
S— 11 achter de verhandeling van dr. Brandes over ~De ver- 
zameling gouden godenbeelden, gevonden in het gehucht Gémoeroeh 
bij Wanasabar (Tijdschr. v. Ind. T. L. en Vik. XLVII, pag. 
552— 577) zich een duidelijk denkbeeld vormen. Daaruit blijkt, dat 
hij nergens met drie oogen of met vier armen voorgesteld wordt, 
zooals in den Garudeya mantra. 

Wat de kleuren betreft, hierbij moet men zich bepalen tot de 
vergelijking der Balische houten beelden, die Wisnu op Garuda 
voorstellen. Bij de nieuwere beelden, die 's Rijks Ethn. Museum 
hiervan bezit, o.a. die welke in September 1907 ten toon gesteld 
waren, ! beantwoordt geen enkele kleur aan die, welke de mantra 
voorschrijft, doch bij een oud beeld, uit het Kabinet van zeldzaam- 
heden (Serie 8360/7224) wordt Garuda werkelijk met een zwart 
gelaat voorgesteld, zooals de mantra zegt: hiréng warna ning 
muka. Misschien is dit nog een overblijfsel van de oude traditie. 

De conclusie, waartoe wij komen, is deze: de Javaansche Wis- 
nuieten plachten vóór het eten den mantra Garudeya te 
reciteeren, in de meening, dat de aanroeping van den vijand der 
slangen voor hen een talisman zou zijn tegen vergif, zoo dit met 
de spijzen vermengd was. Voordat zij ten strijde trokken, reciteerden 
zij den mantra Narasinghäyudha, in de hoop, dat de wapens, 
die daarin genoemd werden, hunne vijanden zouden verslaan. 
Tusschen de wijze van voorstelling van Narasingha en Garuda 
in die mantra's en in de steenen, bronzen en houten beelden, 
voor zoover wij die kennen, bestaat echter geen overeenkomst. 


1 Dr. H. H. Juynboll, Gids Tentoonst. v. voorwerpen uit Bali, pag. 28, 
n° 186 en 187. Zie ook de daar aangehaalde werken van Pleyte (Indonesian 
Art), Mever (Alterthümer) en de Milloné (Cat. Mus. Guimet). 


EENE BIJDRAGE TOT DE GESCHIEDENIS 
DER REGEERINGS-REGLEMEN TEN 
VAN NED.-INDIE 


DOOR 


P. H. VAN DER KEMP. 


In 1848 werd te Batavia ter Landsdrukkerij uitgegeven eene 
„Verzameling van Instructien, Ordonnancien en Reglementen voor 
de Regering van Nederlandsch Indië, vastgesteld in de jaren 1609, 
1617, 1682, 1650, 1807, 1815, 1818, 1827, 1830 en 1886, 
met de ontwerpen der Staats-Commissie van 1808 en Historische 
aanteekeningen”. Deze voor de geschiedenis van het staatsrecht 
onzer Oost-Indische koloniën hoogst belangrijke stukken waren be- 
zorgd door M". P. Mijer. Niet het minst verdienstelijk was de 
openbaarmaking van het rapport der Staatscommissie van 1808 met 
de uit die consideratiën voortvloeiende bijlagen, waaronder het 
ontwerp-Charter. 

Dan echter stuiten wij op eenige hiaten. 

Het stuk van 1803 is niet bij ontwerp gebleven, maar door het 
Staatsbewind vastgesteld den 27°" September 1804, al is het nooit 
in werking getreden. 

Vervolgens is d.d. 27 Januari 1806 een Regeerings-Reglement 
vastgesteld door den Raadpensionaris Schimmelpenninck ; dit stuk, 
dat mede nooit in werking kwam, is eene belangrijke schakel in de 
reeks; uiet alleen wegens den naam, maar speciaal omdat het 
Reglement van ‘15 zich meer aansluit bij dat van °06 dan bij het 
Charter van ‘04, zoodat de mededeeling in de Handleiding van 
den hoogleeraar De Louter (5°. druk, 1904), dat het Reglement 
van °15 was „grootendeels geschoeid op het ontwerp-charter van 
1804”, in tweeërlei opzicht voor tegenspraak vatbaar schijnt. 

In een artikel van dit tijdschrift, Nieuwe volgreeks, 1864, 8° deel, 
is door den heer 1). W. Schiff „De koloniale politiek onder den Raad- 
pensionaris Rutger Jan Schimmelpenninck” (bl. 877 v.v.) op zeer ver- 
dienstelijke-wijze kortelijk uiteengezet en dit opstel door hem verrijkt 
met in extenso terug te geven wat aan de verzameling-Mijer ontbrak, 


422 EENE BIJDRAGE TOT DE GESCHIEDENIS DER 


namelijk: het Regeeringsreglement van 1806 met tal van andere 
voor de kennis van het tijdvak gewichtige stukken. In zekeren zin 
is ook dit Reglement van 1806 belangrijker dan de door M*. Mijer 
openbaar gemaakte stukken van 1807, zijnde slechts de bij Koninklijk 
Besluit van 9 Februari 1807 vastgestelde Instructie voor den 
Gouverneur-Generaal, zoomede voor den Gouverneur-Generaal en 
de Raden van Indiën. Het Reglement van '06 is na de verschijning 
in 1865, — tenminste van dat jaar is Schiff's Bijdrage gedagteekend , 
ofschoon het Bijdragen-deel het jaartal 1864 draagt — opgenomen in 
het nuttige boek van M". G.J. Grashuis: „ De Regeerings-Reglementen 
van Nederlandsch-Indië benevens het Charter van Nederburgh”. 

Maar is dan, nadat de stukken van 1806—1807 door het verlies 
onzer koloniën in onbruik geraakt waren, het Regeerings-Reglement van 
1815 zonder voorafgaande gezette heschouwingen tot stand gekomen ? 

De ontkennende beantwoording dier vraag geeft de stof voor 
deze bijdrage, welke alzoo kan beschouwd worden als een vervolg 
op de bijdrage in dit Tijdschrift van 1864—1865. 


‘s-Gravenhage, 6 Maart 1908. 


Zeker zijnde van de ten slotte bij het Londensch tractaat van 
18 Augustus 1814 ons gewaarborgde teruggave der koloniën, was 
reeds te voren te ‘s-Gravenhage door den Souvereinen vorst ge- 
vestigd een Maad van Koophandel en Koloniën, waarvan de provisi- 
oneele instructie werd vastgesteld bij souverein besluit van 25 Juni 
1814, N°, 66, een stuk dat men afgedrukt kan vinden in het 
Tijdschrift van Ned.-Indië 1854, dl. II, bl. 817. Aan die vast- 
stelling was een besluit van 6 April 1814 voorafgegaan, houdende 
de instelling van den Raad met negen leden. Het traktement was 
f 4000 ’s jaars; dat van den secretaris werd gesteld op f 3000. 


De namen der leden waren: 


J. Goldberg; 
_ P. van IJzendoorn; 
J. P. Scholten van Aschat; 
J. C. van der Kemp; 
W. G. van de Poll; 
M. J. Macare; 
J. A. de Mist; 
J. Bourcourd; en 
D. F. Schas. 
Secretaris A. N. Mooyaart. 


REGEERINGS-REGLEMENTEN VAN NED.-INDIE. 4.23 


Aan dit college nu werd opgedragen een Regeerings-Reglement 
le ontwerpen en wel ten gevolge van een aan den departementschef 
van Koophandel eu Koloniën, toen nog geheeten „Secretaris van 
Staat’, gerichte Kabinetsorder van den Souvereinen vorst luidende 
aldus: 


N°. 5. Bij de Raad van Koophandel en Coloniën zal worden 
in overweging genomen: 


1° Welke inrigting van het Coloniaal Bestuur der Oost Indische 
volkplantingen de verkiezelijkste is en door Ons zoude moeten 
worden gearresteerd. 

2° Welke Provizioneele voorschriften omtrent het stuk van den 
Handel op de volkplantingen aan den Gouverneur-Generaal zouden 
behooren te worden medegegeven, en hoe dezelver producten 
ten meesten voordeele van den Staat moeten worden ge- 
realiseerd ? 

Wij verlangen dat daarbij worden in het oog gehouden het in 
1803 ontworpene charter, de nadere bepalingen bij gelegenheid 
der zending van den heer Zlout gemaakt, en de belangrijke in- 
stellingen gedurende het Bewind van den heer Daendels tot stand 
gekomen. 

En daar deze materie sedert lang een voorwerp van de over- 
denkingen, en deze arbeid van vele Leden van gemelde Raad 
geweest is, vertrouwen wij dat deszelfs deliberatiën spoedig tot 
een vruchtbaar einde zullen kunnen worden gebracht en het 
begeerd advis, nog in den loop dezer maand zal opgemaakt en 
ingediend worden. 

Laken, den 1° September 1814. 
Willem. 


Uit deze opdracht is voortgevloeid ‘s Raads advies van 2] October 
1814. Mij dunkt dat dit stuk evenzeer openbaarmaking verdient 
als de Consideratiën van 1803. Daarom laat ik het hier volgen; 
slechts op eukele plaatsen geef ik in noten eenige ophelderende 
aanteekeningen. Het bij het advies gevoegde ontwerp werd geenszins 
ongewijzigd aangenomen. Opmerkelijk is reeds de afwijking bij den 
aanvang en wel met het oog op hetgeen eerlang te doen zal zijn 
over de verhouding tusschen den verantwoordelijken Minister en den 
Gouverneur-Generaal. Volgens art. 2 van het Ontwerp was namelijk 
de »Hoge-Regering van [Indië (Gouv. Gen. en vier Raden] vaan 
onzen Secretaris van Staat voor de zaken van Koophandel en Kolonién 
rekening en verantwoording schuldig van alle hare verrigtingen” ; 


424 EENE BIJDRAGE TOT DE GESCHIEDENIS DER 


was de Landvoogd vaan gemelden Secretaris van Staat ondergeschikt 
en verantwoordelijk”; waren de Hooge Regeering vau Nederlandsch- 
Indië en de Landvoogd „gehouden te gehoorzamen , te executeren en te 
doen executeren alle zoodanige orders, als door voornoemden Secretaris 
van Staat op onze autorisatie” werden gegeven. — Ware dit alles zoo 
vastgesteld, dan zou eerlang de Gonv. Gen. Van der Capellen niet 
op eene hoogst onverstandige wijze zijn gestruikeld over zijn on- 
afwijsbaren plicht tot verantwoordelijkheid aan den Minister en zou 
de minister Elout voor de pijnlijke taak zijn bewaard gebleven om 
in een fraai stuk den Koning uiteen te zetten, hoezeer zijn voor- 
. malige collega der Commissie-Generaal in dwaling verkeerde. In- 
tusschen verving art. 2 van het Reglement van 1815 de hier zoo 
duidelijk gestelde verautwoordelijkheid van den Landvoogd aan den 
Minister, door dien aan den ~Souverein”. 

"3 Raads advies werd vastgesteld in ‘eene zitting van 
18 October 1814, waaraan deelnamen de voorzitter Goldberg, 
zoomede Van IJzendoorn, Scholten, Van der Kemp, Van de Poll, 
De Mist, Bourcourd en Schas. Daarbij werd echter in de notulen 
op verzoek van Scholten aanteekening gehouden, „dat ofschoon Hij 
zoo wel in zijne betrekking van Rapporteur, als in die van Lid van 
den Raad, zich in het generaal met het zoo even gearresteerd. 
Rapport heeft geconformeerd, Hij echter met opzigt tot het realiseren 
der producten met de Commissie tot de Indische zaken van den 
jare 1803 en op diezelve gronden van oordeel is, dat even zoo wel 
als omtrent de fijne speceryen wordt geproponeerd, ook de verkoop 
van koffij en peper, hier te Lande, en voor ’s Lands rekening had 
behoren voorgedragen te worden, met uitzondering alleen van enkele 
gevallen, waarin de hooge nood zulks onmogelijk maakt.” 

Het advies van den Raad van Koophandel en Koloniën, dat 
geleid heeft tot het Regeerings-Reglement van 1815: 


‘es Hage, den 21 October 1814. 


Ingevolge de Kabinets order van U.K.H., gegeven op het Huis 
te Laken 1° Sept" dezes jaars 1814, hebben wij met al die aandacht, 
welke het gewigt der zake vorderde, de stukken vergeleken naar 
welke het U. K.H. behaagd heeft onze deliberatién te verwijzeu, 
om In overweging te nemen: 

1° welke inrigtingen van het civiel bestuur der O. I. Bezittingen 
voor de verkieslijkste is te houden; 


REGKERINGS-REULEMENTEN VAN NED.-INDIË. - 135 


2° welke provisionele voorschriften nopens het stuk van den 
handel op dic bezittingen aan Commissarissen-Generaal en Gouverneur- 
Generaal zouden behoren te worden medegegeven, en hoe hare 
produkten ten meesten voordeele van den Staat moeten worden ge- 
realiseerd. 

En het is in voldoening van Hoogst deszelfs geëerbiedigde bevelen, 
dat wij na gehouden conferentiën met den Heer Elout als een der 
door U.K.H. benoemde Commissarissen-Generaal, in overeenkomst 
en instemming zijner opinién, de eer hebben het resultaat onzer 
bevindingen en gevoelens aan U. K.H. aan te bieden: 

A Ken Concept-Reglement, en de daar op gebouwde en voort- 
spruitende Instructiën, als: 

B. De Instructie voor Commissarissen-Generaal. 

C. De Instructie voor den Gouv.-Geueraal. 

Wij hebben al aanstonds in navolging van h